3-119

3-119

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 23 JUNI 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de toegelaten beroepsarbeid voor arbeidsongeschikte zelfstandigen» (nr. 3-903)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De mogelijkheden voor arbeidsongeschikte zelfstandigen om nog een beperkte beroepsactiviteit uit te oefenen zijn sterk beperkt in vergelijking met de mogelijkheden in de werknemersregeling. Arbeidsongeschikte werknemers mogen, mits goedkeuring door de medische adviseur van het ziekenfonds, onder bepaalde voorwaarden onbeperkt in de tijd hun uitkering cumuleren met een beperkte beroepsbezigheid.

Voor arbeidsongeschikte zelfstandigen is die cumulatiemogelijkheid beperkt in de tijd tot maximum 6 maanden wanneer tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid een andere beroepsbezigheid wordt uitgeoefend en tot maximum 18 maanden als de arbeidsongeschikte zelfstandige zijn vroegere zelfstandige activiteit hervat. De betrokken zelfstandigen ervaren deze ongelijke behandeling als onbillijk.

Reeds in de vorige regeerperiode heb ik aangedrongen op een meer soepele regeling ter zake en heb ik de voormalige minister van Sociale Zaken verzocht de invoering van een blijvende deeltijdse arbeidsongeschiktheid te onderzoeken.

Medio 2004 heeft de minister van Sociale Zaken het Beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen een advies gevraagd over de mogelijke uitbreiding van de mogelijkheden van deeltijdse arbeidshervatting door arbeidsongeschikte zelfstandigen.

In december 2004 heeft hij dat advies, met concrete voorstellen, ontvangen. Toen ik de minister daarover op 9 juni jongstleden in de plenaire zitting van de Senaat ondervroeg, antwoordde hij dat hij een analyse heeft laten uitvoeren `waarbij rekening gehouden werd met de huidige budgettaire context en met de genoteerde verhoging van de uitgaven in ongeschiktheid en invaliditeit in de zelfstandigensector'. Hieromtrent zou regelmatig overleg worden gepleegd met de beleidscel van Middenstand en Landbouw, vooral met het oog op een evaluatie van de budgettaire impact van deze maatregel. De minister gaf evenwel duidelijk te kennen dat we niet te veel hoop moesten koesteren op een spoedige wettelijke regeling.

Het antwoord van de minister van Sociale Zaken ontgoochelde mij enigszins. Het creëren van mogelijkheden voor arbeidsongeschikte zelfstandigen om zonder beperking in de tijd nog op een beperkte wijze arbeidsactief te zijn, net zoals dat in de werknemersregeling wél mogelijk is, is geen louter budgettaire aangelegenheid.

Het is vooral een kwestie van sociale rechtvaardigheid en van een maatschappelijke doelstelling: het vermijden van sociale uitsluiting bij een kwetsbare groep. Overigens, wat het budgettaire aspect betreft, mag men niet vergeten dat arbeidsongeschikte zelfstandigen die nog een beroepsbezigheid uitoefenen, ook nog sociale bijdragen betalen, in tegenstelling tot degenen die opteren voor het behoud van hun uitkeringen en de stopzetting van hun activiteit. Het is dus niet enkel een kwestie van uitgaven, maar ook van extra inkomsten. Daarmee wordt onvoldoende rekening gehouden.

Gezien het onbevredigende antwoord van de minister van Sociale Zaken, had ik graag van de minister van Middenstand vernomen hoever het staat met het overleg. Wat zijn de budgettaire implicaties van de mogelijke invoering van de maatregelen zoals voorgesteld door het Beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen? Wanneer zal de minister de eerste concrete beleidsvoorstellen doen? Welke aanpassingen mogen we verwachten? Wanneer zal de huidige onbillijke regeling van de betrokken zelfstandigen worden aangepast?

Op de superministerraad in Gembloers van 16 en 17 januari 2004 werd ook een verbetering van de arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsverzekering van de zelfstandigen in het vooruitzicht gesteld. In hoeverre werden op dat vlak reeds initiatieven genomen?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De verbeteringen die aan de vergoedingenverzekering van de zelfstandigen dienen te worden aangebracht, maken het voorwerp uit van een diepgaand en regelmatig overleg tussen mijn kabinet en het kabinet van de minister van Sociale Zaken.

We zijn ons ten volle bewust van de noodzaak om het probleem van de voortgezette gedeeltelijke werkhervatting op te lossen. Een soepeler regelgeving is inderdaad onontbeerlijk. De verscheidenheid en de overvloed aan zelfstandige werkpraktijken maakt het formuleren van eenduidige en toepasbare teksten evenwel bijzonder ingewikkeld.

Het Beheerscomité heeft de - mogelijk negatieve - budgettaire weerslag van de voorgestelde maatregelen niet besproken. Samen met het kabinet van Sociale Zaken onderzoeken wij andere maatregelen die voor advies aan het Beheerscomité zullen worden voorgelegd, onder meer met het oog op de raming van de kostprijs ervan.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De minister haalt opnieuw enkel het budgettaire aspect aan. Er zijn echter niet veel invalide zelfstandigen. Er zijn er nog minder die een activiteit willen hervatten. Het budgettaire effect zal dus niet groot zijn. Zij betalen trouwens ook bijdragen. Dat ze niet beroepsactief kunnen blijven is voor die mensen erg frustrerend. Dat aspect wordt onderschat. Zo blijft een stuk sociale onrechtvaardigheid bestaan onder het voorwendsel van een zeer kleine budgettaire kost. Ik betreur het dat niet meer inspanningen worden geleverd voor een kleine groep mensen die zich sterker sociaal geïntegreerd zou kunnen voelen.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Ik heb daarjuist aan collega Willems gezegd dat de uitkeringen vanaf 1 januari 2006 met ongeveer 20% zullen worden verhoogd. Ik ga ermee akkoord dat het niet alleen een budgettair probleem betreft. Er is evenwel ook een probleem van controle. Een zelfstandige heeft geen vaste uren waardoor de controle erg moeilijk wordt.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Dat is juist, maar die moeilijkheden bestaan ook vandaag al. Die problemen kunnen worden opgelost. Wanneer er gedurende langere tijd een cumul wordt uitgeoefend, dan moeten er maatregelen komen om de invaliditeitsuitkering te verminderen. Nu komen de mensen in de problemen op het ogenblik dat de periode van 6 of 18 maanden ten einde loopt. Dan moeten ze ofwel volledig terug in de invaliditeit, terwijl ze nog activiteiten kunnen verrichten, ofwel moeten ze volledig actief worden hoewel ze dat niet kunnen onder volledige rendabele omstandigheden.