3-112

3-112

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 19 MEI 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten (Stuk 3-1112) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten tot instelling van de verplichting voor een niet-professionele verkoper ingeschreven te zijn in het register van de gemeente die de occasionele verkoop waaraan hij deelneemt organiseert of toestaat, of er een verblijfplaats te hebben (van de heer François Roelants du Vivier en mevrouw Christine Defraigne, Stuk 3-290)

Wetsvoorstel houdende wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten (van de heer Jean-Marie Dedecker, Stuk 3-885)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor het wetsontwerp en de wetsvoorstellen samen te bespreken. (Instemming)

De heer Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. -

De minister gaf in de commissie toelichting bij de bespreking van het wetsontwerp. Het regelt de ambulante handel en de organisatie van openbare markten en werkt een juridisch statuut uit voor de foorkramers. Om de foorkramers meer rechtszekerheid te bieden en hun toekomst te vrijwaren, legt het ontwerp een minimale sokkel van gemeenschappelijke regels vast die in alle gemeentelijke foorreglementen moeten voorkomen. Een vergelijkbare regeling geldt al voor de markten. Het gaat onder meer over transparantie bij de toewijzing van de plaatsen en een waarborgsysteem voor het behoud en de overdracht van plaatsen.

Door het beroep van ambulante handelaar op een moderen leest te schoeien zou het opnieuw aantrekkelijk moeten worden. Diverse beperkingen op het vlak van de tewerkstelling worden gewijzigd. Er worden verschillende vereenvoudigingen doorgevoerd. Het wetsontwerp voert een onderscheid in tussen een openbare markt, ingericht door een gemeente, en een privé- markt, toegestaan door de gemeente, maar ingericht op privé-initiatief.

De wet van 1993 beperkte de organisatie op openbaar domein, maar in de praktijk blijkt dat vele gemeentelijke markten op privé-terrein plaatsvinden. Het huidig wetsontwerp wettigt het inrichten van een markt op andere plaatsen dan het openbaar domein. Bovendien verleent het de privé- sector het recht initiatieven te nemen inzake het organiseren van markten.

Het wetsontwerp is het resultaat van intens overleg met de beroepsmensen, de consumenten en de vertegenwoordigers van de distributie. Er is voor een kaderwet gekozen.

Diverse senatoren gingen akkoord met het wetsontwerp en voornamelijk met de vereenvoudiging en de modernisering van het beroep. De kern van de discussie had betrekking op het artikel dat na amendering in de Kamercommissie werd aangenomen en dat de verkoop ten huize van consumenten van producten of diensten voor een totale waarde van meer dan 250 euro verbiedt. De senatoren Willems, Dedecker en Steverlynck dienden daarop amendementen in.

Het debat in de commissie handelde niet alleen over het principe van de huis-aan-huisverkoop en de misbruiken die er soms zijn, maar ook over de praktische toepassing en haalbaarheid van het geamendeerde artikel. Volgens de heren Willems en Dedecker van de VLD moet de verkoop ten huize zonder meer worden toegestaan meer. Volgens CD&V moet die verkoop eveneens zonder beperking mogelijk zijn, maar kan de Koning voor specifieke producten of diensten beperkingen opleggen om eventuele misbruiken tegen te gaan.

Er werd in de discussie gewezen op de bestaande bescherming van de wet op de handelspraktijken, zoals de bedenktijd van zeven dagen. Senator Vanlerberghe en senator Zrihen benadrukten de gevaren die verbonden zijn aan sommige agressieve praktijken en gingen akkoord met het amendement dat een principieel verbod inhoudt vanaf 250 euro, terwijl de Koning nog steeds afwijkingen kan verlenen op dit bedrag. De minister bevestigde trouwens dat ze van plan is bepaalde sectoren, zoals elektriciteit, telefonie en gas en decoratie, eventueel een afwijking te bezorgen.

Daarnaast waren er vele onduidelijkheden over het juridisch zwak gehalte van het verbod van de thuisverkoop vanaf 250 euro. Senator Van Nieuwkerke vroeg naar de definitie van de term consument en de senatoren Willems, Dedecker en Steverlynck vroegen meer duidelijkheid over de arbitraire grens van 250 euro en de interpretatie ervan. Wat gebeurt er met diensten en met steeds terugkerende periodieke diensten?

Collega Dedecker had diverse vragen over de toepasselijkheid van dit artikel op abonnementscontracten. Voorts rees de vraag van de controle en de afdwingbaarheid. Hij vreesde voor overbelasting van rechtbanken en inspectiediensten.

Na een uitgebreide discussie werd het amendement van de heren Willems en Dedecker ingetrokken en dat van de heer Steverlynck verworpen met acht tegen zes stemmen.

Een ander discussiepunt waren de home party's. Om de onzekerheid weg te nemen diende de heer Brotcorne een amendement in dat uitdrukkelijk ingaat op de organisatie van home party's. Ook de heer Steverlynck diende een amendement in die zin in. De vertegenwoordiger van de minister bevestigde formeel dat met een koninklijk besluit de mogelijkheid van home party's gewaarborgd zal worden. Beide amendementen werden verworpen.

Het wetsontwerp in zijn geheel werd ne varietur aangenomen met 11 stemmen tegen 3 onthoudingen.

Daarnaast werd ook het wetsvoorstel van senator Dedecker besproken. Dit voorstel bevat een administratieve vereenvoudiging op het vlak van het aantal personen dat over een leurderskaart dient te beschikken voor het uitoefenen van ambulante activiteiten. Het wetsvoorstel vervalt door het aannemen van het ontwerp.

Ook het wetsvoorstel van de heer Roelants du Vivier over de curiosamarkten werd vóór het ontwerp werd ingediend, al uitgebreid besproken.

De indiener stelt voor aan particulieren meer voorwaarden op te leggen om aan een markt met amateur-verkopers te kunnen deelnemen, dit ter bescherming van de bonafide, professionele ambulante handelaars. De uitzondering voor particulieren wordt immers vaak misbruikt door malafide professionele handelaars. Zij oefenen hun handel uit onder het mom van een particulier of ze verhandelen gestolen goederen of goederen die niet thuishoren op een curiosamarkt. Het wetsvoorstel stelt voor dat alleen personen die hun hoofdverblijfplaats of een tweede verblijfplaats in een bepaalde gemeente hebben, als amateur-verkopers mogen deelnemen aan curiosamarkten die de gemeente op haar grondgebied organiseert of toestaat. Het wetsvoorstel bepaalt ook dat inwoners van een dunbevolkte gemeente kunnen deelnemen aan de curiosamarkten van de gemeenten waaraan hun gemeente wordt gekoppeld. De minister moet in een koninklijk besluit bepalen welke gemeenten aan elkaar worden gekoppeld. Aan de politie wordt een aantal controletaken opgelegd.

De minister zegt dat de sector van de curiosamarkten de aandacht van de regering heeft getrokken en dat ze daarom een enquête op het terrein heeft uitgevoerd. De regering overweegt om op basis van de resultaten van die enquête krachtens de kaderwet op de ambulante handel een koninklijk besluit uit te vaardigen. Ze wil na overleg met de betrokken komen tot een goed evenwicht tussen de vragen van de professionele bonafide handelaars en de vraag van het verenigingsleven om een of tweemaal per jaar te kunnen deelnemen aan een curiosamarkt. In elk geval zal het koninklijk besluit aan de hand van een vijf- of zestal criteria moeten vastleggen of iemand een particulier, een beroeps- of een malafide beroepshandelaar onder het mom van een particulier is.

Collega Roelants du Vivier is niet echt overtuigd en meent dat er geen enkele garantie is dat de problematiek die hij heeft aangebracht door de regering ernstig wordt genomen. Uiteindelijk trekt hij zijn wetsvoorstel in.

In aansluiting op het commissieverslag wil ik graag het standpunt van de CD&V-fractie toelichten.

Het wetsontwerp komt meer dan op tijd, aangezien er al heel wat overleg met de sector heeft plaatsgevonden. De administratieve vereenvoudiging en de modernisering van de wet moeten ertoe leiden dat de sector van de ambulante activiteiten nieuw leven wordt ingeblazen. Bovendien worden de foorkramers in de nieuwe wet opgenomen. Die rechtsbescherming moet het mogelijk maken dat in de toekomst kermissen kunnen blijven plaatsvinden. De CD&V-fractie is dan ook voorstander van het wetsontwerp dat de wet van 25 juni 1993 op de ambulante praktijken grondig wijzigt.

Onze grootste kritiek slaat op een amendement dat onverwachts tijdens de bespreking in de Kamercommissie door Magda De Meyer van de SP.A-fractie werd ingediend. Het wetsontwerp bepaalt dat ten huize van consumenten geen producten of diensten mogen worden verkocht van meer dan 250 euro. Wij zouden het liever anders zien, omdat tal van distributeurs die gewoonlijk goederen van 250 euro of meer verkopen, plots met een serieuze beperking of een verbod worden geconfronteerd. Terwijl minister van Middenstand Laruelle het wetsontwerp looft, omdat het past in het geheel van de maatregelen om de oprichting van KMO's en het scheppen van banen te bevorderen, voelen velen in de sector van de thuisverkoop deze bepaling helemaal niet als dusdanig aan. De CD&V-fractie is het eens dat misbruiken moeten worden aangepakt. Of een bijna-verbod de juiste oplossing is, valt echter sterk te betwijfelen. Dergelijke aanpak heeft als groot nadeel dat heel de sector van de thuisverkoop in een slecht daglicht wordt gesteld.

De paarse meerderheid is er opnieuw in geslaagd om een hele economische sector te stigmatiseren. Was het niet beter geweest maatregelen te nemen die de valsspelers uit de markt bannen? Op die manier wordt de sector van malafide verkopers gezuiverd. Precies omdat wij een positief signaal willen geven, bevat ons amendement een algemene toelating met mogelijkheden tot beperkingen, opgelegd door de minister, indien dit nodig zou blijken.

We mogen trouwens niet vergeten dat de consument bij dergelijke deur-aan-deurverkopen ook al beschermd is door de wet op de handelspraktijken. Zo beschikt hij vandaag al over de mogelijkheid om binnen zeven dagen de verkoop zonder enige motivering te annuleren.

Het voorgestelde plafond van 250 euro werd arbitrair gekozen en is allesbehalve een doordacht criterium. Eerst werd trouwens een lager maximum van 100 euro gebruikt, dat later plots dot 250 euro werd opgetrokken. Een afdoende motivering geeft ook de minister niet.

Op juridisch vlak is de tekst allesbehalve een hoogvlieger. Het juridisch criterium is `een totale waarde van 250 euro'. Hiermee wordt in eerste instantie bedoeld dat ook de prijzen van accessoires of diensten verbonden aan het product mee in rekening moeten worden genomen. Maar wat met een verkoop van een dienst waarvan de prijs op voorhand niet bekend is? Of met een steeds terugkerende dienst, onbeperkt in de tijd, zoals abonnementscontracten. Klassieke voorbeelden zijn de keuze van een nieuwe elektriciteitsleverancier of een nieuwe telefoonoperator.

Bij de ondertekening van het contract staat hoegenaamd niet vast hoeveel de consument zal betalen, want dat is afhankelijk van zijn verbruik. Dit wetsartikel zal in de praktijk dus tot heel veel discussie leiden. De Koning kan volgens de noodwendigheden een uitzondering bepalen op het plafond.

Dat is echter een vaag begrip. Dit artikel is dus allesbehalve een mooi voorbeeld van behoorlijk bestuur. Daarom dien ik namens onze fractie opnieuw amendement 2 in op het derde lid van artikel 7. Wij stellen voor om de thuisverkoop toe te staan, maar voegen de mogelijkheid in dat de Koning voor specifieke producten of diensten beperkingen oplegt. In het amendement is geen sprake meer van het plafond van 250 euro. Ik ga ervan uit dat onze collega's van de VLD, net zoals in de commissie, dat amendement zullen steunen.

M. Berni Collas (MR). - Le présent projet vise deux objectifs - comme le rapporteur en a déjà fait état, je serai bref. D'une part, il rencontre l'attente des exploitants forains qui souhaitent intégrer la législation sur les activités ambulantes et obtenir par là un statut légal ainsi qu'une meilleure protection juridique, à l'instar de leurs collègues commerçants ambulants. D'autre part, il actualise la législation sur les activités ambulantes, qui n'est plus à même de répondre à l'évolution socioéconomique ni aux exigences d'une gestion commerciale moderne.

Comme M. Steverlynck l'a souligné, l'essentiel du débat en commission a porté sur l'opportunité de limiter la vente au porte-à-porte aux produits ne dépassant pas une valeur de 250 euros. Cette mesure s'inscrit dans la logique de protection du consommateur, sans mettre en difficulté les secteurs dont les pratiques commerciales à domicile ne sont pas répréhensibles. En effet, le texte permet à la ministre d'accorder des autorisations pour les secteurs ne présentant pas de problèmes. En commission, elle s'est d'ailleurs engagée à attribuer des dérogations aux secteurs de la téléphonie, de l'électricité ou de la distribution d'eau, et ce ne sont là que quelques exemples.

Je rappelle enfin que contrairement à une rumeur amplifiée par de nombreux courriers que, je le suppose, vous avez tous reçus, les « home parties » du genre Tupperware n'entrent pas dans le champ d'application de l'interdiction prévue pour la vente au porte-à-porte.

Voilà donc un texte équilibré, qui permettra de répondre à des besoins nouveaux et de lever de nombreux freins à l'exercice d'activités ambulantes qui représentent indéniablement un secteur important de notre économie.

M. François Roelants du Vivier (MR). - Je voudrais poursuivre avec vous, madame la ministre, le dialogue entamé voici un certain temps déjà au sujet des brocantes.

Vous avez, en commission, tenu à souligner l'importance de ce problème et le souci qui est le vôtre de trouver une solution appropriée. Vous avez annoncé - je m'en réjouis - qu'un arrêté royal fixant les critères d'appréciation en matière de brocantes serait prochainement soumis à la commission des Finances et des Affaires économiques, ce qui permettra au Sénat d'en débattre avec vous. C'est d'autant plus important que, je le rappelle, le secteur des brocantes est demandeur : il subit, depuis un certain nombre d'années, une concurrence déloyale de la part de faux particuliers qui sont en réalité des professionnels. Cette situation est malsaine. En effet, il s'agit peut-être du seul secteur d'activité économique dans lequel le travail au noir est non seulement toléré, mais parfois aussi encouragé.

Il faut - vous l'avez compris - assainir la situation. Je ne doute pas que vous pourrez, le plus rapidement possible, nous soumettre des propositions en commission des Finances et des Affaires économiques.

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - De wijziging van de wet betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten is een goede zaak. Een eerste positief punt is dat ingegaan wordt op de vraag van de uitbaters van kermisattracties om onder dezelfde wetgeving als hun collega's te vallen. De voornaamste bedoeling van die beroepsector is erkenning te krijgen van de overheid, maar vooral te kunnen genieten van een eenduidig stelsel van toewijzing van standplaatsen op kermissen. Het wetsontwerp zorgt daarvoor. In de commissie was er eensgezindheid over dat thema.

Een tweede reden om de wet te hervormen, namelijk de ambulante handel, veroorzaakte meer discussie. Sinds de jaren negentig neemt de ambulante handel van jaar tot jaar af. Van de 19.000 ambulante handelaars in 1994, bleven er in 2000 nog 13.600 over. Dat is een daling met meer dan 30%, terwijl er bij de starters zelfs een daling is van 55%. De daling van de ambulante handel kan niet alleen aan de evolutie van de economische conjunctuur worden toegeschreven, want die creëerde in die periode zelfs meer kansen in de sector. De toename van allerlei soorten lokale markten met streekgebonden producten zit trouwens in de lift. De daling van de ambulante handel moet in hoofdzaak worden gezocht in de wetgeving zelf. De oude wet wordt als veel te strikt ervaren, ze beperkt de uitbreidingsmogelijkheden van de ondernemingen en werkt een negatieve beeldvorming in de hand door aanleiding te geven tot dubbelzinnige situaties die dan weer aan de controle van de wet ontsnappen. Zo bestaat er een bijzonder streng systeem van machtiging. De ondernemingen konden niet soepel genoeg inspelen op tijdelijke en dringende behoeften inzake de aanwerving van personeel. Tegelijkertijd zorgde de wet van 1993 ervoor dat sommige verkopers zonder commercieel doel in de illegaliteit terechtkwamen. Het huidige wetsontwerp strekt ertoe de onvolkomenheden van de vigerende wet weg te werken en kan in het algemeen op de goedkeuring van onze fractie rekenen.

Eén artikel in het wetsontwerp zorgt echter voor enige ophef in de sector. Het betreft artikel 7 dat ambulante activiteiten verbiedt wanneer de totale waarde van de verkochte goederen een bedrag van 250 euro per consument overschrijdt. Dat artikel heeft als eerste bedoeling de malafide huis-aan-huisverkopers aan te pakken. Daar is natuurlijk niets op tegen, maar met dat artikel zou het kind wel eens met het badwater kunnen worden weggegooid. Wie de burger wil oplichten, zal dat blijven doen en trekt zich niets van de regelgeving aan. Om tegen de malafide verkopers op te treden, moet niet de wet strenger worden, maar moet strenger en meer worden gecontroleerd. Door het bedrag van de ambulante handel te beperken tot 250 euro, worden enkel de goedbedoelende handelaars getergd. Zij zullen worden verplicht om allerlei trucjes te verzinnen om aan de regelgeving te ontsnappen, of in het slechtste geval zullen zij hun handel moeten stopzetten. De sector van de ambulante handel stelt nog steeds 20.000 laaggeschoolde mensen tewerk. Er moet dus omzichtig worden omgesprongen met te veel beperkingen. Trucs om aan die regelgeving te ontsnappen dienen zich nu al aan, terwijl de wet nog niet eens is goedgekeurd. Een bedrag van 250 euro per gezinslid kan nog altijd een aderlating betekenen voor een gezin als het uit meerdere personen bestaat. Voor één verkoop kunnen ook verschillende facturen van minder dan 250 euro worden gemaakt.

Artikel 7 is ons inziens overbodig omdat de consument al wordt beschermd door de wet op de handelspraktijken die consumenten bij een verkoop aan huis een bedenktijd van 7 dagen verleent. Tot na het verstrijken van de bedenktijd mag er geen betaling, noch voorschot worden gevraagd. Zo is de consument voldoende beschermd op voorwaarde tenminste dat er meer en beter wordt gecontroleerd.

Vandaag wordt veel te weinig gecontroleerd en de toepassing van artikel 7 kan onmogelijk worden gecontroleerd. Het artikel zou best worden aangepast in die zin dat alle ambulante activiteiten zonder financiële beperkingen worden toegelaten, maar met de mogelijkheid om in uitzonderingen te voorzien als er misbruiken opduiken. Dus precies het omgekeerde van wat artikel 7 bepaalt.

Collega Steverlynck heeft daartoe een nieuw amendement ingediend. Onze fractie zal dat met genoegen goedkeuren. Mocht ondanks het vernieuwde vertrouwen en de feestvreugde bij de traditionele partijen in een ander parlement, het amendement van de heer Steverlynck niet worden goedgekeurd, dan zal onze fractie zich bij de stemming over het geheel onthouden.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Eerst en vooral wil ik beklemtonen dat het wetsontwerp de goedkeuring van onze fractie wegdraagt.

Ik heb wel bedenkingen bij artikel 7. Met dat artikel wordt een goede wet verkracht en dat is te wijten aan het domme amendement dat Magda De Meyer in de Kamer heeft ingediend waardoor de totale waarde van een ambulante verkoop niet meer mag bedragen dan 250 euro per consument.

De staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging zal nog meer werk krijgen. In 2004 telde het Belgisch Staatsblad 80.000 pagina's, gelukkig elektronische! Consequente administratieve vereenvoudiging is niet verenigbaar met betuttelingsregels van het soort van artikel 7. Bovendien treft de bepaling een sector die werk biedt aan 20.000 mensen en die volgens UNIZO vorig jaar een omzet had van 135 miljoen euro. De bepaling is dan ook strijdig met de bedoeling van de regering om extra jobs te creëren.

De consument beschermen is uiteraard een goede zaak, maar de wet en de jurisprudentie doen dat al voldoende en bieden instrumenten om misbruik te bestrijden.

De beperking tot 250 euro is totaal overbodig, ook omdat de wet op de handelspraktijken vandaag al een voorschot of betaling verbiedt voor het verstrijken van de bedenktijd van 7 dagen. Het verzakingsbeding volstaat mijns inziens om bedrieglijke verkopen tegen te gaan.

Consumenten worden overigens niet alleen thuis overvallen door gewiekste verkopers. Dat gebeurt ook op beurzen. De wet zal de malafide praktijken niet beletten. In de plaats van een juridisch sluitende wetgeving creëert het artikel 7 een juridisch vacuüm.

Bovendien is het vanuit juridisch oogpunt niet duidelijk wat er nu precies moet worden begrepen onder 250 euro. De grens geldt ook voor het leveren van diensten. Toch kan ik me voorstellen dat voor periodiek terugkerende diensten zoals abonnementen, de consument niet weet hoeveel hij uiteindelijk zal betalen. Een abonnement op Telenet kan een eerste keer 80 euro kosten, maar nadien veel meer! Aangezien er voorzien wordt in strafsancties, moet het juridisch vacuüm worden weggewerkt.

Voor het begrip `consument' heeft de minister omschrijvingen gegeven, maar dat heeft toch veel weg van window dressing.

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

Waarop slaat die 250 euro precies? Mag een gezin 1250 euro uitgeven als het vijf leden telt, zoals de heer Creyelman zich afvroeg. Mogen er verschillende facturen worden gemaakt die precies onder de limiet blijven? De limiet van 250 euro is arbitrair omdat het niet duidelijk is waarop ze is gebaseerd.

Dan is er het probleem van de uitzonderingen. Op basis van welke criteria zullen die uitzonderingen worden toegestaan? Gebeurt dat per product, per handelaar of per beroepscategorie? Ik opteer voor de beroepscategorie, maar ook dan vrees ik complicaties. In sommige sectoren gaat het in se om verkopen van meer dan 250 euro zonder dat de rechtmatigheid van de verkoopsovereenkomst in twijfel wordt getrokken, bijvoorbeeld in de energiesector. De mensen krijgen vandaag ten huize elektriciteits-, gas- en telefooncontracten aangeboden. Het gaat dus al lang niet meer om de gekende huis-aan-huisverkoop van encyclopedieën.

Veel dienstencontracten maken gebruik van de stilzwijgende verlenging. Als het de bedoeling is om dat te verbieden, dan moet ook het Burgerlijk Wetboek worden aangepast. Daarnaast is er het geval van de gelijktijdige levering van een goed en een dienst waarbij de prijs van de dienst op voorhand niet nauwkeurig kan worden ingeschat. De Koning kan voor bepaalde noodwendigheden afwijkingen verlenen op de beperking van 250 euro per consument. Wij stelden voor die `noodwendigheden', dat wij een te algemeen begrip vinden, te vervangen door `bepaalde sectoren en bepaalde handelsactiviteiten'. Op die manier kunnen in de toekomst veel problemen worden voorkomen.

Er rijzen ook vragen bij de controle en de afdwingbaarheid. Kortom ik vrees dat artikel 7 heel wat overbodige rechtszaken zal veroorzaken.

De minister antwoordde dat de dienstencontracten die voor onbepaalde duur en zonder mogelijkheid tot opzegging worden gesloten, een oneindige multiplicator van het grensbedrag inhouden. Het is dus verboden om dat type contracten aan te bieden. Voor mij is dat een aanslag op de vrije handel en een bron van juridische disputen.

Het is jammer dat een goed wetsvoorstel wordt uitgehold door een amendement dat in de Kamer werd aangenomen.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik heb nog een korte aanvulling bij de uiteenzetting van senator Dedecker.

Ik ben het met hem eens dat het jammer is dat een goed wetsvoorstel waarover degelijk overleg is gepleegd, door een amendement wordt onderuit gehaald. Ik vind het vooral jammer dat de Senaat zinvolle opmerkingen maakt, maar zich uiteindelijk neerlegt bij de beslissingen van de Kamer.

De dienst Wetsevaluatie heeft enkele bijzonder interessante opmerkingen geformuleerd, bijvoorbeeld over de definitie van de term `consument'. Staat een gezin van vier personen gelijk aan één consument of aan vier? We hebben geen antwoord gekregen op die pertinente vragen, wat die wet onvermijdelijk zal uithollen.

Het gaat bovendien om een wetsbepaling waar straffen aan verbonden zijn. Dat kan gaan tot drie jaar gevangenisstraf. De rechtbanken zullen met die interpretatie zeer restrictief moeten omgaan. Het amendement maakt van dit artikel een dode mus en heeft tot gevolg dat heel wat handelaars die te goeder trouw zijn, nog veel hinder zullen ondervinden in hun gewone werkzaamheden. Bovendien zal er heel wat werkgelegenheid voor ongeschoolden verloren gaan.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De verschillende sectoren van de ambulante handel verwelkomen deze wet. Ze leidt tot meer vereenvoudiging, transparantie en modernisering, met eerbiediging van de gemeentelijke autonomie.

Les discussions que nous avons aujourd'hui reflètent celles qui ont eu lieu en commission. J'ai conscience que la barre des 250 euros pose problème à certains d'entre vous. Il ne faudrait cependant pas jeter le doute sur l'ensemble de ce projet de loi attendu depuis plus de vingt ans par les forains. Ce texte de qualité apportera une simplification, suscitera la vitalité et répondra à la question des brocantes soulevée par M. Roelants du Vivier.

Pour le cas assez limité des ventes au porte-à-porte - je rappelle que les ventes de type Tupperware ne sont pas concernées -, l'objectif est d'éviter les pratiques incorrectes et de permettre les bonnes pratiques. Pour ce faire, deux voies étaient possibles.

La première, reprise dans ce projet, pose des limites mais permet au gouvernement d'accorder des dérogations pour un certain nombre de secteurs comme le gaz, l'électricité, la décoration, etc. J'ai d'ailleurs demandé aux sénateurs de me signaler les secteurs qui pourraient être soumis à ces dérogations. Cette option privilégie la protection du consommateur, tout en permettant les pratiques commerciales correctes.

La deuxième voie - que l'on retrouve dans les amendements - consisterait à tout permettre, en interdisant, par arrêté, un certain nombre de secteurs ou de types de vente.

Ces deux voies poursuivent un même objectif. Le projet qui vous est soumis a opté pour la première. Seules son application et son évaluation nous permettront de savoir quel était le bon choix.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ons amendement heeft de bedoeling een discussie te vermijden over het bedrag van 250 euro. De bepaling in het ontwerp kan immers tot heel wat problemen leiden, aangezien er in het ontwerp strafbepalingen zijn opgenomen.

Wij willen met ons amendement een positief signaal geven aan de mensen die vandaag op een wettelijke en loyale wijze hun brood verdienen en die door de tekst van het artikel worden gestigmatiseerd.

Bovendien biedt ons amendement de minister de mogelijkheid in te grijpen wanneer zich malafide praktijken voordoen.

Vanuit juridisch oogpunt is het is beter de bepaling over het bedrag van 250 euro te schrappen, omdat ze aanleiding geeft tot onduidelijkheid.

Mme Sabine Laruelle, ministre des Classes moyennes et de l'Agriculture. - Je croirais davantage à une sensibilité individuelle qu'à une sensibilité de parti. À la Chambre, le CD&V a voté dans le sens du projet de loi, c'est-à-dire avec la limitation des 250 euros et les éventuelles dérogations. Toutes les sensibilités sont respectables ; l'essentiel est de poursuivre un objectif commun, ce qui est le cas.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Mevrouw de minister, u hoeft zich geen zorgen te maken. Er zijn zelfs partijvoorzitters die in andere parlementen verschillende verklaringen afleggen.

-De algemene bespreking is gesloten.