Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-36

ZITTING 2004-2005

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eerste minister en minister van Justitie

Vraag nr. 3-1989 van de heer Steverlynck d.d. 7 januari 2005 (N.) :
Handelstransacties. — Betalingsachterstand.

Sinds de wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties op 7 augustus 2002 in werking trad, dienen leveringen van goederen en diensten tussen handelaars en/of tussen handelaars en overheidsdiensten betaald te worden binnen de 30 dagen, tenzij in een overeenkomst tussen de partijen anders werd bepaald. Een ingebrekestelling bij het overschrijden van de betalingstermijn is niet meer nodig. Onmiddellijk na het verstrijken van de betalingstermijn beginnen automatisch de verwijlintresten te lopen. De verwijlrente bij laattijdige betaling van facturen is gelijk aan het variabele basisrentetarief van de Europese Centrale Bank, vermeerderd met een marge van 7 %. In een bericht van de FOD Financiën wordt de verwijlinterest vastgelegd op 9,5 % tot eind 2004.

Daarnaast bepaalt de nieuwe wet dat de schuldeisers recht hebben op een schadeloosstelling voor de gemaakte invorderingskosten. Die kosten moeten wel transparant zijn en in verhouding staan tot de schuld die niet tijdig werd betaald.

Twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn die aan de basis ligt van de nieuwe wet, dit wil zeggen augustus 2004, moet de Europese Commissie nagaan of er een verbetering is opgetreden wat betreft de betalingsachterstanden bij handelstransacties. Als de resultaten van dit onderzoek geen voldoening schenken, kan de commissie wijzigingen voorstellen om de richtlijn te verbeteren, met inbegrip van strengere maatregelen indien de betalingsachterstanden bij handelstransacties niet korter zijn geworden.

Deze nieuwe regelgeving beoogt de betalingsachterstanden te bestrijden en zo de financiële situatie van onze ondernemingen te versterken. De wet is niet alleen van toepassing op alle betalingen die worden verricht ter vergoeding van een handelstransactie tussen ondernemingen onderling, maar ook tussen ondernemingen en een overheidsdienst. De overheid en de overheidsbedrijven hebben inzake betalingscultuur vanzelfsprekend een voorbeeldfunctie te vervullen.

Mag ik daarom de volgende vragen richten aan de geachte minister :

— Voor alle handelstransacties waarop de wet van toepassing is :

— Wat is de gemiddelde bedongen betalingstermijn van de handelstransacties in 2003 en in 2004 ? Wat is de gemiddelde effectieve betalingstermijn voor dezelfde jaartallen ? Hoeveel procent van de betalingen van handelstransacties geschiedt niet binnen de bedongen betalingstermijn in 2003 en 2004 ? Hoeveel bedragen de verwijlintresten en de schadevergoedingen voor het jaar 2003 en voor het jaar 2004 ?

— Welke stappen heeft zij ondernomen om ondernemingen en overheidsinstanties in te lichten over de nieuwe wetgeving en hun betaalgedrag in overeenstemming met de wetgeving te brengen ?

— Hoe schat zij deze data in met het oog op de evaluatie door de Europese Commissie ? Wat is haar aanpak om de betalingsachterstand verder te bestrijden ? Welke evolutie voorziet de minister voor 2005 ?

— Voor handelstransacties tussen ondernemingen en de administraties, diensten en instellingen die onder de Federale Overheidsdienst Justitie ressorteren :

— Wat is de gemiddelde bedongen betalingstermijn van de handelstransacties in 2003 en in 2004 ? Wat is de gemiddelde effectieve betalingstermijn voor dezelfde jaartallen ? Hoeveel procent van de betalingen van handelstransacties geschiedt niet binnen de bedongen betalingstermijn in 2003 en 2004 ? Hoeveel bedragen de verwijlintresten en de schadevergoedingen voor het jaar 2003 en voor het jaar 2004 ?

— Hoe evalueert zij deze data ? Stemmen de resultaten overeen met de voorbeeldfunctie die de overheid in deze materie zou moeten innemen ? Wat is haar aanpak om de betalingsachterstand verder te bestrijden ? Welke evolutie voorziet zij voor 2005 ?

Antwoord : De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is bij mijn diensten voldoende bekend. Bij haar publicatie werd een samenvatting ervan op de website van de FOD Justitie geplaatst en de ter zake bevoegde ambtenaren hebben aanvullende inlichtingen verstrekt.

In de mate waarin er sprake is van een handelstransactie tussen een onderneming en een aanbestedende overheid, zoals omschreven in artikel 2, 1º, van de wet, respecteren mijn diensten de bepalingen ervan, voor zover uiteraard zij geen andersluidende voorwaarden hebben bedongen, overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6 van de wet, hetgeen meestal het geval is. Aldus wordt meestal, ten einde rekening te houden met verschillende goedkeuringsprocedures, een veel hoger betalingstermijn van dertig dagen bedongen.

De gevraagde statistische gegevens worden niet bijgehouden en zijn niet te achterhalen. Over het algemeen kan worden gesteld dat mijn diensten al het mogelijke doen om late betalingen van facturen te vermijden en dat zij slechts in beperkte mate verwijlintresten moeten betalen. Late betalingen schrijven zij onder meer toe aan het laattijdig of het verkeerd factureren en aan de begrotingsbeheersende maatregelen. Wat dit laatste betreft worden afspraken gemaakt met de minister van Begroting.

Ik kan u verzekeren dat ik uw mening deel dat leveranciers en dienstverstrekkers op een correcte wijze, overeenkomstig de gemaakte afspraken, moeten worden betaald en dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft inzake het vermijden van wanbetalingen.