3-1074/3

3-1074/3

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

12 APRIL 2005


Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 53, § 6, en 54bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en tot invoeging in die wet van een artikel 54ter en een artikel 66bis


VERSLAG NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR MEVROUW TALHAOUI


I. INLEIDING

Dit verplicht bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-1515/1).

Het werd op 3 maart 2005 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met 95 tegen 15 bij 21 onthoudingen.

Het werd op 7 maart 2005 overgezonden aan de Senaat.

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 23 maart en 12 april 2005.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

Het voorliggende wetsontwerp is de verwezenlijking van één van de verbintenissen die genomen werden door de vorige regering, in het kader van protocol nummer 249, afgesloten met de representatieve vakverenigingen over de modernisering van het beleid inzake het personeel van de griffies en de parketten.

Eén van de luiken van dit akkoord gaat over de aanpassing van de taalexamens aan de functionele noden van de griffies.

De vakverenigingen vroegen inderdaad dat er adequatie zou zijn tussen het examen en de graad die de betrokken ambtenaar bekleedt of wenst te bekleden en dit via examens die op verschillende niveaus worden georganiseerd. Het stelsel dat voorgesteld wordt voor het personeel van de griffies en de parketten is geïnspireerd op het bestaande stelsel voor de leden van de magistratuur.

Het huidige stelsel daarentegen voorziet een identieke talenvereiste, namelijk de grondige kennis voor de griffiers en voor het administratieve personeel van de griffies.

Deze grondige kennis veroorzaakt inadequatie van de vereisten in de jurisdicties. De minister denkt hier aan de jurisdicties van Brussel, waar kennis van Frans en Nederlands wordt vereist.

Dit leidt tot een tekort aan kandidaten die voldoen aan de taalkundige voorwaarden om benoemd te worden. Dit tekort heeft tot gevolg dat de overheid moet overgaan tot het aanwerven van contractueel personeel, waardoor budgettaire meerkosten ontstaan, teneinde er voor te zorgen dat de voornoemde jurisdicties over de menselijke middelen beschikken die ze nodig hebben voor hun goede werking.

Dan stelt men vast dat er een ander fenomeen opduikt dat nadelig is voor de goede werking van het gerecht : het aangeworven contractueel personeel dat niet kan voldoen aan de taalkundige voorwaarden om benoemd te worden, wordt in de laagste baremaschaal geplaatst en wanneer dit personeel dan laureaat wordt van een wervingsexamen, zal het, indien het « statutair » wil worden, geen andere oplossing hebben dan te solliciteren voor een betrekking in een andere jurisdictie, waar geen talenkennis vereist is.

Dit belangrijk verloop van het contractueel personeel maakt dat de goede organisatie van de griffies van de tweetalige jurisdicties in het gedrang komt. Dit verloop is nefast, want de ervaring verdwijnt en de gerechtelijke verantwoordelijken zijn dan verplicht om alles weer vanaf nul te beginnen.

Het voorliggende wetsontwerp heeft dus alleen betrekking op het administratief personeel van de griffies en parketten; dit betekent dat voor de hoofdgriffiers, de griffiers en de adjunct-griffiers de grondige kennis van de andere taal behouden blijft.

In het kort : de griffiers, van eender welke graad, moeten verder een schriftelijke passieve en actieve kennis bewijzen en een mondelinge passieve en actieve kennis van de andere taal.

Wat betreft het examen voor de opstellers en de bedienden, wordt daarentegen het examen aangepast aan het « light » examen voor de dokters en licentiaten in de rechten, namelijk een passieve schriftelijke kennis en een passieve en actieve mondelinge kennis van de andere taal dan die welke het studiegetuigschrift bewijst.

Een andere vernieuwing voor het administratief personeel is dat de organisatie van het examen toevertrouwd wordt aan Selor, net zoals dat voorzien is voor de magistraten.

Die tekst die voorgelegd werd aan de Raad van State gaf geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen.

Tijdens de bespreking in de Kamer werden twee amendementen ingediend en goedgekeurd; het eerste was een initiatief van de regering en beoogt tegemoet te komen aan de bijzondere situatie van het arrondissement Eupen, waar het Duits de proceduretaal is. In de oorspronkelijke versie vereiste het ontwerp slecht een functionele kennis van het Duits, wat volkomen ontoereikend is. Het amendement voorziet dat de grondige kennis van het Duits een vereiste blijft voor de benoeming van alle administratieve ambtenaren.

Het tweede amendement is afkomstig van de leden van de commissie voor de Justitie; het voert een overgangsmaatregel in ten voordele van de personen die reeds houder zijn van een taalbrevet dat afgeleverd werd door Selor en stelt hen vrij van het opnieuw deelnemen aan een examen over hun taalkennis.

Met betrekking tot het bedrag van de taalpremie, stelt men vast dat het wetsontwerp geen enkel antwoord geeft inzake een eventuele valorisatie.

De minister staat gunstig tegenover een revalorisatie van de huidige premie. De magistraten ontvangen inderdaad een premie van 281,98 euro voor grondige kennis en 216,91 euro voor passieve kennis, terwijl het personeel van de griffies een premie van 24,79 euro ontvangt voor de griffiers en secretarissen en het administratief personeel 12,40 euro. Dit zijn bedragen per maand.

In het kader van de onderhandelingen met de vakverenigingen, heeft de minister een voorstel geformuleerd dat voorgelegd werd aan de vakverenigingen; de gesprekken zijn nog steeds bezig, maar deze revalorisatie zal zeer binnenkort gebeuren.

Dit wetsontwerp is belangrijk, want het maakt het de overheid mogelijk om haar verbintenissen na te komen en het zal andere mogelijkheden verschaffen aan de korpschefs, met name aan de Brusselse, zodat ze hun jurisdicties beter kunnen beheren, wat het natuurlijk mogelijk moet maken een kwalitatieve openbare dienstverlening te garanderen.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Willems wenst nadere toelichting over de cijfers met betrekking tot het aantal deelnemers aan het toegangsexamen en met betrekking tot de slaagpercentages hierbij.

Tevens wenst spreker te weten hoe het is gesteld met de personeelsinvulling te Brussel. Zijn er momenteel veel openstaande plaatsen ?

De minister antwoordt hier niet te beschikken over de cijfers met betrekking tot de magistratuur; inderdaad betreft voorliggend ontwerp enkel de aanpassing van de taalvoorwaarden opgelegd aan het personeel van de griffies. Spreekster kan alleen beamen dat de wettelijke aanpassingen met betrekking tot het taalgebruik op het vlak van de magistratuur niet zonder resultaat blijven.

De minister verwijst naar de cijfers met betrekking tot de bezetting van de griffies van de rechtbanken te Brussel; daaruit blijkt dat de personeelsformatie grotendeels bestaat uit contractuelen. Zo is de bezetting in de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel samengesteld uit 124 benoemden en 182 contractuelen. De griffie van de rechtbank van koophandel telt 32 personen die zijn benoemd en 67 contractuelen. De verhouding bij de griffie van de arbeidsrechtbank is 33 benoemden voor 39 contractuelen en bij de griffie van de politierechtbank 18 benoemden voor 31 contractuelen. Het groot en stijgend aantal contractuelen wijst op een gering slaagpercantage bij de taalexamens.

Mevrouw Nyssens vestigt de aandacht op het feit dat de taalproblemen zowel langs Nederlandstalige als langs Franstalige zijde bestaan. Vaak zijn er moeilijkheden tussen de magistraten en de griffies om elkaar te begrijpen. Dit geldt zowel voor Nederlandstaligen als voor Franstaligen.

De minister stipt aan dat er een onevenwicht bestaat; terwijl de magistraat niet meer in beide landstalen hoeft te zetelen, is de griffier nog steeds verplicht te zetelen in de beide talen.

Mevrouw Nyssens vraagt verduidelijking over het toepassingsgebied van voorliggend wetsontwerp. Beoogt dit het geheel van het griffiepersoneel ?

De minister antwoordt ontkennend. Het wetsontwerp heeft alleen betrekking op het administratief personeel van de griffies en parketten. Dit betekent dat voor de hoofdgriffiers, de griffiers en de adjunct-griffiers de grondige kennis van de andere taal behouden blijft.

Mevrouw Nyssens wenst ten slotte te weten wat de stand van zaken is met betrekking tot het akkoord dat werd gesloten over de barema's en weddeschalen voor niveau D. Wordt hier het nodige verder gevolg aan gegeven ?

De minister antwoordt dat dit akkoord nog moet worden voorgelegd voor administratieve en budgettaire controle. Achteraf zullen deze aanpassingen worden vastgesteld bij koninklijk besluit.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 1

Dit artikel wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Artikel 2

De heer Collas dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-1074/2, amendement nr. 1) dat ertoe strekt de aandacht te vestigen op de bijzondere taalsituatie in het gerechtelijk arrondissement Eupen, inzonderheid wat betreft de secretarissen en de personeelsleden van het secretariaat van het Parket van de procureur des Konings.

In het arrondissement Eupen moeten bijgevolg alle parketmagistraten, alle zittende magistraten van de gerechten, alsook alle griffiers en personeelsleden van de griffie kunnen bewijzen dat zij het Duits en het Frans machtig zijn.

De enigen die dat bewijs niet hoeven te leveren, zijn de secretarissen en personeelsleden van het secretariaat van het parket van Eupen, aangezien noch de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, noch de wet van 23 september 1985 betreffende het gebruik van het Duits in gerechtszaken en betreffende de rechterlijke organisatie bepalingen bevatten die op hen betrekking hebben.

De indiener stelt dan ook voor het voorgestelde artikel 2 te vervangen.

De heer Mahoux begrijpt niet waarom de heer Collas de grondige kennis van de andere taal wil verplichten voor alle personeelsleden van griffies en parketten. In feite komt dit dan neer op een status quo van de huidige toestand.

De heer Collas wijst op de zeer specifieke situatie van het arrondissement Eupen.

De heer Hugo Vandenberghe antwoordt dat niet enkel in het arrondissement Eupen een specifieke situatie bestaat. Hetzelfde geldt immers voor Brussel.

Het amendement wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 2 wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 3

Dit artikel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 4

De heer Collas dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-1074/2, amendement nr. 2) met dezelfde verantwoording als amendement nr. 1 op artikel 2, dat ertoe strekt aldus een uitzondering te voorzien voor het arrondissement Eupen.

Het amendement wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Artikel 4 wordt aangenomen met 7 tegen 2 stemmen.

Artikel 5

Artikel 5 wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 6

De heer Hugo Vandenberghe dient een amendement in (stuk Senaat, nr. 3-1074/2, amendement nr. 3) dat ertoe strekt artikel 6 aan te vullen met de woorden « ten laatste 6 maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad ».

Ook de heer Mahoux meent dat het beter zou zijn een uiterste datum in te stellen voor de inwerkingtreding.

Mevrouw de T' Serclaes kan zich hierbij aansluiten. Het is weinig democratisch de datum van de inwerkingtreding volledig te laten bepalen door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Wat is eigenlijk de objectieve en haalbare termijn die kan worden vooropgesteld voor de inwerkingtreding van voorliggend ontwerp ?

De minister antwoordt dat de inwerkingtreding is verbonden met het uitvoeringsbesluit dat het aangepaste taalexamen zal regelen. Druk uitoefenen door een termijn voor inwerkingtreding te voorzien, zou een verkeerd effect kunnen hebben op de aan de gang zijnde onderhandelingen met de griffies. De tekst van het koninklijk besluit wordt opgesteld door een werkgroep en zal worden gebaseerd op de tekst betreffende het taalexamen voor magistraten. Eind 2005 lijkt een haalbare datum. Het is geen oplossing een termijn te bepalen; indien het uitvoeringsbesluit niet klaar is, is de wet immers zonder gevolg.

Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 6 wordt aangenomen met 8 tegen 1 stem.

V. EINDSTEMMING

Het wetsontwerp in zijn geheel is aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Het verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Fauzaya TALHAOUI. Hugo VANDENBERGHE.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (zie stuk Kamer, nr. 51-1515/5)