3-386/7

3-386/7

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

20 APRIL 2005


Wetsvoorstel betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen voor hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein

Wetsvoorstel betreffende de vergoeding bij hinder tengevolge van openbare werken


VERSLAG NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER WILLEMS


INHOUD

  • I. Inleiding
  • II. Inleidende uiteenzettingen door de auteurs van de wetsvoorstellen
  • II. 1. Uiteenzetting door de heer Caluwé, auteur van het wetvoorstel nr. 3-280/1
  • II. 2. Uiteenzetting door de heer Dedecker, auteur van het wetsvoorstel nr. 3-386/1
  • III. Algemene bespreking
  • III. 1. Eerste algemene bespreking
  • III. 2. Voortzetting van de bespreking na de hoorzittingen
  • III. 3. Bespreking van het amendement nr. 36
  • IV. Artikelsgewijze bespreking
  • V. Stemmingen
  • VI. Bijlagen
  • I. INLEIDING

    Op 22 oktober 2003 diende de heer Ludwig Caluwé het wetsvoorstel betreffende de vergoeding bij hinder tengevolge van openbare werken in.

    Vervolgens, op 5 december 2003, diende de heer Jean-Marie Dedecker het wetsvoorstel betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen voor hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein (stuk Senaat, nr. 3-386/1) in.

    De commissie heeft beide wetsvoorstellen besproken tijdens haar vergaderingen van 7 en 14 januari, 18 februari, 31 maart, 26 mei, 2 juni, 1 december 2004, 2 en 9 maart en 20 april 2005.

    De commissie heeft op 18 februari 2004 een hoorzitting georganiseerd met het Neutraal Syndicaat voor de Zelfstandigen, de Vlaamse Vereniging van steden en gemeenten, de Union des villes et communes de Wallonie, UNIZO en de Union des Classes moyennes. Op 31 maart 2004 werd Belgacom gehoord.

    De commissie besliste op 2 juni 2004 om het advies van de Raad van State te vragen; dit advies werd ontvangen op 21 juni 2004 (zie : stuk Senaat, nr. 3-386/4).

    II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN DOOR DE AUTEURS VAN DE WETSVOORSTELLEN

    II.1. Uiteenzetting door de heer Caluwé, auteur van het wetsvoorstel nr. 3-280/1

    Dit wetsvoorstel beantwoordt aan een reële bekommernis van de zelfstandigen.

    De verbetering van de openbare financiën heeft een inflatie aan diverse wegenwerken teweeggebracht, wat uiteraard veel hinder met zich brengt. Veel zelfstandigen geraken zelfs in de problemen bij de uitvoering van deze werken omdat hun handelszaak geruime tijd quasi ontoegankelijk is voor het publiek.

    Dit wetsvoorstel is een poging om die zelfstandigen te vergoeden voor het geleden leed.

    De bestaande regelingen ten voordele van de zelfstandigen zijn weinig afdoende. Zo wordt via een beroep op expansiesteun slechts een klein percentage van de bedrijven bereikt. Voor het overige houdt het gemeen recht in dat men, alvorens schadevergoeding te bekomen, eerst het geleden nadeel moet bewijzen. Dit voorstel voorziet in een andere aanpak, waarbij er een onmiddellijk vermoeden van schade wordt ingevoerd wanneer de handelszaak voor een lange tijd onbereikbaar is.

    Om nodeloze procedures te vermijden bedraagt de voorziene vergoeding minimaal het bedrag van het bestaansminimum tot het bestaan van grotere schade bewezen is. Grotere schade kan leiden tot een grotere vergoeding, waarvan het bedrag in principe dient genegotieerd te worden. Slechts in het uiterste geval waarin geen onderlinge overeenkomst wordt bereikt, is een beroep op de rechtbank mogelijk. De onderhandelingen gebeuren rechtstreeks tussen de opdrachtgevers van de werken en de handelaar.

    Dergelijke financiering is een stimulans om de hinder zo veel mogelijk te beperken via bestekken en planning.

    Wat betreft de vrees dat een dergelijke vergoeding de kostprijs van de werken de hoogte zou injagen, wenst de heer Caluwé te onderstrepen dat deze vergoedingen slechts een fractie ervan zouden uitmaken.

    II.2. Uiteenzetting door de heer Dedecker, auteur van het wetsvoorstel nr. 3-386/1

    Dit wetsvoorstel beoogt een vergoedingsregeling uit te werken ten gunste van zelfstandigen die geconfronteerd worden met hinder als gevolg van werken op het openbaar domein, die de toegang tot hun onderneming belemmeren, verhinderen of ernstig bemoeilijken.

    Kleinhandelaars derven veel inkomsten als gevolg van omzetverlies wanneer in de omgeving van hun inrichting langdurige werken plaatsvinden. Het is genoegzaam bekend dat dergelijke werken voor heel wat zelfstandigen zelfs tot faillissement kunnen leiden.

    Zelfstandig ondernemen betekent het dragen van een ondernemingsrisico, maar dit risico moet gedragen kunnen worden binnen een normale economische omgeving waarin vrije en eerlijke concurrentie kan plaatsvinden. Openbare werken zijn van algemeen maatschappelijk nut en het is dan ook billijk dat de maatschappij de negatieve gevolgen voor de omzet van de individuele handelaars compenseert.

    Wat moet worden verstaan onder zelfstandigen ?

    Onder zelfstandigen moeten niet alleen de fysieke personen die een kleinhandel uitbaten, worden verstaan maar ook de micro-ondernemingen die, naar Europese maatstaven, minder dan 10 werknemers tewerkstellen. Ook zelfstandigen, die hun handel uitbaten via een BVBA, genieten van de voorgestelde regeling.

    Vandaag heeft een zelfstandige wel middelen om zich tegen de negatieve gevolgen van hinder te beschermen, maar deze regels zijn disparaat, omslachtig en weinig efficiënt. De heer Dedecker verwijst naar de toelichting bij zijn wetsvoorstel waarin de mogelijkheden worden opgesomd (stuk Senaat, nr. 3-386/1, blz. 2). Arbeiders hebben in dergelijke omstandigheden een veel efficiënter middel om hun derving van inkomsten te compenseren; ze hebben immers recht op een tijdelijke werkloosheidsvergoeding.

    Dit wetsvoorstel poogt de zelfstandigen in feite een analoge oplossing aan te reiken ten einde niet alleen veel menselijk leed te vermijden, maar meteen ook het aantal faillissementen terug te dringen.

    Het systeem voor het toekennen van een inkomstencompensatievergoeding heeft het voordeel dat de vergoeding zonder veel omwegen onmiddellijk eisbaar wordt, via de Sociale Verzekeringskas.

    Wat de aanvang van de werken betreft, dient de aannemer de zelfstandigen vooraf in te lichten en het gemeentebestuur moet de aanvang van de werken vaststellen. Het College van burgemeester en schepenen is immers perfect bij machte om dat te doen.

    Het bedrag van de vergoeding wordt berekend op basis van de gemiddelde inkomens van vorige jaren, maar is begrensd tot 1643,24 euro per maand, wat een afspiegeling is van het bedrag van de tijdelijke werkloosheidsvergoeding waarop een arbeider aanspraak mag maken.

    De betaling wordt geput uit een Fonds, dat wordt opgebouwd door de diegenen die de openbare werken uitvoeren. Dat kan via een bijdrage van bijvoorbeeld 1 % van het aanbestedingsbedrag te betalen door de gemeente of door het nutsbedrijf. Dit houdt in dat, ook wanneer er geen hinder is, er toch een bijdrage wordt gestort aan het RSVZ.

    III. ALGEMENE BESPREKING

    De algemene bespreking van deze wetsvoorstellen zal in drie onderafdelingen worden weergegeven : de eerste bespreking van de wetsvoorstellen die plaatsvond op 7 en 14 januari 2004, daarna, na de hoorzittingen, de voorzetting van de bespreking op 26 mei, 2 juni en 1 december 2004 en, ten slotte, de bespreking van het amendement 36 dat het wetsvoorstel 3-386/1 in zijn geheel vervangt, op 2 en 9 maart 2005.

    III.1. Eerste algemene bespreking

    De heer Caluwé stelt vast dat beide voorstellen dezelfde doelstelling hebben, maar toch op enkele punten verschillen. Het fundamentele verschil tussen beiden betreft de financiering van de schadevergoeding : in het voorstel nr. 3-280/1 gebeurt die rechtstreeks door de opdrachtgever, terwijl ze in het voorstel nr. 3-386/1 via een fonds gebeurt. Voor de heer Caluwé is het belangrijk een band te bewaren tussen de betaler en de opdrachtgever. Dat garandeert een stimulans om de hinder te beperken. Het fonds, voorzien in het voorstel nr. 3-386/1, is onpersoonlijk.

    De heer Caluwé is wel van oordeel dat de omschrijving van het begrip « hinder », zoals uitgedrukt in het voorstel nr. 3-386/1, een betere definitie is.

    De heer Thissen stelt vast dat in beide voorstellen gestreefd wordt naar een oplossing van de echte problemen die zelfstandigen hebben als gevolg van werken op het openbaar domein.

    Voor spreker moet eerder de klemtoon op preventie worden gelegd, nog voor de werkzaamheden beginnen.

    Vervolgens moet de duur van de werkzaamheden zoveel mogelijk worden beperkt, waardoor de klachten tot de helft kunnen worden gereduceerd. Indien nodig moet tijd worden gewonnen met originele technieken, zoals de verlenging van de arbeidsdag, bijvoorbeeld door in twee ploegen te werken.

    Een tweede manier om de hinder te beperken zit hem in de organisatie zelf van de werf. Waarom zou het niet mogelijk zijn van de aannemer enige flexibiliteit te verkrijgen, zodat hij het stuk weg tijdens het weekend openstelt ?

    Wat voorstel nr. 3-386/1 betreft, is de formule van een Compensatiefonds interessant, maar rijzen er vragen over de omvang van de vergoeding. Men mag immers de vaste kosten, zoals de huur, niet vergeten. Algemeen is het systeem van toekenning dat wordt voorgesteld te ingewikkeld, omdat er teveel tussenpersonen en administratieve lasten zijn, met als resultaat te ingewikkelde dossiers.

    Mevrouw Vienne meent dat de plaatselijke overheid van meet af aan verantwoordelijk is voor de ruimtelijke ordening, wat tot belangenconflicten kan leiden rond de ruimtelijke ordening van het stadscentrum. De plaatselijke overheid moet immers als scheidsrechter optreden tussen de belangen van de gemeente en die van de handelaars, die niet met elkaar stroken. Men moet accepteren dat een handelaar nadeel ondervindt van werkzaamheden, maar men moet ook rekening houden met de voordelen die hij haalt uit stadsvernieuwing.

    Grote winkelketens worden reeds bevoordeeld door stadsvernieuwing en kunnen de schade veroorzaakt door werkzaamheden, ook nog eens spreiden over andere winkels in andere steden. Meestal zijn het de kleintjes die echt overlevingsproblemen hebben.

    De heer Dedecker erkent dat werken, uitgevoerd door een openbare overheid, kunnen leiden tot een meerwaarde voor een handelspand. De vergoeding kan in functie hiervan gemoduleerd worden.

    Als minister van Middenstand is mevrouw Laruelle begaan met het lot van de zelfstandigen en sluit ze zich aan bij de doelstelling van voorstellen nr. 3-280/1 en 3-386/1, die ertoe strekken de zelfstandigen, de KMO's en de zeer kleine ondernemingen beter te verdedigen.

    Niettemin moeten een aantal bepalingen, afhankelijk van het geval licht of ingrijpend worden aangepast, bijvoorbeeld in verband met de vrijstelling van RSZ-bijdragen. Voor de minister lijkt het beginsel van die laatste maatregel betwistbaar. Wat de instantie betreft waarbij het Compensatiefonds onderdak zou kunnen krijgen, lijkt het RSVZ niet de geschikte plaats.

    Bovendien meent de minister dat het nuttig kan zijn een aantal hoorzittingen te organiseren en de Vereniging van steden en gemeenten te horen, de ondernemingen voor wegenbouw, enz. De minister herinnert eraan dat er reeds rapporten zijn die erop wijzen dat de gemeenten te weinig investeren in de gemeentewegen. Het feit dat voorliggende voorstellen worden aangenomen, mag geen bijkomende hinderpaal zijn voor de vereiste herstelwerkzaamheden aan de openbare weg die in de gemeenten moeten plaatsvinden.

    Wat de vergoeding betreft die door het fonds zou worden betaald, ziet de minister twee mogelijkheden. Ofwel zal het percentage dat op de factuur wordt ingehouden het bedrag dat de aannemer van de werken ontvangt, verminderen. Ofwel, en dat ligt eerder voor de hand, zal de kostprijs van renovatiewerkzaamheden aan de wegen met een gelijkaardig percentage stijgen. Het gevolg is dan dat het fonds gefinancierd wordt door de steden en gemeenten.

    Wat de bevoegdheidsdelegatie aan de Koning betreft, stelt de minister voor de betreffende bepalingen beter te omschrijven.

    De heer Creyelman verklaart geen tegenstander van de wetsvoorstellen te zijn, maar vindt ze niettemin een gemakkelijkheidsoplossing. Het systeem verdoezelt de ware problemen, namelijk deze van de goede coördinatie van de openbare werken. Verder voorziet het systeem slechts één soort hinder (hinder voortvloeiend uit werken) maar niets over andere soorten hinder, zoals deze veroorzaakt door sportactiviteiten.

    Het wetsvoorstel 3-386/1 lijkt hem wel beter uitgewerkt dan het voorstel 3-280/1, omdat er een fonds wordt ingevoerd.

    De vraag is wel of men geen tijdslot moet instellen op het toekennen van een vergoeding. Er zou een minimumtijd moeten verlopen alvorens het systeem in werking treedt.

    De heer Dedecker antwoordt hierop dat de minimumtijd niet het criterium is, maar wel de hinder als zodanig. De vergoeding begint te lopen vanaf de dag dat er hinder is.

    Volgens de heer Ramoudt is het een algemeen verschijnsel dat handelaars regelmatig worden geconfronteerd met werken die te lang duren. Dat is niet altijd de fout van de opdrachtgever, maar dikwijls een geval van overmacht. Het komt er dus in de eerste plaats op aan werken te doen uitvoeren binnen een stringentere termijn. Volgens spreker zal de tussenkomst van het Compensatiefonds eerder het omgekeerde effect hebben, aangezien er minder druk komt op de aannemers om door te werken.

    Indien men zelfstandigen wil vergoeden, mag men daarbij niet vergeten allen op gelijke voet te behandelen, of het nu gaat om zelfstandigen die hun eigen zaak hebben, of deze die op commissie werken, of nog deze die werken voor rekening van winkelketens.

    Wat het voorstel 3-280/1 betreft, ziet spreker het nut in van de sperperiode. Maar het gevaar op misbruiken bestaat : wat immers als men de duurtijd fictief opdrijft ? Ook is het soms moeilijk de begindatum te bepalen. Is dat als de machines worden aangevoerd, als ze aan het werk gaan, enzovoort ?

    De heer Dedecker verduidelijkt dat in zijn voorstel elke zelfstandige wordt bedoeld, ook deze die werkt op commissie en de franchisenemer. Dat vloeit voort uit de verwijzing naar koninklijk besluit nr. 38 op het sociaal statuut van zelfstandige. Het is het RSVZ dat de zelfstandige erkent. Dat geeft geen aanleiding tot administratieve beslommeringen.

    Mevrouw De Roeck peilt naar de berekeningswijze van de vergoeding in het voorstel 3-386/1. Moet de vergoeding niet gebonden zijn aan een vastgestelde inkomstenderving ?

    Volgens de heer Dedecker moeten er 2 fazen worden onderscheiden : eerst de vaststelling van de hinder (wanneer aan de objectieve voorwaarden inzake gebrek aan parkingmogelijkheden is voldaan); daarna het bepalen van de vergoeding.

    Mevrouw Bousakla stelt vast dat iedereen bekommerd is om de zelfstandigen, maar eerst moet dit begrip klaar en duidelijk worden omschreven. Wat bijvoorbeeld met de marktkramers, die niet in de voorstellen aan bod komen ? Zij pleit er voor een oplossing via goede communicatie, veeleer dan via ingewikkelde mechanismen.

    Volgens mevrouw Bousakla wil haar fractie de klachten van de zelfstandigen over de hinder veroorzaakt door openbare werken zeker niet minimaliseren, maar er mag ook niet uit het oog worden verloren dat ook de andere bewoners last van de werken ondervinden.

    Mevrouw Vienne wenst dat men tot een gemeenschappelijke werkbasis voor beide voorliggende voorstellen komt. Het Vergoedingsfonds is eveneens een spoor dat haar fractie wil uitdiepen. De sociale aspecten moeten nog meer worden uitgewerkt.

    Mevrouw Vienne stelt voor dat de commissie voorstel nr. 3-386/1 als werkbasis neemt, omdat dat die problemen behandelt. Niets belet dat achteraf de meer specifieke aspecten van voorstel nr. 3-280/1 worden aangepakt.

    De heer Roelants du Vivier verklaart dat zijn fractie de inhoud van de voorstellen nr. 3-280 en 3-386 zeer ter harte neemt. Ook de MR verkiest dat laatste voorstel als basis voor het debat. Dat lijkt breder en bevat onder andere nauwkeuriger voorstellen betreffende de inkomenscompensatievergoeding.

    In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de vraag van de zelfstandigen zeer groot. Vooral in stadsgewesten veroorzaken werkzaamheden vaak hinder. Het is de moeite waard om dit probleem op te lossen.

    Niettemin moet men de budgettaire kostprijs ervan kunnen berekenen voor de gewesten en de gemeenten. Daarom steunt de heer Roelants du Vivier de vraag om hoorzittingen te organiseren met de Vereniging van steden en gemeenten, alsook met de verantwoordelijken van de gewesten.

    De heer Roelants du Vivier wil er zeker van zijn dat de voorliggende wetsvoorstellen zich beperken tot de aspecten waarvoor het federale niveau bevoegd is. Elk bevoegdheidsconflict moet worden voorkomen.

    De heer Poty verklaart dat zijn fractie de belangen verdedigt van al wie werkt, ook van de zelfstandigen, de vrije beroepen, enz. die getroffen worden door de hier vermelde problemen. Dit betekent ook dat de PS de belangen van de buurtbewoners wil verdedigen. Ook zij moeten uitgaven doen en lijden financieel verlies, dat soms groot kan zijn.

    Ten tweede wenst de heer Poty er als gemeenschapssenator op te wijzen dat wetsvoorstel nr. 3-386 kennelijk het belang en de wil van de gewesten, van het Gemeentefonds en van de gemeenten zelf negeert. Aangezien het om geld draait, is het uiteindelijk de belastingplichtige die het Compensatiefonds zal moeten financieren. Het lijkt daarom onvermijdelijk dat de vertegenwoordigers van de buurtbewoners, de zelfstandigen, enz., worden gehoord.

    De heer Caluwé wijst erop dat zijn wetsvoorstel reeds op 6 december 2001 in het Vlaams Parlement besproken werd. De toenmalige Vlaamse minister van Openbare Werken, de heer Stevaert, verklaarde dat het voorstel een middel was om voor de meest schrijnende gevallen een oplossing te bieden.

    Mevrouw Gennez voegt eraan toe dat de Vlaamse minister van Openbare Werken ook een aantal maatregelen genomen heeft die moeten leiden tot minder hinder bij het uitvoeren van openbare werken.

    Volgens mevrouw Gennez is het wetsvoorstel nr. 3-386/1 te eng op zelfstandigen gericht. Zij vreest dat buurtbewoners het slachtoffer zullen worden van omwille van budgettaire redenen uitgestelde noodzakelijke werken. Zij vraagt om ook de eventuele meerinkomsten, voortvloeiend uit de werken, mee in rekening te brengen.

    Inzake de vermeende ingewikkeldheid van het wetsvoorstel nr. 3-386/1 stelt de heer Dedecker dat de zelfstandige inderdaad twee attesten moet bekomen, waarvan het eerste op het gemeentehuis als bewijs van de hinder die hij werkelijk ondervindt. Dat attest moet dan ingediend worden bij de sociale kas, waarna het vervolg elektronisch verloopt. De belastingadministratie kent immers de inkomsten van de voorbije drie jaar en voor nieuwe zelfstandigen voorziet artikel 11 dat hen een bedrag wordt toegekend dat gelijk is aan het minimum in het stelsel van de werkloosheid voor werknemers in dezelfde sociale situatie.

    Wat het heikele punt van de financiering van het Compensatiefonds betreft, meent de heer Dedecker dat een bepaalde vorm van solidariteit nodig is. Wordt een winkelstraat opengebroken, dan kunnen de schadevergoedingen heel hoog oplopen, waardoor die werken dreigen te worden uitgesteld. Een solidariteitsmechanisme kan ervoor zorgen dat het percentage dat aan het Compensatiefonds moet worden doorgestort, relatief laag blijft.

    De heer Dedecker schat dat maximaal zo'n 125 000 zelfstandigen en zo'n 25 000 zelfstandige helpers voor een inkomenscompensatievergoeding in aanmerking komen. In de hypothese dat er jaarlijks zo'n 5 miljard euro aan werken worden uitgevoerd, dan zou zo'n 50 miljoen euro naar het Compensatiefonds vloeien. Hij hoopt dat de bevoegde minister meer precieze berekeningen kan geven.

    De eventuele meerinkomsten die de zelfstandigen na de werken genieten, zullen nadien gecompenseerd worden ten voordele van de gemeenschap onder de vorm van belastingen.

    Een speciaal probleem rijst hier voor de huurders. Tijdens de werken loopt de huur en dus de kosten voor de zelfstandige-huurder verder, terwijl de eigenaar van het pand de waarde ervan door de werken vaak ziet toenemen. De eerste bedoeling van beide wetsvoorstellen is evenwel iets te doen aan de problemen die bepaalde zelfstandigen krijgen als gevolg van werken in de omgeving van hun zaak. Die moet er komen in de vorm van een inkomenscompensatie naar analogie van de werklozensteun voor technisch werkloze werknemers.

    Mevrouw Gennez wil eerst de bestaande instrumenten optimaliseren, zoals goedkope leningen en tijdelijke vrijstelling van betaling van sociale zekerheidsbijdrage al dan niet met behoud van pensioenrechten.

    Mevrouw Vienne stelt vast dat voorstel nr. 3-386 bepaalt dat wanneer de bouwheer een publiekrechtelijk rechtspersoon of een overheidsbedrijf is, hij niet zal moeten deelnemen aan de financiering van het fonds. Ze ziet niet in waarom dat zo is. Heel wat openbare werken worden door overheidsbedrijven uitgevoerd.

    De heer Dedecker stelt dat het alleen de bedoeling is dat privé-personen die werken aan hun woning uitvoeren en ook hinder veroorzaken, niet een percentage van het bedrag aan facturen aan het Compensatiefonds moeten doorstorten.

    De minister van Middenstand en Landbouw meent dat het niet alleen nuttig zal zijn hoorzittingen te organiseren (met de zelfstandigenorganisaties, de gewesten en de aannemersfederaties), maar dat ook zal moeten worden gezorgd voor administratieve vereenvoudiging. Het zou misschien beter zijn dat de compensatie niet in twee keer wordt betaald.


    De commissie beslist om hoorzittingen te organiseren. Vertegenwoordigers van de volgende organisaties zullen worden gehoord : het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen, de Vlaamse Vereniging van steden en gemeenten, de Union des Villes et Communes de Wallonie, Unizo, Union des Classes moyennes en Belgacom. De teksten van hun uiteenzettingen zijn opgenomen als bijlage bij dit verslag.

    III.2. Voortzetting van de bespreking na de hoorzittingen

    Na de hoorzittingen werden de volgende amendementen neergelegd op het wetsvoorstel nr. 3-386/1 : de amendementen nrs. 4 tot 11 van de heer Ramoudt, de amendementen nrs. 12 tot 19 van de heren Dedecker en Caluwé, de amendementen 20 tot 28 van de heer Collas en de de amendementen nrs. 29 tot 35 (zie stuk Senaat, nr. 3-386/3). Na overleg, beslist de heer Ramoudt vervolgens om zijn amendementen terug te trekken.

    In de hypothese dat de amendementen nrs. 12 tot 27 zouden worden aangenomen, zou de volgende regeling van toepassing zijn : het blijft gaan om een vervangingsinkomen ten gunste van de kleine zelfstandigen. Daartoe behoren wat binnen de Europese Unie micro-ondernemingen worden genoemd, dit wil zeggen ondernemingen met maximaal tien werknemers. Ook de zelfstandige helpers komen in aanmerking. De betrokkenen mogen op het moment van de sluiting van de onderneming niet over een ander inkomen beschikken. De bedoeling is duidelijk om een vervangingsinkomen toe te kennen aan de zelfstandige die het slachtoffer is van openbare werken voor de deur van zijn bedrijf.

    Nieuw is dat alleen die zelfstandigen worden beoogd die hun handelszaak effectief moeten sluiten. Men vermijdt dus moeilijke berekeningen van inkomensverlies. Het gaat dus wel degelijk om de meest hulpbehoevenden.

    Wat de procedure betreft, zou de inkomenscompensatievergoeding nu worden uitgekeerd door het Participatiefonds. Dit bestaande fonds ressorteert onder de bevoegdheid van de minister van Middenstand en Landbouw en krijgt hiermee een bijkomende functie toebedeeld. Wanneer een zelfstandige zijn zaak omwille van openbare werken minimaal veertien dagen moet sluiten, kan hij, middels een attest van zijn gemeentebestuur, een vergoeding bekomen met terugwerkende kracht tot de eerste dag van de sluiting. De vergoeding stemt overeen met het bedrag waarop een technisch werkloze werknemer recht heeft. Op heden betekent dit een bedrag van ongeveer 53 euro per kalenderdag ofwel ongeveer 1 680 euro op maandbasis.

    Voor het geval dat het College van burgemeester en schepenen het attest zou weigeren, is er een beroepsmogelijkheid bij de minister van Middenstand voorzien.

    De nieuw voorgestelde financieringswijze van de regeling is het resultaat van de creativiteit van de bevoegde minister. Nu is het zo dat aannemers van openbare werken aan de Deposito- en Consignatiekas ofwel een bankwaarborg stellen ofwel een borgsom storten van vijf procent. Hier wordt voorgesteld dit borgstellingpercentage op te trekken tot 10 %. De financiering wordt dus afgewenteld op de aannemers die in gebreke blijven en/of de toegestane duur van de werken overschrijden. In dergelijke gevallen kan de borg immers worden aangesproken. Op die manier worden de « slachtoffers » van openbare werken vergoed door diegenen die de schade veroorzaken. De boetes gaan naar het Participatiefonds die daarmee de vervangingsinkomens betaalt.

    Tijdens de hoorzittingen hebben de vertegenwoordigers van steden en gemeenten de vrees geuit dat de financiering van het systeem ten hunne laste zou vallen. Die vrees is ongegrond. De gemeenten moeten alleen de attesten in verband met de werken afleveren. In het Waalse Gewest is de bevoegde minister zelfs bereid een budget vrij te maken om de gemeenten daarvoor te vergoeden.

    Volgens de heer Dedecker zullen de zelfstandigen die nu ondanks alle hinder hun zaak openhouden ten einde een minimale omzet te realiseren, in de toekomst niet meer gedwongen zijn dit te doen en toch een bepaald inkomen kunnen genieten.

    De vertegenwoordiger van de minister van Middenstand meent dat het na de hoorzittingen, evident was geworden dat de basisteksten vereenvoudigd moesten worden. De kwestie van het omzetverlies, onder andere, was moeilijk te regelen. Er moest rekening gehouden worden met de problemen van zelfstandigen die hun zaak moeten sluiten, maar men moest ook pragmatisch te werk gaan en het toepassingsgebied van het voorstel beperken.

    Er moest een juridisch beter aangepast instrument gevonden worden dan het RSVZ om de aanvraagdossiers administratief te beheren. Daarom heeft men voorgesteld het RSVZ te vervangen door het Participatiefonds. Het toekennen van een voorlopige vergoeding zou het stelsel ingewikkelder gemaakt hebben, aangezien een nieuwe berekening gemaakt moest worden na vaststelling van de definitieve schade. Al die moeilijkheden worden uit de weg geruimd dank zij het stelsel van een forfaitaire vergoeding per dag dat de handelaar nadelen ondervindt.

    Daarenboven houdt men niet langer rekening met het omzetverlies maar met het aantal sluitingsdagen. In principe zal geen enkele handelaar immers zijn zaak vrijwillig sluiten, zelfs met een vergoeding van een vijftigtal euro per dag.

    Ook moest een oplossing gevonden worden voor de gemeenten, die in de toekomst nog openbare werken die door de gewestelijke overheid gesubsidieerd worden, moeten kunnen financieren. Om de bedragen van die gewestelijke subsidies aan de gemeenten niet te verminderen, moest een andere financieringsbron gevonden worden. Het idee was om gebruik te maken van de strafbedingen in de overeenkomsten die tussen de gemeenten en de aannemers van openbare werken gesloten worden. Die bedragen zouden bestemd zijn voor een fonds dat « opgedragen » is aan het Participatiefonds. Bijgevolg verandert er niets aan het huidige evenwicht en moet ook geen nieuwe financieringsbron gezocht worden. Die strafbedingen worden echter slechts van kracht wanneer de aannemer de vooropgestelde termijn niet naleeft. De opbrengst van de boetes zal via een bankrekening een fonds spijzen dat « opgedragen » is aan het Participatiefonds. Dat fonds wordt herverdeeld op basis van de vergoedingen voor de handelaars die hun zaak definitief hebben moeten sluiten.

    De heer Caluwé pleit er voor om de opdrachtgevers van de werken verantwoordelijk te stellen voor de financiering aangezien dit voor hen een « incentive » zou zijn om de werken goed te organiseren zodat zo weinig mogelijk handelszaken moeten sluiten. Buiten de reserves in het Participatiefonds wordt de financiering nu verzekerd uit een gedeelte van de boetes die aannemers desgevallend dienen te betalen, zoals wanneer de termijnen niet worden gerespecteerd. Die boetes moeten echter niet betaald worden wanneer in de aanbestedingen lange uitvoeringstermijnen worden voorzien. Er is dus geen band tussen de tijdsduur van de werken en de eventueel te betalen boete. Omdat de spreker ervan overtuigd is dat de betaling van de vergoedingen niet te zwaar zal zijn in verhouding tot de totale kostprijs van de werken, pleit hij er nogmaals voor deze marginale kosten ten laste van de opdrachtgever te leggen.

    Mevrouw Vienne merkt op in het kader van de arbeidsopdrachten, voorzien is in verwijlvergoedingen waarvan het bedrag vastgesteld wordt in de clausules van de openbare aanbesteding. Wordt daarin ook de vergoeding voor de kleine handelaars opgenomen ? Kan deze vergoeding contractueel worden vastgesteld ?

    De heer Dedecker meent dat zulks niet nodig is. Alleen het percentage van de vergoedingen wordt verhoogd. Het is trouwens niet noodzakelijk de aannemer die de werken uitvoert, die moet opdraaien voor de financiering van de schadeloosstelling van de zelfstandigen die nadeel ondervinden van die werken. Alle aannemers die het bestek niet naleven, betalen boetes waarmee de getroffen zelfstandigen vergoed kunnen worden.

    Mevrouw Vienne verwijst naar amendement nr. 21 dat § 4 van artikel 3 wil vervangen. Daarin staat dat « de inkomenscompensatievergoeding in eerste orde gefinancierd [wordt] door een door de Koning vastgesteld percentage ... ». Dat vooronderstelt dus een tweede orde.

    Volgens de heer Dedecker betekent dit dat het Participatiefonds het geld zal inzamelen en procedures zal aanvatten.

    Mevrouw Vienne vindt dat deze bepaling verwarring schept betreffende het mechanisme. Als men bepaalt dat het Participatiefonds bijdraagt, is alles klaar en duidelijk. Als men het heeft over een tweede instantie, rijst de vraag wat daarmee bedoeld wordt.

    De vertegenwoordiger van de minister merkt op dat het Participatiefonds in ieder geval alleen voor de herverdeling optreedt. Het is niet de bedoeling dat het ten nadele van andere opdrachten uit zijn eigen middelen put om zelfstandigen te helpen die moeten sluiten. Het bedrag van de boetes dat wordt overgeheveld naar het Participatiefonds zou moeten volstaan. UNIZO heeft aangegeven dat 7 à 8 % van de handelszaken volledig moeten sluiten tijdens werken. Bijgevolg is het toepassingsgebied van het voorstel beperkt tot 7 à 8 % van het bedrag van het oorspronkelijke voorstel. Men zal een evenwicht moeten vinden tussen de 53 euro die per sluitingsdag worden toegekend en de 5 % strafbedingen die van kracht worden. Ofwel verhoogt men het bedrag van de boetes in de overeenkomsten, ofwel verlaagt men de vergoeding. Men kan de Koning de mogelijkheid laten om het bedrag van de vergoeding vast te stellen naar gelang van het bedrag dat in het Participatiefonds gestort wordt. Het is de bedoeling tot een nuloperatie te komen.

    Het amendement nr. 21 van de heer Collas vervangt de initieel voorziene regeling in artikel 3 (het compensatiefonds) door een machtiging aan de Koning om het percentage geheven op de door de aanbestedende overheden ingehouden borgbochten te verhogen en om de manier te bepalen waarop deze middelen aan het Participatiefonds ter beschikking dienen te worden gesteld. Dit amendement wil daarenboven alle verwijzingen naar het uit artikel 2 geschrapte Compensatiefonds schrappen.

    Amendement nr. 29 (subamendement op amendement nr. 21) van de heer Caluwé beoogt een eenvoudiger systeem ter financiering van het Participatiefonds. Indien het Participatiefonds reeds over voldoende middelen zou beschikken, dan hoeven de effectief uitbetaalde inkomenscompensatievergoedingen niet noodzakelijk van de bouwheer van het werk worden teruggevorderd, maar het systeem heeft wel het voordeel dat het een rechtstreeks verband legt met de duurtijd van de hinder voor de zelfstandigen. De ingehouden borgen hebben ook niet altijd te maken met het overschrijden van de toegelaten duur van de werken. De relatie vergoeding/hinder is dus niet eenduidig.

    Het in subamendement nr. 29 voorgestelde systeem creëert een aanmoediging om de hinder zo beperkt mogelijk te houden. De heer Caluwé vindt het wel een goed idee dat de vergoedingen door het Participatiefonds zouden worden betaald, hetgeen vermijdt dat alle getroffen zelfstandigen rechtstreeks in contact met de bouwheer zouden moeten treden.

    Volgens de heer Dedecker zullen, in het systeem dat amendement nr. 29 beoogt, de zelfstandigen op hun vergoeding moeten wachten tot wanneer de werken achter de rug zijn. Dat kan heel lang duren. Daarnaast meent de heer Dedecker dat een bepaald solidariteitsmechanisme moet voorzien worden. Alle aannemers van infrastructuurwerken die de gangbare regels overtreden, dienen bij te dragen tot de financiering van de vergoedingen. Volgens amendement nr. 29 draait de bouwheer van het werk op voor alle vergoedingen, onafgezien van het aantal zelfstandigen dat door het werk wordt getroffen. Dat lijkt niet realistisch.

    De heer Caluwé betwist dat in zijn voorstel de zelfstandigen langer op hun vergoeding zouden moeten wachten. Er wordt niet getornd aan het feit dat het Participatiefonds vergoedt vanaf het ogenblik dat een zelfstandige 14 dagen moet sluiten, wordt niet getornd, maar nadien zal het Participatiefonds zich richten tot de bouwheer om de uitbetaalde vergoedingen bij hem te recupereren.

    De heer Caluwé is van oordeel dat zelfs wanneer talrijke zelfstandigen getroffen worden door eenzelfde werf, de som van de vergoedingen van ongeveer 50 euro per dag per zelfstandige, zelfs wanneer de werken enkele maanden duren, relatief gering zal zijn in verhouding tot de totale kostprijs van de werken.

    In tegenstelling tot de heer Dedecker is de heer Caluwé niet van mening dat zijn amendement overbodig is omwille van de delegatie aan de Koning zoals voorzien in amendement nr. 21.

    De heer Caluwé stelt nog voor de door hem voorgestelde tekst toe te voegen aan de tekst voorgesteld in amendement nr. 21 in plaats van die laatste tekst te vervangen. Op die manier zou het Participatiefonds over een bijkomend middel beschikken om zich te financieren.

    De heer Dedecker meent dat de filosofie van het subamendement nr. 29 indruist tegen de filosofie van de andere amendementen. Het subamendement leidt immers tot een verhoging van de kostprijs van de werken voor de aanbestedende overheden. Die hebben tijdens de hoorzittingen laten weten dit niet te kunnen aanvaarden. De andere amendementen strekken ertoe de financiering te laten dragen door in gebreke blijvende aannemers.

    De heer Caluwé wil de aanbestedende overheden ertoe aanzetten in hun lastenboeken rekening te houden met de duur van de hinder voor de zelfstandigen. Nu is het voor de aanbestedende overheid vaak de goedkoopste formule om de hinder voor iedereen vrij lang te laten aanslepen, omdat alles afsluiten voor de aannemers de eenvoudigste manier van werken is. Die houding moet veranderen. Het subamendement wil een « incentive » zijn om werken zodanig te organiseren dat zo weinig mogelijk zelfstandigen hun zaak moeten sluiten. De manier waarop het Participatiefonds zich volgens dit amendement moet financieren is gebaseerd op het wetsvoorstel nr. 3-280.

    De heer Thissen is het eens met het principe dat het Participatiefonds de vergoedingen betaalt want als de aannemers ze moesten betalen zou dat aanzienlijk meer kosten. Uiteraard zouden de aannemers dan hun prijsofferte aanpassen waardoor de aanbestedingsprijzen wel eens flink zouden kunnen stijgen. Bij de berekening van de middelen waarover het Participatiefonds kan beschikken, moeten ook de borgen in aanmerking worden genomen. In de amendementen wordt bepaald dat wanneer een ondernemer vertraging oploopt, het Participatiefonds een deel van de borgen kan inhouden. Het probleem is dat die borgen niet alleen daarvoor moeten dienen, maar ook om bij het einde van de werken de kosten te dekken die zijn ontstaan doordat aannemers in gebreke blijven, failliet gaan, of knoeiwerk afleveren. Het zou interessant zijn om te weten welk percentage van de borgen wordt gebruikt om werken uit te voeren die de overeenstemming met het bestek moeten garanderen, enz. Als dit wetsvoorstel tot gevolg heeft dat de opbrengsten van de borgen systematisch naar het Participatiefonds gaan, zou het wel eens kunnen dat de opdrachtgevers zich tegen het systeem gaan keren. Zij houden dan immers geen geld meer over om slecht uitgevoerd werk eventueel door een andere aannemer te laten overdoen.

    De heer Caluwé gaat hiermee niet helemaal akkoord. De bestaande borgen worden niet verminderd, alleen wordt aan de Koning de mogelijkheid geboden om een bijkomend percentage op te leggen. De waarborg blijft bij de aanbestedende overheid, terwijl de in gebreke blijvende aannemer een bepaald percentage op die borg verschuldigd zal zijn dat aan het Participatiefonds wordt gestort. Het is niet zo dat de bouwheer (bijvoorbeeld de gemeente) haar bestaande borgen ziet verminderen.

    Mevrouw Vienne wijst erop dat voor openbare werken van een zekere omvang bepaalde procedures moeten worden gevolgd, met onder andere effectenstudies bij grote werken of een onderzoek de commodo et incommodo. Als dat onderzoek heeft plaatsgevonden, als de personen die schade kunnen lijden ten gevolge van de openbare werken terdege zijn geïnformeerd en als de termijnen voor de uitvoering van de werken strikt in acht| zijn genomen, dan moet de ondernemer geen vergoeding betalen.

    Volgens mevrouw Vienne kan er dus alleen sprake zijn van zo'n vergoeding als de termijn voor de werken niet in acht is genomen. In de meeste gevallen heeft de aannemer er geen belang bij om de werken lang te laten aanslepen. Hij heeft er integendeel belang bij om de bedingen uit de overheidsopdracht te eerbiedigen.

    De heer Thissen leest het in het amendement nr. 21 voorgestelde artikel 3, § 4, voor. Hij vraagt of het gaat om een percentage bovenop de borg dan wel over een percentage van de borg dat wordt ingehouden. Als het gaat om een percentage van de borg, brengt het voor de aannemer geen extra kosten met zich mee. Het feit dat de borg bedoeld is om materiële tekortkomingen van de aannemer recht te zetten en niet noodzakelijk voor vertragingen, kan wel voor problemen zorgen.

    Wat moet er gebeuren als de aanbestedende overheid de borg nodig heeft om werken die niet volgens de regels van de kunst zijn uitgevoerd, te laten overdoen en het Participatiefonds een percentage van die borg opeist om de vergoedingen uit te betalen waarop zelfstandigen recht hebben die hun zaak vanwege de werken hebben moeten sluiten? Er zal dus een conflict ontstaan over de besteding van de borgen. Hoe gaat men dat oplossen ?


    Tijdens de vergadering van 2 juni 2004 beslist de commissie de voorzitter van de Senaat te verzoeken om het advies van de Raad van State te vragen met betrekking tot de bevoegdheid van de federale wetgever in dit dossier. De Raad van State (zie stuk Senaat, nr. 3-386/4) heeft geoordeeld dat « Het bepalen van de gevolgen van schadeverwekkende feiten is een aangelegenheid van de federale overheid ».

    III.3. Bespreking van het amendement nr. 36

    Op de vergadering van 2 maart 2005 dient de heer Jean-Marie Dedecker een amendement nr. 36 in (zie stuk Senaat, 3-386/5) dat zijn wetsvoorstel in zijn geheel vervangt. Deze tekst vormt de basis van de verdere bespreking in de commissie.

    Het wetsvoorstel, in de vorm voorgesteld in amendement nr. 36, beoogt een inkomenscompensatievergoeding voor handelaars die hun zaak sluiten wegens openbare werken in hun straat. Met handelszaken worden bedoeld zelfstandigen en de micro-ondernemingen volgens een Europese definitie met minder dan 10 werknemers die normaal in direct contact met hun klanten komen. Het gaat dus niet om kantoren ergens op de zesde verdieping van een kantoorgebouw waar alleen bedienden werken die niet in contact komen met klanten. De vergoeding wordt berekend naar rato van wat een werknemer per dag ontvangt ter vervanging van zijn loon als de zaak waarin hij werkt, moet sluiten.

    Artikel 2 bevat de definities van wat in het kader van dit wetsvoorstel moet worden verstaan onder onder andere bouwheer, werken, onderneming, enzovoort.

    De begunstigden zijn niet alleen de zelfstandigen zelf, maar ook de zelfstandige helpers, de zaakvoerders van een vennootschap, enzovoort.

    De financiering van het stelsel (artikel 3) wordt verzekerd door de bouwheren en gestort aan het reeds bestaande Participatiefonds. Dat fonds ontvangt een bedrag dat een miniem percentage uitmaakt van het voor de werken aan de bouwheer gefactureerde bedrag. Dat percentage mag niet hoger zijn dan 0,1 %. Bijgevolg gaat er per 1 000 euro gefactureerde werken maximaal 1 euro naar het Participatiefonds. Dat percentage is vastgelegd op basis van berekeningen gemaakt door de beleidscel van de minister van Middenstand en van de vereniging van aannemers.

    De informatieplicht (artikel 4) betreft de gemeenten op wiens grondgebied de werken zullen plaatsvinden. Zij moeten alle winkeliers waarvan de inrichting op minder dan één kilometer van de werken is verwijderd, verwittigen van de werken en van de mogelijkheid om een inkomenscompensatievergoeding te bekomen.

    In artikel 5 zijn de voorwaarden voor het bekomen van de tegemoetkomingen opgenomen. Het recht geldt voor de volledige periode waarin de zaak is gesloten, op voorwaarde dat die periode minstens 14 dagen omvat.

    De procedure voor erkenning als gehinderde inrichting is geregeld in artikel 6. De gemeente reikt op aanvraag van de handelaar een attest uit binnen een termijn van zeven dagen. Dat attest wordt gevoegd bij de aanvraag die de ondernemer bij het Participatiefonds indient. Het doet geen enkel ander recht ontstaan in hoofde van de aanvrager. De gemeente zendt de dag van de uitreiking van het attest een kopie ervan naar het Participatiefonds.

    Bij de minister kan een beroep worden ingesteld tegen een afkeurende beslissing van het Participatiefonds. Het Participatiefonds wordt automatisch gesubrogeerd in het recht van de handelaar op het instellen van vorderingen tot vergoeding van winstderving, veroorzaakt door een extracontractuele fout.

    Voor het verkrijgen van de inkomenscompensatievergoeding (artikel 7) moet de zelfstandige zijn aanvraag, per aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs, aan het Participatiefonds bezorgen.

    Het bedrag van de uitkering van de vergoeding (artikel 8) wordt bepaald door de Koning na advies van de Hoge Raad. De uitkering gebeurt telkens voor de 10e van de maand. Een indexatie op basis van artikel 4 van de wet van 2 augustus 1971 wordt voorzien. Het basisbedrag varieert tussen de 44,20 en de 53 euro per kalenderdag. Het zal ongeveer gelijk zijn aan wat een werknemer bij tijdelijke werkloosheid ontvangt.

    Zeven dagen voor de heropening van de onderneming verwittigt de verantwoordelijke het Participatiefonds daarvan bij aangetekend schrijven. Ook de dag waarop de zelfstandige niet meer aan de voorwaarden voor het bekomen van de inkomenscompensatie voldoet, brengt hij het Participatiefonds daarvan op de hoogte door middel van een aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs. De vergoeding wordt vanaf die dag stopgezet.

    De heer Dedecker onderstreept dat het evident is dat de zelfstandige over geen ander inkomen mag beschikken. Hij mag evenmin aan thuisbezorging doen (artikel 10). De inkomenscompensatievergoeding is werkelijk bedoeld als vervangingsinkomen.

    Artikel 11 van het wetsvoorstel gaat over de opsporing en de vaststelling van inbreuken. De strafbepalingen zijn opgenomen in artikel 12.

    In de verantwoording van het amendement nr. 36 zijn veel van de gemaakte juridische opmerkingen opgenomen. De tekst van het voorstel zelf is doorgesproken op allerlei niveaus en met allerlei organisaties (steden, gemeenten, VOKA, aannemersfederaties).

    In een eerste reactie betreurt de heer Steverlynck dat de inkomenscompensatievergoeding duidelijk gekoppeld wordt aan het feit dat de betrokkene geen enkele winstgevende activiteit meer mag uitoefenen, zoals bijvoorbeeld thuisbezorging. Dit druist in feite in tegen de ondernemersgeest, want een ondernemer probeert steeds om zijn onderneming verder te zetten, als het moet zelfs door een pand op een andere locatie te huren. Voor de gemaakte extra kosten die daarmee gepaard gaan, kan hij dan geen compensatievergoeding ontvangen. In dergelijke gevallen zou een gehalveerde vergoeding mogelijk moeten zijn.

    De heer Steverlynck brengt begrip op voor het feit dat de hoogte van de inkomenscompensatievergoeding afgestemd wordt op de vergoedingen voor werknemers in het stelsel van de tijdelijke werkloosheid. Na de heropening van hun zaak blijven de zelfstandigen evenwel schade ondervinden omdat een aantal van hun vroegere klanten de weg naar hun inrichting niet meer terugvinden. Zij moeten dan extra inspanningen leveren om die klanten terug te winnen.

    Informatie en overleg over de werken is niet alleen uitermate belangrijk gedurende de periode van de werken, maar eveneens in de periode voorafgaand aan de werken. De informatie moet vooral tijdig gebeuren en een vorm van overleg dringt zich op. Aannemers en bouwheren van openbare werken zijn immers niet steeds vertrouwd met de problemen waarmee zelfstandigen geconfronteerd worden. Uitbaters van kledingboetieks bijvoorbeeld dienen soms zes maanden en langer op voorhand hun bestellingen te plaatsen. Als zij slechts een paar weken voor de aanvraag van de werken daarvan op de hoogte worden gebracht, dan is dit voor hen dus te laat.

    Overleg moet er ook toe leiden dat meer openbare werken in fases worden uitgevoerd.

    De ervaring leert dat de problemen zich veelal voordoen wanneer de opdrachtgever van het werk niet de gemeente is waar de werken worden uitgevoerd, maar een ander bestuur (bijvoorbeeld het Gewest, Aquafin, enz.) dat op zijn beurt de gemeente te laat in kennis stelt van de geplande werken. Op die manier kan het overleg uiteraard niet tijdig georganiseerd worden. Misschien kan dit probleem worden opgelost door een wijziging in het model voor aanbestedingen.

    De heer Dedecker bevestigt dat artikel 10 van de nieuwe tekst inderdaad voorziet dat verdere rechtstreekse verkoop aan de verbruiker en thuisbezorging expliciet zijn verboden voor wie in aanmerking wil komen voor een inkomenscompensatievergoeding. Dat was een punt van discussie, maar de geest van de wet indachtig moet elke activiteit stopgezet zijn omdat het een vervangingsinkomen betreft. Ook een werkloze mag er geen bijverdienste op nahouden.

    Voor zelfstandigen die hinder van werken ondervinden, maar hun activiteit toch op de een of andere manier willen voortzetten, voorziet het Vlaamse Gewest andere tussenkomsten zoals rentetoelagen of waarborgregelingen. Vooraleer deze maatregelen van kracht te laten worden, wacht men het resultaat van voorliggend wetsvoorstel evenwel af. Eventuele hiaten kunnen dan nog worden opgevangen.

    Een wettelijk regeling betreffende de informatie over de werken naar de handelaars toe hoort eerder thuis in de wetgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten. In voorliggend wetsvoorstel komt dat niet aan bod. Artikel 4 voorziet wel dat de gemeente ook de zelfstandigen moet verwittigen waarvan de inrichting buiten haar grondgebied ligt, maar wel binnen een straal van 1 kilometer rond de uiteinden van de toekomstige werf.

    De heer Dedecker verwijst naar de bestaande Code voor infrastructuur- en nutswerken. Deze code is door de gemeenten uitgewerkt in samenspraak met allerhande nutsbedrijven. Belgacom heeft daar een voortrekkersrol in gespeeld. In het kader van de wetgeving met betrekking tot overheidsopdrachten streeft men ernaar om in de toekomst de werken zoveel mogelijk te laten samenvallen en te coördineren. De heer Dedecker geeft aan dat voorliggend wetsvoorstel daar niet in wil tussenkomen.

    Volgens de heer Steverlynck is het meest vernieuwende in het amendement nr. 36 de wijze van financiering van het systeem is : in plaats van een percentage op de borgen, is het nu effectief de opdrachtgever van de werken die het Participatiefonds betaalt.

    De heer Dedecker verklaart dat deze optie werd weerhouden omwille van bevoegdheidsconflicten met betrekking tot de boetes. Nu speelt de algemene solidariteit onder de bouwheren. De minister kan wel bij koninklijk besluit vastleggen wie er uitgesloten wordt. Men denkt hierbij bijvoorbeeld aan het optrekken van schoolgebouwen.

    De heer Steverlynck herinnert eraan dat tijdens de hoorzittingen de vertegenwoordigers van de VVSG verwezen naar de opschorting van sociale of fiscale lasten. Met betrekking tot de sociale zekerheid is de problematiek doorverwezen naar de Commissie voor vrijstelling van bijdragen. In de meeste gevallen wordt die vrijstelling niet onmiddellijk toegestaan omdat deze commissie slechts kan oordelen over de staat van behoeftigheid, terwijl de zelfstandige bijdragen moet betalen op basis van zijn inkomen van drie jaar geleden. Dat probleem is reëel maar ligt buiten het toepassingsgebied van voorliggend wetsvoorstel.

    Met betrekking tot de fiscaliteit (de BTW en de belastingen) zou de belastingadministratie zich — volgens documenten van de VVSG — ertoe verbonden hebben om die opschortingsproblematiek via circulaire te regelen. Misschien moet worden overwogen om het attest dat de gemeente aan de getroffen zelfstandige bezorgt, ook in dit kader te gebruiken.

    De heer Dedecker stelt dat zulks ook voor de sociale bijdragen zou kunnen. Om de zaken zo eenvoudig mogelijk te houden, is er uiteindelijk voor geopteerd om aan het bedoeld attest geen enkel ander recht te verbinden (zie artikel 6, § 1, tweede lid). Dit doet niets af van de pertinentie van de opmerkingen van de heer Steverlynck. De wet van 2 april 1976 tot verruiming van kredietmogelijkheden ten gunste van de kleinhandelaars die een veel kleinere omzet hebben gehad ten gevolge van de uitvoering van werken van openbaar nut (Belgisch Staatsblad van 2 juni 1976), werd evenmin in de tekst betrokken.

    De heren Steverlynck en Koninckx wijzen er evenwel op dat deze wet voor wat het Vlaamse Gewest betreft werd opgeheven bij DVR 1999-05-18/84 (artikel 5, inwerkingtreding 10 oktober 1999).

    De heer Dedecker vindt de voorwaarden bij deze wet veel te zwaar. Daardoor wordt er ook weinig gebruik van gemaakt. Het is uitdrukkelijk de bedoeling het hier voorgestelde systeem zo eenvoudig mogelijk te houden. Geen enkele zelfstandige is immers gebaat bij een vergoeding die pas na jaren wordt uitbetaald.

    De heer Dedecker beschikt ook over een studie die aangeeft hoe snel bepaalde handelszaken zich herpakken en van een meerwaarde kunnen genieten en anderzijds hoe anderen zich niet kunnen herpakken en een verlies aan cliënteel niet goed kunnen maken. Voor de meerderheid is de balans uiteindelijk positief. Het wetsvoorstel is voornamelijk bedoeld voor de meest schrijnende gevallen.

    De heer Collas deelt mee dat zijn fractie het eens is met de onderliggende filosofie van de nieuwe tekst. Uiteraard is die geëvolueerd in het licht van de vergaderingen en de hoorzittingen.

    De heer Koninckx vindt het jammer dat — vermits de voorstellen op Vlaams en op federaal niveau elkaar zouden moeten aanvullen — er verschillende definities worden gebruikt. In het ene wordt gesproken van « kleine en middelgrote ondernemingen » terwijl de andere het over « kleine bedrijven » heeft. Misschien kunnen die definities gelijklopend worden gemaakt.

    De heer Dedecker verklaart dat in zijn voorstel heel bewust voor « micro-onderneming » is gekozen. Deze definitie is overgenomen uit een Europese aanbeveling en betreft ondernemingen met maximaal 10 werknemers. De initiatieven van de heer Caluwé en minister Moerman op Vlaams niveau gaan over rentetoelagen en borgstellingen. De vraag is of handelaars in moeilijkheden wel kredieten kunnen bekomen.

    Volgens de heer Steverlynck worden er ook in de fiscaliteit vijf of zes verschillende definities van KMO gehanteerd. Enerzijds kan men voor uniformiteit pleiten, anderzijds worden bepaalde maatregelen zodanig op een specifieke groep bedrijven toegespitst, dat een nieuwe definitie zich opdringt. Toch heeft de heer Koninckx gelijk wanneer hij vraagt dat minstens de definities in dit wetsvoorstel en in de voornoemde initiatieven op Vlaams niveau, op elkaar zouden worden afgestemd. Dat zou toelaten de communicatie naar de betrokken zelfstandigen toe, te vereenvoudigen.

    De heer Dedecker herhaalt dat de definitie van « micro-onderneming » een classificatie is die werd ingevoerd door de Europese Commissie en slaat op ondernemingen, ongeacht de rechtsvorm, waarin minder dan 10 werknemers werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen euro niet overschrijdt.

    IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

    Amendement nr. 36, dat 14 artikelen omvat, vormt de basis voor de verdere bespreking in deze commissie. De documenten 3-386/1 tot 3-386/3 worden voor deze verdere bespreking als onbestaande beschouwd.

    Artikel 2

    Amendement nr. 38 van de heer Steverlynck (stuk Senaat, nr. 3-386/6) strekt ertoe de definitie van « werken » te verduidelijken. Immers, in de voorliggende tekst worden er in feite drie soorten werk bedoeld : de werken die op een openbaar domein worden uitgevoerd, de werken van openbaar nut en alle andere werken voor zover zij hinder veroorzaken voor zelfstandigen.

    De gebruikte definitie in amendement nr. 36 lijkt niet heel duidelijk. De formulering « ... en in alle gevallen ... » geeft immers de indruk dat ook wanneer de opdrachtgever geen openbaar bestuur is of geen activiteiten van openbaar nut ontplooit, hij toch hier onder « werken » zal vallen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Vandaar het amendement nr. 38 dat in zijn formulering nauwer aansluit bij de bedoeling van de indiener. De heer Steverlynck verwijst verder naar de toelichting van het amendement. In ieder geval moet er duidelijkheid zijn over het feit of werken die niet op het openbaar domein en niet tot algemeen nut worden uitgevoerd, ook als grondslag voor de financiering van het systeem kunnen dienen.

    De heer Steverlynck dient nog een tweede amendement op dit punt in. Het betreft amendement nr. 52 (stuk Senaat, nr. 3-386/6) dat een nieuwe, dubbele definitie van « werken » voorziet : de werken vanuit het standpunt van de financiering en de werken vanuit het standpunt van de grondslag voor het recht op de uitkering.

    Vervolgens dient de heer Steverlynck het amendement nr. 39 in dat slaat op de definitie van zelfstandige in het kader van dit wetsvoorstel. In het amendement nr. 36 wordt niet alleen verwezen naar het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, de betrokkene moet ook nog ingeschreven zijn bij de Kruispuntbank der ondernemingen en zijn handelsbedrijvigheid moet voorkomen op een lijst die de Koning zou opstellen. Volgens de heer Steverlynck beperkt deze formulering het toepassingsgebied dermate, bovenop de beperking inherent aan de zogenaamde « micro-onderneming », dat daarmee de doelstelling van het wetsvoorstel wordt ondergraven.

    Ten tweede leidt de ontworpen bepaling tot rechtsonzekerheid. Alvorens het systeem in werking kan treden, dient de Koning nog een lijst met « aanvaarde » handelsactiviteiten op te stellen. Hierbij bestaat het risico van schending van het gelijkheidsbeginsel. Vandaar stelt de heer Steverlynck voor de definitie te beperken tot de eerste zinssnede van de in amendement nr. 36 voorgestelde tekst.

    Volgens de heer Dedecker is het de bedoeling om de regeling te beperken tot die zelfstandigen die in direct contact komen met hun klanten.

    De heer Steverlynck stipt aan dat dat contact uitdrukkelijk voorzien is in het 6º, de definitie van onderneming. Daar wil de heer Steverlynck niet aan tornen.

    De heer Willems verwijst naar de beoefenaars van een vrij beroep die geen handelaar zijn.

    De heer Steverlynck geeft aan dat, mits aanvaarding van zijn subamendement nr. 39, de beoefenaars van vrije beroepen eveneens in aanmerking komen. Dat zou niet het geval zijn indien de definitie van zelfstandige uit amendement nr. 36 onverkort zou worden behouden.

    De heer Dedecker kan instemmen met de doelstelling van het amendement nr. 39.

    Op vraag van mevrouw Zrihen legt de heer Dedecker uit dat een gehinderde inrichting (punt 9º) een richting is die de klanten niet meer kunnen bereiken ten gevolge van hinder die voortvloeit uit werkzaamheden die de toegang tot die inrichting hinderen, beletten of in ernstige mate bemoeilijken.

    De heer Collas c.s. dient een amendement nr. 50 in dat ertoe strekt de definities « 4º werken » en « 6º onderneming » te vervangen. De heer Collas verwijst naar de schriftelijke verantwoording.

    De heer Dedecker verklaart dat de in amendement nr. 50 voorgestelde alternatieve definitie van « 6º onderneming » precies omschrijft wat de Europese Commissie onder micro-onderneming verstaat.

    De heer Willems is van oordeel dat verwijzen naar een Europese aanbeveling zoals in de definitie van « 6º Onderneming » in amendement nr. 36, minder rechtszekerheid biedt dan de duidelijke omschrijving voorgesteld in subamendement nr. 50, wijziging B.

    Met betrekking tot de definitie « 4º Werken » blijft de heer Steverlynck pleiten voor zijn subamendement nr. 38. De laatste zinssnede uit de definitie opgenomen in amendement nr. 36, namelijk « ... en in alle gevallen deze die hinder veroorzaken voor zelfstandigen ... », zou kunnen impliceren dat wanneer een privé-ondernemer werken laat uitvoeren die hinder veroorzaken voor een zelfstandige, hij tot de financiering van het systeem zou moeten bijdragen. Dat kan niet.

    De heer Dedecker meent dat de definitie van « 4º Werken » zoals opgenomen in subamendement nr. 50 neerkomt op het geven van een volmacht aan de minister om te definiëren wat in dit kader werken zijn.

    De heer Steverlynck merkt op dat de minister op die manier de mogelijkheid krijgt om heel wat werken uit te sluiten. Dat zou niet alleen gelden inzake financieringsbijdrage (hetgeen aanvaardbaar is), maar ook inzake de vergoedbaarheid (dat kan toch niet de bedoeling zijn). Uitgesloten werken kunnen bijvoorbeeld werken voor sociale huisvesting of voor scholenbouw zijn. In de definitie van subamendement nr. 50, wijziging A, zou dat impliceren dat zelfstandigen die hinder ondervinden van dergelijke werken, in die gevallen niet in aanmerking zouden komen voor een inkomenscompensatievergoeding. Daarom kan de heer Steverlynck het subamendement nr. 50 niet aanvaarden.

    De heer Willems meent dat de uitgangspunten van amendement nr. 36 en subamendement nr. 50 met betrekking tot de definitie van « werken » fundamenteel verschillen. In het eerste dient de Koning aan te duiden welke werken worden geviseerd, in het tweede gaat het over werken van algemeen nut op het openbaar domein, behalve die welke door de Koning worden uitgesloten.

    De heer Steverlynck voegt eraan toe dat éénzelfde definitie van werken wordt gehanteerd, zowel voor de financieringsbasis van het systeem als om te bepalen wie kan beroep doen op een inkomenscompensatie. Daarbij is het uitdrukkelijk voorzien dat de bouwheren van bepaalde werken niet moeten bijdragen tot de financiering, maar dit mag, volgens spreker, niet tot gevolg hebben dat voor die werken niemand recht heeft op de inkomenscompensatievergoeding. In feite wordt hier een fictie gecreëerd dat bepaalde werken geen werken zijn.

    Mevrouw Vanlerberghe peilt naar de precieze bedoeling van het wetsvoorstel. Pas daarna kan worden uitgemaakt welke voorgestelde definities daar het best bij aansluiten.

    Een precieze omschrijving dringt zich op, vooral voor de gemeenten die bouwheer zijn van heel wat werken van algemeen nut op het openbaar domein. Zij zullen de kostprijs van de financiering van het Participatiefonds mee in overweging nemen in hun beslissing om bepaalde werken al dan niet te laten uitvoeren. Zij moeten ook attesten verlenen, controles uitvoeren, informatie verstrekken, enz. Mevrouw Vanlerberghe meent dat de gemeenten uiteindelijk voor 48 % van de financiering zullen moeten opdraaien. Daarenboven betekent een volmacht aan de Koning dat de wetgever in het ongewisse is wat betreft wat voor deze tekst « werken » zijn.

    De heer Van Nieuwkerke merkt op dat voor een nieuw mobiliteitsplan, een gemeente werken moet uitvoeren tot realisatie van het plan. In het voorliggende amendement financieren de gemeenten het Participatiefonds voor 48 %. Zij zijn rechter en partij voor de attestering. Volgens de spreker zal dat een aantal gemeenten ontmoedigen om een aantal werken uit te voeren. Vandaar het belang om klaar en duidelijk de doelstelling van het voorstel aan te geven en de consequenties ervan voor de gemeenten.

    De heer Dedecker begrijpt niet waar het door voornoemde sprekers aangehaalde percentage (48 %) vandaan komt.

    De heer Steverlynck interpreteert de bedoeling van de auteur met betrekking tot « werken » als volgt : werken zijn deze die een bouwheer uitvoert op het openbaar domein; deze werken worden bepaald door de Koning. Worden eveneens bedoeld die werken die van openbaar nut zijn waar ook op het grondgebied zij worden uitgevoerd. De derde categorie werken zijn dan alle werken die hinder veroorzaken voor zelfstandigen. Met andere woorden zelfs wanneer de bouwheren in dat laatste geval geen openbaar karakter hebben, zullen zij tot de financiering van het systeem moeten bijdragen.

    Dezelfde definitie wordt verder in het voorstel ook gebruikt om te bepalen wie een aanvraag kan indienen om een inkomenscompensatievergoeding te ontvangen. De bedoeling is dat de Koning onder andere werken inzake sociale woningbouw en scholen vrijstelt van bijdrage tot financiering van het Participatiefonds. Dat heeft evenwel automatisch tot gevolg dat deze werken voor de verdere uitvoering van voorliggend voorstel niet langer als werken worden erkend. Dus, een zelfstandige die als gevolg van niet-erkende werken hinder ondervindt, zal nooit op een inkomenscompensatievergoeding aanspraak kunnen maken. Dat is een ongewenst effect van de formulering van « 4º Werken » in amendement nr. 36.

    Volgens de heer Willems gaat het duidelijk om werken op het openbaar domein. Dat lijkt hem ook de bedoeling van subamendement nr. 50. Alleen het oogpunt van waaruit de Koning een aantal beslissingen moet nemen, verschilt. De vorige spreker wil daar ook werken die niet op het openbaar domein gebeuren, in het systeem betrekken. Dat is volgens de heer Willems niet de bedoeling.

    Mevrouw Vanlerberghe meent dat de gemeenten hard zullen lobbyen bij de bevoegde minister om zoveel mogelijk werken van de financieringsbasis uit te sluiten. Voor de zelfstandige maakt het echter niet uit welk soort werken precies de hinder veroorzaken.

    De heer Dedecker wijst erop dat hinder niet volstaat om recht te hebben op een vergoeding. Komen enkel in aanmerking die zelfstandigen die effectief hun inrichting moeten sluiten en dat gedurende minstens 14 dagen. Deze voorwaarde moet de controle vergemakkelijken.

    Het zijn de bouwheren die voor de financiering zorgen. Volgens de heer Dedecker zijn de kosten voor hen beperkt tot 0,1 % van de niet-geprotesteerde facturen. Het subamendement nr. 51 stelt voor om dat percentage te verhogen tot 0,25 %. De heer Dedecker meent dat geen enkele bouwheer zal terugdeinzen voor dergelijke minieme meerkosten.

    Het subamendement nr. 50 laat het aan de Koning over om toch bepaalde werken uit te sluiten. Een alternatief kan erin bestaan dat de wetgever zelf de uitgesloten werken in de wettekst opneemt.

    De heer Willems merkt op dat een delegatie aan de Koning als wetgevingstechniek helemaal niet ongebruikelijk is. Bovendien biedt het ook het voordeel van de flexibiliteit.

    Op de kritiek van Mevrouw Vanlerberghe dat de commissie dan geen zicht meer heeft op wat uiteindelijk nog als « werk » zal worden gedefinieerd, antwoordt de heer Dedecker dat het minstens gaat om werken op het openbaar domein. De verantwoordelijke minister zal zich ook altijd ten opzichte van de publieke opinie moeten kunnen verantwoorden. Het alternatief waarbij de wetgever alles zelf vastlegt, lijkt hem niet zo vanzelfsprekend.

    De heer Van Nieuwkerke stelt vast dat het wetsvoorstel uitgaat van de filosofie dat de zelfstandigen het slachtoffer zijn van openbare werken. Hij wenst over cijfers te beschikken over het aantal faillissementen ingevolge uitvoering van werken. Is het niet eerder een overroepen probleem ? Er zal wel hinder rijzen, maar misschien moet eerder meer aandacht aan preventie worden geschonken. Persoonlijk heeft hij de indruk dat de meeste gemeenten voldoende inspanningen leveren om de hinder zo beperkt mogelijk te houden. Een goede communicatie met de bevolking kan veel begrip losweken. Het wetsvoorstel lijkt in deze problematiek eerder op betutteling.

    De heer Dedecker reageert hierop door te stellen dat wanneer een werknemer van een getroffen zelfstandige door de sluiting van de zaak recht heeft op een werkloosheidsuitkering, dat dan ook betutteling is.

    Voor cijfermateriaal verwijst de heer Dedecker naar de hoorzittingen (zie bijlagen bij het verslag). Tijdens die hoorzittingen zijn overigens de Verenigingen van steden en gemeenten gehoord. Ze zijn bovendien betrokken geweest bij het opstellen van een consensustekst die uiteindelijk is overgenomen in amendement nr. 36. In de praktijk dient zo'n 8 % van de zelfstandigen tijdelijk zijn inrichting te sluiten. In de helft van die gevallen leidt dat tot een faillissement.

    Mevrouw Van dermeersch betwist ten stelligste dat het probleem zou worden overroepen en verwijst daarbij naar de werken op de Antwerpse leien. Daar is reeds veel leegstand merkbaar en de zelfstandigen klagen voortdurend; velen gaan ook failliet.

    Als het voorliggend wetsvoorstel de kostprijs van werken voor de gemeenten verhoogt, dan hoopt mevrouw Van dermeersch dat de bouwheren eerst zullen nadenken alvorens bepaalde werken te laten uitvoeren. Voor Antwerpen denkt ze hiervoor aan de Oosterweelverbinding. Het is niet meer dan normaal dat aan de hinder financiële repercussies zijn voor de gemeenten, vermits er onder de betrokken zelfstandigen inderdaad slachtoffers vallen.

    Voor de heer Van Nieuwkerke zullen er altijd openbare werken nodig zijn. Een wetgevende tekst als de voorliggende zal de gemeenten ontmoedigen om noodzakelijke werken te laten uitvoeren. Dat zal op termijn tot onleefbare steden en gemeenten leiden.

    De heer Dedecker relativeert deze stelling en onderstreept dat een percentage van 0,1 % niet veel is om enige solidariteit te betuigen met zelfstandigen die anders failliet (dreigen te) gaan.

    De heer Steverlynck acht preventie en goede communicatie net zo belangrijk als de heer Van Nieuwkerke, maar de hinder voor een zelfstandige verschilt toch wezenlijk van die welke andere bewoners ondervinden. Enquêtes wijzen uit dat 75 % van de winkeliers omzetverlies lijden. Hier gaat het om gevallen waarin de hinder onomstotelijk vaststaat; de zaak is immers niet te bereiken. Een minimale tegemoetkoming voorzien is dan een normale erkenning van de meerinspanningen die een bepaalde groep van de bevolking moet leveren.

    Toch vreest de heer Van Nieuwkerke dat het systeem als precedent zal worden aangegrepen om ook in andere situaties een vergoeding te vragen. Wanneer bijvoorbeeld een gemeente om redenen van verkeersveiligheid de rijrichting in een straat verandert of er éénrichtingsverkeer invoert, dan kan dat ook gevolgen hebben voor het zakencijfer van de zelfstandigen in die straat.

    De heer Steverlynck drukt op het belang van de gelijke behandeling van een zelfstandige die zijn zaak tijdelijk moet sluiten en zijn werknemers die in dat geval recht hebben op een werkloosheidsvergoeding.

    De heer Dedecker herinnert eraan dat zijn wetsvoorstel initieel inderdaad een vergoeding voorzag voor omzetverlies. Deze mogelijkheid werd uiteindelijk geschrapt wegens oncontroleerbaar. Wat preventie en communicatie betreft, verwijst dit lid naar de « Code voor infrastructuurwerken » die tijdens de hoorzittingen aan bod is gekomen. Voor de coördinatie van de werken is in Vlaanderen zelfs een VZW opgericht. Dat aspect valt evenwel buiten de bevoegdheid van de federale wetgever.

    Artikel 3

    Op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 3 dient de heer Creyelman een subamendement nr. 47 in. Volgens de auteur sluit dit amendement aan bij de filosofie achter voorliggend wetsvoorstel en strekt ertoe om de druk op de bouwondernemingen te verhogen om binnen de afgesproken termijn de werken te beëindigen.

    Voor de uitvoering van grote openbare werken komen in de praktijk maar een beperkt aantal aannemers in aanmerking. Die grote aannemers voeren vaak simultaan op verschillende werven werken uit en kiezen er dan voor om eerst die werken af te ronden waarvoor de grootste boetes zijn voorzien. Daardoor duren andere werken langer dan noodzakelijk. De indiener meent dat in die gevallen de bouwonderneming het door de bouwheer aan het Participatiefonds verschuldigde bedrag van deze laatste moet overnemen. Dit moet de bouwondernemingen ertoe aanzetten om, los van de contractuele boeteclausule, de bouwtermijn te respecteren.

    De heer Dedecker beaamt dat het hier aangehaalde probleem reëel is. Zijn oorspronkelijk wetsvoorstel voorzag eveneens in een financiering door bouwondernemers die de bouwtermijnen niet respecteren en wel via een boetefonds. Uiteindelijk werd van dat financieringssysteem afgestapt op juridische gronden : het gaat over betwistingen inzake verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, over rechtszaken die jaren aanslepen, enz. Daarnaast worden bouwondernemers ook soms in het gelijk gesteld en dan moeten de eerder betaalde boetes teruggestort worden, met alle problemen vandien. Het is wel mogelijk om in de wetgeving op de overheidsopdrachten de boeteclausules en de waarborgen te verhogen.

    Wat subamendement nr. 51 van de heer Collas c.s. betreft, legt mevrouw Crombé-Berton uit dat er voor de financiering een percentage zal worden toegepast op het positieve eindbedrag van elke onbetwiste factuur. Amendement nr. 36 stelt een maximum van 0,1 % voor. Het commissielid meent evenwel dat dit percentage ontoereikend dreigt te zijn om aan alle behoeften te voldoen en alle door het Participatiefonds bepaalde bedragen te kunnen uitkeren. Het amendement strekt er bijgevolg toe dit percentage te verhogen tot 0,25 %.

    Tevens meent mevrouw Crombé-Berton dat dit maximum dat in het begin kan worden bereikt, gaandeweg moet verminderen. Ze veronderstelt immers dat er een controle komt waardoor de termijnen in acht zullen worden genomen en de mogelijke schade die zelfstandigen kunnen lijden, zal verminderen.

    Volgens de heer Dedecker is het inderdaad heel moeilijk om op voorhand te berekenen welk percentage dient te worden toegepast om het systeem zelfbedruipend te maken.

    Vermits het toch om een plafond gaat, geeft mevrouw Crombé-Berton er de voorkeur aan dat het percentage niet te restrictief wordt vastgelegd.

    Artikel 4

    Op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 4 dient de heer Steverlynck een subamendement nr. 40 in dat ertoe strekt een viertal wijzigingen aan te brengen.

    Vooreerst wordt voorgesteld het eerste lid aan te vullen met een regeling voor coördinatie in de gevallen waarin de werken worden uitgevoerd op het grondgebied van meerdere gemeenten.

    De tweede wijziging is technisch van aard en vloeit uit de eerste voort.

    De derde wijziging betreft de termijnen waarbinnen de werken mogen aangevat worden. In amendement nr. 36 is voorzien dat de werken kunnen aanvatten tussen de veertien en de dertig kalenderdagen nadat de verantwoordelijke van de onderneming daarvan op de hoogte is gebracht. De heer Steverlynck acht deze periode evenwel te kort om maatregelen te treffen als het verwittigen van cliënteel, leveranciers, personeel, enz. Vandaar het voorstel om die « veertien en dertig dagen » te vervangen door « dertig en vijfenveertig dagen ».

    Ten slotte wenst hij aan dit artikel een aantal nieuwe leden toe te voegen die te maken hebben met de informatie-, communicatie- en overlegprocedures. Er is wel een voorafgaande informatieplicht ingevoerd, doch geen voorafgaande inspraakmogelijkheid voorzien. Dat is evenmin voorzien voor de periode dat de werken lopen. Toch kunnen bepaalde suggesties nuttig zijn voor een vlottere gang van zaken. Vandaar stelt de indiener voor dat ten laatste veertien dagen voor de aanvang van de werken de verantwoordelijke van de onderneming zou samenkomen met de verantwoordelijken van de werken. Uiterlijk de dag voor de aanvang van de werken moet bovendien worden medegedeeld op welke tijdtippen verdere informatie- en overlegvergaderingen moeten plaatsvinden. Dat moet om de twee weken gebeuren. In de praktijk doet zich immers vaak het probleem voor dat het Gewest als bouwheer de betrokken gemeenten niet tijdig verwittigt. Het subamendement nr. 40 moet daaraan verhelpen.

    De heer Willems twijfelt aan het nut van deze aanvullingen; ze lijken hem eerder de zaken te compliceren.

    Vanuit het standpunt van de inkomenscompensatievergoeding, gaat de heer Steverlynck hiermee akkoord, maar toch biedt het subamendement een antwoord op de problemen die vandaag de zelfstandige ondervindt door het gebrek aan communicatie, informatie en overleg tussen de bouwheren, de aannemers en de omwonenden. Men kan argumenteren dat dit aspect niet kadert in het voorliggende wetsvoorstel dat eigenlijk maar een element regelt met betrekking tot de inkomenscompensatie, maar dat doet niets af van de pertinentie van het probleem. Als dat hier niet kan worden opgelost, dan moet dat misschien via de wet op de overheidsopdrachten. Andere aspecten die moeten worden geregeld zijn de opschorting van betaling van sociale en fiscale bijdragen.

    Blijft dat ingevolge amendement nr. 36 de werken mogen worden aangevat tussen de veertien en de dertig kalenderdagen na verwittiging. Die periode lijkt de heer Steverlynck heel kort te zijn.

    De heer Dedecker is van oordeel dat subamendement nr. 40 meer thuishoort in de wetgeving op de overheidsopdrachten.

    De heer Willems vreest dat amendement de bevoegdheid van de federale wetgever overschrijdt.

    Artikel 5

    Op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 5, dient de heer Steverlynck een subamendement nr. 41 in.

    Volgens de auteur is het de bedoeling af te stappen van de te strikte criteria waaraan moet worden voldaan om voor een inkomenscompensatievergoeding in aanmerking te komen. Zo is er een verbod voor elke verdere activiteit zoals bijvoorbeeld thuisbezorging. Het subamendement nr. 41 strekt ertoe om wanneer er ernstige hinder is toch een activiteit toe te laten mits vermindering van de vergoeding. Een beroepsverbod lijkt onrechtvaardig.

    De indiener wijst ook op de relatie met zijn subamendement nr. 43 bij het voorgestelde artikel 7. Het schrappen van het 3º van het eerste lid van artikel 5 heeft te maken met de aanvraagprocedure. In artikel 7 wil de heer Steverlynck, in het kader van deze procedure, de stap van het erkennen van de gehinderde inrichting enerzijds en de stap van de aanvraag om een vergoeding te ontvangen, anderzijds, in elkaar zou schuiven om te vermijden dat de zelfstandige zelf twee keer een aanvraag moeten doen. In het kader van de « Kafka-test » zou de stap door het Participatiefonds moeten gezet worden.

    De heer Willems betwijfelt of men de zelfstandige wel een dienst bewijst met deze aanvulling. Als bij hinder de inrichting moet worden gesloten, dan staat daar een vergoeding voor de zelfstandige tegenover. Waarschijnlijk viseert subamendement nr. 43 iets « grotere » zelfstandigen die beter een beroep kunnen doen op de gemeenrechtelijke middelen om schadevergoeding te bekomen, dan wel het recht na te streven op een verminderde vergoeding.

    De heer Steverlynck stelt consequent te blijven met het wetsvoorstel dat hij in een vorige legislatuur heeft ingediend en met het voorstel nr. 3-280 van de heer Caluwé. Alle zelfstandigen die hinder van werken ondervinden wanneer de werken te lang aanslepen, als het ware door een foutloze aansprakelijkheid van de overheid, hebben recht op een vergoeding.

    Spreker wil zich inschrijven in het voorliggende voorstel en waarbij de vergoeding slechts wordt toegekend onder heel strikte voorwaarden teneinde het toepassingsgebied te beperken en om de kost beheersbaar te houden. Toch kan men niet ontkennen dat er zelfstandigen zijn die niet aan de hier vooropgezette criteria voldoen, maar toch een vergoeding zouden moeten krijgen vermits ze omzetverlies lijden. In die gevallen, vermits de zaken zo goed en zo kwaad als mogelijk worden verdergezet, moet de vergoeding worden verminderd, bijvoorbeeld gehalveerd.

    Een zelfstandige zal steeds geneigd zijn om alle mogelijke inspanningen te doen om zijn zaak niet te hoeven sluiten. Dat is inherent aan ondernemen. Hij zal een andere locatie zoeken, een container plaatsen, aan thuisbezorgen doen, enz. Welnu, al deze pistes worden hier verboden. Dat is onrealistisch en onterecht.

    Mevrouw Vanlerberghe begrijpt deze bekommernis, maar pleit ervoor dat het systeem controleerbaar blijft.

    De heer Steverlynck repliceert dat de enige voorziene controle, de procedure voor erkenning als gehinderde inrichting is. Volgens zijn stelling is er schade van zodra de hinder vaststaat, met als gevolg het recht op een vergoeding. Het wetsvoorstel daarentegen wil enkel een vergoeding toekennen wanneer de inrichting gesloten is. Indien de zelfstandige geen enkele activiteit meer mag uitoefenen, dan moet de vergoeding minstens voldoende hoog genoeg zijn.

    Mevrouw Vanlerberghe vindt hierin het bewijs dat het hier voorgestelde systeem geen echte hulp is voor de zelfstandigen.

    Op de vraag van de heer Dedecker welk alternatief haar fractie voorstelt, antwoordt mevrouw Vanlerberghe dat dat de regeling is die op Vlaams niveau wordt voorgesteld. Het Vlaams Parlement behandelt een voorstel van decreet over de toekenning van een rentetoelage. De Vlaamse minister van Economie werkt aan een ontwerpbesluit dat toelaat dat eigenaars van handels- en horecazaken die hun omzet zien dalen door hinderlijke openbare werken en zich genoodzaakt zien geld te lenen, van de Vlaamse overheid kosteloos een gewestwaarborg kunnen krijgen.

    De heer Steverlynck meent dat het controleprobleem kan worden opgelost door een forfaitaire vergoeding toe te kennen op basis van het feit dat er openbare werken zijn die sowieso tot hinder en omzetverlies leiden.

    Mevrouw Vanlerberghe kan dat niet aanvaarden omdat handelszaken die « tijdelijk » verhuizen omwille van openbare werken, ook plots hun omzet kunnen zien stijgen en nadien zelfs hun oorspronkelijke inrichting sluiten. In dergelijke gevallen is een vergoeding niet te verantwoorden.

    De heer Steverlynck antwoordt dat zelfs in die gevallen de zelfstandige met hogere kosten wordt geconfronteerd, zoals de kosten van verhuis en voor de inrichting van de nieuwe zaak, eventueel zelfs een hogere huurprijs, enz. Het behoort tot het normaal economisch risico dat een inrichting gedurende een paar weken omwille van openbare werken kan worden gehinderd. Als de werken evenwel langer duren, dan is het evident dat er schade zal zijn in de zaak en moet het recht ontstaan op een kleine forfaitaire tegemoetkoming die men kan gebruiken, hetzij als inkomenscompensatie, hetzij om extra-kosten te dekken.

    De heer Willems herhaalt dat het voorliggende wetsvoorstel niet de ambitie heeft om een globale regeling te treffen voor alle mogelijke problemen die voor een zelfstandige kunnen voortvloeien uit hinder ingevolge openbare werken. Die beperkte doelstelling hangt ook samen met de bevoegdheidsverdeling in ons land. Spreker blijft bij zijn stelling dat een dergelijke verminderde vergoeding een veel grotere vergoeding op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek uitsluit.

    Volgens de heer Steverlynck zal de rechtbank deze redenering niet volgen. Artikel 5 van het wetsvoorstel voorziet immers een vergoeding wanneer de zelfstandige zijn inrichting sluit en geen andere beroepsinkomsten heeft. Het subamendement nr. 41 strekt er enkel toe te voorzien dat wanneer de zelfstandige wel andere beroepsinkomsten heeft en zijn inrichting niet sluit, hij toch recht heeft op een verminderde vergoeding. Dat sluit andere gerechtelijke procedures geenszins uit.

    De heer Dedecker onderstreept het basisprincipe van zijn wetsvoorstel : een basisinkomen verstrekken aan zelfstandigen die totaal geen inkomen meer hebben. Van zodra hiervan wordt afgeweken (hetgeen ook in de oorspronkelijke versie van zijn voorstel was gebeurd) wordt het ontzettend moeilijk. Vooreerst wat betreft de berekeningsbasis : is dat de winst dan wel de omzet ? Ten tweede gaat het om het lenigen van een onmiddellijke nood door een totaal gebrek aan inkomsten. Dat kan niet worden opgevangen wanneer de vergoeding gelieerd is aan berekeningen die pas later kunnen gebeuren. Ten derde moeten misbruiken worden voorkomen. Een tijdelijk werkloze werknemer mag evenmin elders gaan werken.

    Zelfstandigen die nog aan thuislevering doen, kiezen hier zelf voor en moeten er zich dan van bewust zijn dat zij geen inkomenscompensatie zullen genieten. Het is relatief gemakkelijk te controleren of een inrichting gesloten dan wel open is.

    Wat de alternatieven betreft die het Vlaams parlement uitwerkt, kan alvast de ontworpen gewestwaarborg de heer Dedeker niet bekoren. De zelfstandigen zullen daar niet mee gebaat zijn vermits ze in hun situatie zelfs niet voor een lening in aanmerking zullen komen. Voor rentetoelagen van maximaal 2 % geldt hetzelfde. Dat zou trouwens een aalmoes zijn die daarenboven nog te laat toekomt. Beter ware dat het Waarborgfonds leningen zou toekennen die de financiële instellingen weigeren te verstrekken. Op Waals niveau heeft spreker zelfs geen enkele weet van alternatieven voor zijn voorstel.

    Artikel 6

    Op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 6 dient de heer Steverlynck een subamendement nr. 42 in.

    De eerste voorgestelde wijziging heeft te maken met werken die op het grondgebied van meerdere gemeenten plaatsvinden.

    De tweede wijziging kadert in de filosofie dat hinder recht geeft op een vergoeding zelfs al wordt de inrichting niet gesloten.

    Ten derde wordt een nieuw lid ingevoegd dat ertoe strekt om bij de aanvraag die men doet in het kader van de procedure voor erkenning als gehinderde inrichting, onmiddellijk een lijst van de in de inrichting werkzame zelfstandigen te voegen. Op die manier wordt bij die ene aanvraag het Participatiefonds onmiddellijk in kennis gesteld van het aantal zelfstandigen en helpers die in die inrichting zijn tewerkgesteld. Bij de erkenning van de inrichting als « gehinderd » zou het Participatiefonds zelf de tweede stap kunnen zetten.

    Dat zal vermijden dat er zelfstandigen zijn die niets zullen doen in de verkeerde overtuiging dat ze geen verdere stappen moeten ondernemen om de uitkering te krijgen.

    Het voorstel om in § 3 een nieuw lid toe te voegen, vloeit opnieuw voort uit de wens om geen sluiting te eisen.

    In § 4 wenst het subamendement nr. 42 de woorden « drie maanden » te vervangen door de woorden « één maand ». Dat houdt verband met de termijn waarbinnen de minister in de beroepsprocedure uitspraak moet doen. De periode van drie maanden rekt de onzekerheid nodeloos lang.

    Ten slotte wordt voorgesteld om § 5 aan te vullen met een nieuw lid. Er is in een wettelijke subrogatie voorzien, doch ingeval het Participatiefonds binnen de maand na het zich voordoen van de extracontractuele fout geen minnelijke regeling heeft bereikt noch een vordering heeft ingesteld, dan kan de verantwoordelijke van de onderneming het Participatiefonds in gebreke stellen. Dan neemt de subrogatie van rechtswege een einde. Zoniet kan de onderneming niets doen om de schade te gaan verhalen bijvoorbeeld op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

    Mevrouw Kapompolé meent te weten dat geen enkele onderneming of zelfstandige zich rechtstreeks tot het Participatiefonds kan wenden. Dat moet altijd via een kredietinstelling gebeuren. Kan het contact in dit geval rechtstreeks plaatsvinden ?

    De heer Dedecker antwoordt hierop bevestigend.

    De heer Steverlynck voegt hieraan toe dat het Participatiefonds in feite een totaal nieuwe taak krijgt toegewezen. Indien het Participatiefonds bij de eerste aanvraag een lijst zou krijgen van de in de inrichting werkzame zelfstandigen, dan kan het inderdaad onderzoeken of die mensen recht kunnen hebben op de tegemoetkoming.

    De heer Dedecker kan de voorgestelde inkorting van de uitspraaktermijn niet aanvaarden.

    Op dat punt geeft de heer Steverlynck toe dat één maand misschien al te kort is.

    Ook de heer Collas c.s. dienen een subamendement nr. 53 in op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 6.

    Eerst en vooral strekt het amendement ertoe het achtste en tiende lid van § 2 te vervangen. Wat het attest betreft dat door de gemeente wordt afgegeven, wil hij een en ander verduidelijken met de vermelding dat het verkrijgen van een attest niet automatisch betekent dat men erkend wordt als gehinderde inrichting. Het attest schept een belangrijk vermoeden van hinder voor de vermelde gevallen. Het Participatiefonds kan dat vermoeden echter weerleggen bij de beoordeling ten gronde. Voor het overige verwijst de heer Collas naar de schriftelijke verantwoording van zijn subamendement.

    Artikel 7

    De heer Steverlynck dient een subamendement nr. 43 in op het door amendement nr. 36 voorgestelde artikel 7.

    De indiener stelt dat het hem hier te doen is om de administratieve vereenvoudiging. In essentie wil hij de stappen die de ondernemer moet zetten, verkorten.

    De heer Collas c.s. dient subamendement nr. 55 in dat ertoe strekt het tweede lid van § 3 te vervangen. Mevrouw Crombé-Berton verklaart dat de indieners in de eerste plaats de termijn willen verkorten tot zestig dagen. Als de minister geen uitspraak doet binnen zestig dagen vanaf de datum van het instellen van het beroep, wordt bovendien de beslissing van het Participatiefonds geacht bevestigd te zijn. Als een zelfstandige beroep instelt betekent dat vaak dat hij op een weigering is gestoten. De indieners vinden het echter geen goede oplossing om de aanvraag van de zelfstandige, die vaak ingaat tegen de beslissing van het Participatiefonds, zonder meer als bevestigd te beschouwen.

    Op het voorgestelde artikel 7 dient de heer Creyelman een subamendement nr. 48 in.

    De heer Creyelman stelt dat de bedoeling van zijn amendement in dezelfde lijn ligt als die van subamendement nr. 41 van de heer Steverlynck op artikel 5. Het voorliggend wetsvoorstel strekte ertoe de micro-ondernemingen te vergoeden voor het verlies dat zij lijden als gevolg van langdurige openbare werken, maar zij zullen nu een soort vervangingsinkomen ontvangen op voorwaarde dat ze hun inrichting totaal sluiten. Spreker meent dat die sluiting op langere termijn een nog grotere financiële repercussie zal hebben dan wat de betrokken uit dat Participatiefonds kunnen ontvangen. Men moet na de werken immers volledig opnieuw opstarten en een klantenbestand opbouwen, terwijl bij niet-sluiting toch nog een percentage — allicht wel onleefbaar laag — van de klanten blijft opdagen. Vandaar het voorstel om de vergoeding niet te beschouwen als een vervangingsinkomen, maar echt als een compensatie voor geleden schade.

    De heer Dedecker beschouwt het ook als een compensatie voor geleden schade. De term vervangingsinkomen wordt alleen gebruikt in het kader van de berekeningswijze en voor de duidelijkheid. Doch, in feite gaat het over een inkomenscompensatievergoeding.

    Artikel 8

    Op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 8 dient de heer Steverlynck een subamendement nr. 44 in. Dat bestaat uit twee onderdelen.

    De eerst voorgestelde technische wijziging heeft betrekking op de aanvraagprocedure. De tweede wijziging betreft een toevoeging aan het bedrag dat maandelijks wordt betaald en door de Koning wordt bepaald. Het wil een minimumbedrag voor de vergoeding vastleggen zowel voor het geval waarin de inrichting wordt gesloten als voor het geval waarin een verminderde vergoeding zou worden toegekend.

    Op dit artikel dient de heer Collas c.s. subamendement nr. 56 in dat ertoe strekt het eerste lid van § 1 te vervangen. De heer Collas vindt dat de wetgever het juiste bedrag van de vergoeding moet vaststellen. Hij stelt een bedrag van 44,2 euro per kalenderdag voor. Overigens is voorzien in een indexering zodat het niet nodig is de Koning te machtigen om de hoogte van de vergoeding te bepalen en, al dan niet jaarlijks, te herzien.

    Artikel 9

    Op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 9, dient de heer Steverlynck een subamendement nr. 45 in dat ertoe strekt een zevental wijzigingen aan te brengen.

    Enkele wijzigingen vloeien voort uit eerdere subamendementen en zijn technisch van aard. Het nieuwe in dit amendement heeft betrekking op § 3, tweede en derde lid.

    Samengelezen geven die aanleiding tot een ongewilde situatie. Door het beroep bij de minister wordt de beslissing van het Participatiefonds opgeschort en moet de inrichting gesloten blijven om de rechten te behouden en niet beboet te worden. Tegelijkertijd wordt de uitkering van de vergoeding eveneens geschorst. Met andere woorden, door het instellen van een beroep wordt de inrichting dubbel gestraft. Het amendement strekt ertoe de vergoeding te laten doorlopen, met mogelijkheid voor het Participatiefonds om die terug te vorderen bij een negatieve beslissing door de minister. Door het inkorten van de beslissingstermijn (subamendement nr. 42 op artikel 6) wordt natuurlijk vermeden dat de som die zou moeten teruggevorderd worden, te hoog zou oplopen.

    De heer Steverlynck dient nog een subsidiair amendement nr. 58 op zijn subamendement nr. 45 in. In de mate dat de schrapping van § 3, vierde lid, niet zou worden aanvaard, dan wordt voorgesteld de beroepstermijn te verkorten van drie tot één maand.

    De heer Collas c.s. dient subamendement nr. 57 in op artikel 9. Mevrouw Crombé-Berton wijst erop dat de indieners, nog steeds vanuit dezelfde logica, menen dat indien de minister geen uitspraak doet, de beslissing van het Participatiefonds geacht wordt bevestigd te zijn. Bovendien willen zij dat de termijn van drie maanden wordt verkort tot zestig dagen teneinde de zelfstandige meer rechtszekerheid te bieden.

    Artikel 10

    Subamendement nr. 49 van de heer Creyelman strekt ertoe het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 10 te doen vervallen. Voor de verantwoording verwijst hij naar zijn verantwoording bij zijn subamendement nr. 48 op artikel 7.

    De heer Steverlynck dient een subamendement nr. 46 in dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 10 te vervangen. Het amendement vloeit voort uit zijn vorige amendementen die twee soorten vergoedingen willen voorzien, al naar gelang de inrichting al dan niet effectief wordt gesloten.

    Artikel 12

    Subamendement nr. 54 van de heer Steverlynck op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 12, heeft betrekking op de hoogte van de geldboetes op overtredingen van de bepalingen van de wet en van haar uitvoeringsbesluiten.

    De heer Steverlynck is van oordeel dat de voorziene boetes zeer hoog zijn. Een kleine vergetelheid kan aldus zeer zware gevolgen hebben. Daarom stelt hij voor de minimumboetes te delen door een factor 2,5 en de maximumboetes door 2.

    Artikel 14

    Op het in amendement nr. 36 voorgestelde artikel 14 dat de inwerkingtreding van de wet regelt, dient de heer Willems een subamendement nr. 37 in dat ertoe strekt een uiterste termijn op te leggen waarbinnen de wet uiterlijk in werking moet treden.

    V. STEMMINGEN

    1. Wetsvoorstel betreffende de uitkering van een inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen voor hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein, nr. 3-386/1

    De basistekst waarover werd gestemd is deze zoals opgenomen in amendement nr. 36. De amendementen nrs. 37 tot 58 die ter stemming werden voorgelegd, zijn subamendementen op dat amendement nr. 36. De oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel alsook de amendementen nrs. 1 tot 35 worden beschouwd als zijnde ingetrokken.

    Mevrouw Vanlerberghe kondigt aan dat haar fractie tegen alle amendementen zal stemmen omdat zij te vluchtig ofwel helemaal niet zijn besproken. Bovendien blijft de SP.a bij haar standpunt dat de hier voorgestelde regeling de zelfstandigen geen baat zal brengen.

    Van zijn kant stelt de heer Dedecker dat de huidige versie van het voorstel het resultaat vormt van twee jaar onderhandelen.

    Artikel 1 wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    De amendementen nrs. 38 en 52 van de heer Steverlynck op artikel 2 worden verworpen met 9 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding. Amendement nr. 39 van de heer Steverlynck en amendement nr. 50 van de heer Collas c.s. worden aangenomen met 8 tegen 4 stemmen bij 2 onthoudingen. Het aldus geamendeerde artikel 2 wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Amendement nr. 47 van de heer Creyelman wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen bij 2 onthoudingen. Amendement nr. 51 van de heer Collas c.s. wordt aangenomen met 8 tegen 4 stemmen bij 2 onthoudingen. Artikel 3, zoals geamendeerd, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Amendement nr. 40 van de heer Steverlynck wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Artikel 4 wordt met dezelfde stemmenverhouding aangenomen.

    Amendement nr. 41 van de heer Steverlynck wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Artikel 5 wordt met dezelfde stemmenverhouding aangenomen.

    Amendement nr. 42 van de heer Steverlynck wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Amendement nr. 53 van de heer Collas c.s. wordt aangenomen met 8 tegen 4 stemmen bij 2 onthoudingen. Artikel 6, aldus geamendeerd, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Amendement 43 van de heer Steverlynck wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Amendement nr. 48 van de heer Creyelman wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen bij 2 onthoudingen. Amendement nr. 55 van de heer Collas c.s. wordt aangenomen met 8 tegen 4 stemmen bij 2 onthoudingen. Artikel 7, aldus geamendeerd, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Amendement nr. 44 van de heer Steverlynck wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Amendement nr. 56 van de heer Collas c.s. wordt aangenomen met 8 tegen 4 stemmen bij 2 onthoudingen. Artikel 8, aldus geamendeerd, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Amendement nr. 45 van de heer Steverlynck en zijn subsidiair amendement nr. 58 op nr. 45 worden verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Amendement nr. 57 van de heer Collas c.s. wordt aangenomen met 8 tegen 4 stemmen bij 2 onthoudingen. Artikel 9, aldus geamendeerd, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Amendement nr. 46 van de heer Steverlynck wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Amendement nr. 49 van de heer Creyelman wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen bij 2 onthoudingen. Artikel 10 wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Artikel 11 wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Amendement nr. 54 van de heer Steverlynck wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen. Artikel 12 wordt met dezelfde stemmenverhouding aangenomen.

    Artikel 13 wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Amendement nr. 37 van de heer Willems wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen. Artikel 14, aldus geamendeerd, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    Het amendement nr. 36 in zijn geheel, aldus gesubamendeerd, wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

    2. Wetsvoorstel betreffende de vergoeding bij hinder tengevolge van openbare werken, nr. 3-280/1

    Het wetsvoorstel is zonder voorwerp geworden.


    Dit verslag werd goedgekeurd met 7 stemmen bij 2 onthoudingen.

    De rapporteur, De voorzitter,
    Luc WILLEMS. Jean-Marie DEDECKER.

    Tekst aangenomen door de commissie (zie stuk Senaat, nr. 3-386/8)


    BIJLAGEN


    I. HOORZITTING VAN 18 FEBRUARI 2004

    Hoorzitting met :

    — de heer Kris Baetens van UNIZO;

    — de heer Erwin Debruyne, stafmedewerker Mobiliteit, en mevrouw Griet Pitteljon, coördinator Team Lokale Economie en Werkgelegenheid, van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten;

    — mevrouw Christine Mattheeuws en de heer Philippe Ruelens, respectievelijk voorzitter en directeur van het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen;

    — de heer Tom De Schutter, hoofd van de dienst Mobiliteit van de Union des villes et communes de Wallonie;

    — de heer Pierre-François Rizzo, juridisch adviseur van Union des classes moyennes.

    1. Uiteenzetting door de heer Kris Baetens namens UNIZO

    UNIZO-UITGANGSPUNTEN

    Werken in het openbaar domein tasten de normale economische activiteit aan. Verminderde bereikbaarheid voor klant en leverancier kunnen voor korte of lange termijn de omzet en het inkomen van de getroffen zaken doen dalen.

    De gevolgen van hinderlijke werkzaamheden nemen trouwens hand over hand toe. Door het intensief gebruik van de infrastructuur treedt meer slijtage op, wat zorgt dat de frequentie van onderhoudswerken omhoog gaat. Komt daar nog bij dat het aantal nutsvoorzieningen ondergronds ook toeneemt en door technologische ontwikkeling sneller aan vervanging toe is.

    UNIZO betwist de noodzaak van werkzaamheden en enige onvermijdelijkheid van hun weerslag op de aangelande ondernemingen niet. Maar er kan ongetwijfeld op een actievere manier naar oplossingen gezocht worden. Zelfstandige ondernemers nemen de bluts met de buil, maar moeten zich gesteund weten.

    UNIZO neemt zelf het engagement op om via zijn netwerk van lokale besturen een herkenbaar en aanspreekbaar contactpunt te vormen voor alle zelfstandige ondernemers die met het probleem worden geconfronteerd, en hun belangen te verdedigen. Met een vernieuwd bestuursdossier zal UNIZO dit lokaal netwerk hierbij informeren en ondersteunen. Van de gemeenten en steden verwacht UNIZO dat zij tijdig initiatiefnemer zijn om geplande werkzaamheden te melden en in gesprek te treden met de betrokken ondernemers en het lokale UNIZO-bestuur om op zoek te gaan naar mogelijke oplossingen en tegemoetkomingen.

    De probleemschets bij zelfstandige ondernemers wordt kracht bijgezet door de UNIZO-enquête van 25 februari 2003.

    De belangrijkste resultaten :

    • Was de hinder volgens u langer dan noodzakelijk ?

    Ja : 71 %

    Nee : 13 %

    Weet niet : 5,5 %

    Conclusies :

    Slechts 5,5 % geeft aan zelf geen menig te hebben over de duurtijd van de werkzaamheden en de mogelijkheden om deze in te korten. Zo'n 13 % beklaagt zich niet over een nodeloos lange duur van de werkzaamheden.

    Van dezen die wél een mening hebben is zo'n 71 % er van overtuigd dat de werken langer aansleepten dan noodzakelijk. Dit loopt zelfs op tot 81 % van de winkeliers, als we alleen deze groep in beschouwing nemen. Dat betekent dat er een vrij grote onvrede is met de duurtijd van de werkzaamheden, ondermeer aangewakkerd door twee factoren : met toename van de duur is er ook een toename van de negatieve effecten op de bedrijfsresultaten en met de toename van de duur der werken groeit ook de discrepantie tussen wat men in de realiteit beleeft als men de werfactiviteiten ziet en de informatie die men bekomt.

    • Wie ziet de zelfstandige ondernemer als belangrijkste verantwoordelijke ?

    Bouwheer en/of wegbeheerder Distributie : 60 % Totaal : 47 %
    Aannemer Distributie : 43 % Totaal : 32 %
    Nutsmaatschappij Distributie : 22 % Totaal : 14,5 %
    Weet niet Distributie : 6 % Totaal : 12 %

    Conclusies :

    In 47 % van de gevallen wordt met de vinger naar de bouwheer of wegbeheerder gewezen, 32 % wijst verantwoordelijkheid toe aan de aannemer en voor 14,5 % zoekt men het bij de betrokken nutsmaatschappij. Het is niet zo dat de gedupeerde ondernemers zomaar automatisch de « zwarte piet » in het verhaal aan één of andere actor toewijzen. Het zal vermoedelijk wel met een stuk realiteit overeenstemmen dat bij overschrijding van de termijnen een combinatie van verantwoordelijkheden in het geding is.

    Opvallend is dat de ondernemers uit de distributie blijkbaar veel kritischer zijn dan hun collega's en sterker overtuigd zijn van de verantwoordelijkheden én de combinatie ervan bij het aanslepen van de werkzaamheden. Vermoedelijk wordt dit mee ingegeven door een directere hinder voor hun cliënten en hun permanent zicht op de werf.

    • Welke negatieve gevolgen hadden de werken voor uw bedrijf ?

    Omzetverlies Distributie : 92 % Totaal : 73 %
    Klantenverlies Distributie : 76 % Totaal : 63 %
    Tijdelijk werkloos Totaal : 8 %
    Ontslag Totaal : 2 %
    Onveiligheid en verminderd comfort Totaal : 34 %
    Problemen leveranciers Totaal : 45 %
    Sluiting Totaal : 8 %
    Bankkrediet Totaal : 2 %
    Materiële schade Totaal : 11 %
    Kosten Distributie : 17 % Totaal : 12 %

    • Welke maatregelen heeft de zelfstandige ondernemer zelf genomen om de negatieve gevolgen van de werken te beperken ?

    Geen Distributie : 14 % Totaal : 19 %
    Extra pub en koopacties Distributie : 48 % Totaal : 33,5 %
    Uitverkoop Distributie = totaal 17 %
    Toegankelijk maken Distributie : 38 % Totaal : 19 %
    Andere ruimte huren Totaal : 4,5 %
    Uitstellen investeringen Totaal : 19 %

    14 % van de zelfstandigen actief in de distributie ziet geen heil in het vechten tegen de bierkaai, onderneemt zelf geen actie en « zit de pijn gewoon uit ». Voor alle categorieën tezamen loopt het op tot 19 %, wat betekent dat de distributie eerder geneigd is om creatieve middelen te zoeken om de schade te beperken dat de andere categorieën.

    33,5 % van alle zelfstandigen, en oplopend tot 48 % van de zelfstandigen actief in distributie, doen extra inspanningen om door méér publiciteit het afkalven van het klantenbezoek tijdens de werkzaamheden te bestrijden. Meteen ook de meest toegepaste schadebeperkende strategie. Het toegankelijk maken en aldus het comfort voor de klant wat verhogen is eveneens een populaire strategie : 38 % van de respondenten uit de distributie en 19 % in het totaal kiezen hiervoor. 17 % ging over tot uitverkoop, uiteraard alleen gerapporteerd bij de distributeurs. Opvallend is dat één vijfde van de zelfstandigen zegt te wachten met voorziene investeringen. Het huren van een alternatieve ruimte kwam slechts sporadisch voor.

    Andere maatregelen die gerapporteerd worden en waartoe de handelaars overgingen : geen verlof nemen, een winkelfoon installeren met extra service (thuisbestelling), plaatsen van bordjes ivm. de bereikbaarheid, zelf extra info geven aan de klanten ivm. wijze waarop de zaak toch bereikbaar is, uitstellen van afbetaling, sluiten voor de duurtijd van de werken en een enkele keer wordt ook gesignaleerd dat de ondernemer juist tijdens de werkzaamheden investeringen en renovaties doorvoerde. Ten slotte werd er ook nog in de bewuste periode zelf verlof opgenomen en werd er meer gewerkt in een tweede vestiging.

    Globaal lijkt dit toch een beeld op te roepen van : niet goed weten wat te doen en nog meer geld uitgeven (of nog kleinere winstmarges nemen) om toch nog klanten over de vloer te krijgen. Hier lijkt wat ruimte te zijn om zelfstandigen — alleen en in groep — een begeleiding te bieden om deze moeilijke tijden beter door te komen.

    • Kan de zelfstandige ondernemer zeggen hoe lang het duurde om na de werken zijn omzet/resultaten opnieuw op het normale peil te brengen ?

    Duurtijd herstel Totaal groep gemiddeld zo'n 8 maanden
    Nooit Totaal 14 %
    Weet niet 33 %

    Conclusies :

    De ondernemers rapporteren grote verschillen met betrekking tot het herstel van het normale peil van de commerciële activiteiten, variërend van enkele weken tot ... nooit. Deze laatste gevallen hebben te maken met hetzij een structurele verslechtering van hun vestigingssituatie nà de werkzaamheden (bijvoorbeeld een herinrichting die voor veel minder parkingcapaciteit zorgt) of met een hopeloos achterop geraakt zijn en de investeringskracht verloren om terug bij te benen. De ondernemers in de categorie « weet niet » zitten nog volop in de werkzaamheden of zien het herstel pas beginnen. Ook hier weer wordt vooral vanuit de distributie in de commentaren gesproken over gemiste « seizoenen », wat een breder begrip is dan « maanden ».

    • Op welke manieren zou dit soort hinder kunnen beperkt worden ?

    Verhuren werf 2,5 %
    Info dag aan dag via website 4 %
    Gedragscode aannemer en nutsbedrijven 12,5 %
    Betere coördinatie werkfasen 28 %
    Kortere uitvoeringstermijn 34 %
    Bonus voor aannemer 9 %
    Werfcoördinator 10 %
    Andere ...

    Conclusies :

    De getroffen ondernemers zijn duidelijk over welke hun prioritaire aanpak van de problemen is. Allerbelangrijkst vinden de ondernemers de korte uitvoeringstermijn. De duurtijd is immers recht evenredig met het omzetverlies en de eerste remedie is dan ook deze duurtijd zo kort mogelijk te houden. Tweede element is de betere coördinatie van de werkzaamheden. Je zou kunnen stellen dat zij verwachten dat ook deze coördinatie tot een beter aansluiten van de verschillende fasen en onderaannemers moet leiden en dus rechtstreeks samenhangt met de kortere uitvoeringstermijn. Worden ook nog aangegeven : een afdwingbare gedragscode, goed voor 12,5 %, de bonus voor de aannemer 9 % en de aanstelling van een werfcoördinator, elk goed voor ongeveer 10 %.

    Werden aanvullend genoemd als wenselijke technieken om de hinder te beperken : strengere penalisatie voor overschrijden van de termijnen, beter werken in fasen en compartimenteren van de werkzaamheden, tijdelijk ruimen van de werf tijdens weekends en vakantieperioden, maar vooral ook beter overleg voor en tijdens de werkzaamheden. Betere info vooraf wordt ook vernoemd.

    • Op welke manieren zouden bedrijven kunnen gesteund of voor de geleden schade kunnen vergoed worden ?

    Expansiesteun 51 %
    Technische werkloosheid 17 %
    Fiscale voordelen voor ongemak 61 %
    Beperkte forfaitaire schadevergoeding 55 %
    Andere

    Conclusies :

    Een groot percentage van de ondernemers ziet toch wat soelaas in het verminderen van de belastingsdruk voor de periode van het jaar waarin de domper op hun normale bedrijfsactiviteiten wordt gezet. Ook populair zijn de beperkte forfaitaire schadevergoeding en de verruimde mogelijkheden van de expansiesteun, maar beide bekoren slechts ruim de helft van de respondenten. Het lijkt duidelijk uit de combinatie van de antwoorden dat het de ondernemer in de eerste plaats te doen is om zo snel en zo goed mogelijk te mogen terugkeren tot « business as usual » en dat hij liever geen compensaties moet verwachten. Indijken van de hindereffecten, dat is de boodschap. Spontaan vonden we nog volgende suggesties in de kolom « andere  »: « terugbetaling van de zelf gemaakte kosten (voor meer publiciteit, ...); betere en meer correcte communicatie ... wat de voorgaande conclusie alleen maar bevestigt.

    • Hadden de uitgevoerde werken in uw straat achteraf positieve gevolgen voor het bedrijf ?

    Aantrekkelijker straatbeeld 30 %
    Betere verkeersdoorstroming 5,5 %
    Vlotter voor leveranciers 4,5 %
    Meer parking 4,5 %
    Veiliger voor klanten per fiets of te voet 14 %
    Neen 16,5 %

    Conclusie :

    Verbeteringen worden weinig gerapporteerd, wellicht omwille van de grote negatieve ervaring en frustratie, maar waar ze er duidelijk zijn worden ze ook erkend. Alhoewel de antwoordcategorie « neen » zelf niet was voorzien, waren er tal van ondernemers die dit nog eens uitdrukkelijk in de verf zetten. Lage invullingsgraad komt wellicht omdat de doelgroep ook beperkt was (recente werken binnen de 3 jaar) en er veel respondenten nog volop in de werkzaamheden zitten en dus moeilijk reeds van positieve gevolgen kunnen spreken. Het creëren van meerwaarden en het duiden ervan is zeker een belangrijk element in het verwerkings- en het herstelproces.

    In de spontane commentaren was deze vraag ook voor verscheidene ondernemers de aanleiding om blijvende negatieve gevolgen (wegnemen van parkings, een minder veilige situatie ...) nog eens uitdrukkelijk in de verf te zetten.

    UNIZO-ACTIEPLAN

    1. Een renteloze lening

    UNIZO vraagt een renteloze lening aan te bieden aan zelfstandige ondernemers die door openbare werken te kampen hebben met een groot omzetverlies. De renteloze lening wordt toegekend voor een maximumkrediet bepaald door de omzet tijdens het jaar voorafgaand aan de aanvraag. De lening moet zonder intresten worden terugbetaald en ten vroegste vanaf 8 maanden na de beëindiging van de openbare werken.

    2. Eén afdwingbare code met de nodige coördinatie en communicatie

    UNIZO pleit voor het tegengaan van wildgroei van codes en intenties : er moet een standaardisatie komen, wat voor alle betrokkenen de situatie overzichtelijk moet houden. UNIZO is van mening dat het geen enkele zin heeft dat elke speler op het terrein een eigen code opstelt. Er is nood aan één allesomvattende code waarin de minder hinder ten aanzien van zelfstandige ondernemers centraal staat. Daarom vraagt UNIZO een coördinatie- en uniformiseringsproces waarbij één allesomvattende code wordt opgesteld. Dit proces moet gebeuren in samenspraak met de steden en gemeenten, de nutsmaatschappijen, de aannemers, UNIZO, de administratie Wegen en Verkeer en alle betrokken partijen.

    3. Een alles omvattende databank

    UNIZO vraagt de verzameling van alle nuttige gegevens die kunnen leiden tot minder hinder.

    Teneinde op veralgemeende wijze de hinder veroorzaakt door werken en andere activiteiten te kunnen beheersen, is in Antwerpen gestart met het centraliseren van de gegevens met betrekking tot de aanvragen en de hieruit al dan niet volgende vergunningen in een centrale vergunningsdatabank. Deze werkwijze kan een strikte toepassing van « sperperiodes » mogelijk maken waarin werken of andere activiteiten op bepaalde trajecten tijdelijk niet worden toegelaten. Ook de webtoepassing www.woc.be biedt mogelijkheden tot coördinatie en afstemming van de werken.

    4. Een bereikbaarheidsadviseur voor elk belangrijk project

    In Limburg werd als experiment een bereikbaarheidsadviseur openbare werken aangesteld om informatie te geven en vragen te beantwoorden omtrent de plaatselijke openbare werken. Met dit initiatief wil men de open communicatie verbeteren tussen de mensen die de openbare werken uitvoeren en de plaatselijke ondernemers.

    Het proefproject werd ondertussen door alle actoren positief geëvalueerd. Als belangrijkste punten werden volgende vaststellingen naar voren geschoven : De bereikbaarheidsadviseur zorgt ervoor dat de plaatselijke ondernemers vroegtijdig ingelicht worden over de werken en vormt een brugfunctie tussen ondernemers, de overheid en de aannemer(s). Hij/zij wordt betrokken bij de verschillende fases van het stappenplan, en dit vanaf het concept tot de uitvoering en de eindevaluatie van de werken.

    De ondernemers worden continu op de hoogte gehouden over de evolutie van het project en dit door middel van nieuwsbrieven en informatievergaderingen. Formulieren maken het mogelijk dat zelfstandige ondernemers ook schriftelijk klachten kunnen indienen of informatie opvragen bij de bereikbaarheidsadviseur die dan in samenspraak met de overheid en aannemer(s) het nodige doet.

    5. Een jaarlijks Vlaams werfoverleg

    UNIZO wil in opvolging van de rondetafel « minder hinder bij werken in bebouwde omgeving » een permanent en structureel overleg tussen alle actoren die betrokken zijn bij (de hinder van) werken. Alle betrokken partijen zijn hiervan overtuigd en voelen de noodzaak van een overlegplatform waarop alle minder hindermaatregelen worden geëvalueerd en bijgestuurd. UNIZO vraagt dan ook aan de minister van Openbare Werken een actieve voorzitter en motor te zijn van dit Vlaamse werfoverleg.

    UNIZO-STANDPUNT

    Wat de voorliggende wetsvoorstellen betreft is UNIZO het helemaal eens met het principe. Openbare werken leiden tot heel wat hinder bij de zelfstandige ondernemers en zorgen vaak voor grote problemen waarbij de broodwinning in gevaar komt. Ondernemers zijn creatief en doen er alles aan om er het beste van te maken. Ondernemers moeten zich echter in deze moeilijke periode van werken gesteund weten.

    UNIZO plaatst echter vraagtekens bij de financiering van deze voorgestelde maatregelen. Wanneer de overheid dit dossier belangrijk genoeg vindt, moet zij de nodige fondsen hiervoor vrijmaken. Een alternatieve financiering mag geenszins leiden tot een verhoogde druk op de aanbestedingen. Deze verhoogde druk op de prijszetting leidt enkel tot hardere concurrentie met alle gevolgen van dien voor de veiligheid en de kwaliteit van de werken. Eveneens vreest UNIZO in dit geval voor een vermindering van werken.

    2. Uiteenzetting door mevrouw Griet Pitteljon, coördinator Team Lokale Economie en Werkgelegenheid en de heer Erwin Debruyne, stafmedewerker Mobiliteit, van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten

    Lokale besturen kiezen voor een sterke lokale economie en een bedrijfsvriendelijk beleid

    Lokale besturen hebben de laatste jaren sterk ingezet op het creëren van een lokaal bedrijfsvriendelijk klimaat.

    Lokale besturen hebben zelf wel niet de zware hefboom in handen voor het uitbouwen van een sterk economisch beleid. Ze vormen niettemin meer dan een factor van betekenis inzake het stimuleren van een goed economisch klimaat. Het beleidsinstrumentarium inzake ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, natuur, woon- en leefomgeving en vooral de mate waarin men er in slaagt om één en ander geïntegreerd en met specifieke aandacht voor een sterke lokale economische ontwikkeling in te zetten, bepaalt ook in belangrijke mate welke zuurstof er lokaal gecreëerd wordt voor het bedrijfsleven.

    Dat lokale besturen meer dan zo maar oog hebben voor een socio-economisch beleid bewijst de grote belangstelling van onze lokale besturen voor acties zoals de Laureaat Ondernemende Gemeente van UNIZO of de respons op de enquête Bedrijfsvriendelijke Gemeente van VOKA.

    Naast vergemakkelijken en stimuleren van een sterke lokale en economische ontwikkeling is het lokale bestuur ook een heel belangrijke motor van de Vlaamse economie.

    Om één en ander nader toe te lichten worden hier een aantal markante cijfers uit het Dexia jaarboek 2002 gegeven.

    De investeringen van de lokale sector vertegenwoordigen 48,2 % van de investeringen van de overheid in haar geheel. Sinds 1998 gaat dit percentage in dalende lijn. De lokale sector blijft echter de belangrijkste openbare investeerder.

    De investeringen van de lokale sector kunnen worden benaderd via de traditionele functionele indeling van de openbare boekhouding. De activiteiten waarop een uitgave of een ontvangst betrekking heeft, worden ingedeeld in 28 functies die in 9 categorieën werden ondergebracht.

    Bijna 70 % van de investeringen van de lokale sector is verdeeld tussen vier grote activiteitssectoren : Volksgezondheid en Huisvesting (20,9 %), Verkeer en Waterwegen (18,7 %), Onderwijs (18,1 %) en Industrie (11,8 %). In vergelijking met 2001 is het aandeel van deze vier sectoren in de totale investeringen met ongeveer 14 % verminderd. Dat is met name te verklaren door het feit dat in Vlaanderen een gedeelte van de leningen aangegaan om de investeringen te financieren (d.i. 18,1 % van de totale Vlaamse leningen) niet meer bij een specifieke sector kan worden ondergebracht maar voorkomt onder de rubriek « openbare schuld ».

    De investeringen inzake Algemeen Bestuur, Openbare Orde en Veiligheid, Verkeer en Onderwijs gebeuren voornamelijk door de gemeenten. De investeringen in de sector Volksgezondheid en Huisvesting zijn niet alleen toe te schrijven aan de gemeenten, maar ook aan de OCMW's en de intercommunales. De investeringen voor Industrie, Handel en Middenstand, ten slotte, zijn grotendeels het werk van de intercommunales.

    Investeringen per type van bestuur

    In 2002 blijven de gemeenten de belangrijkste investeerders van de lokale sector. Hun aandeel in het totale volume van de investeringen van de lokale sector beloopt 58,6 %.

    De intercommunales nemen de tweede plaats in. Hun investeringen vertegenwoordigen bijna een kwart van de totale investeringen van de lokale sector.

    Daarna komen de OCMW's. In 2002 investeerden ze een bedrag van 207 miljoen euro, dit wil zeggen een inkrimping van 69 miljoen euro vergeleken met het jaar voordien. Het gewicht van de OCMW's in de lokale investeringen neemt dus af (van 12,5 % in 2001 tot 9,8 % in 2002).

    De overige 8,1 % vertegenwoordigen de bijdrage van de provincies, de politiezones en de andere lokale besturen.

    De investeringen van de lokale sector kwamen in 2002 uit op 2 125 miljoen euro. Ze dalen met 3,8 % ten opzichte van 2001.

    In 2002 vertegenwoordigen de investeringen van de lokale sector 0,81 % van het bruto binnenlands product (BBP). Hun gewicht in het BBP vermindert lichtjes ten opzichte van 1996 (0,83 %). De toename van de investeringen van de lokale sector was dus kleiner dan de economische groei.

    Bij onze benadering van het onderwerp « Hinder bij openbare werken » kunnen we dus helemaal niet voorbijgaan aan de motorfunctie die het lokale bestuur hier sowieso terzake opneemt.

    Om deze zuurstof verder te kunnen inbrengen in deze sector zal er bij de benadering van deze problematiek zowel moeten gefocust worden op de moeilijke situatie van de ondernemer als op de mogelijkheden van het lokaal bestuur.

    Er zal ook moeten gezocht worden naar een oplossing die het lokale bestuur verder toelaat een motorfunctie op te nemen als grote investeerder in het openbare patrimonium.

    In meer algemene zin zal er bij het zoeken naar passende oplossingen voor deze problematiek ook aandacht geschonken moeten worden aan evenwichten tussen de rol die de lokale overheid vervult ten aanzien van de gehele Belgische economie en de inkomsten van de federale overheid in het bijzonder.

    De lokale overheid is immers op vandaag goed voor 15 % van de primaire Belgische uitgaven.

    In 2002 was de lokale overheid goed voor bijna 25 % van het Belgische BBP. Verder geven de lokale overheden in 2002 ongeveer 9,3 miljard bef aan lonen en wedden uit in 2002.

    Bij het creëren van een financiële oplossing voor deze hinderproblematiek voor ondernemers bij openbare werken kan men dan ook niet voorbij gaan aan een billijke lastenverdeling tussen de verschillende overheidsniveaus.

    Lokale besturen willen de problematiek van hinder bij openbare werken in eerste instantie aanpakken via een « Code goede praktijk ten behoeve van ondernemers bij infrastructuur- en nutswerken langs gemeentewegen »

    Werken aan het openbaar domein zijn dikwijls noodzakelijk voor een betere veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van straten en kernen. Als een goede huisvader proberen de gemeenten aan deze noodzaak tegemoet te komen. De vraag is groot, maar de moeilijke financiële situatie van vele gemeenten leidt er nu reeds toe dat werken uitgesteld worden. Door bovenop deze reeds zware investeringen nog bijkomende lasten te leggen, wordt een nog zwaardere hypotheek gelegd op een kwalitatief openbaar domein. Een kwalitatief openbaar domein dat niet alleen leidt tot een vlottere en/of veiligere bereikbaarheid en een betere leefbaarheid maar ook tot een aangenamer winkelklimaat.

    De uitvoeringstermijn van werken brengt dikwijls noodzakelijkerwijze mee dat de belemmering of hinder langere tijd aanhoudt. Dit kan onder meer het gevolg zijn van

    — de aard van de werken;

    — werfonderbrekingen ten gevolge van feiten van de aannemer (bijvoorbeeld faillissement, is geen unicum omdat de gemeente steeds op de goedkoopste offerte moet ingaan);

    — ten gevolge van derden (bijvoorbeeld nutsbedrijven die zich niet gedisciplineerd inschrijven in de voorziene vlotte opeenvolging van de verschillende vereiste werkzaamheden);

    — ten gevolge van overmacht of weersomstandigheden.

    Op vele facetten heeft het gemeentebestuur slechts een beperkte invloed, waardoor ze met de voorgestelde vergoedingsregeling financieel gestraft wordt voor zaken buiten haar wil of mogelijkheden.

    Bovendien brengt de voorgestelde regeling bijkomende administratieve taken met zich mee voor de gemeenten. De veelal reeds krap bemeten personeelsbezetting komt zo nog meer onder druk te staan.

    Met andere woorden, de voorgestelde financieringspiste sluit niet aan bij de financiële en administratieve mogelijkheden van steden en gemeenten. Daarom wil VVSG een andere piste voorstellen (zie : Financiële tussenkomst bij « objectieve extra hinder » voor ondernemers).

    Een belangrijk deel van de oplossing moet ook gezocht worden in bijkomende maatregelen om hinder bij werken tot een minimum te beperken. Hiertoe werden en worden reeds verschillende initiatieven genomen :

    — de « Code voor infrastructuur- en nutswerken langs gemeentewegen » (ondertekend door 182 gemeenten en 44 intercommunales en andere nutsbedrijven) legt de nadruk op informatie en coördinatie. Op de voorziene coördinatievergaderingen wordt de vlotte vordering en opeenvolging van de werken nagestreefd. De aangelanden van de werken worden ingelicht over de omvang en de duur van de werken. Er wordt een aanspreekpersoon aangeduid. Voetgangers moeten steeds toegang hebben tot woningen en handelspanden. Inritten of doorgangen naar garages zullen, tenzij technisch niet mogelijk, maximum 48 uur worden onderbroken. Er wordt een sperperiode ingesteld waarbij in een periode van twee jaar na de werkzaamheden geen nieuwe werken kunnen plaatsvinden. Ook het Vlaams Gewest heeft recent dergelijke Code opgesteld (met een sperperiode van drie jaar);

    — naar aanleiding van het tot stand komen van de gewestelijke Code wordt een werkgroep opgericht waaraan UNIZO, het Vlaams Gewest en VVSG deelnemen, met het oog op het ontwikkelen van bijkomende maatregelen om de hinder tot een minimum te beperken of om bestaande maatregelen te verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld de communicatie en het overleg met de handelaars verder uitgewerkt worden;

    — in het zog van deze codes worden digitale instrumenten ontwikkeld om de coördinatie van de verschillende werkzaamheden te verbeteren;

    — de VVSG pleit ervoor dat de verschillende procedures die bij gecombineerde werken (bijvoorbeeld wegenwerken, rioleringswerken, grondverzet, ...) samenkomen in de lokale praktijk, soepeler op elkaar kunnen afgestemd worden. Dit om een betere gecoördineerde timing mogelijk te maken.

    De voorliggende wetsvoorstellen vertrekken sterk vanuit de autobereikbaarheid. Ook de bereikbaarheid met andere vervoermiddelen verdient aandacht en kan soms voor een deel tegemoetkomen aan de tijdelijke bereikbaarheidsproblemen voor wagens.

    Financiële tussenkomst bij « objectieve extra hinder » voor ondernemers

    De lokale besturen willen ten aanzien van « objectieve extra hinder » die toch nog zou opduiken ondanks de toepassing van de « Code goede praktijken » bij diverse infrastructuur- en nutswerken haar verantwoordelijkheid billijk samen met de andere overheden opnemen.

    De voorstellen zoals ze nu uitgewerkt worden door de heer Caluwé en de heer Dedecker dienen hiervoor verder verfijnd te worden.

    De Vlaamse lokale besturen willen samen met het Vlaamse Gewest, de federale overheid en de vertegenwoordigers van de ondernemerswereld een oplossing uitwerken.

    Hierbij wordt gedacht aan een tweesporenaanpak :

    1. — uitbetalen van een maandelijks bedrag vitaal levensminimum door de gemeente en de federale overheid na twee maanden hinder aan de getroffen ondernemers;

    — uitwerken van tijdelijke opschorting van betaling van RSZ voor een bepaalde periode tijdens en na de werken;

    2. een vrijstelling door de federale overheid van de BTW-verplichtingen voor lokale overheden voor opdrachten waar aan ondernemers minstens twee maanden leefloon moet uitbetaald worden wegens hinder bij werken.

    Deze aanpak zou voorzien kunnen worden voor werken van meer dan 22 000 euro met een « objectieve extra hinder » van meer dan twee maanden.

    Er is geen sprake van objectieve extra hinder bij hinder waarvan de oorzaak te vinden is in :

    • Onvoorziene omstandigheden met gerichte communicatie rond extra duurtijd van de werken

    • Failllissement van de aannemer der werken

    • Onverwachte logistieke euvels die niet opgenomen konden worden in het lastenboek bij de aanbesteding

    • Stillegging van de werken door de veiligheidscoördinator van de werken wegens onvoorziene omstandigheden

    3. Uiteenzetting door mevrouw Christine Mattheeuws, voorzitter van het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen

    I. ANALYSE VAN DE HINDER DIE BEDRIJVEN ONDERVINDEN

    1. Inleiding

    Vele zelfstandige ondernemers en vooral handelaars in winkelstraten ondervinden veel ellende bij openbare werken die lange tijd duren. De klanten vinden niet meer de weg naar de zaak en blijven weg, de leveranciers geraken niet ter plaatse, de omzetten dalen, ...

    Het is één van de oorzaken waarom zelfstandigen vaak (tijdelijk) financiële problemen hebben of zelfs definitief hun zaak moeten sluiten.

    2. Zelfstandigen verliezen hun klanten en hebben problemen met leveranciers

    Voor de burger die moeite heeft om zijn eigen woning te bereiken of zijn wagen op 500 meter moet achterlaten, zijn de problemen alleen van praktische aard.

    Ondernemers daarentegen worden letterlijk hun broodwinning ontnomen : klanten kiezen ervoor om zich op andere plaatsen in een meer bereikbare en meer aangename buurt te bevoorraden. Hoe langer de werken duren, hoe moeilijker het wordt voor de zelfstandige ondernemer om zijn gewezen trouwe klanten opnieuw voor zich te winnen .Uit diverse dossiers van de juridische dienst van het NSZ blijkt dat tussen 60 % à 75 % zelfstandigen te maken hebben met klantenverlies naar aanleiding van openbare werken. De helft van de zelfstandigen hebben ook problemen met leveranciers.

    Toegang voor het cliënteel en leveranciers wordt dikwijls verhinderd of ontraden ten gevolge van :

    — vernauwing van doorgangen en verkeersaders;

    — onderbreking van het verkeer;

    — omgespitte straten en voetpaden;

    — kuilen, stof, puin.

    3. Zelfstandigen verliezen hun broodwinning met soms dramatische gevolgen

    Het hoeft dan ook geen betoog dat wegeniswerken het omzetcijfer in belangrijke mate doen dalen (ongeveer 3 op 4 lijden een omzetverlies bij hinder bij openbare werken).

    Vaak kan een zelfstandige deze bijkomende problemen niet aan, zeker wanneer we weten dat het wetenschappelijk is aangetoond (1) dat één derde van de zelfstandigen onder de armoedegrens leeft (en dus minder dan 594 euro netto per maand verdient).

    Door de financiële problemen waarmee hij te kampen heeft naar aanleiding van openbare werken, is het niet uitzonderlijk dat dergelijke werkzaamheden leiden tot faillissement.

    4. Geen, onvoldoende of onjuiste informatie

    Geen, onvoldoende of onbegrijpelijke informatie voor de zelfstandige ondernemer ligt vaak mee aan de basis van de ellende. Voor een zelfstandige ondernemer is het vaak niet gemakkelijk om tijdig te weten wanneer de werken beginnen en hoelang ze zullen duren. Ook het niet nakomen van de afspraken in verband met de start van de werken en het gebrek aan informatie hieromtrent is een veelgehoorde klacht. Nochtans moet de handelaar soms lang op voorhand producten aankopen die vaak periode- of seizoensgebonden zijn (vb winterkledij/zomerkledij in een kledingszaak, kerstartikelen of paasartikelen in een decoratiezaak) waardoor hij in de problemen kan komen indien hij niet voldoende heeft aangekocht omdat hij dacht dat de werken al zouden gestart zijn of door te veel aan te kopen omdat hij dacht dat de werken al beëindigd zouden zijn.

    5. Geen overleg met de betrokken zelfstandigen

    Veel zelfstandigen klagen erover dat er geen overleg plaats grijpt voor de aanvang van de werken zodat zij ook niet kunnen meehelpen de minst hinderlijke oplossing te vinden.

    6. Gebrek aan coördinatie

    Indien de opdrachtgever van een bepaald werk beslist nieuwe leidingen te leggen dan zou, vooraleer de werken worden opgestart, niet alleen contact moeten genomen worden met de plaatselijke lokale overheid maar ook met verschillende nutsmaatschappijen om te zien of nog andere werken moeten worden uitgevoerd op korte termijn, en dit met als uiteindelijk doel de werken te groeperen.

    Daarnaast zou de lokale overheid op wiens grondgebied de openbare werken plaatsvinden best voorafgaandelijk contact opnemen met de omliggende lokale overheden teneinde de openbare werken zoveel mogelijk te coördineren en de hinder te verminderen.

    7. Nodeloos lang duren van de werken

    Voor heel wat zelfstandigen (ongeveer 70 %) is er op z'n minst de perceptie dat de werken langer duren dan nodig. Men kan stellen dat grote openbare werken vaak gemiddeld bijna een jaar duren. Nog al te vaak hebben werkzaamheden plaats in een bepaalde straat en worden deze gevolgd door andere werkzaamheden in dezelfde straat, een eind verderop, waardoor men van de ene miserie in de andere valt.

    8. Personeel moet bij langdurige werken met tijdelijke werkloosheid worden gestuurd

    Ondernemers met personeel dienen hun arbeiders vaak op tijdelijke werkloosheid te plaatsen. Voor de bedienden bestaat deze mogelijkheid niet waardoor dit soms leidt tot afdankingen of een aanzienlijke kost waar geen return tegenover staat.

    II. WETTELIJKE BEPALINGEN WAAROP DE ZELFSTANDIGEN ZICH KUNNEN BASEREN BIJ HINDER DOOR OPENBARE WERKEN

    De juridische dienst van het NSZ wordt heel vaak geraadpleegd door de zelfstandigen met betrekking tot de juridische mogelijkheden bij hinder door openbare werken. Ook al bestaan er enkele juridische instrumenten (zie infra) toch geven deze niet genoeg voldoening, zijn vaak langdurig en kostelijk voor de zelfstandigen die reeds financieel getroffen zijn.

    1. Schadevergoeding

    Indien de zelfstandige materiële schade ondervindt door de openbare werken, dan kan hij op basis van het Burgerlijk Wetboek via gerechtelijke weg een schadevergoeding bekomen.

    Enerzijds kan de zelfstandige ondernemer van de bouwheer, de aannemer, de architect of al diegene die door hun fout schade berokkenen, schadevergoeding bekomen en dit op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. De betrokkene moet dan wel de fout, schade en het oorzakelijk verband tussen fout en schade kunnen bewijzen. Indien de voorwaarden van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zijn vervuld en indien de zelfstandige hiervan het bewijs kan leveren, heeft hij recht op de volledige vergoeding van de schade.

    Anderzijds kan de zelfstandige zich wenden tot de bouwheer wanneer deze zonder noodzakelijkerwijze een fout te hebben begaan overdreven burenhinder veroorzaakt. Alsdan heeft betrokken zelfstandige op basis van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek recht op een passende compensatie voor de overdreven hinder.

    Het nadeel is dat in beide gevallen een gerechtelijke procedure lang kan aanslepen, vrij kostelijk kan zijn (mede omwille van het feit dat men in deze zaken zich best laat bijstaan door een advocaat) en vooral de bewijslast moeilijk is.

    2. Vrijstelling sociale zekerheidsbijdragen

    Elke zelfstandige in hoofdberoep kan, wanneer hij zich in een staat van behoefte bevindt of in een toestand die de staat van behoefte benadert, volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de sociale bijdragen vragen. Wegens hinder door openbare werken kan men in dergelijke toestand terechtkomen.

    Een dergelijke aanvraag moet gebeuren via aangetekend schrijven gericht aan het sociaal verzekeringsfonds. Het fonds zal dan een formulier bezorgen aan de zelfstandige waarin deze laatste zijn financiële toestand dient toe te lichten en bewijsstukken dient toe te voegen.

    Op basis van deze stukken oordeelt de Commissie voor vrijstelling van bijdragen, opgericht bij het ministerie van Middenstand, over de aanvraag.

    De commissie kan voor één of meer kwartalen vrijstelling of vermindering verlenen van de bijdragen, verhogingen, beheerskosten, rappelkosten en gerechtskosten. Niet alleen de gevraagde bijdragen, maar ook de ondertussen vervallen bijdragen kunnen onderzocht worden, tot en met de vier toekomstige bijdragen.

    Een vrijgestelde bijdrage wordt gelijkgesteld met een betaalde bijdrage, doch niet voor de opening van een recht op pensioen.

    3. Tijdelijke werkloosheid arbeiders wegens economische redenen

    De uitvoering van de arbeidsovereenkomst van een werkman kan geschorst worden bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken. Wat economische oorzaken zijn is niet precies omschreven. Algemeen kan gesteld worden dat het om die redenen gaat waardoor het in de onderneming bestaande arbeidsritme onmogelijk kan gehandhaafd worden. Het gebrek aan werk mag niet het gevolg zijn van een gebrekkige organisatie of van het wanbeheer van de werkgever. In deze gevallen speelt de normale contractuele verantwoordelijkheid van de werkgever. Het is niet zo dat economische redenen zich uitsluitend kunnen voordoen in een periode van laagconjunctuur. Zowel bij hoogconjunctuur als bij laagconjunctuur kunnen economische redenen aanwezig zijn. De langdurige onbereikbaarheid van de onderneming kan beschouwd worden als een economische reden.

    Wel is het zo dat slechts binnen bepaalde grenzen en na het vervullen van bepaalde formaliteiten in geval van economische redenen de arbeidsovereenkomst kan worden geschorst of een regeling van gedeeltelijke arbeid kan worden ingevoerd.

    4. Sancties bij niet-betaling van de bijdragen met mogelijkheid van vermindering/verzaking van de sancties

    De daling van de omzet van de onderneming tengevolge van wegenwerken, kan leiden tot een financieel benarde situatie waardoor de zelfstandige de sociale zekerheidsbijdragen niet meer (tijdig) kan betalen.

    4.1. Bijdragen sociaal statuut der zelfstandigen

    De zelfstandige, die zich niet houdt aan zijn verplichting om bijdragen te betalen, wordt bedacht met een verhoging van 3 % per kwartaal op het niet-betaalde bijdragegedeelte (artikel 44, § 1, ARS); dit komt dus neer op een verhoging van 12 % op jaarbasis. Deze verhoging is verschuldigd zonder ingebrekestelling, zelfs indien betalingsfaciliteiten worden toegekend.

    Het RSVZ, en niet de fondsen, kan geheel of gedeeltelijk aan deze verhogingen verzaken (artikel 48 ARS) :

    — wanneer de schuldenaar zich kan beroepen op een geval van overmacht;

    — in behartigenswaardige gevallen.

    4.2. RSZ-bijdragen

    Wanneer de werkgever de kwartaalaangifte en bijlagen niet indient binnen de reglementaire termijn, wordt een forfaitaire vergoeding gevorderd. De RSZ mag echter afzien van de toepassing van deze sanctie, indien de werkgever overmacht bewijst waardoor hij niet aan zijn verplichtingen kon voldoen (artikel 55, § 1, 2e en 3e lid, van het Koninklijk besluit van 28 november 1969).

    Wanneer de werkgever de bijdragen niet betaalt binnen de gestelde termijnen, is hij een bijdrage opslag verschuldigd van 10 % van het bedrag dat niet werd betaald en een verwijlinterest gelijk aan 7 % per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze wettelijke termijn tot de dag van betaling. Het is de bedoeling van de eerste sanctie een regelmatige betaling van de bijdragen te verzekeren; de tweede sanctie beoogt een evenredigheid met de duur van de inbreuk.

    De RSZ kan van zijn vordering op bijdrageopslagen en verwijlinteresten afzien wanneer de werkgever overmacht bewijst. Onder overmacht wordt verstaan een niet te voorziene gebeurtenis, die vreemd is aan de persoon van de schuldenaar en onafhankelijk van zijn wil (artikel 55, § 1, van het Koninklijk besluit van 28 november 1969).

    Onder bepaalde voorwaarden kan de RSZ het bedrag van de opgelegde sancties verminderen :

    1) wanneer de werkgever het bewijs levert dat zijn bijdragen niet werden betaald binnen de wettelijke termijnen wegens uitzonderlijke omstandigheden, kan de RSZ de bijdrageopslagen met ten hoogste 50 % verminderen. Daarvoor moet de werkgever echter eerst alle betrokken bijdragen hebben betaald;

    2) onder dezelfde voorwaarden kan de RSZ de verwijlinteresten verminderen met ten hoogste 25 %. Krachtens een beslissing van de raad van beheer van de RSZ bedraagt de vermindering niet meer dan 20 % (artikel 53, § 2, van het Koninklijk besluit van 28 november 1969).

    Deze gedeeltelijke vrijstellingen kunnen volledig worden wanneer het beheerscomité van de RSZ eenparig een gemotiveerde beslissing neemt dat deze vermindering verantwoord is wegens dringende billijkheidsredenen of wegens dwingende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang.

    4.3. Exclusieve bevoegdheid

    De bevoegdheid tot kwijtschelding of vermindering van bijdrageopslagen, verwijlinteresten en vergoedingen komt enkel de instellingen (RSVZ en RSZ) toe. De rechtbank kan zich niet in hun plaats stellen. Dit houdt in dat de zelfstandige dus geen enkele garantie heeft dat hij deze kwijtschelding of vermindering bekomt, de RSVS/RSZ kunnen hiertoe nooit verplicht worden, ook niet via een procedure voor de rechtbank ! Hoogstens kan de zelfstandige via de rechtbank betalingsfaciliteiten bekomen.

    5. Uitverkoop

    Volgens de wet op de handelspraktijken van 14 juli 1991 kan men om negen redenen een uitverkoop organiseren. Eén van de redenen is een overmachtsituatie die de normale activiteit onmogelijk maakt (artikel 46, 8º). Bedoeld wordt dat bijvoorbeeld door de openbare werken de normale commerciële activiteit onmogelijk wordt gemaakt.

    Indien de zelfstandige een uitverkoop wil houden, dan dient hij via aangetekend schrijven het ministerie van Economische Zaken, dienst handelsreglementering, te verwittigen minstens 10 werkdagen voor de aanvang van de uitverkoop. In dit schrijven moet naast naam en adres van de handelszaak, de datum van begin van uitverkoop worden opgegeven en de reden waarom men tot uitverkoop wil overgaan. De reden in casu kan zijn de openbare werken die de toegang tot de winkel verhinderen. De opgegeven reden moet wel gerechtvaardigd worden bijvoorbeeld in casu door een attest van de gemeente of politie waarin bevestigd wordt dat er effectief openbare werken plaatsvinden.

    De uitverkoop die voldoet aan deze voorwaarden mag gedurende 5 maanden plaatsgrijpen.

    6. Vergoeding voor bijzondere schade bij de Raad van State

    Artikel 11 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State voorziet :

    « Als geen ander rechtscollege bevoegd is doet de afdeling administratie naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang, bij wege van arrest uitspraak over de eisen tot herstelvergoeding voor buitengewone, morele of materiële schade veroorzaakt door een administratieve overheid.

    De eis tot herstelvergoeding is niet ontvankelijk dan nadat de administratieve overheid een verzoekschrift om vergoeding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen of gedurende zestig dagen verzuimd heeft daarop te beschikken. »

    In de praktijk wordt dit artikel weinig toegepast omdat de procedure niet bij hoogdringendheid wordt gevoerd en dus verschillende jaren kan aanslepen. Ook is, gelet op de aard van de procedure, de tussenkomst van een advocaat doorgaans noodzakelijk.

    III. WETSVOORSTELLEN INZAKE VERGOEDING

    De ondernemers die te maken hebben met hinder door openbare werken willen in de eerste plaats een vergoeding voor de geleden schade.

    Reeds jaren pleit het NSZ ervoor dat in bepaalde gevallen van overmacht die de tijdelijke of definitieve stopzetting van de zelfstandige activiteit tot gevolg hebben zoals langdurige werken de zelfstandige een minimum vervanginkomen ontvangt zoals de werknemers.

    In die zin juichen we de voorliggende wetsvoorstellen hieromtrent toe.

    1. Bespreking wetsvoorstel betreffende de uitkering van een compensatievergoeding aan zelfstandigen voor hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein (van de heer Dedecker) stukken nrs. 3-386/1 en 2

    1.1. Verplichting tot verwittigen dat werken zullen plaatsvinden

    a) Tijdig verwittigen

    Het probleem bij openbare werken is vaak dat de zelfstandige in het ongewisse wordt gelaten omtrent de aanvang en de duur van de werken.

    Daarom vindt het NSZ het positief dat in het wetsvoorstel de verplichting wordt opgenomen om minstens één week op voorhand de zelfstandigen van de start van de werken op de hoogte te brengen.

    Volgens het NSZ is deze termijn echter te kort om de zelfstandige toe te laten om schadebeperkende handelingen te stellen (verwittiging klanten, organiseren van verkoop op andere plaats, aankondiging prijsverminderingen, zelf werken uitvoeren enz.).

    Het NSZ pleit daarom voor een langere termijn, bijvoorbeeld één maand.

    b) Wie moet de zelfstandige verwittigen ?

    Het NSZ steunt het amendement van de heer Ramoudt op het voorliggend wetsvoorstel (stuk nr. 3-386/2) dat voorziet dat de bouwheer/opdrachtgever verantwoordelijk is voor deze mededeling en dus niet de aannemer zoals het voorliggend wetsvoorstel van de heer Dedecker stelt. De aannemer is immers maar een uitvoeringsagent. Bovendien beschikt de opdrachtgever, vaak de overheid, ook over de mogelijkheid (via Kruispuntbank Ondernemingen, Kruispuntbank Sociale zekerheid, BTW-databanken) om de adressen van alle betrokken handelaars op te zoeken en deze aan te schrijven.

    Om bewijsproblemen te vermijden dient deze kennisgeving inderdaad te gebeuren via aangetekend schrijven, zoals het amendement van de heer Ramoudt op het voorliggend wetsvoorstel (stuk nr. 3-386/2) voorstelt. Het NSZ vindt het geen goed idee dat de kennisgeving op om het even welke manier kan gebeuren, zoals in het voorliggend wetsvoorstel kon worden afgeleid omdat er terzake niets voorzien is. Bovendien wenst het NSZ op te merken dat zelfs wanneer we meer en meer leven in een maatschappij die meer gebruik maakt van andere technieken, zoals mail en fax, niet elke zelfstandige een fax of e-mail heeft.

    1.2. Vergoeding

    a) Begunstigden

    Het wetsvoorstel spreekt over micro-ondernemingen. Niettegenstaande inderdaad het merendeel van onze ondernemingen micro-ondernemingen zijn, is deze definitie te beperkend. Een middelgrote (met meer dan 10 werknemers) handelszaak (bijvoorbeeld een groot tuincentrum, grote horecazaak, superette) leidt evenzeer schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Het is dan ook beter de Belgische KMO definitie (minder dan 50 werknemers) te hanteren.

    Het NSZ vindt het bovendien goed dat de rechtsvorm waarin de activiteit wordt uitgeoefend geen enkele rol speelt.

    Ook de vereiste in het wetsvoorstel dat de getroffen zelfstandige/ondernemer geen andere beroepsinkomens mag genieten, dient in vraag te worden gesteld. Een werknemer in loopbaanonderbreking die een zelfstandige activiteit opstart, een zelfstandige in bijberoep, een vennootschap met verschillende activiteiten vb. groothandel en restaurant waarbij slechts een activiteit door de werken wordt gehinderd, ondergaan schade die voor vergoeding in aanmerking komt.

    Ten slotte moet duidelijker in het wetsvoorstel worden weergegeven dat naast de opgesomde onweerlegbare vermoedens er nog andere vormen van hinder kunnen zijn die tot inkomensverlies leiden en dus recht geven op vergoeding. De drie voorbeelden in het wetsvoorstel zijn dan ook niet limitatief te begrijpen.

    b) Voorlopige vergoeding

    Positief is dat er voorzien wordt in een vergoeding die gegarandeerd wordt uitbetaald zonder dat een lange, gerechtelijke procedure noodzakelijk is.

    Meer bepaald betreft het een minimumvergoeding. Tot nu toe heeft de zelfstandige enkel de mogelijkheid de normale gerechtelijke procedure op te starten wanneer hij vergoeding wil bekomen maar dan stuit hij op de gekende bezwaren, namelijk dat het drievoudige bewijs moet geleverd worden van de foutieve handeling, de (aard en omvang van de) schade en het oorzakelijk verband tussen fout en schade. Het is juist om deze moeilijke bewijsvoering en de rechterlijke « willekeur » te vermijden dat huidig wetsvoorstel werd ingediend.

    Het bedrag wordt bepaald door de Koning op advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO. Het NSZ zou het wenselijk achten dat gewerkt wordt met inkomensschijven : de zelfstandige verklaart op erewoord dat zijn inkomsten zich binnen een bepaalde schijf bevinden en ontvangt de met deze schijf overeenstemmende voorlopige vergoeding. Op die manier bekomt men een basisvergoeding die reeds in verhouding staat tot het geleden inkomensverlies en kan ook vermeden worden dat, wanneer de definitieve vergoeding wordt berekend, de zelfstandige (te veel) moet terugbetalen. Dit laatste moet immers vermeden worden, bij de werknemers bestaat zoiets niet.

    c) Definitieve vergoeding

    In het wetsvoorstel is het niet duidelijk of een zelfstandige zich tevreden kan stellen met de minimumvergoeding zonder onderzoek van zijn fiscale situatie met het oog op het vaststellen van de (meestal hogere) definitieve vergoeding. Volgens het NSZ moet dit kunnen mits controle steeds mogelijk blijft + sancties bij misbruiken (naar analogie van de banenplannen waar de RSZ de « ten onrechte « ontvangen RSZ-bijdragevermindering kan terugvorderen).

    Indien de zelfstandige zich zou mogen beperken tot de voorlopige vergoeding, zou hij verzaken aan een eventuele hogere definitieve vergoeding maar zou hij het bedrag ook niet moeten terugbetalen (tenzij hij nooit recht zou hebben gehad op de voorlopige vergoeding)

    Berekening van de definitieve vergoeding :

    De vergoeding strekt ertoe om het geleden inkomensverlies te dekken.

    De berekeningswijze zoals voorgesteld, met name een vergelijking tussen referentie-inkomen (namelijk het gemiddelde van de beroepsinkomsten van de drie aan het jaar van de werken voorafgaande jaren) en het daadwerkelijk verdiende inkomen tijdens het jaar van de werkzaamheden, kan dus bijgetreden worden.

    De analogie met het model van de tijdelijke werkloosheid in het werknemersstelsel wegens economische redenen en waar een begrensd bruto-inkomen in aanmerking wordt genomen, leidt er echter toe dat uiteindelijk slechts een forfaitaire vergoeding zal kunnen ontvangen worden die dus nooit een volledige compensatie voor het geleden inkomensverlies kan inhouden.

    Dit houdt ook in dat voor bepaalde zelfstandigen het inkomensverlies quasi volledig zal gedekt worden terwijl voor andere zelfstandigen dit niet het geval zal zijn. Wij pleiten dan ook voor een berekening die geen rekening houdt met een begrensd bruto inkomen.

    Volgens de toelichting en de artikelsgewijze bespreking (artikel 11) zouden beginnende zelfstandigen bij gebrek aan vergelijkingsjaren een bedrag toegekend krijgen dat gelijk is aan het minimum in het stelsel van de werkloosheid voor de werknemers. In de tekst van het eigenlijke wetsvoorstel is deze regeling echter niet meer opgenomen.

    1.3. Procedure

    a) De procedure is formalistisch, duurt lang en bevat tevens een aantal hiaten

    De zelfstandige moet een attest aanvragen aan de gemeente en dit attest samen met de aanvraag overmaken aan zijn sociale verzekeringsfonds. Deze laatste maakt het dossier dan binnen de 3 werkdagen over aan de RSVZ die binnen de 5 werkdagen een beslissing moet nemen. Tegen een negatieve beslissing van de RSVZ kan beroep aangetekend worden bij de minister die uitspraak dient te doen binnen de 3 maanden.

    In het slechtste geval duurt de volledige procedure meer dan 3 maanden en heeft de zelfstandige nog steeds geen vergoeding ontvangen, noch enige garantie dat hij deze vergoeding zal ontvangen. De beslissing van de minister kan immers negatief zijn en hiertegen is geen enkel beroep voorzien.

    Wanneer de gemeente weigert een attest af te leveren waarin vermeld staat dat er werken worden uitgevoerd die hinderlijk zullen zijn, kan de zelfstandige beroep doen op een ambtenaar van de RSVZ die de toestand onderzoekt en kan bevestigen dat er wel degelijk hinder is voor de inrichting. Het wetsvoorstel voorziet niet op welke manier deze persoon dient gevat te worden (via verzoekschrift, via een aangetekend schrijven, ... ?) noch binnen welke termijn deze persoon een beslissing dient te nemen, of hiertegen beroep mogelijk is en wat er moet gebeuren wanneer deze persoon weigert het attest af te leveren. Als deze werkwijze behouden blijft, moet het wetsvoorstel deze punten verduidelijken.

    b) Voorstel NSZ tot vereenvoudiging van de procedure

    De procedure kan vereenvoudigd worden door toepassing van het amendement van de heer Ramoudt : in plaats van aan de aannemer wordt aan de opdrachtgever van de werken, vaak de overheid, de verplichting opgelegd om de zelfstandige hiervan op de hoogte te brengen en dit per aangetekend schrijven. In dit aangetekend schrijven kan de overheid onmiddellijk de duur en de omvang van de werken vermelden en attesteren dat er wel degelijk hinder zal zijn die recht geeft op een vergoeding.

    Dit document kan dan door de zelfstandige overgemaakt worden aan de RSVZ die onmiddellijk de vergoeding uitkeert. Het RSVZ beschikt over alle controlemogelijkheden om na te gaan of hetgeen vermeld werd in het attest wel met de werkelijkheid overeenstemt en kan desgevallend via een specifieke procedure terugbetaling vorderen van de vergoedingen die volgens haar onterecht zijn toegekend.

    De zelfstandige heeft ondertussen wel reeds zijn vergoeding ontvangen en kan eventueel enkel nog op een later tijdstip, desgevallend wanneer de werken reeds volledig achter de rug zijn en er terug een normaal inkomen aanwezig is, via een tegensprekelijke procedure gehouden worden om hetgeen hij onterecht zou ontvangen hebben, terug te betalen.

    Van zodra de zelfstandige het attest heeft overhandigd aan het RSVZ ontvangt hij niet alleen de voorlopige basisvergoeding, doch ook de vrijstelling van de betaling van sociale bijdragen. Ook hier behoudt de RSVZ alle controle en beroepsmogelijkheden om de in eerste instantie toegekende vrijstelling ongedaan te maken.

    De procedure voorziet ook in de verplichting om, eens de werken beëindigd zijn, opnieuw een attest aan te vragen bij de gemeente dat het einde van de werkzaamheden attesteert.

    Dit lijkt een overbodige formaliteit. Een eenvoudige verklaring van de zelfstandige naar het sociaal verzekeringsfonds/de RSVZ toe moet volstaan. De sanctie die in het wetsvoorstel voorzien is, is voldoende « afschrikwekkend » om de zelfstandige ertoe aan te zetten deze verklaring tijdig over te maken.

    1.4. Compensatiefonds

    Het wetsvoorstel voorziet dat het Compensatiefonds wordt gefinancierd door een percentage op elk factuurbedrag verschuldigd aan aannemers voor uitvoering van aannemingscontracten gesloten tussen eender welke bouwheer en eender welke aannemer voor eender welk werk op het openbaar domein van het rijk.

    Het NSZ kan instemmen met de wijze van berekening met name een percentage op elk factuurbedrag, doch het moet wel de bedoeling zijn dat de persoon die de werken heeft uitgevoerd, met name de zelfstandige aannemer, het volledige factuurbedrag ontvangt.

    Het factuurbedrag is de basis waarop het percentage wordt toegepast, doch de bijdrage van het Compensatiefonds mag nooit in mindering komen op het bedrag dat wordt uitgekeerd aan de uitvoerder van de werken.

    Het wetsvoorstel voorziet dat particulieren of privaatrechtelijke rechtspersonen die werken uitvoeren of laten uitvoeren die eventueel hinderlijk kunnen zijn, geen vergoeding dienen te betalen aan het Compensatiefonds. Het NSZ is hiermee akkoord maar vindt dan ook dat deze werken dan ook niet voor vergoeding via het Compensatiefonds in aanmerking kunnen komen. Het NSZ vreest immers dat anders het Compensatiefonds zal overstelpt worden met allerlei « kleine » aanvragen ten nadele van grote « gevallen ».

    Wat deze werken betreft — in omvang en aantal vrij beperkt — moet volgens het NSZ de klassieke procedure op basis van artikelen 1382 of 544 van het Burgerlijk Wetboek gevolgd worden.

    Wel stelt het NSZ voor dat ten aanzien van deze werken van particulieren of privaatrechtelijke rechtspersonen op gemeentelijk vlak, bijvoorbeeld door een spreiding of concentratie van verleende bouwvergunningen, maatregelen moeten getroffen worden om de hinder tot een minimum te beperken.

    1.5. Controle en sancties

    Het wetsvoorstel strekt ertoe om een regeling tot stand te brengen die het reële door de zelfstandige geleden inkomensverlies vergoedt. Niets meer, maar ook niets minder.

    Vermits de vergoedingen afkomstig zijn uit een fonds is het belangrijk dat misbruiken worden tegen gegaan.

    Artikel 13 van het wetsvoorstel voorziet dat de Koning, op advies van de Hoge Raad voor de zelfstandigen en de KMO, een controleregeling instelt waardoor kan worden toegezien op de correcte naleving van de bepalingen en ook de sancties bepaalt in geval van overtredingen of misbruik.

    Het NSZ vindt dat de Koning op advies de Hoge Raad van de Middenstand een lijst moet opmaken van mogelijke sancties alsmede de lijst van misbruiken die tot deze sancties kunnen aanleiding geven. Het betreft hier, volgens het NSZ, misbruiken zowel van de opdrachtgever, het RSVZ als de betrokken zelfstandigen.

    2. Bespreking wetsvoorstel betreffende de vergoeding bij hinder tengevolge van openbare werken (van de heer Caluwe) stuk nr. 3-280/1

    2.1. Inleiding

    Dit wetsvoorstel voorziet in een dagvergoeding vanaf de tweede maand indien door de werken de ruimtes bestemd voor de klanten niet of moeilijk bereikbaar zijn. De dagvergoeding wordt betaald door de opdrachtgevers. Het effectieve bedrag wordt bepaald in samenspraak met opdrachtgever (in de praktijk meestal de overheid), maar er is een geïndexeerde minimumdagvergoeding (27,66 euro, geïnspireerd op het bestaansminimum).

    Bovendien wordt voorzien in een procedure bij de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg indien de zelfstandige een hogere vergoeding wenst te bekomen.

    De zelfstandige ondernemer wordt op de hoogte gebracht via een gewone brief door de opdrachtgever van de mogelijkheid een dagvergoeding te vragen.

    2.2. Bespreking

    a) Onder het toepassingsgebied van dit wetsvoorstel vallen de KMO's zoals bepaald in de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap. Hierdoor komen alle ondernemingen tot 50 werknemers in aanmerking (wat beter is dan het wetsvoorstel van de heer Dedecker — zie supra).

    b) Het voorstel voorziet dat de vergoeding als compensatie voor het geleden verlies pas wordt uitgekeerd vanaf de eerste dag van de tweede maand van de werken die voor belemmering of hinder zorgen. Dit betekent dat voor werken die minder dan een maand duren er geen vergoeding wordt uitgekeerd.

    Deze regeling houdt in dat men het verlies, soms vrij aanzienlijke verlies, dat door een zelfstandige geleden wordt bij werkzaamheden die minder dan een maand duren, niet vergoedt.

    Een dergelijke forfaitaire vastgesteld periode van niet-vergoedbaarheid vinden we niet terug in de regeling van de werknemers bij tijdelijke of economische werkloosheid.

    Bovendien kan een dergelijke regeling de overheid aanzetten om de werken in de tijd te spreiden en zo per (onderdeel van een) werf telkens beneden de forfaitaire grens van 1 maand te blijven.

    c) De dagvergoeding is niet uniform.

    Het voorstel voorziet dat de vergoeding die wordt toegekend aan de zelfstandige bepaald wordt in gemeen overleg met de opdrachtgever. Dit opent de deur voor misbruiken.

    De opdrachtgever van de werken is hetzij een overheid (Staat, provincie, gemeente) hetzij een nutsbedrijf (Electrabel, Sibelgaz, ...).

    Er ontstaat per definitie een (financieel/economische) ongunstige machtsverhouding tussen de opdrachtgever-vergoedingsplichtige en de zelfstandige. Gelet op deze machtsverhouding is het risico reëel dat de vergoedingsplichtige steeds opteert voor de laagste vergoeding en dat de zelfstandige, teneinde een vergoeding te bekomen die het geleden inkomensverlies beter of volledig dekt, zal verplicht worden om een procedure op te starten.

    Dat deze procedure gevoerd wordt vergelijkbaar met een procedure in kortgeding, maar dan zonder spoedeisend karakter ten aanzien van de voorzitter van de rechtbank, doet geen afbreuk aan het feit dat de procedure sowieso bijkomende kosten met zich meebrengt die de reeds financieel getroffen zelfstandigen niet meer kunnen dragen.

    Is de opdrachtgever de Staat, de provincie of de gemeente, dan moet ook nog rekening gehouden worden met het feit dat dwanguitvoering van het bekomen vonnis, bijvoorbeeld een beslag van domeingoederen, quasi onmogelijk is.

    De zelfstandige kan bijgevolg een vonnis bekomen dat de opdrachtgever veroordeelt tot betaling van een vergoeding, doch dit vonnis zal niet of zeer moeilijk kunnen uitgevoerd worden.

    In de hypothese dat de opdrachtgever toch welwillend is en bereid is de passende vergoeding toe te kennen, zal voorgestelde regeling de facto tot gevolg hebben dat niettegenstaande in één en dezelfde straat verschillende zelfstandigen gevestigd zijn, de ene zelfstandige meer ontvangt dan een andere, dit in functie van het onderhandelingstalent of het tijdstip waarop de onderhandelingen worden gevoerd.

    d) De opdrachtgever en niet de aannemer heeft de plicht om voor de start van de werken de ondernemers op de hoogte te brengen. Dit is voor het NSZ goed maar de voorkeur gaat uit naar een aangetekende brief voor deze mededeling en niet naar een gewone brief zoals in het wetsvoorstel wordt gesuggereerd (zie ook supra III, 1, 1.1, b)).

    3. Besluit

    Om al deze redenen gaat de voorkeur naar het voorstel Dedecker mits rekening wordt gehouden met voornoemde punten.

    Een Compensatiefonds biedt immers voordelen :

    — de procedure verloopt éénvormig voor alle zelfstandigen : er is slechts één aanspreekpunt, er zijn geen individuele onderhandelingen noodzakelijk;

    — er is meer zekerheid van betaling zonder dat een procedure noodzakelijk is. Het NSZ meent dat normaliter de definitieve vergoeding voor de betrokken zelfstandige zal volstaan en dat deze wellicht geen procedure zal instellen om een hogere vergoeding te bekomen;

    — de financiering van het Compensatiefonds en bijgevolg van de toekenning van de vergoeding tot compensatie van het inkomensverlies is gegarandeerd en er dient niet te worden onderhandeld met verschillende opdrachtgevers en de vergoeding van de zelfstandige is ook niet afhankelijk van de meest welwillende of solvabele opdrachtgever.

    IV. ANDERE MAATREGELEN DIE ZICH OPDRINGEN

    1. Een goed communicatiebeleid

    Een goed communicatiebeleid is noodzakelijk en dit zowel voor de start van de werken als tijdens de hele duur van de werken.

    Geen, onvoldoende en onjuiste informatie zet veel kwaad bloed bij de zelfstandigen daarom is het noodzakelijk dat er op plaatselijk vlak een goede informatieoverdracht gebeurt naar de zelfstandigen.

    Bovendien is een goed coördinatiebeleid tussen de verschillende werkzaamheden en tussen de verschillende aannemers noodzakelijk.

    Enkele middelen kunnen hierbij helpen :

    a) Een goed werkende website die verplichtend zou moeten worden gebruikt door elke overheid die werken plant zou een nuttige rol kunnen spelen bij de informatie over welke werken plaatshebben in een bepaalde gemeente. Voorwaarde is wel dat deze regelmatig wordt geüpdatet. Momenteel bestaat zo'n proefsite (www.woc.be) maar het NSZ vraagt dat dit op grote schaal navolging krijgt en verplichtend wordt gebruikt door elke gemeente.

    b) Een adviseur

    Een bereikbaarheidsadviseur kan een middel zijn om de doelstelling van informatie en communicatie tussen de uitvoerders van de werken en de ondernemers te bewerkstelligen.

    Door tal van informatievergaderingen, briefwisseling, brochures kan de ondernemer op te hoogte worden gebracht van elke (voorziene) fase van de werken. Het proefproject dat terzake loopt in Limburg verdient dus ook uitbreiding.

    2. Werkelijke inspraak van de betrokken partijen

    De verschillende uitvoerende overheidsaannemers en de zelfstandige ondernemers zouden samen voorafgaandelijk aan tafel moeten zitten.

    Onderling overleg met de betrokken ondernemers is noodzakelijk om hen toe te laten hun grieven en suggesties bekend te maken. Een planning die opgesteld wordt door alle betrokken partijen is meer dan wenselijk.

    Bovendien zou een ombudsman per project moeten worden aangesteld die als bemiddelaar optreedt voor al de problemen in verband met de (geplande) werkzaamheden waarmee de burger in het algemeen en de zelfstandigen in het bijzonder mee te maken heeft.

    3. Het nastreven van de minst hinderlijke oplossing

    Nog al te vaak worden straten volledig afgesloten terwijl soms de helft per keer volstaat. In de mate van het mogelijke moet de bereikbaarheid worden gegarandeerd en moeten, via goede verkeersborden en bewegwijzering, de nog te bereiken handelszaken gemakkelijk toegankelijk zijn.

    Nog vaak wordt er niet gewerkt tijdens de weekend maar blijft wel alles afgesloten. De aanstelling van een coördinatie-ambtenaar is wenselijk.

    4. Eén code die bij om het even welk openbaar werkmoet onderschreven worden

    Een veel gehoorde klacht bij het NSZ is het feit dat er de straat te pas en te onpas wordt opengebroken of dat er geen coördinatie is tussen verschillende werkzaamheden in dezelfde regio waardoor men in de miserie blijft zitten. Het is geen alleenstaand geval dat de werken geblokkeerd zitten omwille van het feit dat de aannemer moet wachten op de nutsmaatschappijen.

    En dit ondanks er momenteel verschillende codes bestaan : voor nutsbedrijven die werken op gewestwegen,voor gemeentewegen, voor Aquafin die met een speciale code werkt. Maar er is geen coördinatie.

    We vragen niet de zoveelste code of intentieverklaring in te voeren maar een uniforme code voorop te stellen die zou moeten gebruikt en onderschreven worden telkenmale we te maken hebben met openbare werkzaamheden. In een dergelijke code zou blijk moeten gegeven worden van een voorafgaande studie, planning en opvolging van de werken

    5. Fiscale maatregelen zijn noodzakelijk

    Zo kan gedacht worden aan een vrijstelling van gemeentelijke/provinciale belastingen.

    6. Financiële maatregelen

    Tot 15 november 2003 bestond er in het kader van de economische expansiesteun een mogelijkheid om steun te krijgen bij verstoorde bereikbaarheid ten gevolge van hinder door openbare werken. Deze wet voorzag een uitbreiding van de toegangsfaciliteiten tot het krediet ten gunste van kleine handelaars die hun zakencijfer drastisch zagen verminderen met minstens 25 % (voor werken van min. 3 maanden) door werken van algemeen nut.

    Door het nieuwe systeem van de groeipremie sinds 15 november 2003 is deze mogelijkheid van steun afgeschaft. Op zich geen groot verlies aangezien deze mogelijkheid weinig werd ingeroepen vermits ze de handelaar niet schadeloos stelde, maar hem een steun gaf voor investeringen en gezien de moeilijke positie waarin de ondernemer zich dan bevindt is investeren alsdan geen evidentie.

    Iets vergelijkbaar namelijk een renteloze lening die kadert in het economisch ondersteuningsbeleid (decreet van 31 december 2003) zou daarentegen wel wenselijk zijn.

    7. Invoering van het systeem van economische werkloosheid van bedienden

    De regeling die in het arbeidsrecht bestaat voor arbeiders, moet uitgebreid worden naar de bedienden, werkzaam in de onderneming.

    4. Uiteenzetting van de heer Tom De Schutter, hoofd van de dienst Mobiliteit van de Union des villes et communes de Wallonie

    Wegenwerken vormen een belangrijk aspect van het dagelijks beheer van de gemeenten. In eerste instantie zijn zij krachtens artikel 135 van de nieuwe gemeentewet verantwoordelijk voor de veiligheid van het wegennet op hun grondgebied. Wegenwerken moeten in de eerste plaats zorgen voor de veiligheid van de weggebruikers. Daarnaast, en complementair daaraan, hebben die investeringen tot doel de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Dat is een voortdurend streven voor de gemeenten, aangezien het beantwoordt aan een uitgesproken verwachting van de burgers. Ten slotte vertegenwoordigen de wegenwerken 12,5 % van de gemeentebegroting. Dat is een aanzienlijk deel als men weet dat de budgetten beperkt zijn.

    Ondanks die inspanningen hebben de Assises wallonnes de la voirie gewezen op een gebrek aan investeringen op dat gebied. Ondanks de Waalse subsidies in het kader van gesubsidieerde werken, volstaan die uitgaven niet om het hele Waalse gemeentelijk wegennet te onderhouden. Dat wegennet vormt bijna 90 % van het hele Waalse wegennet. Een van de besluiten van de Assises was ook dat de procedure voor de driejarenplannen te log is. De wegenwerken zijn in Wallonië dus te zwaar en te weinig talrijk.

    Met betrekking tot de toestand in Wallonië lijken de voorliggende voorstellen weinig doeltreffend om de vooropgestelde doelstellingen te halen.

    Beide voorstellen willen de zelfstandigen wier omzet gedaald is ten gevolge van wegenwerken, vergoeden. De vergoedingen of het Compensatiefonds zouden gespijsd worden door de gemeenten, die als bouwheer optreden.

    Het ziet ernaar uit dat de middelen die voor die vergoedingen moeten worden gereserveerd slechts heel gedeeltelijk de toestand van de zelfstandigen kunnen verbeteren, die weliswaar soms problematisch kan zijn, maar waarbij vaak geen rechtstreeks verband vast te stellen is tussen de geleden schade en de werkzaamheden.

    Voor de gemeenten zijn dergelijke vergoedingen niet verenigbaar met de uitvoering van werken die nodig zijn om de leefomgeving te verbeteren, wat uiteindelijk ook de zelfstandigen ten goede zal komen aangezien een aangenamere en beter aangepaste infrastructuur ook meer klanten zal lokken. Bovendien zal die vergoeding weinig invloed hebben op de duur van de werken, die in sommige gevallen en om uitzonderlijke redenen abnormaal lang kunnen duren en wel schade berokkenen aan de zelfstandigen. Er zij op gewezen dat de duur van de werken logischerwijze verlengd wordt wanneer elke concessiehouder op zijn net herstellingswerken moet uitvoeren. De coördinatie van werken verlengt de duur ervan, maar zorgt ervoor dat op eenzelfde plaats geen verschillende werkzaamheden na elkaar uitgevoerd moeten worden.

    Het valt sterk te vrezen dat als deze wetsvoorstellen aangenomen worden, er aanzienlijke vertraging zal optreden bij de werken, er minder investeringen gedaan zullen worden om de leefsituatie te verbeteren, en dat de toestand van de wegen en openbare ruimtes bijgevolg zal aftakelen. Dat zou in het bijzonder nefast zijn voor de kernen van de Waalse steden en gemeenten, waar belangrijke investeringen nodig zijn inzake veiligheid, ruimtelijke ordening en verbetering van de leefomgeving. Uiteindelijk zouden die voorstellen zich kunnen keren tegen de handelaars en andere zelfstandigen, aangezien het ontbreken van enige ruimtelijke ordening de aantrekkingskracht van de centra aantast.

    De Union des villes et communes de Wallonie beschouwt de openbare werken door de gemeenten als noodzakelijke overgangsstadia om de leefomgeving en de veiligheid te verbeteren. In dat opzicht is het essentieel dat het algemeen belang primeert aan de som van de individuele belangen, zeker als het om werken van korte duur gaat.

    Wij gaan ervan uit dat het gemeen recht inzake nabuurschap de bewoners niet in aan hun lot overlaat wanneer zij het slachtoffer zijn van te lange werken die het evenwicht verstoren tussen eigendomsrecht, bewonersrechten en het beheer van het openbaar domein. Handelaars en andere vrije beroepen kunnen zich voor de burgerlijke rechtbank beroepen op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek wegens burenoverlast ten gevolge van openbare werken, of op artikel 1382 wegens het berokkenen van schade bij quasi-delictuele aansprakelijkheid, of zij kunnen een beroep instellen bij de Raad van State wegens het ondervinden van uitzonderlijke schade.

    Om de doelstellingen van de twee wetsvoorstellen op een meer efficiënte manier te bereiken, moeten een aantal maatregelen eerst in aanmerking komen omdat ze de gemeentefinanciën niet bezwaren en de investeringsmogelijkheden niet aantasten.

    Zo pleit de Union ervoor een informatievergadering te houden voor het begin van de werken, op voorwaarde dat zij niet in een te strak keurslijf gedwongen wordt. Dat heeft zij trouwens opgenomen in een gedragscode « concessiehouders », die in 1999 is opgesteld in samenwerking met de gewestelijke overheid en die personen. In een dergelijke vergadering zou men samen met alle betrokkenen alternatieven kunnen uitwerken om mogelijke ongemakken te beperken, zoals bijvoorbeeld een vermindering van het aantal parkeerplaatsen. De wijzigingen in de procedure voor de gesubsidieerde werken die de Waalse regering thans bespreekt, gaan trouwens in die zin. Zij voorzien ook in het verbod, behalve in geval van overmacht, om op eenzelfde plek werken uit te voeren waar in de twee afgelopen jaren al werken zijn uitgevoerd. Dat is mogelijk dank zij een betere coördinatie tussen de concessiehouders.

    In sommige gevallen zou het gemeentebestuur ook een begeleidingscomité van de werken kunnen instellen, dat moet zorgen voor een beter overleg met de buurtbewoners en de andere betrokkenen, in het bijzonder voor werken van lange duur.

    De Union des villes et communes de Wallonie is dus van oordeel dat de twee wetsvoorstellen haaks staan op goed beheer van het gemeentevermogen en nadelig kunnen uitvallen voor de gemeentefinanciën, die al genoeg onder druk staan. Bovendien dreigt een vermindering van het aantal uitvoerbare werken zich uiteindelijk te keren tegen de burgers, zowel de bewoners als de handelaars. Ze is dus sterk gekant tegen beide wetsvoorstellen, des te meer daar er andere rechtsmiddelen bestaan in geval van overdreven hinder door wegwerkzaamheden.

    5. Uiteenzetting door de heer Pierre-François Rizzo, juridisch adviseur van de Union des classes moyennes (UCM)

    Context

    Zoals u weet, gaat het om een heel complex probleem. Het is immers moeilijk een vergoedingsregeling in het leven te roepen en te organiseren die naar aard en omvang uiteenlopende schade moet vergoeden.

    De inleidende tekst van elk van de wetsvoorstellen herinnert er — terecht — aan dat de geldende regels de handelaar wiens omzet aanzienlijk daalt als gevolg van wegwerkzaamheden voor zijn handelszaak, geen bevredigend antwoord bieden.

    De inleidende tekst van het voorstel Dedecker geeft een overzicht van de bestaande regels. Het lijkt ons nuttig op twee ervan terug te komen.

    a) De mogelijkheid voor de zelfstandige om een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de sociale bijdragen te vragen.

    Die mogelijkheid geldt alleen voor handelaars die zich in een financiële toestand bevinden die kan worden gelijkgesteld met een staat van behoefte. Het gaat met ander woorden hoofdzakelijk om handelaars waarvan de handelsactiviteit op een laag pitje staat wegens wegwerkzaamheden en die geen ander inkomen hebben (bijvoorbeeld inkomsten uit een beroepsactiviteit van de echtgenote of uit vastgoed).

    Kwartalen waarvoor vrijstelling is gegeven, geven geen recht op pensioen.

    b) De mogelijkheid om een vordering in te stellen tegen de bouwheer op grond van de theorie van de burenhinder.

    Wanneer de burenhinder door openbare werken wordt veroorzaakt, is de vordering meestal gebaseerd op het beginsel van gelijkheid ten opzichte van de ongemakken veroorzaakt door de overheid, wat impliceert dat de overheid zonder compensatie geen ongemakken mag opleggen die overschrijden wat een particulier in het algemeen belang dragen moet.

    De theorie van de burenhinder stoelt niet op de aanwezigheid van een fout en alleen voor de hinder die de gewone buurtschapsnadelen overschrijdt is een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd. Het gaat er dus alleen om het evenwicht dat tussen de burgers moet bestaan te herstellen en niet de hele door de werkzaamheden geleden schade te herstellen.

    De rechter beslist of het evenwicht verbroken is en, indien dat zo is, in hoever.

    Hiertoe maakt hij meestal een vergelijking tussen de nettowinst die tijdens de werkzaamheden is gemaakt en de gemiddelde jaarlijkse nettowinst van de twee of drie voorgaande jaren.

    Tegelijk moet de rechter natuurlijk bepalen of het vastgestelde economisch verlies aan de wegwerkzaamheden kan worden toegeschreven.

    Bij het ramen van de omvang van de schade kunnen heel wat factoren in aanmerking komen.

    De rechter kan bijvoorbeeld rekening houden met de eventuele meerwaarde die de handelszaak te beurt valt eens de werkzaamheden beëindigd zijn, indien de uitbater van de handelszaak een merkbaar, persoonlijk en specifiek voordeel haalt uit de gewijzigde omgeving.

    Bepaalde dossiers zijn complex en daarom wordt vaak een gerechtelijk deskundige aangewezen. Dat is een van de redenen van de hoge kostprijs en vooral van de traagheid van dergelijke procedures. Het gebeurt vaak dat het vonnis verscheidene jaren na het beëindigen van de werkzaamheden wordt uitgesproken.

    Uiteindelijk durven de meeste handelaars dergelijke procedure niet aan, omdat ze hiertoe belangrijke gerechts- en advocaatskosten moeten dragen, terwijl het resultaat ervan veraf en uiteraard onzeker is.

    Er is de mogelijkheid van een procedure in kort geding en de rechter te verzoeken een voorschot toe te kennen in mindering van de schuldvordering tegen de bouwheer en aldus vooruit te lopen op de beslissing van de feitenrechter.

    Om recht te doen aan het verzoek om een voorschot in kort geding, moet de eiser de onweerlegbaarheid aantonen van de schuld en van het recht waarop hij aanspraak maakt. Hij moet ook het spoedeisend karakter van de zaak verantwoorden.

    Technisch gezien verbiedt niets de vordering in kort geding van een voorschot op grond van de theorie van de burenhinder. We moeten evenwel vaststellen dat dergelijke zaken zich niet goed lenen tot dergelijke rechtspleging. Voor zover wij weten, wordt nauwelijks gebruik gemaakt van een kort geding. Het is echter niet uitgesloten dat de rechtspraak ooit verandert.

    Optreden van de wetgever

    Aangezien de nu bestaande bepalingen in het algemeen onbevredigend zijn, is het natuurlijk wenselijk dat de wetgever optreedt.

    De UCM is de twee initiatieven die uw Commissie onderzoekt heel gunstig gezind.

    In afwachting van een meer diepgaande analyse, zullen we ons vandaag tot enkele opmerkingen beperken.

    Het doel van beide wetsvoorstellen

    Het voorstel Dedecker is bedoeld als « een sociale maatregel ten gunste van personen actief in de kleinhandel, waarvan het inkomen vaak bescheiden is en voor wie openbare werken een ernstige en problematische financiële weerslag hebben ».

    Daarvoor komt in aanmerking, « elke persoon die effectief bij de uitbating van de onderneming betrokken is, zelfstandige is en niet over een ander inkomen uit beroepsarbeid beschikt ».

    De inkomenscompensatievergoeding (waarvan het bedrag overeenkomt met de uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen) is dus een sociale maatregel die de meest kwetsbare personen wil helpen. Het is niet de bedoeling de opgelopen schade ten gevolge van wegenwerken te herstellen of ook maar te compenseren.

    Anderzijds bepaalt het wetsvoorstel-Caluwé dat « voor de hoogte van de vergoeding wordt gerefereerd aan het bestaansminimum. Het gaat om een forfaitaire vergoeding die met andere woorden onafhankelijk is van de grootte van de handelszaak of van een financieel cijfer, zoals omzet, of van de werkelijk geleden schade ».

    Die bepaling geldt voor de minimumdagvergoeding. Wat betreft de vergoeding die wordt afgesproken met de opdrachtgever, en die bij gebrek daaraan door de rechter kan worden vastgesteld door middel van een procesvorm zoals het kort geding, zijn de zaken heel wat minder duidelijk.

    Waarmee komt deze vergoeding overeen ? Met de compensatie die kan worden toegekend op grond van bepalingen inzake buurtschapsnadelen ? Of is het slechts een minimumcompensatie die wat verhoogd kan worden ?

    Wij moeten vaststellen dat de sociale dimensie in dit voorstel minder aanwezig lijkt. Enerzijds is het toepassingsgebied veel ruimer : het begrip KMO in de zin van de programmawet van 10 februari 1998 is veel ruimer dan de micro-onderneming in de zin van aanbeveling 96/280/EG van de Commissie van 3 avril 1996 (vervangen door een aanbeveling aan de Commissie van 6 mei 2003). Voorts is het hier niet vereist dat de zaak die hinder ondervindt van de werken de enige bron van inkomsten van de zelfstandige is.

    Hoe dan ook stellen wij vast dat beide wetsvoorstellen de zelfstandige de mogelijkheid laten om andere bestaande rechtsmiddelen te benutten (wij veronderstellen dat in het voorstel-Caluwé, de « algemene aansprakelijkheidsregels » de buurtschapsnadelen en de gelijkheid van de openbare lasten omvatten).

    De mogelijkheid om de verschillende rechtsmiddelen samen te voegen is natuurlijk onontbeerlijk. Beide voorstellen hebben een vrij sociaal doel : zorgen voor een vervangingsinkomen. Dat is fundamenteel verschillend van het vergoeden van commerciële schade.

    In sommige gevallen kan de verplichting om een hoge huur en de lonen van bedienden te blijven betalen (voor hen is immers geen tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen mogelijk) schade berokkenen die veel groter is dan het bedrag van de vergoedingen die beide wetsvoorstellen vaststellen.

    Minimumduur van de werken

    Het voorstel-Caluwé en het voorstel-Dedecker (rekening houdend met het amendement van de heer Ramoudt) bepalen dat de werken langer dan één maand moeten duren om recht te geven op een vergoeding.

    Die voorwaarde is noodzakelijk. Zonder een dergelijke beperking zou het aantal aanvragen veel te groot zijn en zou het administratieve beheer ervan kunnen ontsporen.

    Wanneer de werken langer dan een maand duren, zou het volgens ons echter aangewezen zijn om ook die eerste maand te vergoeden.

    Erkenning van de hinder die de toegang tot de handelszaak belemmert

    In het voorstel-Caluwé moet de zelfstandige de toestemming krijgen van de opdrachtgever. Bij gebrek daaraan kan hij een vordering in kort geding instellen bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. In het voorstel-Dedecker moet de zelfstandige een aanvraag indienen bij zijn Sociale Verzekeringskas waarbij hij een attest voegt dat werd uitgereikt door het college van burgemeester en schepenen  en waarin wordt bevestigd hoe lang de werken zullen duren en welke hinder zij zullen veroorzaken.

    Het attest moet uitgereikt zijn binnen 24 uur na de aanvraag, wat heel kort lijkt.

    Als het attest van het college niet bevestigt dat de werken die hinder veroorzaken effectief plaatsvinden, kan de zelfstandige eisen dat een ambtenaar van het RSVZ de toestand onderzoekt binnen vijf dagen nadat het RSVZ de aanvraag ontvangen heeft.

    Wij vragen ons af of de ambtenaren van het RSVZ een dergelijk onderzoek op zo'n korte tijd kunnen uitvoeren.

    Het is niet altijd even makkelijk te bepalen of werken al dan niet de toegang tot een handelszaak ernstig belemmeren.

    Voor sommige handelszaken komen de klanten noodzakelijkerwijze met de auto (bijvoorbeeld een restaurant buiten het stadscentrum of een winkel die omvangrijke waren verkoopt die gewoonlijk in de auto geladen worden). Voor andere komen de klanten gemakkelijker te voet.

    Handelszaken, of het nu kleinhandels, kappers, cafés of restaurants zijn, ondervinden dus niet allemaal dezelfde hinder van werken. De klanten reageren niet overal op dezelfde manier. Voor sommige kan het afsluiten van het verkeer in een nabijgelegen straat zware gevolgen hebben, voor andere zal dat veel minder het geval zijn.

    Het zal voor de ambtenaar van het RSVZ niet gemakkelijk zijn om rekening te houden met de bijzondere kenmerken van elke handelszaak. Valt het niet te vrezen dat hij in twijfelgevallen een negatieve beslissing zal nemen ?

    Inkomsten die in aanmerking moeten komen

    Om het bedrag te bepalen van de definitieve inkomenscompensatievergoeding, wil het voorstel Dedecker het gemiddeld beroepsinkomen uit de zelfstandige activiteit tijdens de periode van de werkzaamheden vergelijken met het gemiddelde beroepsinkomen over de drie voorgaande jaren.

    Overeenkomstig het wetsvoorstel zijn de beroepsinkomsten die in aanmerking worden genomen « de brutoberoepsinkomsten bepaald in artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ».

    Het adjectief « bruto » wordt normaal gebruikt voor de beroepsinkomsten vóór aftrek van de beroepskosten.

    Voor alle duidelijkheid kan men dus beter spreken van de « beroepsinkomsten » (dat wil zeggen de netto belastbare beroepsinkomsten).

    We herinneren eraan dat de rechtbanken in zaken van burenhinder steeds het netto belastbaar inkomen in aanmerking nemen. Tevens wijzen we erop dat het RSVZ het bruto-inkomen van de zelfstandigen niet kent.

    Referentieperiode om het normale inkomen van de zelfstandige activiteit te ramen

    Het voorstel-Dedecker neemt de laatste drie fiscale jaren in aanmerking. Als wij de tekst van het wetsvoorstel goed begrijpen, zal de zelfstandige automatisch het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van 1 233,54 euro ontvangen indien de zelfstandige arbeid minder dan drie (fiscale) jaren voor de werkzaamheden werd aangevat.

    Dat lijkt ons een logische oplossing. Voor de werkzaamheden kan de zelfstandige zware investeringen hebben gedaan, waardoor zijn nettowinst beperkt bleef. Om die reden komt het ons voor dat een vergelijkingsperiode van 3 jaar een goede keuze is.

    Indien we de tekst van het wetsvoorstel nog steeds goed hebben begrepen, dan is de voorlopige vergoeding meteen de definitieve vergoeding voor hen die voor de werkzaamheden hun zelfstandige activiteit niet gedurende drie fiscale jaren hebben uitgeoefend.

    Vrijstelling van sociale bijdragen

    Het voorstel-Dedecker stelt de zelfstandige vrij van de bijdrageplicht voor de hele periode waarin hij recht heeft op de inkomenscompensatievergoeding en het vermeldt daarbij dat die vrijstelling geen schorsing van enig recht met zich brengt.

    De sociale bijdrage van een zelfstandige wordt per kwartaal betaald. Eén werkdag als zelfstandige volstaat om een kwartaal bijdrageplichtig te zijn.

    Hoe de vrijstelling van bijdrageplicht toepassen wanneer de werkzaamheden slechts gedurende een gedeelte van het kwartaal plaatsvinden ? Is de werknemer voor het hele kwartaal vrijgesteld ? Of wordt de vrijstelling pro rata temporis berekend ? In dat laatste geval rijst er een probleem voor de pensioenberekening, aangezien de loopbaan van de zelfstandige eveneens in kwartalen wordt berekend.

    Informatieplicht

    Het voorstel-Caluwé legt die informatieplicht bij de bouwheer. Op het voorstel-Dedecker heeft de heer Ramoudt een amendement ingediend dat dezelfde richting uitgaat.

    Die oplossing verdient de voorkeur. We denken niet dat de aannemer de middelen heeft om dergelijke informatieplicht te vervullen.

    Het voorstel-Dedecker bepaalt dat de zelfstandige uiterlijk een week vóór de aanvang van de werkzaamheden verwittigd moet worden.

    Wij denken dat het feit dat de bouwheer die eis in acht neemt, niet betekent dat hij ervan is vrijgesteld de zelfstandigen zodra mogelijk te verwittigen van de nakende werken, ook al is de juiste aanvangsdatum ervan nog niet vastgelegd.

    De handelaar heeft natuurlijk aan zeven dagen niet genoeg om de vereiste maatregelen te treffen om de toekomstige schade te beperken.

    Financiering van de maatregelen

    Daarover hebben we geen definitief standpunt.

    De oprichting van een compensatiefonds dat gefinancierd wordt met een percentage van de bedragen die door de autoriteiten-bouwheren aan de aannemers worden betaald, lijkt de beste oplossing.

    Het nadeel is dat het opzetten van dergelijke regeling onvermijdelijk administratieve rompslomp met zich zal brengen.

    De bouwheer rechtstreeks dagvergoedingen doen uitbetalen, lijkt ons een oplossing die moeilijker haalbaar is.

    Dergelijke oplossing zou nochtans als voordeel hebben dat de bouwheer zijn verantwoordelijkheid helemaal niet kan ontlopen, zodat hij er belang bij heeft alle maatregelen te nemen om de duur van de werkzaamheden te beperken.

    Overigens blijkt het aangewezen om, naar aanleiding van de bespreking van deze wetsvoorstellen, ramingen te maken van de werkingskosten en de begrotingsposten om de voorgestelde regelingen te doen werken.

    CONCLUSIE

    De UCM meent dat de hoofdkwaliteit van de twee wetsvoorstellen erin bestaat dat ze een procedure voorstellen voor het toekennen van een vervangingsinkomen die voor de zelfstandige snel en goedkoop uitvalt.

    Om de procedure die uiteindelijk wordt gekozen efficiënt te doen werken, moet ze zo eenvoudig mogelijk zijn en moet ze voorzien in goed werkende controlestructuren.

    Wat het voorstel-Dedecker betreft zou het ideaal zijn dat wordt gezorgd voor een voorlopige vergoeding die in geen geval hoger mag zijn dan de definitief toegekende.

    Tot besluit herinneren we eraan dat preventieve maatregelen een essentiële rol spelen in de problematiek van de hinder veroorzaakt door werkzaamheden op de openbare weg. Het is bijvoorbeeld van het grootste belang dat de diverse bouwheren voor een optimale coördinatie van de verschillende werken in eenzelfde zone zorgen en erop toezien dat de aannemers de afgesproken termijnen in acht nemen.

    II. HOORZITTING VAN 31 MAART 2004

    Hoorzitting met de heer Philip Neyt, Chief Public Affairs Officer, en de heer Illya Van den Borre, Senior Public Affairs Manager, de heer Johan Luystermans, Advanced Exchange Service Director en Filip Corveleyn, Network Planning Manager van Belgacom, over het gebruik van het openbaar domein.

    Het breedbandbeleid geeft aanleiding tot het uitvoeren van grootschalige werken op het openbaar domein. Ter ondersteuning van een kritiek tegen het overdreven teruggrijpen naar financiële lasten in hoofde van de overheid, die het aannemen van nutswerken zwaar zou belasten, wenst Belgacom de volgende opmerkingen te maken.

    Het plan in verband met breedband vloeit voort uit een actieplan van de Europese Unie, genaamd « e-Europe 2005 », dat werd afgesproken in de EU-Top van Lissabon. De EU-ministerraad moet het beleid in uitvoering daarvan nog bepalen, maar de doelstelling staat vast, wat impliceert dat in 2005 alle administraties in Europa moeten beschikken over breedband. Concreet betekent dit dat in 2005 de helft van alle internetverbindingen op breedband moeten staan.

    Het ligt in de bedoeling van Belgacom om van België koploper te maken, zoals het dat nu ook reeds is voor de huidige spitstechnologiên qua communicatie.

    Het onderwijs kan bijdragen tot de digitalisering van de maatschappij, zoals dit blijkt uit een nota van de regering.

    België staat nu aan de top in Europa inzake breedbandtoegang en de prijs en kwaliteit van deze breedbandverbindingen. ADSL heeft echter een technische beperking : het ADSL-signaal verzwakt naarmate de afstand tussen de klant en de centrale groter wordt, waardoor de huidige 3 Mb zowat de max. snelheid is in de huidige structuur van het Belgacomnetwerk.

    Breedband zal een toegevoegde waarde bieden aan de burgers; bijvoorbeeld efficiënt thuiswerken (teleworking) of buiten het kantoor, muziek, video's of films downloaden en beluisteren/bekijken, foto's uitwisselen met familie en vrienden, de gesprekspartner zien bij telefoongesprekken (videofonie), supersnel en eenvoudig grote bestanden downloaden, (video)spelletjes met anderen spelen, vanop afstand toegang krijgen tot het thuisnetwerk, aan afstandsbewaking doen, ...

    Wat het bedrijfsleven betreft, biedt breedband de KMO's toegang tot een aantal toepassingen die al worden gebruikt door grote bedrijven. Dankzij de breedbandinfrastructuur zullen KMO's in de toekomst efficiënter kunnen werken en sneller groeien. Ze zullen meer en meer gebruik maken van toepassingen zoals : efficiënte elektronische verbinding met zakenpartners, delen van documenten en software delen met hun werknemers, uitbouwen van webgebaseerde callcenters voor hun klanten, eenvoudige, op het web gebaseerde videoconferentie-oplossingen in plaats van dure reizen, aanbieden van e-leren aan hun werknemers, creëren van geanimeerde websites en on-linecatalogi, aanbieden teleworkingoplossingen aan hun werknemers, met onder meer toegang tot KMO-databases, elektronisch aankopen (e-procurement), gebruik maken van elektronisch beheer van de bevoorradingsketen (e-supply chain management), ...

    Breedband zal op vergelijkbare manier ook de lokale overheid ten goede komen en zal bijkomende impulsen geven aan het (lokale) e-government en een efficiënte elektronische interactie met de burgers.

    Op economisch vlak zal deze hele beweging een grote impact hebben. Het Brooking Institute deed voor de USA een studie, waaruit bleek dat de weerslag enorm zou zijn. Getransponeerd op België zou de weerslag ongeveer 13 miljard euro bedragen.

    Het is in dat algemeen kader dat Belgacom het voorstel over de schadevergoeding voor zelfstandigen ingevolge werken op het openbaar domein benadert. De hiervoor geschetste omwenteling zal immers zeer belangrijke werken op het openbaar domein vergen.

    Heden ten dage bedraagt de afstand centrale/klant in België gemiddeld 3,6 km. Hoe verder de afstand, hoe zwakker het signaal verloopt via de koperen kabels. Nu is er een debiet mogelijk van 3 megabit/seconde. Door de voortdurende evolutie van computers en software zal de bestandgrootte steeds toenemen en zal de grotere transmissiesnelheid van telecommunicatienetwerken van cruciaal belang worden in de nabije toekomst. De zogenaamde breedbandnetwerken zullen toepassingen mogelijk maken die een positieve invloed hebben op de economie (snellere groei), de samenleving (interactiviteit en communicatie), het milieu (telewerken) en de lokale cultuur. De verdere ontwikkeling van breedband is uiterst belangrijk voor de concurrentiepositie van België als digitale samenleving en het aantrekken van buitenlandse investeerders.

    Met de verdere ontwikkeling van breedband komt Belgacom tegemoet aan de wens van de Europese en Belgische overheden om de digitale kennismaatschappij versneld uit te bouwen.

    Om de burgers toegang te verlenen tot deze breedbandnetwerken zal Belgacom een aantal bijkomende infrastructuurwerken op het openbaar domein moeten uitvoeren. Via sleufwerken wordt de glasvezelinfrastructuur dichter bij de klant gebracht. De burger wordt verbonden met het breedbandnetwerk via optische knooppunten die zich in kasten op de voetpaden zullen bevinden. Belgacom zal bij de werkzaamheden de hinder voor de omwonenden tot een strikt minimum beperken en haar werken maximaal coördineren met het lokaal bestuur en de andere nutsmaatschappijen. Door deze investeringen van Belgacom zullen de burgers weldra kunnen genieten van de allernieuwste telecommunicatie- technologieën.

    Vorig jaar en in de loop van dit jaar zullen er voor 1 500 km sleufwerken worden uitgevoerd en zullen een paar duizend optische knooppunten worden ingeplant. Volgend jaar zullen er dat 1 200 bijkomende km worden.

    Al deze werken worden nu al in overleg met de lokale besturen uitgevoerd. Het spreekt vanzelf dat deze werken niet al te zeer mogen worden belemmerd door bijkomende lasten. Belgacom investeert immers honderden miljoenen euro in breedband, en zo onrechtstreeks in de Belgische economie, en verwacht dan ook dat deze inspanning niet wordt belast. Ze verwacht integendeel steun van de overheid door een gelijke behandeling van alle telecom-operatoren en het creëren van een positief investeringsklimaat.

    Qua regulator kader valt op te merken dat de Europese richtlijn terzake nog niet is omgezet in Belgisch recht, wat ontegensprekelijk een handicap vormt voor Belgacom.

    In de huidige stand van zaken, betalen Belgacom-klanten een verdoken subsidie aan Telenet door een terminatiekost die 4x hoger ligt bij Telenet.

    Nu het algemeen kader is geschetst, is het nodig de financiële weerslag te bestuderen van het gebruik van het openbaar domein.

    Vele gemeenten zoeken manieren om de minderinkomsten door de liberalisering van de energiesector, te compenseren. Ze proberen dat ondermeer te doen door retributies voor het gebruik van het openbaar domein. Er werden in de afgelopen jaren verschillende initiatieven genomen, gaande van permanente heffingen, zoals in Peer, waar een reglement jaarlijks een heffing voorzag van 60 frank/lopende meter, tot punctuele heffingen, zoals in Gent, waar men tijdens de werken een « huur » betaalt voor het gebruik van het openbaar domein.

    Belgacom betaalt deze retributies niet en dit op grond van de telecomwet, maar het feit dat deze reglementen worden gestemd geeft duidelijk aan dat er een tendens bestaat om openbare werken te belasten. Vermits de wetgever soeverein is, zou het kunnen gebeuren dat de telecomwet wordt gewijzigd en dat Belgacom aldus in een spiraal van bijkomende kosten terechtkomt. Dit zou de op stapel staande investeringen een zware slag toebrengen. Belgacom dringt dan ook aan op duidelijk spelregels, die Belgacom veilig blijven stellen.

    Nu moet Belgacom steeds onderhandelen om de relatie met het lokaal bestuur niet te verstoren. In sommige gevallen kan de gouverneur soelaas bieden, door de gemeenteraadsbeslissing te schorsen of te vernietigen.

    Wat de werken van Belgacom zelf betreft, is er gewerkt aan het verhelpen van negatieve kritieken. Er waren projecten inzake : technische uitvoering — samenwerking met aannemers, toezicht op controle op de werven, communicatie, signalisatie en procedure oplevering.

    Belgacom staat aangeschreven als een goede uitvoerder van werken op het openbaar domein. Bovendien werd een code met het Vlaams gewest uitgewerkt. In 2001 werd door de VVSG en de Vlaamse nutsmaatschappijen een « Code voor Infrastructuur & Nutswerken langs gemeentewegen » opgesteld. In deze code werden afspraken gemaakt omtrent de informatieverstrekking tussen de nutsbedrijven en de gemeenten, tussen de nutsbedrijven onderling, naar de burger toe en over de coördinatie en planning van de werken.

    In 2001 besliste de Vlaamse Raad Nutsbedrijven om in een pilootproject een instrument voor werfopvolging uit te werken. Op 16 oktober 2001 werd er een VZW opgericht die instaat voor de ontwikkeling, financiering en exploitatie van het pilootproject, gerealiseerd via de hedendaagse technologie van het internet.

    Er werd een website ontwikkeld die is opgebouwd rond een centrale database met : algemene info rond geplande werven, werven in uitvoering of uitgevoerde werven; welke maatschappij, contactpersonen, werfreferentie, statusinformatie rond de werven; geplande en werkelijke start en einddata, de geometrie van de werven; in welke stra(a)t(en), welke kant van de straat op basis Teleatlas 1/10 000 raster en vectorkaart de interessegebieden van de nutsmaatschappijen; zones waar in de toekomst nog werken gepland worden en andere info : omleidingen, buurtfeesten, ...

    Het internet is een ideaal instrument voor de informatie-uitwisseling rond en de coördinatie van nutswerken. De WOC-toepassing geeft concrete invulling aan de doelstellingen vooropgesteld in de code.

    De stad Gent gebruikt de WOC-toepassing al meer dan een jaar als ondersteuning van het stedelijk coördinatiecomité. Ingevolge de beslissing van de Vlaamse regering betreffende de « Minder Hinder »-maatregelen in het kader van de werken aan de R1 rond Antwerpen (2004-2006), zal de WOC-toepassing gebruikt worden om de mobiliteit in en om Antwerpen te vrijwaren.

    Momenteel wordt de internet-gebruikersinterface van de WOC-toepassing — onder meer naar aanleiding van de R1-test — herschreven naar een performantere, meer platform-onafhankelijke technologie. Zo wordt het mogelijk dat de toepassing probleemloos draait in door firewalls beschermde omgevingen. Verder werd de analyse reeds afgerond voor een upgrade van de WOC-toepassing.

    Belgacom en de andere nutsmaatschappijen trachten momenteel de verschillende overheden (Federaal, Vlaams) en de VVSG te sensibiliseren rond WOC. Bedoeling is te onderzoeken of WOC een Vlaamse of Belgische standaard zou kunnen worden.


    (1) Studie « zelfstandige ondernemers in nood » van het Studiecentrum voor ondernemerschap, EHSAL-KU-Brussel 25 september 2003.