3-1112/3

3-1112/3

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

27 APRIL 2005


Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten


Evocatieprocedure


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten tot instelling van de verplichting voor een niet-professionele verkoper ingeschreven te zijn in het register van de gemeente die de occasionele verkoop waaraan hij deelneemt organiseert of toestaat, of er een verblijfplaats te hebben

Wetsvoorstel houdende wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten


VERSLAG NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER STEVERLYNCK


I. INLEIDING

Op 24 oktober 2003 diende de heer Roelants du Vivier het wetsvoorstel in tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten tot instelling van de verplichting voor een niet-professionele verkoper ingeschreven te zijn in het register van de gemeente die de occasionele verkoop waaraan hij deelneemt organiseert of toestaat, of er een verblijfplaats te hebben (stuk Senaat, nr. 3-290/1). Dit wetsvoorstel werd door de commissie een eerste keer besproken tijdens haar vergadering 24 november 2004.

De heer Jean-Marie Dedecker diende op zijn beurt het wetsvoorstel in tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten (stuk Senaat, nr. 3-885/1).

De commissie heeft vervolgens beide wetsvoorstellen onderzocht tijdens haar vergadering van 1 december 2004.

Het optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-1534/1). Het werd op 24 maart 2005 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en op 25 maart 2005 overgezonden aan de Senaat. De Senaat heeft het wetsontwerp geëvoceerd op 13 april 2005.

De commissie heeft ten slotte nog twee vergaderingen gewijd aan de bespreking van het wetsontwerp en de beide wetsvoorstellen, te weten op 20 en 27 april 2005.

II. BESPREKING VAN DE WETSVOORSTELLEN

II.1. Inleidende uiteenzetting van de heer Roelants du Vivier betreffende het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten tot instelling van de verplichting voor een niet-professionele verkoper ingeschreven te zijn in het register van de gemeente die de occasionele verkoop waaraan hij deelneemt organiseert of toestaat, of er een verblijfplaats te hebben; nr. 3-290/1

Momenteel kan een particulier deelnemen aan wat een « curiosamarkt » wordt genoemd — een markt waaraan tegelijk professionele en niet-professionele verkopers deelnemen. De particulier moet in dit verband niet voldoen aan de voorwaarden waaraan de professionele verkopers juist wel moeten voldoen. Artikel 5 van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten en artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 houdende uitvoering van die wet, bepalen immers dat de particulier uitgesloten is van het toepassingsgebied van de wet.

Die regelgeving voorziet in een uitzondering voor particulieren die alleen van toepassing is in de sector van de « curiosamarkten », opdat die particulieren zaken kunnen verkopen zonder hiervoor enig recht te moeten betalen en zonder ingeschreven te moeten zijn bij een kruispuntbank van ondernemingen. Deze praktijk doet denken aan zwartwerk.

De uitzondering was destijds bedacht om particulieren de mogelijkheid te bieden zich te ontdoen van oude voorwerpen die zij op zolder bewaarden, maar die tolerantie is mettertijd uitgegroeid tot iets anders. Geleidelijk zijn particulieren begonnen zich op regelmatige basis te bevoorraden bij handelaars en bij andere particulieren. Zo zijn zij begonnen zelf curiosa te verkopen in hun buurt of gemeente en bovendien met een auto en later zelfs met een bestelwagen rond te rijden. Deze mensen zijn niet in orde met de BTW-verplichtingen, noch met de directe belastingen verschuldigd door de ambulante beroepshandelaars.

Door deze situatie worden de ambulante beroepshandelaars die gewoonlijk curiosaverkopers worden genoemd oneerlijk beconcurreerd door mensen die aan geen enkele verplichting voldoen.

Het aantal professionele curiosaverkopers, dat in 1993 ongeveer 3 500 was, was in 2000 gedaald tot zo'n 750. Velen onder hen hebben het voorbeeld van de « schijnparticulieren » gevolgd. Zo hoeven ze niet meer te voldoen aan al die verplichtingen en hebben ze bovendien het bijkomend voordeel dat ze de oorsprong van hun goederen niet meer hoeven te bewijzen.

We zijn in België in een situatie beland waarin we met de vinger gewezen worden op Europees vlak, omdat we een draaischijf zijn geworden voor de illegale handel in kunstobjecten. De markt van Tongeren is een echte helersmarkt geworden.

Hoe kunnen we misbruik voorkomen en toch het gezellige karakter van de rommelmarkten behouden ? En hoe kan de oneerlijke concurrentie van « schijnparticulieren » jegens eerlijke professionele handelaars worden bestreden ?

Het wetsvoorstel stelt voor dat alleen personen die hun hoofdverblijfplaats of een tweede verblijfplaats in een bepaalde gemeente hebben, als amateurverkopers mogen deelnemen aan de curiosamarkten die op het grondgebied van die gemeente worden georganiseerd. Dit is een eenvoudig systeem en de controle valt gemakkelijk te organiseren. Er zijn andere voorstellen gedaan, waarbij bijvoorbeeld kaarten worden geïntroduceerd waarmee particulieren zes of zeven keer per jaar op uiteenlopende plaatsen in het land goederen kunnen verkopen, maar een dergelijk systeem lijkt onuitvoerbaar. Niet alleen zou het een zware administratie inhouden, misbruik lijkt bovendien onvermijdelijk.

Het commissielid is bereid om de amendementen in overweging te nemen die bijvoorbeeld een onderscheid maken tussen de landelijke en de stedelijke gemeenten. Het gaat er vooral om een evenwicht tot stand te brengen tussen de mogelijkheid voor elke particulier om zijn zolder op te ruimen zonder daarbij al te veel formaliteiten te moeten vervullen en de vervolging van frauderende beroepsverkopers die zich, hetzij om fiscale redenen, hetzij om gestolen goederen te verkopen, uitgeven voor gelegenheidsverkopers.

Het voorstel houdt bovendien in dat het verkopen in het kader van een curiosamarkt gebonden is aan de markttijden van de gemeente die de markt organiseert. Dit is belangrijk in de strijd tegen de heling, aangezien dit misdrijf vaak in de vroege uurtjes plaatsvindt, voor de officiële opening van de curiosamarkt.

II.2. Inleidende uiteenzetting door de heer Dedecker bij het wetsvoorstel houdende wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten; nr. 3-885/1

Een markthouder van een marktkraam moet over een « blauwe kaart » (machtiging) beschikken en iedereen die met hem/haar meewerkt — met een maximum van zes personen — moet over een « roze kaart » beschikken. Voor geen enkele andere handel bestaat die verplichting. Wie in een « vaste » handel werkt, hoeft geen dergelijke kaart te hebben. Daar gaat een enorme rompslomp mee gepaard. Wie bijvoorbeeld een jobstudent in dienst wil nemen moet weken wachten vooraleer de kaart beschikbaar is.

Omdat senator Dedecker van oordeel is dat een dergelijk systeem niet meer van deze tijd is, stelt het wetsvoorstel voor deze verplichting (artikel 3, tweede lid, het 2º, 4º en 5º, van de wet van 25 juni 1993) af te schaffen. Het strekt er ook toe de beperking van het aantal werknemers op te heffen. Alleen de blauwe kaart wordt behouden.

II.3. Standpunt van de minister van Middenstand met betrekking tot de wetsvoorstellen nrs. 3.-290 en 3-885

De minister verwijst eerst naar het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten in zijn geheel. Dit voorontwerp zal weldra in het parlement worden ingediend en is een ontwerp van kaderwet waarin zowel het probleem van de ambulante handel (overdekte markten, openbare markten) wordt aangepakt, als dat van de kermisactiviteiten. Aangezien het om een kaderwet gaat, zal de uitvoering ervan worden bepaald in koninklijke besluiten die een hele reeks specifieke punten zullen omvatten. Daarin kunnen ook de curiosamarkten behandeld worden.

Wat het wetsvoorstel nr. 3-290 betreft, streeft ook de minister de doelstellingen en beginselen na die hieraan ten grondslag liggen. Het fenomeen van de onechte beroepsverkopers bestaat echt. Het mag niet worden overdreven, maar moet wel worden aangepakt vanuit het oogpunt van de strijd tegen de fiscale fraude, de sociale fraude en de oneerlijke concurrentie jegens de beroepsverkopers die hun activiteiten als curiosa- en antiekverkopers uitoefenen met inachtneming van de wettelijke en reglementaire voorwaarden die gelden voor dit beroep. Men moet er voor zorgen dat alle professionele verkopers ook echt de wettelijke en reglementaire voorwaarden naleven die op hen van toepassing zijn.

Ook de strijd tegen heling en tegen de illegale handel in kunstvoorwerpen is belangrijk.

Met het oog op de voorbereiding van een eventueel koninklijk besluit of om een specifiek wetsvoorstel in verband met de curiosamarkten op te stellen, heeft de minister een informatieve enquête georganiseerd in de tien provincies van het land, waarbij aan de curiosaverkopers vragen werden gesteld zodat de realiteit in het veld duidelijker wordt. Het is ook de bedoeling na te denken over een hele reeks criteria die de « algemene directie controle en bemiddeling » in staat zouden stellen het onderscheid te maken tussen een particuliere curiosaverkoper en een professionele curiosaverkoper.

Het kabinet heeft de enquêteformulieren net ontvangen en de resultaten zullen worden meegedeeld. Op het eerste gezicht lijkt het afstandsgegeven een doorslaggevend criterium te zijn.

II.4. Algemene bespreking

Wat het wetsvoorstel van de heer Dedecker betreft, meent de heer Steverlynck dat de kritiek op het systeem van de « roze kaarten » voor een groot deel terecht is. Persoonlijk is hij er evenwel niet van overtuigd dat de administratieve vereenvoudiging zo groot zal zijn als de indiener laat uitschijnen. De afgeschafte roze kaart wordt immers vervangen door een nieuw attest.

Artikel 3 van dit wetsvoorstel wijst een aantal taken toe aan de Nationale Hulpkas of aan de erkende sociale zekerheidsfondsen voor zelfstandigen. De heer Steverlynck vermoedt dat dit ingegeven is door de situatie van voor een paar jaar, toen de ondernemingsloketten nog niet bestonden. Vermits de erkende ondernemingsloketten de meest geschikte aanspreekpunten zijn voor zelfstandige ondernemers die allerhande vergunningen nodig hebben, lijkt het hem aangewezen en wenselijk dat die loketten deze taken op zich zouden nemen. Bijgevolg dient spreker het amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3-885/2).

De heer Mahoux wijst erop dat het wetsvoorstel van de heer Roelants du Vivier hevige reacties heeft uitgelokt bij de organisatoren van rommelmarkten. Zij menen dat het wetsvoorstel hen wil verhinderen om rommelmarkten te organiseren. Misschien vestigt het voorstel de aandacht op mistoestanden op sommige plaatsen in het land, maar die zijn niet kenmerkend voor heel België. Het is normaal dat men wil optreden tegen heling. Men zou echter beter de rol van de politie in deze versterken dan de organisatoren van rommelmarkten te bestraffen.

De heer Mahoux merkt op dat sommige gemeenten al gemeentereglementen hebben opgesteld die criteria bepalen voor de organisatie van en de deelname aan rommelmarkten.

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen eenmalige rommelmarkten en rommelmarkten op vastgestelde tijdstippen die de gemeentelijke overheid mee organiseert en reglementeert. Die twee soorten markten vereisen elk een andere aanpak.

De bescherming van de fiscale gerechtigheid is ook lovenswaardig. Er moet iets gedaan worden aan het probleem van de « schijnparticulieren ». Ook zij moeten vergunningen aanvragen, net als iedere andere burger die hetzelfde soort werk verricht. Een regeling die de organisatoren van rommelmarkten verhindert om er nog te organiseren zou echter te ver gaan.

De heer Mahoux heeft ook een andere ongeoorloofde praktijk vastgesteld op rommelmarkten : de verkoop van « neptweedehands ». Nieuwe goederen worden er te koop aangeboden. Dit is illegaal, aangezien deze handelaars niet aan de gebruikelijke voorwaarden voor de verkoop van nieuwe producten voldoen. In sommige landen moet een goed minstens vijf jaar oud zijn om op een rommelmarkt aangeboden te kunnen worden. Daardoor kan men controleren of een goed « neptweedehands » is.

De heer Mahoux legt uit dat vele rommelmarkten een liefdadig doel nastreven, waarbij het geheel of een deel van de winst gaat naar verenigingen met een sociaal, filantropisch, cultureel, enz. oogmerk. Het zou jammer zijn indien een wetsvoorstel ertoe zou leiden dat deze bron van inkomsten wegvalt.

De heer Steverlynck plaatst ook een aantal kanttekeningen bij het wetsvoorstel van de heer Roelants du Vivier.

Vooreerst is in het wetsvoorstel een essentiële rol weggelegd voor de politie. Die controle op het domicilieadres en op de openingsuren behoort evenwel niet tot de kerntaken van de politie. De minister van Binnenlandse Zaken vraagt zelfs uitdrukkelijk om deze taken niet door de politie te laten uitvoeren.

De heer Dedecker bevestigt dat de minister van Binnenlandse Zaken onlangs verklaard heeft dat het controleren van de marktkramers niet tot de kerntaken van de politie behoort. Hij wijst ook op het feit dat er in de gemeenten marktleiders zijn.

De heer Steverlynck stipt verder aan dat wanneer er in een bepaalde gemeente geen aantrekkelijke brocantemarkt georganiseerd wordt, in het wetsvoorstel de mogelijkheid wordt voorzien om een aantal gemeenten via een ministerieel besluit te groeperen waardoor diegenen die woonachtig zijn in die gemeente, hun goederen in een andere gemeente mogen verkopen. Dit lijkt wat moeilijk te organiseren. De andere gemeente zal niet altijd een aangrenzende gemeente zijn. Een verder gelegen gemeente kan bijzonder aantrekkelijk zijn, bijvoorbeeld een kustgemeente waar veel toeristen aanwezig zijn. De koppeling van de gemeenten via koninklijk besluit is te ingewikkeld. Hij dient daarom het amendement 1 in ten einde de reeds gekende kieskantons te gebruiken als omschrijving.

Ten slotte stelt de heer Steverlynck de vraag naar de relatie tussen dit wetsvoorstel en het voorontwerp van wet rond de ambulante handel in haar geheel waarover de Raad voor het Verbruik in september 2004 reeds een advies heeft uitgebracht.

De heer Roelants du Vivier benadrukt dat zijn wetsvoorstel een heel specifieke situatie betreft (die van de rommelmarkten) in het geheel van de ambulante handel. De minister van Middenstand houdt zich meer met de algemene problematiek bezig.

De rommelmarkten vereisen een specifieke oplossing. In tegenstelling tot de heren Mahoux, Steverlynck en Dedecker, vindt de heer Roelants du Vivier het vanzelfsprekend dat de politie hierin een rol moet spelen. Het zou interessant zijn om de politiedienst die gespecialiseerd is in heling, hierover te horen.

De vrees van sommige organisatoren van rommelmarkten is ongegrond. Het wetsvoorstel geeft de Koning de mogelijkheid om nauwkeurig te bepalen wat men onder filantropisch verstaat. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat om het even welke rommelmarkt plotseling filantropisch wordt van zodra een klein percentage van de inkomsten naar een of andere goed doel gaat. De wet voorziet al in een uitzondering voor de verkoop zonder commercieel doel met een zuiver filantropisch oogmerk.

De organisatoren van beurzen ondervinden ook de concurrentie van de rommelmarkten. De grote brocante van Ciney, bijvoorbeeld, lijdt onder de concurrentie van alle occasionele rommelmarkten die op straat worden gehouden. Er is immers een verplichte controle krachtens de wet op de overdekte rommelmarkten. Dat geeft betere garanties.

De heer Brotcorne meent dat men moet vertrouwen op de gemeentelijke overheden die dergelijke problemen gemakkelijk op hun niveau kunnen regelen en op de beroepsmensen in de sector om hun activiteiten van een « kwaliteitslabel » te voorzien. Zo zou een onderscheid gemaakt kunnen worden tussen de ongecontroleerde rommelmarkten en de georganiseerde rommelmarkten, waar de oorsprong van de goederen betrouwbaarder is.

Wat de heer Brotcorne in het voorstel interesseert, zijn de maatregelen om de heling tegen te gaan. Die zullen echter niet volstaan.

De heer Roelants du Vivier antwoordt dat hij zich ervan bewust is dat heling op verschillende manieren aangepakt moet worden. Een daarvan is vervat in het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 505 van het Strafwetboek betreffende de heling (stuk Senaat, nr. 3-39). Dit voorstel wil de heling op dezelfde manier definiëren als in Frankrijk. Nu varieert de definitie van voortdurend misdrijf en aflopend misdrijf van land tot land. Het gevolg daarvan is dat België een paradijs voor heling is.

Er zijn zeker particulieren die aan heling doen. Om professionelen te bestrijden die zich daaraan schuldig maken bestaan er al dwingende wetten. Zij zijn immers onderworpen aan verplichtingen die niet voor particulieren gelden.

De heer Dedecker verwijst naar het in artikel 3 van het wetsvoorstel voorgestelde artikel 5bis van de wet van 25 juni 1993 : worden onder andere beschouwd als occasionele verkopers mensen die een tweede verblijf hebben in de gemeente. Die moeten een betalingsbewijs van de belasting voor de bijkomende verblijfplaats voorleggen. Een vonnis van een rechtbank te Brugge heeft evenwel geoordeeld dat deze belastingen onwettelijk zijn.

Mevrouw Vanlerberghe verwondert zich over het feit dat deze wetsvoorstellen zogenaamd een « groot » probleem zouden willen regelen. Zij is zich van geen kwaad bewust. Persoonlijk kent zij brocantes die in scholen en wijken worden georganiseerd. Dergelijke evenementen wettelijk reglementeren lijkt haar moeilijk. Wat is precies « wit » en wat is « zwart  »? Wat is filantropisch en wat niet ? Spreekster waarschuwt ervoor situaties die in een paar gemeenten tot problemen leiden, niet tot « nationale » problemen te gaan uitroepen.

Mevrouw Kapompolé verwijst naar de informatieve rondvraag die de minister in de tien provincies van het land georganiseerd heeft om de werkelijke toestand beter te leren kennen. Welke pertinente inlichtingen heeft deze rondvraag aan het licht gebracht ?

De minister legt uit dat de analyse nog niet afgerond is en dat de resultaten later bekendgemaakt zullen worden. Men heeft gevraagd om criteria na te gaan zoals de afstand, de inrichting van wagens om goederen voor rommelmarkten te vervoeren, het soort goederen, de frequentie, enz. Deze informatieve rondvraag was opgevat als een echt onderzoek in het veld. Inspecteurs van de algemene directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie hebben ter plekke gepraat met deelnemers aan rommelmarkten en hen vragen gesteld aan de hand van een schema.

III. BESPREKING VAN HET WETSONTWERP

III.1. Inleidende uiteenzetting door de minister van Middenstand en Landbouw over het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten; nr. 3-1112/1

Het voorliggende wetsontwerp geeft uitvoering aan één van de punten van de regeringsverklaring. Het strekt ertoe de oprichting van KMO's — en dus ook het scheppen van banen — te bevorderen.

Het ontwerp is opgebouwd rond twee hoofdpijlers : ten behoeve van de uitbaters van kermisattracties voorzien in een nieuwe regeling en in een raamwerk van eigen activiteiten zodat hun beroep kan blijven bestaan alsmede de uitoefening van de ambulante activiteiten hervormen om de sector, die reeds jarenlang in crisis verkeert, een nieuwe impuls geven.

De kermisexploitanten vragen al meer dan twintig jaar lang om een statuut. Ofschoon hun klanten voortdurend op zoek zijn naar nieuwe en meer adembenemende sensaties, lopen de kermisexploitanten vast in een statische administratieve toestand. Zij krijgen steeds af te rekenen met zeer uiteenlopende gemeentereglementen. Zij genieten geen enkele waarborg inzake het verkrijgen en het behouden van een standplaats en kunnen niet aan loopbaanplanning doen. Wanneer zij hun beroepsactiviteit stopzetten zijn ze niet eens zeker die te kunnen overlaten aan een andere kermisexploitant aangezien zij ook niet zeker zijn hun standplaats mee te kunnen overlaten. Voorwaar een weinig benijdenswaardige toestand.

Dit ontwerp moet de kermisexploitanten een regeling bieden die is geënt op die van de ambulante handelaars, maar die tegelijk ook wordt afgestemd op de specifieke kenmerken van het beroep. Wie die regeling wil genieten, moet eerst een machtiging krijgen om een activiteit als kermisexploitant uit te oefenen.

Naast die regeling komt er ook een minimum aantal regels, die voor alle kermisreglementen dezelfde zijn. Die regels zullen te vergelijken zijn met de gemeenschappelijke regels die voor de markten werden ingesteld. In de eerste plaats zal worden gezorgd voor transparante voorwaarden met betrekking tot de toekenning van de standplaatsen. Er wordt voor objectieve waarborgen gezorgd inzake het behoud en de overdracht van die standplaatsen. Tot slot wordt ten behoeve van de kandidaat-kermisexploitant een systeem van blauwe zones ingesteld, dat tot doel heeft de toekomst van het beroep veilig te stellen.

De tweede pijler waarop dit wetsontwerp berust, heeft betrekking op de ambulante activiteiten. Het is voornamelijk de bedoeling de sector de nodige middelen te verschaffen om de crisis waarin hij thans verkeert het hoofd te bieden. Op het stuk van de werkgelegenheid is het bijvoorbeeld ingevolge een aantal beperkingen die worden geacht de sector te beschermen, onmogelijk bepaalde arbeidsrechtelijke statuten toe te passen : die welke van toepassing zijn op helpers, op uitzendkrachten of op mensen onder leercontract. Ook de inschakeling van loontrekkenden wordt beperkt tot zes.

Naast die wettelijke restricties is er ook nog een ander, verraderlijker pijnpunt : de procedure voor de toekenning van een machtiging maakt het in feite onmogelijk iemand tijdens een korte periode te vervangen of op korte termijn iemand in dienst te nemen.

En dan is er nog een laatste administratieve belemmering waaraan het ontwerp paal en perk wil stellen : de verplichting om alle vergunningen om de zes jaar te hernieuwen, wat een langetermijnstrategie uiteraard onmogelijk maakt.

Een tweede keurslijf bevindt zich op het niveau van de uitoefening van de beroepsactiviteit. Onder het gezag van de wet van 1986 heeft de onduidelijkheid van bepaalde artikels en de aankondiging van een diepgaande hervorming de ontwikkeling van een hele reeks praktijken in de hand gewerkt.

De wet van 25 juni 1993 heeft deze praktijken onwettelijk gemaakt. Het betreft onder meer de verkoop op de verhoogde bermen van de wegen, op de parkings van supermarkten, maar ook op de privémarkten. Tal van deze praktijken zijn blijven duren en dit onder min of meer wettelijke dekking. Die toestand is dus niet gezond, maar er moet worden erkend dat deze activiteiten zijn kunnen voortbestaan omdat zij aan een nood beantwoorden. Deze opnieuw verwerpen zou erop neerkomen een cultuur van dubbelzinnigheid in stand te houden en de werkelijkheden op het terrein te miskennen.

Dat hele keurslijf wil de regering wegnemen. Ten eerste zorgt het ontwerp ervoor dat het beroep in aanmerking komt voor alle arbeidsvormen. Er wordt voorzien in een moduleerbare machtigingsregeling, die strikt is voor de huis-aan-huisverkoop, maar aangepast aan de onmiddellijke behoeften voor de andere plaatsen waar de activiteit kan worden ontplooid.

Tot slot wordt er voorgesteld te voorzien in een regeling via de Kruispuntbank van de Ondernemingen waarbij de machtiging effect sorteert tot de dag waarop de activiteit wordt stopgezet. Het toezicht op de werknemers zal via het Dimona-systeem verlopen. Voorts biedt het wetsontwerp de ambulante handelaars ook een soepeler raamwerk, dat beter aansluit bij de realiteit, door de werkingssfeer uit te breiden tot de privé-initiatieven en -markten.

De regering heeft gepoogd een evenwicht tot stand te brengen tussen alle partijen. Aan de opmaak van het ontwerp is breed overleg met de beroepsmensen en de consumenten voorafgegaan, alsook met de vertegenwoordigers van de distributiesector.

Dit ontwerp maakt gebruik van het procédé van de kaderwet. De ervaring toont immers aan dat deze materie veelvuldige en verscheidene aspecten inhoudt. Deze zijn onderhevig aan snelle evoluties. Het is bijgevolg moeilijk in detail wetten op te stellen zonder het risico te lopen de wetgeving snel voorbijgestreefd te zien worden. Deze materie dient derhalve beter tot het opstellen van een kader met volgende duidelijke beginselen en richtlijnen om het doel te bereiken dat de wetgever zich heeft vooropgesteld.

In de commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers is het wetsontwerp eenparig aangenomen. In de plenaire vergadering is het aangenomen met 123 stemmen bij twee onthoudingen. De minister onderstreept dat het ontwerp er gekomen is na uitgebreid overleg.

III.2. Algemene bespreking van het wetsontwerp

Volgens de heer Roelants du Vivier zijn er geen bijzondere aspecten aan voorliggend wetsontwerp die over de problematiek van de rommelmarkten schijnen te gaan. Hoewel de minister aanvankelijk bevestigt dat de cijfers in het vermelde wetsvoorstel officieel zijn, meent ze toch dat ze met een korreltje zout moeten worden genomen. Het wetsvoorstel nr. 3-290 vermeldt dat tussen 1993 en 2000 het aantal ambulante handelaren gedaald is van 74 000 tot 15 300 en het aantal ambulante rommelhandelaren van 3 500 tot 750. Volgens de minister is dat een overschatting, want « de opheffing van de zesjaarlijkse hernieuwing van de leurderskaarten tussen 1983 en 1993 heeft tot gevolg gehad dat de statistieken melding zijn blijven maken van heel wat kaarthouders die hun activiteit eigenlijk al hadden stopgezet. Gedurende tien jaar werden alle mensen met een machtiging en alle starters samengeteld, zonder dat van dat cijfer het aantal personen werd afgetrokken dat het beroep had verlaten. »

Het is voor het eerst dat de heer Roelants du Vivier een minister hoort verklaren dat de officiële statistieken niet geloofwaardig zijn. Mocht het er in de administratie van de statistieken wanordelijk aan toe gaan, dan is het de taak van de minister orde op zaken te stellen.

Volgens spreker dateert die dalende trend van het aantal ambulante handelaars van lang voor 1993. Het beroep is aan het verdwijnen. Hoewel het zeer populair is om de rommelhandelaars te verdedigen, moet men toegeven dat het verschijnsel van de « schijnparticulieren » aan de basis van de ontwikkeling ligt. Een flink deel van hen heeft jarenlang het beroep van rommelhandelaar uitgeoefend. Ze zijn erachter gekomen dat het heel aangenaam is om, zonder enige belasting te betalen, zonder enig recht te betalen, goederen te verkopen die natuurlijk geen « zolderopruimingen » zijn, maar een onwettige handel.

In de Kamer (doc. Kamer 51 1534/4, blz. 8), heeft de minister verklaard dat men zich op de cijfers afkomstig van de BTW kan baseren. Van 1996 tot 2000 is het aantal feitelijke declaranten slechts met 3 % gedaald, wat de minister de verklaring heeft ontlokt dat we alleszins niet te maken hebben met een sector die compleet aan het instorten zou zijn.

Toch meent de minister dat de sector de aandacht van de regering verdient. Ze heeft verklaard dat ze een onderzoek heeft laten uitvoeren naar de situatie op de rommelmarkten, dat betrekking had op 1 235 personen opgesplitst over 12 rommelmarkten, in Brussel en in onze 10 provincies. 846 op dat totaal van 1235 personen waren particulieren, tegenover 389 handelaars. Het aantal geregistreerde overtredingen bleef onder de cijfers waarvoor men beducht was : het gaat immers om 72 personen, of 5,8 % van de steekproef. De overtreders zijn in hoofdzaak schijnparticulieren.

De heer Roelants du Vivier weet niet hoe de controle heeft plaatsgevonden, maar hij kan zich de antwoorden van de ondervraagden voorstellen. Door zijn belangstelling voor die sector en omdat de sector hem fel heeft aangemoedigd om zijn wetsvoorstel nr. 3-290 in te dienen, komt de heer Roelants du Vivier regelmatig op rommelmarkten, waar hij regelmatig dezelfde mensen, schijnparticulieren, week na week op dezelfde plaats ziet terugkomen met nieuwe koopwaar.

Verder heeft de minister in de Kamer het volgende verklaard : « de ingewikkelde methodes die in het verleden werden opgezet, ... zijn op een mislukking uitgedraaid. Zoeken naar eenvoudige methodes is dus de boodschap ». Dat is precies wat de heer Roelants du Vivier voorstelt door particulieren toe te staan deel te nemen aan rommelmarkten in de gemeente waar ze verblijven en eventueel in de aanpalende gemeenten. De mogelijkheden die de minister aangeeft lijken hem echter niet erg nauwkeurig.

Hoewel de minister meent dat we wellicht die weg moeten inslaan, meent de heer Roelants du Vivier geen enkele waarborg te hebben dat de regering zich zal buigen over de door hem aangekaarte problematiek, dat er werkelijk maatregelen zullen worden genomen en dat men de professionele rommelhandelaars die hun belastingen en taksen betalen, die correcte burgers zijn in vergelijking met hen die begrepen hebben hoe makkelijk het is « wettelijk zwart te werken », recht zal laten wedervaren.

Bijgevolg blijft de heer Roelants du Vivier dat aspect beklemtonen, want hij is ontevreden over de manier waarop het dossier zich lijkt te ontwikkelen.

Wat de rommelmarkten betreft, geeft de minister toe dat die sector een aantal problemen veroorzaakt. De heer Roelants du Vivier heeft de verdienste de wetgever en de regering verplicht te hebben zich ermee te moeien. Met haar betoog in de Kamercommissie had de minister geenszins de bedoeling te beweren dat de cijfers die in wetsvoorstel nr. 3-290 worden vermeld, foutief waren en met andere cijfers in de hand de indruk te wekken dat de toestand lang niet zo zorgwekkend is.

Het was de bedoeling aan te tonen dat de invoering sinds 1993 van die kaarten met een looptijd van zes jaar, onvoldoende statistische reeksen oplevert. Er zijn wel degelijk andere cijfers afkomstig van de BTW die de crisis in de rommelmarktensector bevestigen. Die geven een minder sterke terugval aan, wat niet wil zeggen dat de toestand van de sector minder zorgwekkend is. De cijfers van de BTW zijn niet noodzakelijk betrouwbaarder dan die van de heer Roelants du Vivier. Men kan onmogelijk zeggen wie ongelijk heeft en wie gelijk heeft.

Er moet worden vastgesteld dat er een probleem is in de sector van de rommelmarkten. Daarom heeft de minister haar administratie gevraagd een onderzoek ter plekke te voeren. Dat onderzoek moest partieel blijven, maar geeft toch een idee. Ongeveer 6 % van de steekproef was in overtreding, waarbij het hoofdzakelijk om schijnparticulieren ging.

De administratie zal overleg plegen met de betreffende sectoren, zoals dat voor de kermisexploitanten, voor de markten en voor de rommelmarkten zal gebeuren. Voor de rommelmarkten wil de minister het juiste evenwicht vinden tussen de volkomen terechte en rationele vraag van de beroepsmensen die met oneerlijke concurrentie kampen en de vraag uit het verenigingsleven dat een- of tweemaal per jaar met bepaalde organisaties aan rommelmarkten wenst deel te nemen.

Men moet in elk geval diegenen aanpakken die zeggen particulier te zijn, maar die steeds weer aan rommelmarkten deelnemen, die zich elke week honderden kilometers verplaatsen, die aangepaste bestelwagens hebben, die vrij grote staanplaatsen kunnen betalen, die hun koopwaar veel te professioneel aanbieden om echte particulieren te kunnen zijn. Het is belangrijk dat die mensen een halt wordt toegeroepen.

Het wetsontwerp moet tot een kaderwet leiden. Dat belet niet dat er een specifiek koninklijk besluit wordt genomen voor de kermisexploitanten, een specifiek besluit voor de markten en een specifiek besluit voor de rommelmarkten. Het werken met koninklijke besluiten biedt meer soepelheid zodat indien nodig maatwerk kan worden geleverd.

De minister heeft haar administratie gevraagd om voor de rommelmarkten een regeling uit te werken die op twee fundamentele beginselen rust : enerzijds de identificatieplicht voor de beroepsmensen, anderzijds het vastleggen van een aantal criteria aan de hand waarvan de controleurs kunnen bepalen of iemand een privé-persoon, een professioneel verkoper dan wel een schijnparticulier is.

De minister is ervan overtuigd dat men zich niet op één enkel criterium mag baseren. De afstand tussen de woonplaats en de rommelmarkt waaraan men deelneemt volstaat bijvoorbeeld niet als criterium. Het is ook van belang na te gaan over welk materieel de persoon die op de rommelmarkt staat, beschikt. Op die manier wil de minister 5 of 6 criteria opstellen, waaraan de controleurs hun oordeel kunnen toetsen. Eens die criteria verfijnd zijn, is de minister bereid met de commissie in debat te gaan over de vraag of ze hout snijden.

De heer Willems leidt uit de cijfers opgenomen in de stukken van de Kamer af dat er op het vlak van tewerkstelling en nieuwe starters, het hier eigenlijk gaat om een beroep dat eerder in verval is. Die evolutie heeft vermoedelijk te maken met de wijze waarop het beroep georganiseerd is, de administratieve regels die daarmee gepaard gaan en het wettelijk opgelegd kader. Daardoor is het beroep allicht minder vrij en worden initiatieven gefnuikt.

Spreker peilt vervolgens naar de gevolgen van dit wetsontwerp voor de private markten. Daarnaast verwijst hij naar de occasionele verkoop door particulieren. Op rommelmarkten treft men allerlei particuliere verkopers aan die hun activiteiten in feite op professionele basis uitoefenen. Zij doen veel meer dan hun zolder leegmaken en kopen stocks op. De wet van 25 juni 1993 heeft die occasionele verkoop slecht gedefiniëerd. Voorliggende kaderwet delegeert deze definitie aan de Koning. Ziet de minister mogelijkheden om die definitie dusdanig te formuleren dat de geschetste misbruiken kunnen worden tegengegaan ?

Voor de heer Steverlynck bevat het voorliggende ontwerp voor de sector heel veel interessante vereenvoudigingen. Belangrijkere vereenvoudigingen betreffen onder meer de leurkaart die niet langer aan een bepaalde periode gebonden is, de mogelijkheid die wordt ingevoerd om een personeelslid voor een korte periode in dienst te nemen of te vervangen, het wegvallen van de beperking van maximum zes werknemers, hetgeen de sector nieuwe kansen kan geven.

Een eerste punt van kritiek betreft het artikel 7 (oorspronkelijk artikel 8). In de bevoegde Kamercommissie werd een amendement aangenomen dat in feite niet alleen juridisch lacunes vertoont, maar ook fundamenteel een verkeerd signaal geeft.

Het ontworpen artikel 4, § 1, derde lid, voorziet immers dat het uitoefenen van ambulante activiteiten ten huize van consumenten eveneens is toegelaten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op producten of diensten voor een totale waarde van minder dan 250 euro per consument. De Koning kan weliswaar een afwijking hierop toestaan in functie van bepaalde noodwendigheden.

De lezing van het verslag van de Kamer (St. nr. 51 — 1534/4) geeft de spreker de indruk dat de commissieleden daar wat op het verkeerde been zijn gezet. Op blz. 12 staat immers te lezen dat « men kan vaststellen dat in het verslag van de Raad voor het Verbruik wordt gevraagd de huis-aan-huisverkoop volledig te verbieden ». Daarmee doet men de waarheid geweld aan vermits de Raad voor het Verbruik terzake geen eensgezind standpunt heeft ingenomen. De producenten en de distributiesector hadden daaromtrent duidelijk een andere mening. Enkel de verbruikersverenigingen waren voorstander van een beperking van de waarde tot zelfs 100 euro.

Belangrijker is evenwel dat ook het Bestuur Economische Inspectie aanbeveelt om bedrieglijke praktijken te bestrijden, niet om de huis-aan-huisverkoop volledig te verbieden. Er zijn reeds voldoende juridische argumenten en instrumenten voorhanden om misbruiken te bestrijden, zodat een algemeen verbod voor meer dan 250 euro per consument overbodig is. Beter ware te voorzien dat de Koning, wanneer bepaalde misbruiken worden vastgesteld, gemachtigd is die te verbieden. Om dat te bereiken zal de heer Steverlynck een amendement indienen.

Het is juridisch ook niet duidelijk wat nu precies moet begrepen worden onder die 250 euro. Die limiet geldt immers eveneens voor het verkopen van diensten. Iemand kan op een bepaald ogenblik een dienst kopen waarvan hij evenwel niet weet hoeveel de uiteindelijke prijs zal zijn. Dat geldt zeker voor een steeds terugkerende, periodieke dienst.

Vermits er strafsancties voorzien zijn, is het uiterst belangrijk klaarheid te scheppen.

De vraag die zich hier stelt, is waarom de regering dit bewuste amendement zo snel aanvaard heeft. De gevolgen ervan zijn duidelijk onvoldoende ingeschat en volledige sectoren verliezen de mogelijkheid hun activiteiten verder te zetten, ook de bona fide verrichtingen.

Een tweede bedenking betreft artikel 8. Binnen de sector van de distributie wordt immers gevreesd voor de « home-parties ». Deze activiteit wordt nu geregeld via het koninklijk besluit van 3 april 1995. Vermits dit koninklijk besluit mogelijkerwijze zal gewijzigd worden, kan dit voor de sector moeilijkheden betekenen. Daarom stelt de heer Steverlynck voor de mogelijkheid om een « home-party » te organiseren, te verankeren in de wet van 25 juni 1993 door daar de voorwaarden in te schrijven die momenteel in dat koninklijk besluit van 3 april 1995 zijn opgenomen.

Een derde opmerking van deze spreker slaat op de privé-markten. Voor de organisatie ervan is een machtiging vanwege de gemeente vereist. Het middenveld argumenteert dat er problemen kunnen voortvloeien uit het feit dat deze privé-markten niet automatisch onderworpen zijn aan de reglementering op de openbare markten. Hoewel hij begrip kan opbrengen voor deze bedenking, is de heer Steverlynck toch van oordeel dat de gemeentelijke autonomie in deze materie moet kunnen spelen, maar stelt hij voor dat de wet over een paar jaar geëvalueerd zou worden op dit punt. Er moet worden vermeden dat deze privé-markten op een deloyale manier zouden concurreren met regulier georganiseerde openbare markten.

Ook de heer Van Nieuwkerke wenst éénduidigheid over het begrip « consument  »: gaat het om een consument per woning ? Waarop slaat die 250 euro precies ?

Volgens de heer Brotcorne kan het wetsontwerp een beter statuut en een betere zichtbaarheid geven aan de ambulante handelaars waarmee men de exploitanten van kermisactiviteiten heeft gelijkgesteld. De tekst betreft niet alleen de activiteiten op het openbaar domein, maar ook de daarmee gelijkgestelde ruimten, zoals de parkings van grootwarenhuizen. Zo beantwoordt men aan een noodzaak en sluit men aan bij de socio-economische ontwikkeling van een bepaalde sector.

Het uitgangspunt is een betere bescherming van de consument. In tegenstelling tot de heer Steverlynck heeft de heer Brotcorne geen bezwaar tegen een beperking van de maximumwaarde die te koop kan worden aangeboden (artikel 7), wat niet betekent dat de ontwerptekst het probleem zal oplossen. Het blijft immers de vraag wat een consument precies is, hoe men het plafond van 250 euro berekent, enz. Op dat vlak zijn sommige bepalingen verwarrend.

Wat artikel 8 betreft, wil de heer Brotcorne weten wat de bedoelingen van de minister zijn met betrekking tot het koninklijk besluit van 3 april 1995. Zou men deze uitzondering niet beter opnemen in de wet van 25 juni 1993 zelf ? Spreker zal een amendement indienen, dat voorgesteld is door Fedis, betreffende homeparty's (zoals de Tupperware-party's).

De heer Brotcorne meent ook dat er door de tekst conflicten kunnen ontstaan tussen de bevoegdheden van de Koning enerzijds en die van de gemeentelijke overheden anderzijds, in het bijzonder wat de kermismarkten betreft.

De heer Dedecker heeft vooral problemen met de beperking tot 250 euro want een groot aantal handelaars kunnen het slachtoffer worden van die beperking. Voorts rijst de vraag van de controle en de afdwingbaarheid. Spreker vreest voor heel wat overbodige rechtszaken, terwijl in de huidige stand van de wetgeving reeds een bedenkperiode van 7 dagen is ingebouwd.

Over de privé-markten, wijst de minister er vooreerst op dat er een behoefte aan privé-markten bestaat. Privé-markten bestaan nu al, maar ze zijn onwettelijk. Voor de organisatie van dergelijke markten moeten de organisatoren voortaan de goedkeuring van de gemeente krijgen.

Men laat de gemeenten oordelen over de organisatie van de privé-markten. De minister stemt ermee in om deze maatregelen binnen enkele jaren te opnieuw te bekijken.

Wat de 250 euro betreft, meent de minister dat er twee manieren zijn om het probleem aan te pakken : enerzijds een aantal remmingen voor de ambulante handel wegnemen en ruimte laten voor privé-initiatief zonder andere problemen in het leven te roepen, en anderzijds het beschermen van de consument. De consument wordt gedefinieerd in de wet van 14 juli 1991 en door de rechtspraak.

De wet van 1991 blijft van toepassing. Sommige huis-aan-huispraktijken (die geen verband houden met de « home party's ») leiden echter tot misbruiken. Consumenten die er thuis mee te maken hebben, worden soms zodanig onder druk gezet dat ze producten kopen die ze eigenlijk niet wensen. De verkoop van encyclopedieën is daar het schrijnendste voorbeeld van.

Het is niet de bedoeling sectoren te benadelen die correct handelen. Het amendement dat in de Kamer is ingediend beperkt de huis-aan-huisverkoop tot 250 euro. De minister heeft gevraagd dat in dat geval de Koning een uitzondering zou maken voor een aantal sectoren : elektriciteit, gas, telefoon, decoratie, enz. Alvorens die uitzonderingen vast te stellen zal de minister uiteraard de verschillende sectoren raadplegen waarvoor de commissieleden een uitzondering zouden willen maken.

De andere mogelijkheid was om geen maximumgrens te bepalen, maar om bij koninklijk besluit een bepaalde grens voor sommige sectoren op te leggen. Het doel is hetzelfde : handelaars die correct werken niet benadelen, maar ervoor zorgen dat zij die dat niet doen zo weinig mogelijk schade kunnen aanrichten.

De « home party's » zijn niet opgenomen in het wetsontwerp omdat daarop reeds het koninklijk besluit van 3 april 1995 van toepassing is. Dat besluit blijft van kracht. Wel worden de « home party's » uitgesloten van het toepassingsgebied van de ambulante handelsactiviteiten. Er zijn trouwens geen kaarten voor ambulante handel voor vereist.

Bovendien werd het wetsontwerp, met inbegrip van het amendement van de Kamer, voorgelegd aan Fedis, die geen enkel bezwaar heeft geopperd.

Wat betreft de mogelijke conflicten tussen de bevoegdheden van de Koning en die van de gemeenten, is de ontwerptekst heel duidelijk. De bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende niveaus heeft totnogtoe geen problemen opgeleverd, en dat zal in de toekomst wel zo blijven. De gemeentelijke autonomie is goed omschreven. De minister ziet hierin dan ook geen bron van problemen.

De heer Steverlynck merkt op dat de minister aangeeft dat de limiet van 250 euro geldt voor de huis-aan-huisverkoop. Het ontworpen artikel 4, § 1, derde lid, spreekt evenwel van « ten huize van ». Voor de heer Steverlynck is dit niet hetzelfde. Dat betekent dat in principe luidens het artikel het uitoefenen van ambulante activiteiten ten huize van consumenten is toegelaten tenzij het gaat over een totale waarde van meer dan 250 euro. Daardoor ontstaat de indruk dat ook zaken die aan huis gebeuren, voortaan problemen zouden kunnen opleveren.

Met betrekking tot « home parties » is het voor dit lid duidelijk dat artikel 8 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 duidelijk vermeldt dat in dat geval de wet van 25 juni 1993 niet van toepassing is. Toch vraagt spreker of dat koninklijk besluit niet fundamenteel zal moeten herschreven omdat heel het begin ervan verwijst naar delen van de wet die gewijzigd worden. Zo verwijst artikel 1 van het koninklijk besluit naar een verbod in artikel 4 van de wet, daar waar dat verbod daarin niet langer voorkomt. De minister kan mogelijks de intentie hebben om alvast artikel 8 van het bewuste koninklijk besluit te behouden. Het is vreemd dat een uitvoeringsbesluit bepaalt dat de wet ergens niet toepasselijk op is.

De heer Willems vraagt de minister duidelijkheid omtrent de wijze waarop de « occasionele verkoop » in het koninklijk besluit zal worden gedefinieerd. Immers, in de toepassing van de « private markten » en de « occasionele verkopen » zou de scheidingslijn erin kunnen bestaan dat die occasionele verkopen door particulieren zeer ruim geïnterpreteerd worden waardoor men de facto met handelaars te maken heeft die over zichzelf verklaren particulier te zijn. Die scheidingslijn particulier/handelaar vormt het knooppunt in deze problematiek.

Het probleem van de consument die aan huis « overvallen » wordt door handige verkopers doet zich, mutadis mutandis, ook voor op allerlei beurzen. Om die consumenten tegen ongewenste impulsaankopen te beschermen, kan momenteel reeds een beroep worden gedaan op de wet op de handelspraktijken. Die voorziet in een bedenktijd om desgevallend de verkoop te laten annuleren.

Zelfs met de meest volledige regelgeving blijft het risico op wanpraktijken bestaan. Om dat te vermijden moet zo zwaar regulerend worden opgetreden dat eigenlijk alleen een sluitende regeling kan worden gevonden door elke ambulante activiteit te verbieden. Een andere regeling laat ruimte voor verschillende interpretaties. Vandaar vreest de heer Willems dat de tekst zoals overgezonden door de Kamer op het terrein niet veel aarde aan de dijk zal brengen. Malafide ondernemers zal dit niet tegenhouden terwijl bepaalde bonafide ondernemers wel zwaar zullen worden getroffen. Ook de limiet van 250 euro lijkt hem arbitrair gekozen. Bovendien wordt dat bedrag niet geïndexeerd.

De minister antwoordt op de vraag van de heer Steverlynck dat ze van plan is om alvast artikel 8 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 te behouden. Het is haar bedoeling om de « home parties » buiten het toepassingsgebied van het ontwerp te houden.

De heer Steverlynck besluit dat in uitvoering van het ontwerp heel wat uitvoeringsbesluiten zullen moeten worden genomen. De kennis van de inhoud ervan is eigenlijk noodzakelijk om een goed inzicht in het geheel te bekomen. De minister heeft reeds bevestigd dat de « home parties » buiten het toepassingsgebied van de wet zullen vallen. Kan nog wat meer duidelijkheid worden verschaft op andere punten bijvoorbeeld inzake de occasionele verkopen ?

De minister bevestigt dat het voorliggende wetsontwerp een ontwerp van kaderwet is. Een hele reeks bepalingen zullen dus bij koninklijk besluit uitgevoerd moeten worden. Dat is het gevolg van de scheiding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht. Niettemin herhaalt de minister dat zij bereid is om de ontwerpen van koninklijk besluit ter uitvoering van deze kaderwet aan de commissie te komen voorstellen.

IV. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN

Artikel 7

Een eerste amendement op dit artikel is amendement 2 van de heer Steverlynck (zie St. Senaat nr. 3-1112/2) dat ertoe strekt het uitoefenen van ambulante activiteiten ten huize van consumenten principieel toe te laten, maar tevens te voorzien dat de Koning beperkingen kan opleggen voor specifieke producten of diensten.

De heer Steverlynck herhaalt te betreuren dat het wetsontwerp ambulante activiteit ten huize verbiedt wanneer de totale waarde van de verkochte producten of diensten een bedrag van 250 euro per consument overschrijdt. Spreker meent dat eerder een omgekeerde redenering moet gevolgd worden en stelt voor om alle activiteit toe te laten, maar tevens te voorzien dat de Koning kan optreden en beperkingen opleggen indien in bepaalde sectoren problemen rijzen. Op die manier wordt alle onduidelijkheid omtrent de 250 euro vermeden.

De heren Willems en Dedecker dienen amendement 6 in. Volgens de heer Willems gaat dit amendement verder dan amendement 2 aangezien het de oorspronkelijke tekst van het in het ontwerp voorgestelde artikel 4, § 1, derde lid (zie stuk Kamer, nr. 51-1534/1, blz. 32) herstelt.

Het uitgangspunt blijft dat de malafide huis-aan-huisverkopers moeten worden aangepakt. Het grote probleem is dat deze verkopers in vele gevallen niet in orde zijn met de sociale en fiscale wetgeving, zelfs geen ondernemingsnummer, geen leurderskaart en evenmin het statuut van handelaar hebben, en zeker ook niet zullen afgeschrikt worden door een aanpassing van de regelgeving. Alleen door middel van een betere controle kunnen zij worden aangepakt. Het gevaar is echter reëel dat in een poging om die misbruiken te verbieden, de ambulante activiteiten in het algemeen bijna onmogelijk worden gemaakt.

De in het ontwerp uitgewerkte regeling is niet duidelijk en bovendien zo lek als een zeef. De heer Willems is ervan overtuigd dat ze zo kan worden geïnterpreteerd dat misbruiken mogelijk blijven. Zo kan bij een gezin bestaande uit vijf personen voor 5 maal 250 euro of in totaal 1 250 euro worden verkocht.

Voorstanders van de regeling kunnen dan wel het gevoel hebben « iets » voor de consumentenbescherming te hebben gedaan, spreker blijft de mening toegedaan dat er op het terrein niets zal veranderen.

Die overtuiging is nog versterkt na lezing van het verslag van de Dienst Controle en Bemiddeling. Volgens de heer Willems bevestigt dat verslag dat de hier voorgestelde aanpak niet de goede is. De meerwaarde ervan is hem overigens niet duidelijk.

Heel belangrijk acht hij het op te merken dat in de ambulante activiteiten heel wat bonafide bedrijven actief zijn die bovendien heel wat mensen tewerkstellen die elders misschien niet zo gemakkelijk aan de slag kunnen. Men riskeert hier een aantal van die werknemers uit het arbeidscircuit te sluiten.

Ten slotte onderstreept dit lid dat de bestaande regeling afdoende is. De consument wordt reeds in grote mate beschermd door de Wet op de handelspraktijken die voorziet dat de verkopen aan huis het voorwerp uitmaken van een schriftelijke overeenkomst waarin een bedenktermijn van 7 dagen moet worden opgenomen. Daarnaast mag men geen voorschot of betaling vragen tot na het verloop van die bedenktermijn, noch nadat de consument gebruik heeft gemaakt van het verzakingsbeding. Misschien is het aangewezen de consument beter te informeren over de bestaande regels. Het is echter een illusie dat met voorliggende wazige regeling de consument beter zal worden beschermd. De Kamerleden hebben de effecten van deze wijziging onvoldoende ingeschat.

Voor mevrouw Vanlerberghe komen de amendementen en de tekst van het wetsontwerp uiteindelijk op hetzelfde neer. In beide gevallen zijn uitzonderingen mogelijk. Ofwel geeft men nu een duidelijk signaal inzake consumentenbescherming en behoudt men de beperking tot 250 euro ofwel kan de Koning optreden na misbruiken.

Feit is dat de evocatie van het ontwerp meer tijd heeft gegeven aan de lobby-groepen, die verrast waren door de amendering in de Kamer, om nu te reageren. Vooral de sectoren die de 250 euro-drempel overschrijden, zijn blijkbaar erg actief. Welnu, diegenen met goede bedoelingen kunnen onmiddellijk een uitzondering aanvragen bij de minister.

Spreekster weerlegt de stelling van de heer Willems dat malafide handelaars zich niet aan het ontwerp zullen storen. Vooreerst heeft dit ontwerp een signaalfunctie en daarnaast draagt het bij tot een sociale controle. Mevrouw Vanlerberghe acht het veel gevaarlijker mocht de wetgever niets ondernemen. Handelaars met slechte intenties zullen de regeling niet volgen, maar dat geldt ook voor talloze andere wetten. Dit kan/mag geen vrijbrief voor de wetgever zijn om niets te ondernemen.

Trouwens, het probleem wordt overroepen. Niet alleen zijn uitzonderingen mogelijk op die grens van 250 euro, voor de meeste huis-aan-huisverkopers volstaat die ook.

Het klopt eveneens dat de wet op de handelspraktijken een bedenktijd van 7 werkdagen voorziet en dus een gedeeltelijke bescherming biedt, maar ook dat is onvoldoende reden om niets meer te ondernemen. Zelfs de tegenstanders van de 250 euro-grens geven toe dat bij de huis-aan-huisverkopen soms malafide praktijken worden gebruikt. Het lijkt spreekster veiliger de grens te behouden en op een weldoordachte manier uitzonderingen toe te staan.

De heer Dedecker verwijst naar de stelling van de vermaarde jurist Cesare Beccaria die poneerde dat wetten worden nageleefd als ze als rechtvaardig worden ervaren. Welnu, hier is een wet in wording die als niet rechtvaardig ervaren wordt. De kritiek op het ontwerp komt dan ook niet enkel vanuit de hoek van ervaren lobbyisten. De heer Dedecker wil streven naar een wetgeving die aan de behoeften van iedereen antwoordt. In de eerste plaats, maar niet alleen aan die van de consumenten.

In België biedt de sector van de directe verkoop 20 000 weinig geschoolde mensen werk of een aanvullend inkomen. Jaarlijks haalt de sector een omzet van meer dan 135 miljoen euro.

Het grootste probleem bij de 250 euro-regeling ligt volgens spreker bij de praktische haalbaarheid ervan. Hoe denkt de minister de controle hierop te organiseren ? Quid als voor grotere bedragen de facturen worden opgesplitst in bedragen van maximaal 249 euro ? De heer Dedecker vreest dat de overbelasting bij rechtbanken en inspectiediensten alleen maar zal toenemen vermits het systeem volgens hem in de praktijk onuitvoerbaar zal blijken.

Daarnaast rijst het probleem van de uitzonderingen. Op basis van welke criteria zullen die worden toegekend ? Worden die toegekend per product, per handelaar, per beroepscategorie ? Hoe dient de 250 euro-grens te worden geïnterpreteerd ? Is dat per artikel per consument ? Quid als meerdere consumenten zich in dezelfde woning bevinden ? Deze en andere vragen zullen tot interpretatieproblemen leiden met alle gevolgen vandien.

Het in artikel 7 van het ontwerp voorgestelde artikel 4, § 1, derde lid, voorziet in verband met de mogelijkheid tot uitzonderingen : « De Koning kan afwijking verlenen op dit bedrag voor bepaalde noodwendigheden ». Kan het aanbieden op een normale wijze van een normaal product aanzien worden als een « noodwendigheid  »? Die formulering lijkt niet zo goed gekozen.

Wat met recurrente diensten of leveringen die op maandbasis onder de 250 euro-grens blijven, doch op jaarbasis die grens overschrijden ?

De heer Steverlynck onderstreept dat een duidelijk antwoord op die laatste vraag, omwille van het legaliteitsbeginsel, heel belangrijk is. Er zijn uiteindelijk strafsancties voorzien. Als het onduidelijk blijft hoe het bedrag van 250 euro moet worden geïnterpreteerd, dan brengt dit onzekerheid met zich over de vraag of er al dan niet strafsancties kunnen worden toegepast.

Spreker wijst op het verschil tussen amendement 2 en amendement 6 omdat amendement 2 wel de mogelijkheid voorziet dat er voor specifieke producten of diensten nog beperkingen kunnen worden opgelegd. Het is belangrijk dat zijn amendement vertrekt vanuit een positieve ingesteldheid. Ambulante activiteiten ten huize van consumenten blijven in principe toegelaten. Een dergelijke houding heeft evenzeer een signaalfunctie, maar dan ten aanzien van diegenen die in die sector economisch actief zijn. Het amendement biedt het bijkomend voordeel dat er geen sprake meer is van die 250 euro. Op die manier worden veel juridische problemen vermeden. De Koning behoudt wel de mogelijkheid misbruiken te bestrijden en nog wel op een genuanceerde manier.

De heer Willems ontkent dat zijn amendementen onder invloed van grote lobbygroepen tot stand zijn gekomen. Hij kan echter geen begrip opbrengen voor het feit dat het ontwerp ook in gevangenisstraffen voorziet terwijl elders alle mogelijke wegen worden onderzocht om de gevangenispopulatie naar beneden te brengen. Bepalingen waaraan een strafsanctie verbonden is dienen restrictief te worden geïnterpreteerd omwille het maatschappelijk belang ervan.

Van zijn kant acht hij het bizar dat de voorstanders van de 250 euro-grens er onmiddellijk bij vertellen dat die grens geen probleem vormt vermits allerhande uitzonderingen zullen worden toegekend.

Mevrouw Vanlerberghe is van oordeel dat de houding van de heer Willems erop neerkomt wel akkoord te gaan met het principe dat de consument moet worden beschermd, maar anderzijds te weigeren om daar als wetgever iets voor te doen. Het argument dat deze nieuwe regeling zinloos zou zijn omdat het risico bestaat dat ze niet zou worden nageleefd snijdt geen hout.

De heer Willems repliceert dat hij het niet heeft over de naleving van de wet, maar wel over de handhaving ervan. Dat laatste is enkel mogelijk wanneer de regeling duidelijk is. Het vage begrip « noodwendigheden » en het feit dat de Koning afwijkingen kan verlenen zorgt hier voor onduidelijkheid.

Volgens mevrouw Vanlerberghe staat meer op het spel dan enkel de belangen van de ambulante handelaren. Vele OCMW's dienen mensen te steunen die door impulsieve aankopen van handige huis-aan-huisverkopers in de financiële problemen zijn geraakt. Consumentenorganisaties staan wel achter de tekst van de Kamer. Het is zaak om beide belangen te verzoenen. Niemand wil dan ook alle huis-aan-huisverkopen verbieden.

De Heer Collas verklaart niet ongevoelig te zijn voor de argumenten van de heren Dedecker, Willems en Steverlynck. Hij herinnert er echter aan dat de minister de sectoren die volgens haar in aanmerking komen voor deze afwijking, reeds heeft vermeld.

Mevrouw Zrihen stelt vast dat alle commissieleden aan hun standpunt blijven vasthouden en dat de bespreking niet vooruitgaat. In de praktijk staat de wet ambulante handelaars toe om bij alle burgers aan te bellen en hen voortdurend aankopen aan de deur voor te stellen. Dit is onhoudbaar. Wie tussen 9 en 18 uur thuis zijn, zijn precies diegenen die niet altijd kunnen weigeren wanneer er wordt aangedrongen. De verkopers komen binnen, gaan zitten en plots wordt een overeenkomst getekend omdat de koper van de verkoper af wil zijn. Hoewel men over het algemeen weet dat men over zeven dagen beschikt om de bestelling terug te sturen, doet men dit meestal niet.

Het commissielid vindt het belangrijk dat de gemiddelde consument beschermd wordt tegen deze vorm van voortdurend aanzetten tot kopen, maar dat tegelijkertijd de ambulante handelaars ook volledig vrij blijven om van huis tot huis te gaan. Dat de handelaars zouden aanvaarden dat het hen verboden is een verkoop voor meer dan 250 euro per keer te sluiten — tenzij zij een afwijking van de regel aanvragen en krijgen — lijkt haar een veel redelijker houding dan teveel toe te staan en dan de geschillen en de rechtszaken af te wachten. Het is niet logisch dat er wordt gewacht tot de situatie zo ontwricht dat bepaalde personen zich genoodzaakt zien een rechtszaak aan te spannen. Men weet hoe moeizaam die procedures verlopen. Mensen geven het na een tijdje op. In bepaalde regio is van België bestaan er enorme problemen met overmatige schuldenlast. Mevrouw Zrihen wenst dat de wetgever de kwetsbare consument zo goed mogelijk zou beschermen, terwijl aan de eerlijke handelaar toch de mogelijkheid wordt geboden om een afwijking aan te vragen op de regel van 250 euro per verkoop.

De minister vestigt de aandacht op het feit dat het hier gaat om het terugdringen van een praktijk die eigenlijk niet veel voorkomt, namelijk de huis-aan-huis- of ongevraagde verkoop. Dit is al een eerste beperking van het voorstel. Verkoop volgens het « Tupperware »-principe valt bijvoorbeeld buiten het toepassingsgebied van het wetsontwerp. Dit geldt ook voor de verkoop onder handelaars.

Het wetsontwerp ligt bovendien volledig in de lijn van de geest van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. Het doet geen afbreuk aan het recht van de consument om binnen zeven dagen de verkoop te herroepen. De koopakte, de consument, enz., worden gedefinieerd op basis van de wet van 1991. Die is onverkort van toepassing, zonder enige interpretatie. De argumenten van de heren Willems en Steverlynck zijn bijgevolg niet van toepassing op dit wetsontwerp, dat geheel kadert in het gemene recht, alsook in de wet op de handelspraktijken.

De bedoeling van het wetsontwerp is het kaf van het koren te scheiden. Ambulante handelaars die van huis tot huis verkopen en er economisch belang bij hebben dit te doen, moeten dit vanzelfsprekend kunnen blijven doen.

Het is echter niet aanvaardbaar dat er twijfelachtige praktijken worden toegepast die de traditionele handel ontwrichten. De regering tracht een onderscheid te maken tussen de gerechtvaardigde doeleinden van de ambulante handelaars en de frauduleuze praktijken.

Soms krijgt de dienst « Controle en Bemiddeling » (de vroegere economische inspectie) klachten binnen. De meeste daarvan in verband met ambulante handel betroffen de huis-aan-huis verkoop. Meestal ging het om overeenkomsten die ver boven 250 euro lagen. Het overgrote deel van de huis-aan-huis verkopen betreft echter bedragen van minder dan 250 euro. Het gaat dus om uitzonderingsgevallen, maar die echt een probleem opleveren.

In plaats van alles toe te staan wat niet verboden is, zoals de amendementen 2 en 6 voorstellen, wil het wetsontwerp alles wat boven de 250 euro ligt verbieden, tenzij de verkoper van de regel mag afwijken. De afwijkingen zijn ontworpen op sectorale basis. In sommige sectoren gaat het in se om verkopen van meer dan 250 euro, zonder dat daarom de rechtmatigheid van de verkoopovereenkomst in twijfel moet worden getrokken. Het gaat om de energiesector (elektriciteit, gas), water, telefoon, maar ook binnenhuisdecoratie, enz ... De minister verbindt zich ertoe dat er bij de inwerkingtreding van de wet, koninklijke besluiten zullen worden uitgevaardigd om de nodige afwijkingen toe te staan. De betrokken sectoren worden geraadpleegd, op het niveau van de Hoge Raad voor zelfstandigen en de KMO, van FEDIS, van de Raad voor het verbruik, van de beroepssectoren. Het is niet de bedoeling het handelvoeren te verhinderen, noch de vrijheid van handel te beperken. Er moet gewoon meer bescherming komen in die uitzonderlijke gevallen van handeldrijven waarbij de meeste problemen opduiken waarmee de economische inspectie af te rekenen krijgt.

Er moet een signaal worden gegeven. Bovendien zit de hele sector van de ambulante handel op deze wet te wachten.

De heer Steverlynck vraagt opnieuw hoe de « totale » waarde van minder dan 250 euro per consument zal worden bepaald.

De minister meent dat artikel 4, § 1, derde lid, zoals het thans is opgesteld, met verwijzingen naar de wet van 1991 zowel als naar andere wetten in verband met de handelspraktijken of het gemene recht, het perfect mogelijk maakt om te omschrijven wat een koopakte inhoudt. De consument behoudt de mogelijkheid om te kopen en kan dit doen tot een bedrag van 250 euro.

De heer Dedecker komt terug op contracten met recurrente leveringen of diensten die, samengenomen over langere tijd, meer dan 250 euro vertegenwoordigen. Mogen die nog deur-aan-deur worden aangeboden ?

De minister antwoordt dat voor een reeks sectoren die dergelijke contracten aanbieden, het nu reeds vaststaat dat hen een afwijking zal worden verleend. Voor de andere gevallen moet het contract worden bekeken. Gaat het bijvoorbeeld om een contract gesloten voor een termijn van één jaar waarbij maandelijks 30 euro moet worden betaald, dan vertegenwoordigt dat contract 360 euro en is de limiet overschreden. Zonder afwijking mag een dergelijk contract bijgevolg niet meer ten huize van consumenten worden aangeboden. Bij contracten voor onbepaalde duur moet de eerste datum waarop het contract kan worden opgezegd in aanmerking worden genomen.

De heer Koninckx suggereert om, indien contracten van onbepaalde duur zonder vermelding van datum vanaf wanneer het contract kan worden opgezegd problemen zouden kunnen geven, ze dan maar onmiddellijk voor de huis-aan-huisverkoop te verbieden.

De heer Willems meent dat de meeste klachten rond de huis-aan-huisverkoop precies betrekking hadden op een firma uit de energiesector, sector die onmiddellijk een afwijking zal bekomen omdat die onder de « noodwendigheden » valt. Er zijn ook veel klachten over de ambulante verkoop van abonnementen voor betaaltelevisie, maar de grote maatschappijen achter die aanbiedingen zullen ook wel in staat zijn om een afwijking te bekomen.

De heer Willens onderstreept verder dat veel dienstencontracten gebruik maken van de stilzwijgende verlenging. Als het de bedoeling is om die te verbieden, dan moet ook het Burgerlijk Wetboek worden aangepast.

De minister komt terug op het aanbod om voor de inwerkingtreding van deze wet de ruimst mogelijke concertatie te houden om problemen te voorkomen bij het waarschijnlijk relatief beperkt aantal sectoren die vrezen het slachtoffer te worden van de 250 euro-regel.

De heer Willems kan niet akkoord gaan met de premisse waarvan een aantal andere commissieleden schijnen uit te gaan en die erin bestaat te stellen dat sommige leden voor de bescherming van de consument zijn en anderen tegen. Dat is fout. Het punt van discussie is de toepasbaarheid van de hier voorgestelde bepaling. Het is zeer belangrijk dat de onduidelijkheden errond worden weggenomen temeer dat aan inbreuken erop straffen zijn gekoppeld.

Hetzelfde lid stipt ook aan dat heel wat contracten van bepaalde duur, ook na afloop van de contractuele termijn worden verdergezet en dus automatisch contracten van onbepaalde termijn worden.

De heer Steverlynck meent dat niet alleen het probleem van de contracten van onbepaalde duur illustreert dat de 250 euro-grens altijd voor interpretatieproblemen zal zorgen. Daarnaast is er het geval van een gelijktijdige levering van een goed en een dienst waarvoor men op voorhand niet kan inschatten wat de prijs van die dienst is.

Aan de heer Dedecker antwoordt de minister dat de dienstcontracten die voor onbepaalde duur worden gesloten, zonder mogelijkheid tot opzegging, beschouwd moeten worden als een oneindige multiplicator van het grensbedrag. Het is bijgevolg verboden om dit type contracten bij huis-aan-huisverkoop aan te bieden. Voor deze contracten, die verlengde dienstverlening betreffen, is het vertrouwensaspect uiterst belangrijk. Het is op basis van dit idee dat men een onderscheid kan maken tussen de twijfelachtige en de eerlijke praktijken.

De heer Dedecker is evenwel van oordeel dat de mogelijkheid om contracten van onbepaalde duur aan te bieden, behoort tot de essentie van ons handelsrecht.

Mevrouw Vanlerberghe acht het niet zo moeilijk om dergelijke contracten om te zetten in tijdelijke contracten die onder de 250 euro-grens blijven en die contracten periodiek te vernieuwen. Dat biedt de consument een goede bescherming.

De heer Dedecker acht het onaanvaardbaar dat de minister verklaart dat bij huis-aan-huisverkopen geen contracten van onbepaalde duur meer mogen worden aangeboden. Dat staat zijn inziens gelijk aan een oorlogsverklaring aan de betrokken sectoren. Ook een deel van de commissie stapt al te luchtig over de gevolgen van deze beslissing.

De minister benadrukt dat die maatregel in zijn globale context moet worden bekeken. Het gaat hier om ongevraagde deur-aan-deurverkopen. Voor een groot aantal sectoren waar contracten van onbepaalde duur gebruikelijk zijn, zullen afwijkingen worden toegekend.

Het is zeker niet de bedoeling om principes als stilzwijgende verlenging van contracten op de helling te zetten. Contracten van bepaalde duur die stilzwijgend verlengd worden blijven contracten van bepaalde duur.

Als er evenwel geen eindtermijn of opzegmogelijkheid in een contract is opgenomen, dan moet worden aangenomen dat het om een oneindig aantal maanden gaat.

Misschien moeten de volledig wettige handelaars bij wie de overeenkomst vanzelf verlengd wordt omdat er met de consument een vertrouwensrelatie is ontstaan, hun algemene voorwaarden lichtjes aanpassen en de duur van hun contracten beperken.

Mevrouw Zrihen wil nog iets kwijt over de situaties waarin er geen verweer mogelijk is tegen de huis-aan-huisverkoper, omdat hij geen maatschappelijke zetel heeft, of een adres waar de consument kan aankloppen. De grens van 250 euro is ingesteld om de gebruiker en de consument te beschermen. Het stelt degene die aan dergelijke praktijken is blootgesteld in staat om terug te keren naar de voorgaande, voor hem gunstigere situatie. Het schept een mogelijk rechtsmiddel tegen twijfelachtige praktijken. Bedrijven die een goede naam hebben en die besluiten om de straat op te trekken om aan huis-aan-huisverkoop te doen, zijn perfect in staat om het wetgevend kader te bestuderen en afwijkingen aan te vragen of om duidelijke en expliciete wijzigingen te verzoeken. Het commissielid wenst voornamelijk transparantie en bescherming voor de consument. Amerikaanse toestanden waarbij de consument in rechtszaken in beroep steeds zelf het bewijs moet leveren, moeten worden vermeden. Er kan beter worden bepaald dat de handelaars die op een transparante en eerbare manier huis-aan-huis verkopen, een afwijking kunnen vragen. De krachtsverhouding wordt dan omgekeerd.

De heer Dedecker merkt op dat het artikel 4, § 1, derde lid, niet voorziet dat sectoren of handelaars afwijkingen kunnen vragen. Er wordt enkel bepaald dat de Koning afwijking kan verlenen van die beperking tot 250 euro per consument « voor bepaalde noodwendigheden ». Wat zijn « noodwendigheden »?

Om aan die onduidelijkheid te verhelpen dienen de heren Willems en Dedecker amendement 7 in. Dat strekt ertoe de notie « noodwendigheden » te vervangen door de woorden « sectoren en handelsactiviteiten ».

De heer Willems blijft bij zijn overtuiging dat de maatregel de consument geen extra wettelijke bescherming zal opleveren. De verkooptechnieken zullen worden aangepast, zoals prospectie huis-aan-huis maar via allerlei incentives de consument ertoe aanzetten ergens anders het contract te gaan tekenen. De wetgever zal altijd achter de feiten aanhollen.

De heer Willems vreest dat wanneer koninklijke besluiten zullen genomen worden voor uitzonderingen omwille van « bepaalde noodwendigheden », vrij snel beroep daartegen zal worden ingesteld bij de Raad van State om bijvoorbeeld een afwijking voor elektriciteit te laten annuleren op basis van de stelling dat het afsluiten van elektriciteitscontracten aan huis geen « noodwendigheid » is.

De heer Steverlynck is van oordeel dat amendement 7 een verbetering inhoudt ten opzichte van de tekst van het ontwerp. Het verhelpt echter niets aan de problemen rond de 250 euro.

Bij het lezen van amendement 7 stelt de minister vast dat er een zekere mate van overeenstemming is over de tekst.

De heer Willems meent dat er toch een wezenlijk verschil bestaat tussen de tekst van het ontwerp en het amendement. Bij het nemen van een koninklijk besluit geldt de motiveringsplicht. Uit de discussie hier is het hem nog niet duidelijk geworden hoe men die noodwendigheid gaat motiveren. Hij meent derhalve dat naar een meer objectieve basis moet worden gezocht. « Sectoren en handelsactiviteiten » zijn nauwkeuriger te omschrijven dan een zeer subjectief interpreteerbaar gegeven als « noodwendigheden ».

De minister meent echter dat de tekst van het ontwerp « De Koning kan afwijking verlenen op dit bedrag voor bepaalde noodwendigheden » veel ruimer is. Wat de motivering betreft mag niet worden vergeten dat het gaat om afwijkingen per productsoort, per aard van de producten, per prestatie enz. De basisidee is dat het gaat om afwijkingen op basis van sector. De hele economische organisatie in België is gebaseerd op sectoren. Deze sectorafwijkingen zullen tegelijk met de inwerkingtreding van de wet worden toegekend en van kracht worden. Dat stemt volledig overeen met de doelstelling van amendement nr. 7.

De van de aard van het product afhankelijke kostprijs ervan is het basisbeginsel waarmee kan worden bepaald waarvoor een afwijking kan gelden en waarvoor niet. In de energie- of telefoniesector is de kostprijs door de aard van het product hoger dan 250 euro. Dat is een objectieve basis.

De heren Steverlynck en Schouppe dienen nog een amendement 8, subamendement op amendement 7 in. Dat strekt ertoe afwijkingen niet alleen voor sectoren en handelsactiviteiten maar eveneens voor specifieke producten of diensten mogelijk te maken. Dit amendement 8 komt tegemoet aan de stelling van de minister dat het begrip « noodwendigheden » ruimer moet worden geïnterpreteerd dan alleen « sectoren en handelsactiviteiten ». De toevoeging « of voor specifieke producten of diensten » laat toe meer uitzonderingen te voorzien. Het amendement legt geen cumulatieve eis op, het gaat om « of ».

De minister houdt vol dat het ontwerp ruimer geformuleerd is dan de amendementen 7 en 8. Ofwel wil men duidelijker zijn en precieze gevallen omschrijven, dus terugkeren naar de sectorafwijkingen die de minister wil toekennen, ofwel wil men een ruimere formulering en wordt het aan de uitvoerende macht en aan de Koning overgelaten om afwijkingen toe te staan die nodig zijn wegens de aard van de prestaties.

De heer Steverlynck blijft bij zijn mening dat de notie « noodwendigheden » onvoldoende duidelijk is. Hij meent dat de combinatie van de amendementen nrs. 7 en 8 de ruime mogelijkheden om afwijkingen toe te kennen openlaat en bovendien het voordeel van de duidelijkheid biedt.

Als antwoord op de heer Willems, die het had over bijzondere evenementen die handelaars organiseren en die in het kader van de huis-aan-huisverkoop opgezet zouden kunnen worden, verwijst de minister naar artikel 8 van het ontwerp. Het voorgestelde artikel 5, 2º, bepaalt dat de bepalingen van deze wet niet van toepassing zijn op occasionele manifestaties georganiseerd of voorafgaand toegelaten door de gemeentelijke overheid, onder de voorwaarden door de Koning vastgelegd.

De heer Steverlynck merkt op dat de commissieleden geen informatie hebben over de koninklijke besluiten die de minister wil nemen om ze, samen met het ontwerp, als het ware als een geheel van kracht te laten worden. De commissieleden kunnen zich op dit ogenblik enkel baseren op wat in het ontwerp zelf staat.

De minister benadrukt dat de parlementaire voorbereiding een bron vormt voor de interpretatie van ons recht.

De heer Willems stelt dat de Koning moet beschikken over een duidelijk wettelijk kader waarbinnen een koninklijk besluit kan worden genomen. Over « noodwendigheden » zijn hier twee totaal uiteenlopende interpretaties gegeven.

Zo heeft mevrouw Vanlerberghe een kwalitatieve benadering gehanteerd. Voor bepaalde sectoren, bijvoorbeeld de elektriciteitssector, kan een afwijking van de 250 euro-grens worden aanvaard. De interpretatie van de minister was verschillend, de benadering eerder kwantitatief. Een aantal producten zijn inherent door hun aard duurder dan 250 euro. Dat laat het ergste vrezen wanneer de koninklijke besluiten ooit door de Raad van State zullen worden getoetst.

Volgens de minister moet wat in een wet als noodzakelijk wordt beschouwd, het algemeen belang dienen. Bijgevolg moet de aard van de prestaties het hoofdargument zijn om na te gaan voor welke producten of sectoren een afwijking moet gelden. Het ontwerp is bedoeld om bepaalde twijfelachtige colportagepraktijken aan de kaak te stellen.

De heer Schouppe meent dat het criterium van het « gezond verstand » als basis voor rechtshandelingen niet lang stand zal houden.

De minister houdt het eerder op het begrip « algemeen belang » dat juridisch veel beter onderbouwd is.

Mevrouw Vanlerberghe geeft aan dat in de Kamer bewust voor de term « noodwendigheden » is gekozen. De term is zo ruim dat het zowel om de nood van de economie als om de nood van de consument kan gaan. Het komt de Koning toe die te definiëren.

Artikel 8

De heer Steverlynck stelt dat amendement 1 van de heer Brotcorne hetzelfde beoogt als zijn eigen amendement 3. Het betreft de problematiek van de « home parties ». Dergelijke parties vallen niet onder het toepassingsgebied van de wet van 25 juni 1993 op basis van artikel 8 van het koninklijk besluit van 3 april 1995. Naar aanleiding van voorliggend wetsontwerp zal dat koninklijk besluit moeten worden aangepast. De amendementen willen de betrokkenen de nodige rechtszekerheid bieden door die afwijking in de wet zelf te laten opnemen.

De minister verbindt zich ertoe het bestaande integraal te behouden. Zij zal het koninklijk besluit dat in het kader van de wet van 25 juni 1993 geldt, ook opnemen in het kader van de nieuwe wetgeving. Zo kan er soepeler gereageerd worden als door een of andere ontwikkeling de bepaling in kwestie moet worden aangepast.

De heer Steverlynck is van oordeel dat die soepelheid niet opweegt tegen het gebrek aan rechtszekerheid.

De minister stipt aan dat er ook op dat punt overleg met de betrokken sector is geweest.

Artikelen 22 en 23

Op deze artikelen dient de heer Steverlynck de analoge amendementen 4 en 5 in.

In de nieuwe versies van de artikelen 15 en 16 van de wet van 25 juni 1993 die door de artikelen 22 en 23 van het ontwerp worden ingevoerd, wordt telkens verwezen naar « de inwerkingtreding van deze wet ».

Het is uiteraard niet de bedoeling naar de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 1993 te verwijzen, maar wel naar de inwerkingtreding van voorliggend ontwerp. Zo kunnen de uitbaters van kermisattracties onmogelijk op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, over de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen beschikken. Die Kruispuntbank is immers pas op 1 juli 2003 opgericht.

Artikel 16, in zijn nieuwe formulering, verplicht de gemeenten dan weer om nieuwe reglementen aan te nemen en bestaande aan te passen binnen een termijn van één jaar vanaf de « datum van inwerkingtreding van deze wet », dit wil zeggen vóór 13 juni 1996 ! ? !

Bovendien zijn in artikel 25 van het ontwerp twee data van inwerkingtreding voorzien. Bijgevolg kan men evenmin zomaar verwijzen naar de datum van inwerkingtreding van voorliggend wetsontwerp. Vandaar stelt de heer Steverlynck in zijn amendementen 4 en 5 voor om te verwijzen naar « de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 24 van de wet van [...] tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten ».

De minister begrijpt de opmerking maar stelt dat de wet niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Bovendien stelt artikel 25 dat de Koning de datum van inwerkingtreding bepaalt. Er komt dus een koninklijk besluit dat het gehele dispositief in werking doet treden. Zo worden formele juridische problemen inzake de inwerkingtreding voorkomen.

Stemverklaring

De heer Steverlynck zal zich onthouden omdat deze bespreking een gemiste kans is om vooral het in de Kamer geamendeerde artikel 7 van het ontwerp aan te passen. Toch kan spreker zich wel akkoord verklaren met de belangrijke verbeteringen die het ontwerp aan de wet van 25 juni 1993 aanbrengt.

IV. STEMMINGEN

1) Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten

Amendement 2 op artikel 7 wordt verworpen met 8 tegen 6 stemmen. Het subamendement 8 op amendement 7, alsook het amendement 7 zelf, worden met dezelfde stemmenverhouding verworpen.

Amendement 6 op artikel 7 werd ingetrokken door de auteurs.

Amendement 1 op artikel 8 verworpen met 8 tegen 2 stemmen bij 4 onthoudingen. Amendement 3 op dit artikel wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen bij 3 onthoudingen.

Op basis van de verklaring van de minister, dat hier geen retroactiviteit mogelijk is en dat de inwerkingtreding volledig aan de Koning is overgelaten, zodat daaromtrent geen enkel conflict mogelijk is, trekt de heer Steverlynck zijn amendementen 4 en 5, respectievelijk op de artikelen 22 en 23, in.

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt ne varietur aangenomen met 11 stemmen bij 3 onthoudingen.

2) Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten tot instelling van de verplichting voor een niet-professionele verkoper ingeschreven te zijn in het register van de gemeente die de occasionele verkoop waaraan hij deelneemt organiseert of toestaat, of er een verblijfplaats te hebben; nr. 3-290/1

Het wetsvoorstel nr. 3-290/1 vervalt ingevolge de aanneming van het wetsontwerp nr. 3-1112/1.

3) Wetsvoorstel houdende wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten; nr. 3-885/1 en 2

Het wetsvoorstel nr. 3-885/1 vervalt ingevolge de aanneming van het wetsontwerp nr. 3-1112/1.

Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Jan STEVERLYNCK. Jean-Marie DEDECKER.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers (stuk Kamer, nr. 51-1534/7)