3-1185/1 | 3-1185/1 |
9 MEI 2005
Het probleem van de kasgeldvennootschappen doet zich vooral voor op het vlak van de invordering.
In de praktijk gaat het meestal als volgt. Een vennootschap A verkoopt haar activa aan vennootschap B. Daarna heeft A alleen nog geld. De aandeelhouder van A verkoopt zijn aandelen, en ontvangt er de prijs voor.
De fiscus is daarmee niet benadeeld.
De situatie kan echter anders zijn indien vennootschap A activa verkocht heeft met een meerwaarde die voorlopig vrijgesteld werd ingevolge artikel 47 WIB 1992. In dat geval zijn die activa in hoofde van vennootschap B afschrijfbaar op de volle waarde, met inbegrip van de meerwaarde. Vennootschap A dient dan ofwel een kwalificerende investering te doen, overeenkomstig de voorwaarden van artikel 47 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ofwel de belasting over de meerwaarde alsnog te betalen.
Indien vennootschap A dan de belasting betaalt, is de fiscus uiteraard niet benadeeld. Indien de nieuwe aandeelhouder van vennootschap A zich de liquiditeiten echter toeeigent, en zich aan zijn fiscale verplichtingen onttrekt, is de fiscus wél benadeeld.
De BBI heeft hierop in een aantal gevallen gereageerd, door de verkoper van de aandelen te belasten. Indien bewezen zou zijn dat de hele opzet aan de verkoper bekend was, en hij er bewust aan meegewerkt heeft, is dat ook terecht : hij is dan immers medeplichtig aan fiscale fraude.
Indien de verkoper van de aandelen echter van het kwaad opzet van de koper niet op de hoogte was, kan hem eigenlijk niets ten laste gelegd worden : het probleem is dat de fiscus bij de toepassing van artikel 47 WIB 1992 in zekere zin een krediet geeft zonder waarborg.
Om dat te vermijden zou het volstaan te bepalen dat, bij de verkoop van de aandelen van de vennootschap waarvan de activa voor meer dan 90 % uit liquiditeiten bestaan, de vennootschap een waarborg moet stellen voor de belasting die nog verschuldigd kan zijn overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoniet wordt de verkoper aansprakelijk gesteld.
De nieuwe regeling heeft ook het voordeel dat de verkoper verwittigd wordt van het bestaan van een fiscaal probleem, zodat vermeden wordt dat onschuldigen getroffen worden.
Het voorstel heeft tot doel de regeling in te schrijven in een nieuw artikel 442ter van het Wetboek inkomstenbelastingen. Artikel 47 WIB 1992 hoort immers tot de personenbelasting, terwijl de geschetste problematiek alleen voorkomt bij vennootschappen. De regeling sluit ook aan bij de regeling van artikel 442bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, over de overdracht van een bedrijfstak.
Er wordt bepaald dat de activa voor minstens 90 % uit « geldbeleggingen » moeten bestaan. Dit is een duidelijk begrip uit de boekhouding, en omvat, volgens artikel 91, VI, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen :
— aandelen, met uitdrukkelijke vermelding van het niet-opgevraagde bedrag;
— vastrentende effecten, met afzonderlijke vermelding van de effecten uitgegeven door kredietinstellingen;
— termijnrekeningen op kredietinstellingen, uitgesplitst naargelang de resterende looptijd of de opzegtermijn hoogstens één maand, meer dan één maand en hoogstens één jaar, of meer dan één jaar bedraagt.
Het is de bedoeling te vermijden dat, door de cash te beleggen in kortlopende financiële activa, de nieuwe regeling buitenspel gezet wordt.
Er wordt als sanctie bewust geen hoofdelijke aansprakelijkheid met de vennootschap ingevoerd; het is normaal dat de fiscus in eerste instantie de vennootschap zelf uitwint, vooraleer de verkoper aan te spreken.
Er wordt evenmin gepreciseerd wat er gebeurt indien de verkoop in verschillende keren gebeurt, bijvoorbeeld 50 % in de maand januari en 50 % in de maand juli. Dit wordt aan de rechtspraak overgelaten, die zal oordelen met inachtname van artikel 344, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat de step transaction doctrine in het wetboek heeft ingevoerd. Indien er dus een voldoende band is tussen beide verkopingen, is de bepaling van toepassing. Ook wie minder dan 90 % overdraagt, zou nog altijd medeaansprakelijk gesteld kunnen worden ingeval van kwade trouw, onder de gewone regeling.
In het kader van artikel 420 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dient de directeur zijn beslissing te motiveren; in geval van een garantiestelling overeenkomstig de nieuwe bepaling zou dit uiteraard niet het geval zijn, aangezien de borgstelling op verzoek van de belastingplichtige gebeurt.
| Jan STEVERLYNCK. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een artikel 442ter ingevoegd, luidende :
« Art. 442ter. — § 1. Bij overdracht van ten minste 90 % van de aandelen of deelbewijzen van een vennootschap waarvan de activa voor ten minste 90 % uit geldbeleggingen bestaan, is de vennootschap gehouden een waarborg te stellen voor de belasting die na de overdracht verschuldigd kan worden ingevolge verrichtingen, bedoeld in artikel 47, die vóór de overdracht hebben plaatsgevonden.
§ 2. De waarborg wordt gesteld overeenkomstig de regels van artikel 420, voor een termijn van zes jaar.
§ 3. Bij gebreke van waarborgstelling zijn de verkopers van de aandelen persoonlijk aansprakelijk voor de belasting die de vennootschap nog verschuldigd zou zijn op grond van artikel 47. »
22 maart 2005.
| Jan STEVERLYNCK. |