3-99

3-99

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 3 MAART 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over ęde begrotingstoestand van de gemeentebesturenĽ (nr. 3-550)

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - In 1991 heeft BelgiŽ het Verdrag van Maastricht ondertekend. Aan de zuiver economische criteria kon ons land snel voldoen. De budgettaire voorwaarden daarentegen liggen heel wat moeilijker. Het begrotingstekort mag niet meer dan 3% van het bruto binnenlands product bedragen en de totale overheidsschuld moet lager zijn dan 60% van datzelfde BBP. Voor de realisatie van die 3%-norm hebben we allemaal zware besparingen en nieuwe belastingen ingevoerd, maar we hebben de norm behaald. De 60%-drempel halen we echter nog niet; we schommelen rond de 100%, maar ook dat is al een hele vooruitgang.

Ik schetste even de historische achtergrond om nu tot de lokale besturen te komen. De budgettaire normen gelden immers niet alleen voor de federale overheid, maar voor de overheid als geheel, dus ook voor de begrotingssaldi en overheidsschuld van de gemeenschappen en gewesten, de sociale zekerheid en de lokale besturen. Het federale begrotingstekort wordt zelfs gecompenseerd door een positief saldo van de meeste andere overheden. BelgiŽ dient zijn budgettaire prestaties en ramingen te presenteren aan Europa en dit voor de totale overheid.

Graag had ik van de minister vernomen welk statistisch systeem hij hanteert om snel en accuraat een beeld te krijgen van de begrotingstoestand van de lokale besturen.

De gezaghebbende instanties, de Nationale Bank van BelgiŽ en het Instituut van de Nationale Rekeningen, geven vierjaarlijkse peilingen, aangevuld met allerhande publiek beschikbare informatie over, bijvoorbeeld, het Gemeentefonds of de gemeentelijke belastingsverhogingen. In WalloniŽ is er eigenlijk geen enkele instantie die begrotingscijfers centraliseert. De laatste harde cijfers over de Vlaamse toestand dateren van de gemeenterekeningen van 2001.

Ondertussen zijn er grote financiŽle wijzigingen doorgevoerd op gemeentelijk vlak: de vrijmaking van de energiesector, hoger vakantiegeld voor het personeel, de invoering van de politiehervorming, belastingstijgingen, het nieuwe Gemeentefonds, om er maar enkele te noemen.

Is de minister op basis van die gegevens ervan overtuigd dat de geschatte begrotingstoestand van de lokale besturen accuraat is? Maken we onszelf niets wijs door extrapolaties te maken van steekproeven van enkele jaren geleden?

Stelt de Europese Commissie geen vragen over de manier waarop de overheid statistische gegevens over haar financiŽn vergaart?

Bijna vier jaar geleden kondigde toenmalig Vlaams minister Stevaert de oprichting van het Belfortobservatorium in de media aan. Dat orgaan zou de bevoegdheid krijgen om alle federale en gewestelijke beleidsbeslissingen te beoordelen op hun financiŽle implicaties voor de lokale besturen.

Op 9 maart vorig jaar antwoordde de minister van Begroting aan Kamerlid Mark Verhaegen dat het nog steeds de bedoeling is de vierde afdeling van de Hoge Raad voor FinanciŽn volgens het Belfortprincipe op te richten.

Zit dit Belfortobservatorium in de pijplijn en mogen we in de nabije toekomst een doeltreffend monitoringsysteem voor de lokale financiŽn verwachten?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Wij gebruiken het statistisch model dat door de Nationale Bank en door het Instituut voor de Nationale Rekeningen wordt ontwikkeld. De Belgische regering heeft daarop weinig of niets te zeggen. De Nationale Bank en het Instituut voor de Nationale Rekeningen geven ons jaarlijks een cijfer en wij volgen dat cijfer slaafs. De reden is dat de regering zich niet bevoegd acht om een en ander beter te doen dan de Nationale Bank dat doet.

Ik beschik over een hele lange beschrijving van de manier waarop de gegevens worden verzameld. Ik zal die ook aan de vraagsteller bezorgen.

De begroting en de rekeningen worden steekproefsgewijs ingezameld bij de 76 Waalse gemeenten en de 4 Duitstalige bij alle 19 Brusselse en 308 Vlaamse gemeenten en bij de 10 provincies.

Men heeft de initiŽle begrotingen 2003 grondig onderzocht, de aangepaste begroting 2002, de rekeningen 2001 en, voor de Vlaamse gemeenten, de rekeningen 2001 en 2002. Die informatie wordt aangewend voor het opstellen van de overheidsrekeningen 2004, die midden 2005 door het INR zullen worden gepubliceerd.

Tussen twee inzamelingen in en voor de OCMW's wordt getracht een zo correct mogelijke raming te maken aan de hand van andere bronnen. De voornaamste bronnen zijn Dexia, de RSZPPO en begrotingsdocumenten.

Bij de oprichting van de lokale politiezones werd contact opgenomen met de dienst Financieel Beheer van de directie Relaties met de lokale politie van de federale politie. Het INR en de Hoge Raad hebben de ministers-presidenten en toezichthoudende ministers van de gewesten gevraagd om zoveel mogelijk gegevens te bezorgen. Het INR neemt zich voor dat verzoek geregeld te herhalen.

De Europese Commissie stelt zich bijzonder kritisch op ten aanzien van de gegevens die de lidstaten meedelen. Ik kan alleen maar vaststellen dat de Commissie jaar na jaar de aangekondigde begrotingsresultaten bevestigt of verbetert. Onze cijfers werden nog nooit op een structurele manier ter discussie gesteld.

Het INR werkt volledig autonoom. Het krijgt geen instructies van de regering, maar wordt gecontroleerd door de Nationale Bank en Eurostat.

We nemen die cijfers over. Ik weet dat ze veel verbazing gewekt hebben, maar ik raad aan om ze aandachtig te lezen. In 2000-2001 hebben heel wat gemeenten maatregelen genomen om de belastingen te verhogen. Ze hebben daar bepaalde redenen voor opgegeven en sommige waren daarin al wat moediger dan andere. Eťn van die redenen was de fiscale hervorming. Het is mathematisch zeker dat de belastingverhogingen veel vroeger gekomen zijn dan de impact van een reeks andere maatregelen. In de eerste jaren van de regeerperiode werden overschotten gecreŽerd, wat niet betekent dat de gemeenten daarmee gered zijn. In 2004 waren er minder overschotten dan in 2003. We zien telkens dezelfde cyclus. In de eerste drie jaren van de regeerperiode hebben de gemeenten een overschot en in de volgende jaren kampen ze met tekorten.

Het Belfortobservatorium wordt gekoppeld aan de afschaffing van de afdeling FinanciŽle Instellingen en markten, die achterhaald is. Die afschaffing wordt dan weer gekoppeld aan de vernieuwing van de mandaten. Die mandaten lopen over enkele weken ten einde. De regering zal dan overgaan tot een volledig nieuwe samenstelling en bij die gelegenheid kan ze ook de maatregelen voor de afdeling Lokale FinanciŽn invoeren.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik ben de minister dankbaar voor zijn antwoord en de documenten die hij mij heeft overhandigd. Dat geeft mij de mogelijkheid alles nog eens grondig te bestuderen.

Ik wens toch nog even te vermelden dat tal van gemeenten mij gecontacteerd hebben naar aanleiding van deze vraag. Ze hebben ook nog heel wat vragen over het Belfortobservatorium. Ik ben van oordeel dat we die zaak op de voet moeten blijven volgen, omdat heel wat federale beslissingen een impact hebben op de gemeentelijke beleidsvoering.