3-985/4

3-985/4

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

22 MAART 2005


Voorstel van resolutie betreffende het beleid inzake non-proliferatie en nucleaire ontwapening


TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING


De Senaat,

A. overwegende dat van 2 tot 27 mei 2005 een nieuwe toetsingsconferentie plaatsvindt in het kader van het non-proliferatieverdrag (NPT Review Conference);

B. overwegende dat tijdens de vorige toetsingsconferentie van 2000 het slotdocument bij consensus werd aanvaard en dat daarin een akkoord werd bereikt over de volgende praktische stappen :

1º het belang en de hoogdringendheid van ondertekeningen en ratificaties, zonder oponthoud of voorwaarden en volgens de grondwettelijke procedures, om een snelle inwerkingtreding van het alomvattend kernstopverdrag (Comprehensive Test Ban Treaty) te verwezenlijken;

2º een moratorium op kernproeven tot aan de inwerkingtreding van dat verdrag;

3º de noodzakelijkheid van onderhandelingen in de Ontwapeningsconferentie (Conference on Disarmament) voor een niet-discriminerend, multilateraal, internationaal en effectief verifieerbaar verdrag dat de productie verbiedt van splijtbaar materiaal voor kernwapens of andere nucleaire explosieve tuigen. Dat verdrag moet in overeenstemming zijn met de verklaring van de speciale coördinator in 1995 en het daarin vervatte mandaat en het moet zowel nucleaire ontwapening als nucleaire non-proliferatie in overweging nemen. Aan de Ontwapeningsconferentie wordt gevraagd om een werkprogramma op te stellen dat voorziet in de onmiddellijke aanvang van onderhandelingen en in de afronding daarvan binnen vijf jaar;

4º de noodzakelijkheid om binnen de Ontwapeningsconferentie een gepaste ondergeschikte structuur op te richten die zich moet bezig houden met nucleaire ontwapening. De Ontwapeningsconferentie wordt gevraagd om een werkprogramma op te stellen dat de onmiddellijke oprichting van een dergelijke structuur omvat;

5º de toepassing van het onomkeerbaarheidsprincipe op nucleaire ontwapening en ook op nucleaire en andere verbonden wapenbeheersings- en reductiemaatregelen;

6º de kernwapenstaten moeten ondubbelzinnig streven naar de volledige eliminatie van hun nucleaire arsenalen. Alle Verdragsluitende Staten zijn daartoe gehouden krachtens artikel VI van het non-proliferatieverdrag;

7º de snelle inwerkingtreding en volledige implementatie van het START II-verdrag (Strategic Arms Reduction Talks) en het zo snel mogelijk sluiten van het START III-verdrag. Het behoud en de versterking van het ABM-verdrag (Anti Ballistic Missile Treaty) als hoeksteen van strategische stabiliteit en als basis voor verdere reducties van strategische offensieve wapens, in overeenstemming met de verdragsbepalingen;

8º de voltooiing en implementatie van het trilateraal initiatief van de VS, de Russische Federatie en het IAEA (International Atomic Energy Agency);

9º alle kernwapenstaten moeten de volgende stappen zetten die leiden tot nucleaire ontwapening op een wijze die de internationale stabiliteit vergroot en gebaseerd op het principe van onverminderde veiligheid voor allen :

i. verdere inspanningen om hun kernwapenarsenalen unilateraal te verminderen;

ii. meer transparantie over hun kernwapencapaciteiten en de implementering van akkoorden met toepassing van artikel VI van het non-proliferatieverdrag en als een vrijwillige vertrouwenwekkende maatregel ter bevordering van nucleaire ontwapening;

iii. de verdere reductie van hun niet-strategische kernwapens, gebaseerd op unilaterale initiatieven die integraal deel uitmaken van het nucleaire wapenverminderings- en ontwapeningsproces;

iv. de uitvoering van de overeengekomen concrete maatregelen om de operationele status van kernwapensystemen verder te verlagen;

v. in een kleinere rol voor kernwapens voorzien om het risico te minimaliseren dat die wapens ooit zullen worden gebruikt en om hun totale eliminatie te vergemakkelijken;

vi. zo snel mogelijk alle kernwapenstaten betrekken bij de totale eliminatie van hun kernwapens;

10º splijtbaar materiaal dat is bestempeld als niet meer nodig voor militaire doeleinden, moet zo snel als praktisch mogelijk onder IAEA- of ander relevant internationaal toezicht geplaatst worden en voor vredelievende doeleinden opgeslagen worden, zodat het permanent buiten militaire programma's blijft;

11º de herbevestiging van het uiteindelijke doel van de inspanningen van staten in het ontwapeningsproces, met name de algemene en volledige ontwapening onder effectieve internationale controle;

12º regelmatige rapportering door alle Verdragsluitende Staten, binnen het raamwerk van het versterkte NPT-toetsingsproces, over de implementatie van artikel VI van het non-proliferatieverdrag en van paragraaf 4 (c) van de beslissing uit 1995 over « Principes en doelstellingen voor nucleaire non-proliferatie en ontwapening », met inachtneming van de Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof van 8 juli 1996;

13º de verdere ontwikkeling van verificatiecapaciteiten om zeker te zijn van de naleving van nucleaire ontwapeningsakkoorden voor een wereld zonder kernwapens;

C. overwegende dat de uitvoering van het non-proliferatieverdrag en van de op de toetsingsconferentie van 2000 afgesproken stappen geïntensifieerd moet worden;

D. overwegende dat het garanderen van het voortbestaan van het non-proliferatieverdrag en van een strikte naleving ervan noodzakelijk is voor de internationale vrede en veiligheid;

E. overwegende dat India, Pakistan en Israël het non-proliferatieverdrag niet ondertekend hebben en kernwapens hebben ontwikkeld; dat Noord-Korea uit het non-proliferatieverdrag is gestapt en kernwapens heeft ontwikkeld; dat Iran mogelijk kernwapens ontwikkelt en in elk geval in gebreke bleef bij zijn aangifte- en verificatieverplichtingen ten opzichte van het IAEA;

F. overwegende dat het netwerk van illegale handel in nucleaire materialen aan het licht kwam;

G. overwegende dat volgens de directeur-generaal van het IAEA, de heer El-Baradei, verdergaande maatregelen inzake non-proliferatie en nucleaire ontwapening nodig zijn om het non-proliferatieverdrag in stand te houden; dat hij daarbij enerzijds maatregelen voorstelt om verificatie en controle op de civiele kernenergie te versterken en illegale handel in nucleair materiaal te bestrijden, en anderzijds een stappenplan naar nucleaire ontwapening voorstelt; dat hij daarbij stelt : « We must abandon the unworkable notion that it is morally reprehensible for some countries to pursue weapons of mass destruction yet morally acceptable for others to rely on them for security — and indeed to continue to refine their capacities and postulate plans for their use »;

H. verwijzend naar artikel VI van het non-proliferatieverdrag dat luidt : « Elk van de partijen bij dit verdrag verbindt zich ertoe, te goeder trouw onderhandelingen te voeren omtrent doeltreffende maatregelen met betrekking tot spoedige beëindiging van de nucleaire bewapeningswedloop en tot nucleaire ontwapening en omtrent een verdrag inzake algemene en volledige ontwapening onder strenge en doeltreffende internationale controle. »;

I. verwijzend naar de Advisory Opinion van 8 juli 1996 waarin het Internationaal Gerechtshof stelt dat er een verplichting bestaat om te goeder trouw onderhandelingen te voeren en tot een einde te brengen welke leiden tot nucleaire ontwapening in al haar aspecten onder strenge en doeltreffende internationale controle;

J. verwijzend naar de resolutie van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 18 mei 2000 inzake nucleaire ontwapening en de houding van België op de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag;

K. overwegende dat het regeerakkoord als een van de krachtlijnen voor het NAVO-beleid vooropstelt : « de vermindering van het aantal kernwapens; de NAVO kan hiertoe bijdragen door geen kernwapens op te stellen in de nieuwe NAVO-lidstaten en door het kernwapenarsenaal verder af te bouwen in de huidige NAVO-landen; de regering zal binnen de NAVO pleiten voor meer transparantie over de nucleaire strategie »;

L. overwegende dat op de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag in 2005 slechts resultaten geboekt zullen worden als een coherent beleid voor non-proliferatie en nucleaire ontwapening gevoerd wordt in de diverse fora waar die thema's aan bod komen;

M. zijn verbondenheid aan het non-proliferatieverdrag bevestigend,

VRAAGT DE REGERING :

1. alle inspanningen te doen om het voortbestaan van het non-proliferatieverdrag te behouden en de naleving ervan in al haar aspecten te verzekeren;

2. ervoor te ijveren dat op de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag in 2005 een striktere ontwapeningsagenda wordt vastgesteld en concrete afspraken worden gemaakt voor de komende vijf jaar en na te streven dat op de Ontwapeningsconferentie een werkprogramma voor 2005 wordt goedgekeurd;

3. een beleidsplan voor nucleaire ontwapening en non-proliferatie op te stellen, met betrekking tot haar inspanningen in de diverse internationale fora;

4. erop toe te zien dat initiatieven voor non-proliferatie ook een duidelijke ontwapeningscomponent met onomkeerbaar karakter inhouden;

5. ervoor te zorgen dat binnen de NAVO, conform de afspraken op de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag van 2000, praktische stappen worden overwogen voor nucleaire ontwapening;

6. bij de NAVO initiatieven ter sprake te brengen in verband met :

6.1. de herziening van strategische doctrines inzake kernwapens;

6.2. de graduele terugtrekking van de Amerikaanse tactische kernwapens uit Europa met het oog op de naleving van artikel VI van het non-proliferatieverdrag en de vereiste diplomatieke maatregelen nemen om in de NAVO-Rusland-Raad onderhandelingen aan te vatten over de vermindering en de vernietiging van de Amerikaanse tactische kernwapens in Europa en de Russische tactische kernwapens en de beveiliging ervan, en wat dat betreft, de maatregelen te versterken die de transparantie en het vertrouwen tussen de NAVO en Rusland ten goede komen;

6.3. de toepassing van het onomkeerbaarheidsbeginsel inzake de niet-aanwezigheid van kernwapens in de nieuwe lidstaten van de NAVO;

6.4. stappen die moeten leiden tot een kernwapenvrije zone, bestaande uit alle niet-kernwapenstaten in Europa;

6.5. een verdergaande transparantie dan in de huidige praktijk;

7. binnen de EU :

7.1. het beleid ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens te ondersteunen en actief mee te ontwikkelen, onder meer door nucleaire ontwapening en de in Europa aanwezige massavernietigingswapens ter sprake te brengen, en in dit kader te ijveren voor de zo snel mogelijke uitvoering van de door resolutie 1540 van de UNO-Veiligheidsraad voorgestelde maatregelen inzake de handel in nucleair materiaal en mogelijke dragers van kernwapens zo snel mogelijk uit te voeren;

7.2. initiatieven te nemen om elke rol van kernwapens in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid uit te sluiten;

8. zowel tijdens de voorbereiding van de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag van 2005 als op de conferentie initiatieven te ondersteunen in verband met :

8.1. het zo snel mogelijk verlenen van de instemming door de parlementen voor het ratificeren en uitvoeren van het alomvattend kernstopverdrag (CTBT);

8.2. onderhandelingen voor een verdrag dat de verdere productie van splijtstof voor kernwapens verbiedt;

8.3. de herziening van strategische doctrines;

8.4. interim-maatregelen om het bij ongeluk afvuren van kernwapens te voorkomen;

8.5. verificatie, transparantie en vertrouwenwekkende maatregelen;

8.6. het instellen van kernwapenvrije zones;

8.7. het opnemen van de negatieve veiligheidsgaranties in een bindend juridisch instrument;

8.8. de bestrijding van de illegale handel in nucleair materiaal;

8.9. het versterken van de rol van het IAEA, bij het toezicht op en de vernietiging van de splijtstofvoorraden, het bespoedigen van de ondertekening en de ratificatie van het Aanvullend IAEA-protocol door alle Staten die toegetreden zijn tot het NPT, het uitwerken van een multinationaal systeem voor de productie, de verkoop en de opwerking van splijtstof voor strikt civiele toepassingen, en het voorstel te ondersteunen van de directeur van het IAEA om een moratorium van vijf jaar in te stellen voor de bouw van installaties om uranium te verrijken of om splijtstof op te werken;

8.10. het vaststellen van internationale controlemaatregelen voor de nucleaire installaties en het nucleair materiaal van de landen die een procedure hebben aangevat om uit het NPT te stappen;

9. in andere multilaterale organisaties initiatieven te ondersteunen en ook zelf te nemen die gericht zijn op non-proliferatie en nucleaire ontwapening, vooral bij de voorbereiding van de Belgische aanwezigheid in de Veiligheidsraad, opdat deze laatste knopen doorhakt wanneer het NPT geschonden wordt.