3-115

3-115

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 2 JUIN 2005 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de Mme Erika Thijs au vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur, au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de la Fonction publique, de l'Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l'Égalité des chances sur «le droit à l'aide sociale pour les demandeurs de régularisation» (nº 3-850)

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Krachtens artikel 57, §2, van de OCMW-wet hebben personen zonder legaal verblijfstatuut, de zogenaamde illegalen, geen recht op maatschappelijke steun, behoudens enkele gevallen van dringende medische steun en overmacht. Het statuut van de verblijfstitel, legaal of illegaal, is dus het bepalende criterium of een persoon aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening.

Artikel 14 van de regularisatiewet bepaalt dat personen die een regularisatieaanvraag indienen conform deze wet, zullen worden `gedoogd' op het grondgebied. Over de verblijfstatus van personen die in ons land tijdelijk gedoogd worden, lopen de meningen van twee rechtscolleges echter uiteen.

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 6 juli 2004 bepaald dat de vreemdeling die een regularisatieaanvraag heeft ingediend, niet kan worden beschouwd als illegaal in de zin van artikel 57, §2, 1ste lid, van de OCMW-wet. Overeenkomstig artikel 191 van de Grondwet, zo stelt het Hof, geniet iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming verleend aan personen en goederen behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen. Gezien de regularisatiewet niet in een dergelijke uitzondering voorziet en artikel 23 van de Grondwet onder meer het recht op sociale zekerheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand garandeert, meent het Hof van Cassatie dat ook regularisatieaanvragers recht hebben op de in artikel 57 van de OCMW-wet bepaalde bijstand.

Het Arbitragehof daarentegen kent de kandidaat voor regularisatie geen steun toe in een antwoord op een prejudiciële vraag van 21 december 2004. Volgens het Arbitragehof heeft de wetgever bij de totstandkoming van de wet van 22 december 1999 niet alleen uitdrukkelijk gesteld dat de aanvraag tot regularisatie niet de verblijfsstatus van de betrokken personen wijzigt. De regularisatie is bovendien juist bedoeld om de betrokkenen een wettig verblijfstatuut te geven, op voorwaarde dat zij beantwoorden aan de door de wet gestelde vereisten, zodat niet staande kan worden gehouden dat ze reeds legaal zouden zijn vooraleer over hun aanvraag is beslist.

Het is duidelijk dat deze verschillende uitspraken leiden tot een ernstige aantasting van de rechtszekerheid. Dit is een belangrijk juridisch en vooral maatschappelijk probleem.

Wat is het standpunt van de betrokken ministers over dit probleem? Welk rechtscollege volgt de regering?

Heeft de regering een oplossing in petto voor dit probleem van rechtsonzekerheid? Zo ja, zal ze de wet wijzigen?

Kan uit deze verschillende besluiten worden geconcludeerd dat momenteel in ons land sommige asielaanvragers wel dienstverlening ontvangen en andere niet?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De wet van 22 december 1999 stipuleert dat het indienen van een regularisatieaanvraag geen enkel gevolg heeft voor de administratieve verblijfssituatie van de betrokkene. Wie illegaal in het rijk verbleef, verblijft er na een regularisatieaanvraag nog steeds illegaal. Een eventuele verwijderingsmaatregel tegen de vreemdeling blijft bestaan, maar zolang de beslissing tot eventuele weigering van zijn regularisatieaanvraag niet is genomen, zal hij niet worden verwijderd, behalve om redenen van openbare orde of staatsveiligheid.

Personen die een aanvraag tot verblijfsregularisatie hebben ingediend terwijl ze illegaal in het rijk verbleven, hebben geen recht op maatschappelijke dienstverlening. Het Arbitragehof bevestigt deze interpretatie in verschillende arresten uit 2001, 2002 en 2004. Het hof voert hierbij als reden aan dat de onrechtmatige regularisatieaanvragen, die enkel werden ingediend om maatschappelijke dienstverlening te krijgen, op die manier worden geweerd.

Het Hof van Cassatie is daarentegen van mening dat de personen die de regularisatie hebben aangevraagd in het kader van de wet van 22 december 1999 recht hebben op maatschappelijke dienstverlening, omdat ze behoren tot de categorie van vreemdelingen wier verwijdering onmogelijk is.

De staat volgt het standpunt van het Arbitragehof, aangezien de voorbereidende werkzaamheden bij het opstellen van de wet duidelijk vermelden dat het verblijfsstatuut door het indienen van een regularisatieaanvraag niet wordt gewijzigd.

De scheiding der machten belet de uitvoerende macht in te grijpen in de rechterlijke macht. De jurisprudentie van het Hof van Cassatie wordt overigens niet door alle rechtbanken gevolgd. Sommige, zoals de arbeidsrechtbank van Brussel of Bergen, volgen het arrest van het Arbitragehof.

De regering is dus van oordeel dat de regularisatiewet niet hoeft te worden gewijzigd, aangezien ze beperkt was in de tijd. Vreemdelingen konden hun aanvraag immers enkel indienen in de drie weken die volgden op de inwerkingtreding van de wet.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik denk dat er een ambigue situatie blijft bestaan en wij senatoren hebben daar elke dag mee te maken. De minister zegt dat deze personen worden gedoogd. Ze worden niet opgepakt, maar hebben geen enkel middel tot bestaan en mogen ook niet werken. Hoe betalen deze mensen, in een land waar de prijzen toch niet zo laag liggen, hun huur, hun eten en andere dagelijkse behoeften? Al jaren wacht ik op een antwoord op deze vraag. De overheid weet inderdaad niet vooraf of een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 9.3 van de regularisatiewet, rechtmatig is. Dat schept een ontzettend groot probleem. Deze mensen mogen blijven, maar ze mogen niet eten en niet wonen. Misschien mogen ze wel nog naar de dokter. Hierover moet bijzonder dringend een debat worden gevoerd. Hoe gaan we dit probleem oplossen?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik ben bereid het debat te voeren en oplossingen te zoeken, maar we moeten eerst het aantal illegalen kennen. Een illegaal is echter per definitie iemand die men niet kent.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Als iemand een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend, is hij toch gekend. Hij wordt gedoogd, maar krijgt geen uitkering.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ze worden niet verwijderd. En ze hebben recht op dringende medische hulp.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Inderdaad, maar daar kunnen ze niet van leven.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Is er een meerderheid om alle illegalen te regulariseren?

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Dat was niet de inhoud van mijn vraag.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Neen, maar dat is misschien de conclusie die men kan trekken. Op een bepaald ogenblik moet men daaromtrent een definitief standpunt innemen.