Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-38

ZITTING 2004-2005

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Ontwikkelingssamenwerking

Vraag nr. 3-2124 van mevrouw Thijs d.d. 21 januari 2005 (N.) :
Kindsoldaten. — Demobilisatie. — Reļntegratie. — Budgettaire voorzieningen.

De inzet van kindsoldaten in gewapende conflicten is al jaren het voorwerp van internationale congressen en van pogingen tot een regelgevend kader. Even belangrijk zijn evenwel ook de demobilisatie en de reļntegratie van de circa 300 000 kindsoldaten die in de verschillende conflictgebieden actief zijn. Het is immers bijzonder moeilijk om kinderen die vaak in zeer moeilijke omstandigheden hebben geleefd, terug in het normale maatschappelijke leven te integreren. Zij hebben vaak geen enkel normbesef meer, alle familiale banden zijn verbroken en ze hebben vaak amper of geen onderwijs genoten.

Daarom zou ik graag een antwoord ontvangen op de volgende vragen :

1. Heeft de geachte minister binnen het budget conflictpreventie bepaalde budgetlijnen ingeschreven voor projecten tot demobilisatie en reļntegratie van kindsoldaten ? Zo ja, hoeveel bedroeg dit voor de begroting 2004 en welk bedrag is er uitgetrokken op de begroting 2005 ?

2. Kunt u deze bedragen opsplitsen per partnerland en ook weergeven per project ?

3. Op basis van welke criteria selecteert u deze projecten ?

4. Zijn er daarnaast nog binnen andere begrotingsposten budgetlijnen voor projecten inzake de reļntegratie van kindsoldaten ingeschreven ? Zo ja, hoeveel bedroeg dit bedrag voor de begroting 2004 en welk bedrag is er uitgetrokken op de begroting 2005 ?

5. Kunt u deze bedragen opsplitsen per partnerland en ook weergeven per project ?

Antwoord :

Inleiding

1. Artikel 7 van het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind stelt dat de Staten die Partij zijn bij het Verdrag dienen mee te werken aan de toepassing van het Protocol, met name ter zake van de voorkomen van activiteiten die in strijd zijn met het Protocol en van de wederaanpassing aan en de wederopneming in de maatschappij van mensen die het slachtoffer zijn van handelingen die indruisen tegen het Protocol. Deze medewerking kan ook worden verleend middels technische samenwerking en financiėle bijstand. De Staten die Partij zijn en die daartoe bij machte zijn, verlenen zodanige bijstand in de vorm van multilaterale, bilaterale of andere reeds bestaande programma's dan wel, in voorkomend geval, in het kader van een fonds voor vrijwillige bijdragen dat werd opgericht overeenkomstig de regels zoals vastgelegd door de algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

2. De wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking bepaalt dat deze is toegespitst op vijf sectoren, waaronder conflictpreventie en versterking van de maatschappij alsmede de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3. De strategische nota betreffende conflictpreventie en vredesopbouw gaat uit van het standpunt dat de strijd tegen het inzetten van kinderen in gewapende conflicten een prioritair aandachtspunt is voor Ontwikkelingssamenwerking. Conflicten waarbij kinderen worden onderworpen aan de terreur van fysisch, psychisch, seksueel en maatschappelijk geweld, kunnen hun dromen en mogelijkheden eens en voor altijd ingrijpend veranderen. Door de vooruitzichten die ze nu hebben alsmede door het gebrek aan toekomstperspectieven, kunnen de frustraties bij deze jongeren zodanig oplopen dat ze in een spiraal van nieuw geweld terecht komen en hun energie aanwende voor malafide activiteiten die hen in ruil voor bepaalde winstgevende voordelen worden voorgesteld. Hoewel kinderen en jongeren het eerste doelwit zijn bij gewapende conflicten en ze een groot deel van de vluchtelingenbevolking uitmaken, worden hun rechten en toekomstperspectieven in de hulpprogramma's niet altijd voldoende meegewogen. De veiligheid en het welzijn van jongeren en kinderen maken integrerend deel uit van het geheel aan veiligheidsvoorzieningen en van het mensenrechtenstelsel en het is de taak van de regeringen ze in hun actiegebied op te nemen. Kinderen en jongeren die zich vervreemd voelen van hun sociaal milieu en hun familie, moeten het voorwerp zijn van gespecialiseerde programma's (psychosociale zorg, bescherming, opsporen van de gezinnen met het oog op hereniging, onderwijs, opleiding en toegang tot informatie, gezondheidszorg en verdediging van de rechten van het kind).

4. Middels de budgetlijn « conflictpreventie, vredesopbouw en mensenrechten » (budget van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) kunnen projecten en programma's ter versterking van de vredesdynamiek worden gefinancierd, in de eerste plaats in de partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, en meer bepaald in Sub-Sahara-Afrika en het Gebied van de Grote Meren.

5. Ontwikkelingssamenwerking zal zich blijven inzetten voor projecten ten gunste van kinderen die het slachtoffer zijn van gewapende conflicten. Doel van de interventies is het ontvoeren van kinderen een halt toe te roepen, ijveren voor en steunen van een beleid dat erop gericht is te voorkomen dat ze worden ingelijfd door het leger of de guerrilla en dat ten doel heeft de veilige terugkeer, de reļntegratie en de rehabilitatie van de kinderen mogelijk te maken door te voorzien in de nodige bescherming en het verlenen van psychosociale bijstand. Voorts moet de gemeenschap meer steun krijgen bij de opavang van ontvoerde kinderen die terugkeren naar de gemeenschap en naar hun gezin.

6. Er zijn drie soorten interventies die door het samenwerkingsbeleid worden gefinancierd :

— Preventie inzake de werving van kindsoldaten middels het sensibiliseren van de bevolking van de desbetreffende landen en het steunen van een « lobbying » teneinde de regeringen en oppositiebewegingen ertoe te overhalen komaf te maken met het inzetten van kindsoldaten. Programma's die de oorzaken van de aanwezigheid van kinderen in legers aanpakken, komen in aanmerking voor steun. Mogelijke oorzaken zijn : grote armoede, ernstige schendingen van de mensenrechten en het ontbreken van enig legitiem bestuur. Ontwikkelingssamenwerking wil in de eerste plaats werk maken van de dieper liggende oorzaken van de armoede in de ontwikkelingslanden door middel van structurele maatregelen (steunen van het onderwijs, de volksgezondheid en van de inkomstengenerende activiteiten). Niet alleen Belgiė maar de hele donorengemeenschap van ontwikkelingssamenwerking is voorstander van een beleid op lange termijn.

— Demobilisatie van kindsoldaten. Bij gewapende conflicten moet bijzondere aandacht worden besteed aan de kinderen en moet worden voorkomen dat ze als soldaten worden misbruikt. Omdat het inzetten van kinderen in de gewapende strijd en het geweld op zich een ernstige bedreiging vormen voor de eerbiediging van de rechten van het kind, moet alles in het werk worden gesteld om hieraan paal en perk te stellen. In een oorlogssituatie worden kinderen vaak gescheiden van hun ouders. De hereniging met hun gezin is een cruciaal onderdeel van het demobilisatieproces.

— Rehabilitatie en wederopneming van kindsoldaten in de maatschappij. Er zal in eerste instantie worden geijverd voor de snelle wederopneming van gedemobiliseerde kinderen in de civiele samenleving zodat ze zich opnieuw aan het leven van elke dag kunnen aanpassen. Wat de sociale aspecten van de wederopnemingsprogramma's betreft, moet worden bekeken of het kind nog schoolplichtig is of dat het een beroepsopleiding kan volgen. Ook de psychosociale begeleiding van het kind is een belangrijk punt. Aangezien de meeste kinderen die aan de vijandelijkheden hebben deelgenomen, hierdoor een trauma hebben opgelopen, moet ook de psychische dimensie worden meegewogen.

Vragen 1 en 2

7. Zoals gezegd is er geen sociaal budget voor projecten rond kindsoldaten. Deze projecten komen echter logischerwijs op het budget « conflictpreventie, vredesopbouw en mensenrechten ». Alle financieringsaanvragen zijn afkomstig van derden.

8. In 2003 werden de volgende bijdragen in verband met het probleem van de kindsoldaten goedgekeurd. De projecten werden in 2004 uitgevoerd :

— BICE : steun aan de rehabilitatie en reļntegratie van gedemobiliseerde kindsoldaten en van kinderen die het slachtoffer zijn van gewapende conflicten in Kinshasa en de Kasai (1 000 000 euro).

— Rode Kruis Belgiė : programma voor de sociaal-economische reļntegratie van voormalige kindsoldaten in Kinshasa (232 000 euro).

— Rehabilitatie en reļntegratie via gemeenschapsvoorzieningen van door oorlog getroffen kinderen in Noord-Oeganda (sponsoring kinderen Oeganda) : 2 142 153 euro (driejarenprogramma).

9. Unicef heeft een regionaal driejarenprogramma opgezet dat een budget van 2 016 000 euro kreeg toegewezen. Er is ook een subregionaal luik met acties in vijf landen (Rwanda, Burundi, DR Congo, Tanzania en Oeganda). De fondsen worden beheerd door het « Regional Child protection Advisors » in Naļrobi.

De projectsteun wordt verdeeld over drie interventies :

— de preventie van de rekrutering van kindsoldaten;

— de demobilisatie van kindsoldaten;

— de sociale rehabilitatie en reļntegratie van kindsoldaten.

Unicef wil :

(1) kunnen beschikken over een soepel systeem om snel te kunnen optreden wanneer zich behoeften voordoen die niet door andere agentschappen worden gelenigd (de acties zijn complementair aan die van het MDRP = Multi-country Demobilization and Reintegration Program — een door de wereldbank beheerd trustfonds);

(2) zich toeleggen op technisch/kwalitatieve activiteiten met als belangrijkste invalshoek sensibilisering/opleiding, dataverzameling en psychologisch/sociale hulpverlening;

(3) onthaal- en vervoerstructuren helpen opzetten voor het opvang en repatriėren van maximum 2 500 kindsoldaten uit de DR Congo.

Eind 2004 werd besloten voor dit project 900 000 euro over drie jaar uit te trekken (2005-2007).

10. Voor andere projecten in 2005. De procedure loopt, en aangezien het probleem van de kindsoldaten voor Ontwikkelingssamenwerking een prioriteit is, is het best mogelijk dat nog middelen worden uitgetrokken, ofwel op het begrotingsonderdeel « conflictpreventie » ofwel op het begrotingsonderdeel « financiering van plaatselijke NGO's ».

Vraag 3

11. De ingediende projecten dienen aan te sluiten bij de prioriteiten van het Belgische beleid op het vlak van conflictpreventie en vredesopbouw.

Bij de beoordeling van de projectvoorstellen worden de volgende criteria toegepast :

— kwalitatieve criteria, met betrekking tot de aanvragende organisatie : haar relevante ervaring;

— de projectdoelstellingen, het projectdocument en het voorgestelde budget;

— het terreingericht karakter van het voorstel;

— het innovatief en katalyseren karakter van het voorstel;

— de interne coherentie, de duidelijkheid en het kwaliteitsgehalte van het voorstel;

— de continuļteit ten aanzien van vorige voorstellen, van dezelfde organisatie binnen hetzelfde domein;

— de logische opbouw van het voorstel;

— de transparantie van het begrotingsvoorstel.

Vraag 4

12. Er is nog begrotingsonderdeel « preventieve diplomatie » dat voor de financiering van projecten voor kindsoldaten zou kunnen worden aangesproken. Daar waar het begrotingsonderdeel « conflictpreventie » door de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Ontwikkelingssamenwerking samen wordt beheerd, is voor het begrotingsonderdeel « interventies en initiatieven van Belgiė inzake preventie diplomatie (2)  » uitsluitend de minister van Buitenlandse Zaken bevoegd. Het departement Ontwikkelingssamenwerking kan deze vraag dus niet beantwoorden.

Vraag 5

13. Zie antwoord hierboven.


(2) BA 14 53 41 35 22 Vastlegging 2004 (aangepast) : 9 822 000 euro. Vastlegging 2005 (initieel : 2 512 000 euro.