3-104

3-104

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 24 MAART 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën, aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de werking van de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering (BMI)» (nr. 3-685)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - In de beleidsnota van 26 oktober laatstleden werd in het onderdeel over buitenlandse handel met geen woord gerept over de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering, de BMI. Nochtans vervult deze maatschappij een belangrijke rol op het vlak van exportondersteuning en buitenlandse handel - of zou ze dat toch moeten doen.

Uit het laatste jaarverslag van de BMI verneem ik dat `omwille van het uitblijven van een kapitaalsverhoging, BMI het Stop&Go-scenario van het businessplan heeft dienen aan te houden'. Verder lees ik ook dat `door het uitblijven van een kapitaalsverhoging de toestand van de eigen middelen van BMI blijven wegen op het aantal nieuwe investeringen'. In het jaarverslag wordt ook vermeld dat `BMI verder het beheer doet van de fondsen die haar in het verleden werden toevertrouwd, waaronder de dotaties van de Belgische Staat voor de voormalige Oostbloklanden en voor bepaalde landen in Azië. (...) Aangezien het aanwenden van deze fondsen een eigen tussenkomst van BMI vereist is het gebruik ervan noodgedwongen eerder beperkt gebleven'. De jaarrekeningen van de BMI vertonen reeds een tweetal jaren een deficit.

Uit dat alles kunnen we opmaken dat de BMI niet optimaal functioneert. Mogelijk heeft dat veel te maken met het gebrek aan voldoende financiële middelen. In de vorige legislatuur was reeds in een beleidsnota opgenomen dat de werking van de BMI doeltreffender moest worden. Ondertussen stellen we vast dat er sindsdien aan de opdracht zelf van de BMI niets is gewijzigd, en dat de BMI - althans volgens het jaarverslag - diverse investeringsprojecten die haar worden aangeboden, op professionele wijze blijft onderzoeken, maar onvoldoende dynamiek vertoont om een volwaardige rol te spelen in de ondersteuning van de buitenlandse handel van ons land.

Een tijdje geleden nam de BMI een participatie van 50% in de BIO, de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden, en werkte de maatschappij mee aan de totstandkoming van een Chinees-Belgisch investeringsfonds dat in de Volksrepubliek China zou worden opgericht.

Ik heb dan ook heel wat vragen over de werking van de BMI.

Waarin bestaat het Stop&Go-scenario van het businessplan precies?

Wordt een kapitaalverhoging van de BMI overwogen?

Hoe kadert de BMI in de beleidsplannen van de minister inzake buitenlandse handel?

Zijn er plannen om de BMI samen te voegen met andere overheidsinstellingen op het terrein van buitenlandse handel?

Hoe vaak en in welke landen is de BMI de afgelopen jaren participaties aangegaan? Wat is het aandeel van de KMO's daarin? Zijn die participaties of investeringen rendabel en succesvol?

Hoe worden de KMO's bereikt? Zijn er vandaag afzonderlijke projecten of fondsen gericht op KMO's?

Is de werking van de BMI voldoende aangepast aan de behoeften van KMO's die buitenlandse investeringen wensen te doen?

Wordt er nagedacht over het oprichten van een specifiek KMO-investeringsfonds naast de BMI? Daarover is trouwens met de leiding van de BMI al gesproken.

Wat is de exacte rol van de BMI in het beheer van fondsen die haar werden toevertrouwd door de Belgische Staat en de AWEX? Wie neemt daarin welk risico en hoe worden die fondsen/dotaties boekhoudkundig verwerkt?

Hoeveel participaties of andere vormen van steun werden door het Chinees-Belgisch investeringsfonds gegeven?

Hoe werd die participatie in het Chinees-Belgisch investeringsfonds gefinancierd en ten laste van welke begroting?

Zijn er plannen om ook een Indisch-Belgisch investeringsfonds op te richten?

Hoeveel participaties of andere vormen van steun werden verschaft door de NV BIO, waarin de BMI participeert? Wat zijn de resultaten daarvan?

Zijn de investeringen van de BMI in de BIO en het Chinees-Belgische investeringsfonds rendabel en leveren ze de verwachte resultaten op?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - In 2002 werd de BMI geconfronteerd met een probleem van financiële capaciteit voor de verdere ontwikkeling en de realisatie van de kernopdracht. Er werd een strategisch plan opgesteld. Dat was gebaseerd op drie scenario's.

Een van die scenario's is het Stop&Go-scenario. In dit scenario komt er geen verhoging van de eigen middelen en investeert de BMI met en op het ritme van de middelen die beschikbaar komen via de uitstap uit bestaande projecten. Dat resulteert onvermijdelijk in een onregelmatig investeringspatroon, afhankelijk van de beschikbare middelen. Eind 2004 werd een geactualiseerd businessplan 2004-2015 opgesteld. Hierin werd in een kapitaalsverhoging van 25 miljoen euro voorgesteld. Het werd aan de aandeelhouders voorgelegd, die het momenteel analyseren.

In de mate van het mogelijke neemt de BMI geregeld deel aan activiteiten georganiseerd in het kader van de Buitenlandse Handel. Het gaat om economische missies en andere evenementen, zoals seminaries en studiedagen. De bedoeling is Belgische bedrijven die geïnteresseerd kunnen zijn in de diensten van de BMI, te bereiken en bij te staan bij hun internationale inspanningen, meer bepaald bij hun buitenlandse investeringen.

Naar mijn weten zijn er momenteel geen concrete plannen voor een eventuele samenvoeging van de BMI, een naamloze vennootschap met een gemengd overheids-/privé-aandeelhouderschap, en met andere overheidsinstellingen.

De huidige portefeuille, inclusief nog niet gestorte bedragen en exclusief principegoedkeuring van dossiers, omvat investeringen in drieëndertig bedrijven in drieëntwintig landen. Het gaat in totaal om 30 miljoen euro. Ongeveer 33 procent van deze projecten zijn projecten met kleine en middelgrote ondernemingen.

De portefeuillespreiding per sector ziet er uit als volgt: de agrosector 33%, de voedingsector 18%, services en engineering 14%, services en engineering 14%, chemie- en verpakkingsindustrie 13%, metaalverwerkende sector 12%, bouw- en meubelsector 11%, medische-, farma- en biotechsector 9%. De portfoliospreiding per regio: Azië 44%, Centraal- en Oost-Europa 25%, West-Europa 13%, Noord- en Zuid Amerika 13% en Afrika 5%.

Aangezien de gemiddelde investeringstermijn van de BMI 5 à 10 jaar bedraagt, is het moeilijk nu al aan te geven of die participaties succesvol of rendabel zullen zijn.

Bij de meeste promotionele acties, zoals deelname en/of presentaties tijdens economische missies, seminaries, evenementen bij kamers van koophandel, bestaat het publiek meestal uit kleine en middelgrote ondernemingen, dus worden ze op die wijze bereikt. Binnen de BIO werd een apart ondersteuningsfonds opgericht dat achtergestelde leningen verschaft vanaf 45.000 euro tot 700.000 euro voor KMO-projecten in de ontwikkelingslanden.

De BMI gaat ervan uit dat de minimuminvestering per project niet onder de 500.000 euro kan zakken, daar bij kleinere projecten de analyse- en vervolgkosten niet kunnen worden gerecupereerd.

De BMI doet het beheer van een aantal fondsen, meer bepaald de dotaties van de Belgische Staat voor de voormalige Oostbloklanden en voor bepaalde landen in Azië en de twee fondsen van de AWEX voor de landen uit Midden- en Oost-Europa, enerzijds, en voor de ontwikkelingslanden, anderzijds. Het betreft hier investeringsprojecten in deze landen en/of met dat type bedrijven waarvoor de BMI de analyse doet van de projecten, evenals de follow-up ervan. De financiering wordt gesplitst tussen de eigen middelen van de BMI en de fondsen.

De voorwaarden van financiering en ook de risico's zijn gelijk verdeeld tussen de BMI en de fondsen. Boekhoudkundig worden de fondsen/dotaties via aparte rekeningen verwerkt, met andere woorden, ze maken geen deel uit van de jaarrekeningen van de BMI.

Het Chinees-Belgische investeringsfonds werd de facto pas in 2005 operationeel. De samenwerkingsovereenkomst met de BMI moet eerlang ondertekend worden.

De participatie in het Chinees-Belgisch investeringsfonds ten belope van 8,5 miljoen euro werd rechtstreeks gefinancierd door de Belgische Staat. Naar mijn weten bestaat er geen project voor de oprichting van een participatie in het Indisch-Belgisch investeringsfonds.

Per 28 februari 2005 werden er 25 projecten goedgekeurd binnen de BIO, voor een totaalbedrag van 58,2 miljoen euro. Gezien de recente opstart van de BIO is het moeilijk om nu al de resultaten hiervan in de schatten, maar in 2003 en 2004 werd wel een positief nettoresultaat geboekt.

De rendabiliteit van de investeringen in het Chinees-Belgisch investeringsfonds en in de BIO kunnen momenteel moeilijk worden geanalyseerd, daar er nog geen investeringen zijn in het kader van het Chinees-Belgische investeringsfonds en de investeringen van de BIO, zoals gezegd, nog te recent zijn.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreide informatie. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het de BMI aan uitstraling en dynamiek ontbreekt en dat dit mede komt omdat ze niet voldoende middelen krijgt om haar taken te volbrengen. De totale portefeuille is aanzienlijk verminderd, terwijl we al twee jaar een deficit kennen. De minister erkent zelf dat de KMO's bij BMI niet volledig aan bod komen. Bedrijven moeten nu eenmaal een minimale grootte om voor kredietdossiers rendabel te zijn. Daarom worden te lage bedragen in ons land voor BMI niet eens in aanmerking genomen.

In België zijn de KMO's nochtans heel belangrijk. Ze beginnen meer en meer te exporteren, zodat ze ook meer en meer nut kunnen halen uit een instelling als de BMI. Moeten we niet overwegen om van dit vehikel iets specifieks te maken voor het kleinbedrijf? Dat zou precies de eigen inbreng van de overheid kunnen verantwoorden. Zo lang alleen de privé-sector financiert, geldt alleen de markt, maar hier is ook de overheid betrokken partij. We kunnen toch verwachten dat die in haar beleid iets uitwerkt voor de KMO's.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - We moeten in deze materie natuurlijk ook wat geduld kunnen oefenen. De BIO en de leningen die in deze context aan de KMO's kunnen worden gegund, zijn maar heel recentelijk aan de oppervlakte gekomen. Als ik met KMO-mensen praat, ondervind ik dat er nog altijd een grote rem is om te investeren in ontwikkelingslanden. Dikwijls kennen ze de BIO niet of onvoldoende. Dat zal dus nog wat moeten rijpen en groeien, maar daar kunnen we hopelijk wel voor zorgen.

Voor het overige ben ik het met de heer Steverlynck volkomen eens dat de BMI haar eigen rol moet blijven spelen en dat ze al heeft bewezen dat ze resultaten kan boeken. Dat is ook de reden waarom de BMI verder aan het werk wordt gelaten.

Kortom, ik denk dat we op twee sporen tegelijk moeten werken.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De BIO is beperkt tot ontwikkelingslanden, terwijl de BMI veel ruimer is. Omdat ook de kleine bedrijven in veel meer landen willen investeren, is de steun van de BMI ook voor de KMO's ook zeer belangrijk.