(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
Het Beroepsinstituut voor vastgoedmakelaars (BIV) heeft op 3 december 2004 in het Instituut verkiezingen georganiseerd voor de Nationale Raad, de uitvoerende kamers en de kamer van beroep.
Voor de uitvoerende kamers dienden de Duitstalige leden hun kiesrecht en hun verkiesbaarheidsrecht uit te oefenen in de Franstalige of de Nederlandstalige taalgroep (cf. artikel 4 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, Belgisch Staatsblad, 30 januari 1986).
Omdat het Instituut hun keuze niet kende, ontvingen de betrokken leden twee stembrieven, de ene met de kandidaten van de Franse taalgroep en de andere met de kandidaten van de Nederlandse taalgroep.
De leden die afhangen van de verenigde kamers en die kandidaat waren bij de verkiezingen, hebben de taalgroep moeten kiezen waartoe zij behoren inzake verkiezingen, en dienden dus binnen diezelfde taalgroep te kiezen.
Samengevat konden de Duitstaligen en de Franstaligen kiezen voor de Duitstalige kandidaten op de Franse kieslijst.
Het BIV liet weten dat de activiteiten, met name de zetel van het bureau, zich voor de Duitstalige kandidaten dienden te bevinden in het Duitstalige gebied.
Bij mijn weten konden de Duitstalige kandidaten zich bij de vorige verkiezingen voor het BIV presenteren op de lijst van de Franse taalgroep.
De wet vereist dat, wanneer de verenigde uitvoerende kamers of de verenigde kamers van beroep een dossier behandelen over een persoon van het Duitstalige gebied (mededeling van het BIV), een (effectief of plaatsvervangend) lid dat dit gebied vertegenwoordigt, deel moet uitmaken van de zetel, zodat minstens één persoon van het Duitstalige gebied lid moet zijn van een uitvoerende kamer en een ander lid van een kamer van beroep.
Mijn vragen luiden als volgt :
1. Wordt de vermelde wet correct toegepast ? Het is immers niet logisch dat een effectief of plaatsvervangend lid van de Duitstalige Gemeenschap wordt gekozen door Nederlandstalige leden.
2. Is de kandidatuur van een vastgoedmakelaar die werkt in de vorm van een naamloze vennootschap met exploitatiezetel in Wallonië conform een beslissing van een buitengewone algemene vergadering, ontvankelijk en geldig om de leden van het Duitstalige gebied te vertegenwoordigen (versie van het BIV) ?
Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid het volgende mee te delen, in volgorde van de nummering van de gestelde vragen.
1. Zoals het geachte lid het zelf weergeeft, stelt artikel 4 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht dat « De personen die met toepassing van artikel 8, § 3, tweede lid, van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn ingeschreven (...), oefenen hun kiesrecht en hun verkiesbaarheidsrecht uit, naar keuze in de Nederlandse of de Franse taalgroep. »
De « personen ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van de verenigde kamers » zijn zij die hun hoofdvestiging in het Duitse taalgebied hebben. Deze oplossing wordt aanbevolen door de §§ 2 en 3, tweede lid, van artikel 8 van de kaderwet van 1 maart 1976 dat respectievelijk vermeldt dat :
— « De bevoegdheid van de uitvoerende kamers wordt bepaald door de plaats waar de aanvrager zijn beroep voor het eerst zal uitoefenen of nadien door de plaats waar hij zijn hoofdvestiging heeft. »
— « [De verenigde kamers] oefenen (...) de taken [toegekend aan de kamers] uit wanneer deze betrekking hebben op het Duitse taalgebied. De vertegenwoordiging van dit taalgebied moet er dan in verzekerd zijn. »
Uit deze beschikkingen volgt dat een persoon die zijn hoofdvestiging in het Duitse taalgebied heeft, effectief over de keuze beschikt om zijn kandidatuur aan de verkiezingen van een beroepsinstituut, hetzij binnen een Franse taalgroep, hetzij binnen een Nederlandstalige taalgroep te stellen. In functie van deze keuze, zal hij verkozen worden door de leden van de Franstalige rol of van de leden van de Nederlandstalige rol.
Om te weten of het « logisch » is dat de reglementering zo'n keuze voorziet, zie ik geen enkele objectieve reden die rechtvaardigt dat de leden van het Duitstalige taalgebied automatisch geïntegreerd dienen te worden in de Franse taalgroep. Inderdaad, zelfs als dit taalgebied gesitueerd is op het grondgebied van het Waalse Gewest, zij tot een gemeenschap behoort — de Duitstalige Gemeenschap — autonoom en verschillend van de anderen.
2. De tweede vraag die het geachte lid stelt betreft de problematiek inzake de criteria die toelaten te definiëren tot welk taalgebied een lid van een beroepsinstituut behoort aangaande de verkiezingen.
Zoals ik al gepreciseerd heb, weerhoudt artikel 8, § 2, van de kaderwet van 1 maart 1976 als bepalend criterium voor de taalgroepen, zowel voor de bevoegdheden van de Kamers als voor de verkiezingen, deze van de hoofdvestiging van de leden van het instituut.
De hoofdvestiging is de plaats waar de persoon feitelijk het meeste zijn beroep uitoefent. Dit dient niet verward te worden met de maatschappelijke zetel van betrokkene, hetgeen een juridisch gegeven is.
Bijgevolg, zelfs als de maatschappelijke zetel van de maatschappij gesitueerd is in Wallonië, kan zijn orgaan zijn hoofdvestiging in het Duitse taalgebied hebben. Dit kan behalve uit zijn verklaringen, voornamelijk blijken uit zijn internetsite of uit de Gouden Gids.