3-104

3-104

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 24 MAART 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over źde criminologische statistieken╗ (nr. 3-644)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De professoren Ponsaers en Bruggeman schrijven in het jongste nummer van het tijdschrift Panopticon dat `... het absoluut niet goed gaat met de politiŰle criminaliteitsstatistieken in BelgiŰ. Het is zelfs niet overdreven om van een statistische chaos te gewagen'. Dat zeggen ze net nu de minister van Binnenlandse Zaken binnen een paar weken nieuwe criminaliteitscijfers zal bekend maken. In hun bijdrage trekken beide hoogleraren de betrouwbaarheid van de criminaliteitscijfers ernstig in twijfel. Bovendien stellen ze sinds de politiehervorming een schrijnend gebrek aan continu´teit en volledigheid vast bij het opstellen van een politiestatistiek. Daarenboven beweren ze dat het vrij betrouwbare en waardevolle politieel-statistische instrumentarium van vˇˇr de hervorming `volledig terug bij nul' is aanbeland.

De academici hekelen vooral `het gebrek aan inzicht of onwil om die veranderingsstrategie meer wetenschappelijk te begeleiden', ze betreuren dat aan de bestaande adequate systemen van gegevensinzameling abrupt een einde kwam en dat geen enkel inzicht meer wordt gegeven in de ophelderingsgraad van criminaliteitsfenomenen. Volgens hen draagt de politie zelf hierin een verpletterende verantwoordelijkheid en moet worden overwogen om criminaliteitsstatistieken over te laten aan gespecialiseerde centra naar analogie met bijvoorbeeld het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum in Nederland of het Home Office in het Verenigd Koninkrijk.

De wetenschappers vragen zich meteen ook af welke criminaliteitsgegevens als basis dienen voor het federaal veiligheidsplan en voor de lokale plannen, en meer zelfs, of de politiehervorming zelf daadwerkelijk tot positieve resultaten heeft geleid. Tot slot geven de auteurs nog een goede raad mee aan onze beleidsmakers: stop met te jongleren met foutieve en onvolledige criminaliteitscijfers in de vorm van `zegebulletins die nu worden opgehangen'.

De federale politie legt de kritiek alvast naast zich neer en beweert dat de cijfers `nog nooit zo betrouwbaar zijn geweest'.

We staan hier op zijn zachtst gezegd voor een serieuze contradictie tussen, enerzijds, wetenschappers die brandhout maken van de manier waarop criminaliteitsstatistieken in dit land worden aangelegd en die zelfs compleet onbetrouwbaar noemen en, anderzijds, de federale politie die beweert dat de cijfers nog nooit zo betrouwbaar zijn geweest.

In hoeverre volgt de vice-eerste minister de kritiek van beide professoren op de criminaliteitsstatistieken en bevestigt hij de verantwoordelijkheid die de politie hierin draagt? Indien hij hen niet volgt, wat zijn dan zijn tegenargumenten?

Overweegt de vice-eerste minister maatregelen te nemen en de suggestie te volgen die de auteurs naar voren schuiven om het opmaken van criminaliteitsstatistieken toe te vertrouwen aan een onafhankelijk centrum, zoals dat ook in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk gebeurt?

Zal de vice-eerste minister overleggen met zijn collega van Justitie om de werkgroep `statistieken' onder de Dienst Strafrechtelijk Beleid aan te sporen dit probleem uit te klaren en hiervoor een oplossing te zoeken?

Wat gaat de vice-eerste minister, na de kritiek van de professoren, doen met de criminaliteitscijfers die hij binnen twee weken zou aankondigen?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het artikel van beide professoren draagt de titel: `De politionele statistische chaos voorbij?'

Ik antwoord op die vraag dat de door de ge´ntegreerde politie geregistreerde criminaliteitsgegevens, die ingezameld en verspreid worden door de federale politie, inderdaad nog nooit zo volledig zijn geweest als vandaag, omdat vroeger de oefening alleen afzonderlijk door de lokale politie en door de rijkswacht werd gemaakt. Met de ge´ntegreerde oefening is pas enkele jaren geleden begonnen. Het woord `chaos' mist dus volgens mij elke grondslag.

De gegevensverwerking verloopt goed, omdat er zowel bij de politiezones als bij de algemene nationale gegevensbank een kwaliteitscontrole bestaat. Voorts bestaat er ook een permanente controle om dubbeltellingen te vermijden. Ten slotte worden overal dezelfde bronnen en dezelfde criteria aangewend. Overigens werken alle politiezones vandaag met hetzelfde registratiesysteem en bij de politiehervorming werd de stroom van gegevensinzameling die werd gebruikt voor statistische doeleinden, op geen enkel ogenblik onderbroken. Die bewering klopt dus absoluut niet: die stroom van gegevensinzameling werd nooit onderbroken. Hij werd geautomatiseerd, betekent dus geen bijkomende werklast voor de zones, en dient als controle op de kwaliteit en de volledigheid van de algemene nationale gegevensbank. Daarenboven is het systeem ook constant blijven tellen en werd ervoor gezorgd dat er geen gegevens zijn verloren gegaan.

Voor statistische conclusies moet men uiteraard over cijfers kunnen beschikken voor een voldoende lange periode. Algemeen aanvaard wordt dat een periode van 5 jaar volstaat. Vandaag kunnen toch reeds vergelijkingen worden gemaakt tussen de jaren 2000 tot en met 2003. Binnenkort komt 2004 erbij. Vorig jaar heb ik in de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, samen met de verantwoordelijke van de federale politie, duidelijk beklemtoond dat aangezien de ge´ntegreerde inzameling pas enkele jaren loopt, er zal moeten worden gewacht tot 2006, 2007 om betrouwbare vergelijkingen te kunnen maken.

A contrario beschikt men nu ook over zonale informatie. Er wordt geregeld informatie verspreid over de steden Antwerpen, Mechelen, Gent en Charleroi waar de zones zelf hun cijfers bekendmaken. Die cijfers kunnen wel worden vergeleken, want voor die zones is er wat dat betreft niets veranderd.

Het artikel van beide professoren was beperkt tot de ge´ntegreerde inzameling; de gegevens van de zonale politie enerzijds en de federale politie anderzijds die beide in dezelfde gegevensbank worden ingevoerd.

De federale politie heeft nooit beweerd dat de ANG volledig is, maar jaar na jaar worden stappen gedaan in de goede richting.

Voor het jaar 2003 beschikken we over 98,4% van alle gegevens. Op federaal niveau worden daarvoor zware inspanningen geleverd. Ik zie niet onmiddellijk welke meerwaarde een zogenaamd onafhankelijk centrum zou opleveren of welke verbeteringen het nog zou kunnen aanbrengen.

Ik vind het dus niet nodig de dienst voor Strafrechtelijk Beleid aan te spreken. We moeten ertoe komen dat de zones veel sneller hun gegevens bekend maken aan het federale niveau. Bij ontstentenis aan zonale gegevens kunnen er uiteraard geen volledige federale bestanden worden opgesteld. De zones moeten zich de discipline opleggen om steeds sneller gegevens door te zenden.

Ik zie niet in waarom de federale politie geen cijfers meer zou bekendmaken. Ik zou er willen op wijzen dat de presentatie van de cijfers over 2003 op een heel genuanceerde manier is gebeurd.

Alle punten waarvoor de professoren gewaarschuwd hebben, heb ik in mijn uiteenzetting aan de pers over de federale politie opgenomen. Ik heb erop gewezen dat we behoedzaam moeten zijn en ik heb ook aangekondigd dat de cijfers steeds sneller zullen worden bekendgemaakt. In de voorbije jaren moesten we telkens het jaareinde afwachten vooraleer de cijfers van het vorige jaar konden worden bekendgemaakt. In de komende weken zullen we reeds een eerste betrouwbare presentatie kunnen geven van de cijfers van 2004.

Ik voel niet de behoefte om voortdurend met cijfers te staan zwaaien. We hebben vorig jaar alleen duidelijk willen maken dat het concentreren, op een ge´ntegreerde wijze, van veiligheidsplannen op bepaalde misdaadfenomenen jaar na jaar gunstige resultaten geeft.

Ik heb er echter ook voor gewaarschuwd dat de criminaliteit nooit zal stilvallen, maar dat er zich integendeel steeds nieuwe misdaadfenomenen zullen ontwikkelen. Ik verwees in dat verband naar de computercriminaliteit, een vrij recent fenomeen dat met vereende krachten moet worden aangepakt. Ik heb het nooit gehad over een `zegebulletin' en mijn antwoord op de kritiek van de professoren is dat we nu werken aan een betrouwbaar systeem dat ons moet helpen om over ongeveer 2 jaar de nodige beleidsconclusies te trekken. Dat is nu trouwens al mogelijk voor de cijfers van de verschillende politiezones.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het bewuste artikel getuigt toch van een bijzonder scherpe en verregaande kritiek. Die slaat niet op randfenomenen of op de manier waarop gegevens worden ingezameld, opgeslagen, doorgegeven, enzovoort. Ik ga er bovendien van uit, hoewel de minister dat in twijfel trekt, dat die twee professoren geen politieke bijbedoelingen hebben en dat ze niet over ÚÚn nacht ijs zijn gegaan.

Ik hecht toch wel veel belang aan deze kwestie; statistieken, of ze nu gaan over criminaliteit of over andere beleidsdomeinen, moeten immers een basis zijn voor de ontwikkeling van het beleid. De veiligheid is een bijzonder belangrijke materie en het is bijgevolg van het grootste belang dat de cijfers op een correcte manier worden verzameld, weergegeven en kunnen vergeleken worden. De minister moet toegeven dat dit in het verleden niet altijd het geval was. Hij heeft in de Kamer ooit zelf gezegd dat een vergelijking van statistieken onmogelijk wordt als de gegevens niet gedurende een lange termijn op eenduidig interpreteerbare wijze worden verzameld. Als men om de haverklap van systeem verandert, wordt het onmogelijk om nog betrouwbare statistieken te maken waarop een beleid kan worden gebaseerd.

De minister herinnert zich ongetwijfeld dat eerste minister Verhofstadt enkele jaren geleden op een bijzonder goed getimed ogenblik, met een blad papier zwaaiend, beweerde dat de criminaliteit gemiddeld met 8% was gedaald en dat de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, de heer Duquesne, twee weken nadien in de Kamercommissie moest toegeven dat er daarvoor helemaal geen betrouwbare statistieken voorhanden waren.

Ik neem aan dat het tijd vraagt om ÚÚn en ander recht te trekken, maar ik blijf het vreemd vinden dat twee gewetensvolle professoren zo'n scherpe kritiek formuleren waarop de minister van Binnenlandse Zaken dan repliceert dat er eigenlijk niets aan de hand is. Die kloof lijkt mij net iets te groot.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb helemaal geen behoefte aan een polemiek met de twee professoren in kwestie. Ik constateer alleen maar dat de heer Bruggeman, voorzitter van de Federale Politieraad, gisteren elk verder antwoord schuldig bleef na het aanhoren van de repliek van de heer Fransen, commissaris-generaal van de federale politie, een repliek die hij trouwens ook naar buiten heeft gebracht.

We moeten dus voorzichtig omspringen met de conclusies van professoren en wetenschapslui. De heer Fransen en ikzelf hebben in onze persvoorstelling dezelfde nuanceringen en hetzelfde voorbehoud gemaakt als de twee professoren.

We mogen uiteraard geen appelen met peren vergelijken. Als de zonechef of de burgemeester van de stad Antwerpen vandaag in een persvoorstelling criminaliteitscijfers vrijgeven, kunnen die perfect vergeleken worden met die van de voorgaande jaren. De cijfers van de ge´ntegreerde politie, die betrekking hebben op de lokale politiezones en de federale politie, moeten in ÚÚn en hetzelfde systeem worden ingebracht. Dat vraagt een zekere aanpassingsperiode. EÚn en ander verloopt echter heel vlot want, zoals ik al zei, zullen we op het einde van deze maand al kunnen beschikken over de cijfers van 2004, daar waar we voordien altijd tot het einde van het jaar moesten wachten.

Het gebeurt bovendien op een uniforme manier, maar het zal wellicht tot 2005 of 2006 duren vooraleer er definitieve conclusies kunnen worden getrokken. Het is alleszins een feit dat de trends een bepaalde richting uitgaan en dat sommige fenomenen succesvol kunnen worden bestreden. In dat opzicht vind ik de stelling van de beide professoren sterk overdreven. Hetzelfde geldt voor het verhaal dat de pers eromheen heeft gefantaseerd.