(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
In opvolging van het Lissabonproces, dat als doelstelling heeft van de Europese Unie tegen 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken, publiceerde de Europese Commissie begin dit jaar een belangwekkend Verslag over de mededinging op het gebied van de professionele dienstverlening. Deze studie met ruime bevraging van de lidstaten, schetst de visie van de Commissie omtrent de mogelijkheden om bepaalde regels betreffende vrije beroepen te hervormen of te moderniseren vanuit het oogpunt van het mededingingsbeleid.
De Commissie onderscheidt vijf belangrijke categorieën van mogelijk restrictieve regelgeving voor de specifieke beroepsgroepen van advocaten, notarissen, accountants, architecten, ingenieurs en apothekers :
i) de vaststelling van de prijzen;
ii) aanbevolen prijzen;
iii) voorschriften inzake reclame;
iv) toegangsvereisten en exclusieve rechten;
v) voorschriften inzake zakelijke structuur en multidisciplinaire praktijken.
Volgens de Commissie zijn er drie grote redenen waarom restricties op de vrije mededinging in deze sector gerechtvaardigd kunnen zijn :
i) het onevenwicht in de (contractuele) relatie tussen de beoefenaar van het beroep en de klant inzake technische kennis;
ii) de belangrijke gevolgen welke de beoefening van het beroep kan hebben voor derden;
iii) de waarde welke bepaalde diensten voor de samenleving kunnen hebben (openbaar belang).
De Commissie nodigt in haar verslag tevens de lidstaten of de regelgevende instanties van de lidstaten uit een grondige evaluatie te maken van de concurrentiebeperkende regels voor vrije beroepen op basis van de genoemde criteria. Hierbij moet nagegaan worden of de betreffende regels objectief noodzakelijk zijn om een duidelijk omschreven en gewettigde doelstelling van algemeen belang na te streven en of ze het minst concurrentiebeperkende mechanisme zijn om de doelstelling te bereiken.
Graag had ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen :
1. a) De oproep van Europa om vrijwillig actie te nemen om een algehele evaluatie te doen van de verenigbaarheid van de bestaande regelgeving inzake vrije beroepen met de beginselen van het mededingingsrecht is gericht naar de regelgevende instanties, alle beroepsorganisaties en de nationale mededingingsautoriteiten.
In welke mate heeft de Belgische nationale mededingingsautoriteit reeds gevolg gegeven aan de oproep van de Commissie om de regelgeving inzake de vrije beroepen tegen eind dit jaar aan een grondige evaluatie te onderwerpen met betrekking tot de verenigbaarheid met de beginselen van het mededingingsrecht ?
Gaat de regering desnoods de nodige impulsen geven en middelen ter beschikking stellen opdat dergelijke systematische evaluatie op korte termijn kan gebeuren ? Welke stappen zal zij ondernemen opdat ook de regelgevende instanties en de beroepsorganisaties deze oefening doen ?
b) Zijn er reeds concrete dossiers lopende bij de Raad voor de mededinging inzake mogelijke inbreuken tegen de concurrentiewetgeving ingevolge reglementen of wetgeving rond vrije beroepen ?
Er moet trouwens op gewezen worden dat sinds mei 2004 met de inwerkingtreding van verordening 1/2003 de nationale mededingings- en gerechtelijke autoriteiten juridisch een grotere autonomie hebben gekregen om de concurrentiewetgeving te handhaven in de lidstaten, voor zover de effecten vooral nationaal te situeren zijn.
2. Zijn er bij de geachte minister reeds reacties aangekomen van de betrokken beroepsorganisaties en regelgevende beroepsinstanties ingevolge de werkzaamheden van de Commissie ? Welk initiatief zal hij desgevallend nemen tegenover de beroepsgroepen en hoe zal hij dit dossier concreet verder opvolgen in samenspraak met de betrokken beroepsgroepen ?
3. Uit de genoemde studie van de Europese Commissie blijkt dat in de meeste lidstaten juristen, accountants, ingenieurs en architecten efficiënt werken zonder vaste prijzen.
a) Deelt de regering de algemene vaststelling van de Europese Commissie dat prijscontrole geen efficiënt — want te ingrijpend — reguleringsinstrument vormt voor de meeste groepen van vrije beroepen ?
b) Zijn er volgens de regering concrete beroepsgroepen in ons land waarvoor op dit ogenblik een prijsreglementering bestaat maar welke evengoed hun maatschappelijke rol kunnen spelen met vrije prijszetting ?
c) Welke is de positie van de geachte minister wat betreft honorariumschalen voor architecten, welke door de Raad voor de mededinging en door de Europese Commissie in vraag werden gesteld en die volgens zijn ingetrokken ? Acht de geachte minister het wenselijk dergelijke schalen opnieuw in te stellen zij het in gewijzigde vorm ?
d) De Europese Commissie wijst er op dat in bepaalde (voornamelijk Latijnse) lidstaten de prijsreglementering voor het beroep van notaris ook gekenmerkt wordt door een sterk gereglementeerde toegang tot het beroep. De prijscontrole zou een gevolg zijn van de beperkte toegang tot het beroep, welke tot hogere prijzen zou kunnen leiden. De Commissie lijkt echter te suggereren dat specifiek voor het beroep van notaris, naast de vrijmaking van de prijsreglementering, ook de toegang tot dit beroep versoepeld moet worden in het kader van een concurrentiebevorderend beleid. Deelt de regering dit standpunt van de Commissie ?
4. Inzake reclamereglementering stelt de Commissie dat uit onderzoek blijkt dat in sommige gevallen de beperkingen op het maken van reclame de honoraria voor professionele diensten kan opdrijven. Objectieve reclame zou er juist voor zorgen dat consumenten met meer kennis van zaken een aankoopbesluit maken.
Ziet de regering voor België beroepen waarvoor een versoepeling van de reclamereglementering wenselijk is ?
5. In welke mate is de regering van plan in te gaan op de suggestie van de Commissie om bepaalde toegangsbeperkingen in te perken dan wel af te schaffen voor de bovengenoemde beroepen (advocaten, notarissen, accountants, architecten, ingenieurs en apothekers) ?
Denkt de regering eventueel aan bijvoorbeeld vergoedingen voor openbare dienstverrichtingen ter vervanging van de kwantitatieve toegangsbeperkingen ?
6. Acht de regering wijzigingen noodzakelijk met betrekking tot de reglementering inzake zakelijke organisatie (eigendomsstructuur, samenwerking tussen disciplines in een hechte zakelijke structuur, enz.) van bepaalde beroepen ?
Antwoord : Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op zijn vraag.
Optreden van de Europese Commissie in de sector van de vrije beroepen
Volgens de Europese Commissie (de Commissie) zijn de vrije beroepen er om een belangrijke rol te spelen in de verbetering van de competitiviteit van de Europese economie. Daartoe participeren zij aan de doelstelling van Lissabon die er naar streeft om van de EU de meest dynamische economie ter wereld te maken tegen 2010.
Sedert 2002 maakt de sector van de vrije beroepen het voorwerp uit een nauwgezet onderzoek vanwege de Commissie. De Commissie heeft meer bepaald een studie besteld bij het Instituut voor Hogere Studies te Wenen (IHS). Het doel van de studie was het bepalen van de economische impact van de reglementering van een ganse reeks professionele diensten in de lidstaten van de EU. Deze studie omvat een vergelijking van de wetgeving, van de reglementering en de deontologische codes van de geviseerde beroepen (apothekers, advocaten, notarissen, boekhouders, architecten, ingenieurs). De studie spreekt zich niet uit over de impact van de verschillen tussen de onderscheiden reglementaire regimes op de kwaliteit van de diensten verleend aan de consumenten. Niettemin besluit het rapport dat « strategieën gericht op het invoeren van een zwak niveau van regulering die werken in een lidstaat, eveneens kunnen werken in een andere lidstaat, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de professionele diensten en in het grootste belang van de consumenten » (de IHS-studie is te consulteren op de website van DG Concurrentie, enkel in het Engels beschikbaar). De studie maakt een onderscheid tussen twee categorieën van reglementeringen : de ene met betrekking tot de toegang tot het beroep, de andere met betrekking tot het professioneel gedrag. Voor elke categorie werd een reglementeringscoëfficient berekend. Hoe hoger deze coëfficient, hoe hoger dan ook de graad van reglementering.
In maart 2003 heeft de Commissie een raadpleging gelanceerd omtrent de vrije beroepen en heeft zij de geïnteresseerde partijen opgeroepen om haar hun eventuele bemerkingen omtrent de reglementering van de beroepen en het rapport van het IHS voor te leggen.
In oktober 2003 heeft de Commissie een conferentie georganiseerd die meer dan 260 personen uit heel verschillende achtergronden samenbracht (vertegenwoordigers van de beroepen en hun cliënten, verbruikersorganisaties, concurrentieautoriteiten evenals vertegenwoordigers uit de academische wereld).
In de loop van februari 2003 heeft de Commissie een verslag over de mededinging op het gebied van de professionele dienstverlening gepubliceerd (het verslag is te consulteren op de website van DG Concurrentie). Dit verslag identificeert vijf belangrijke soorten bepalingen die mogelijk restrictief kunnen zijn. In dit verslag nodigt de Commissie de mededingingsautoriteiten en de regelgevende autoriteiten uit om over te gaan tot een evaluatie van hun regelgevingen in het licht van de principes van het mededingingsrecht.
1 en 2. Actie van de Belgische mededingingsautoriteiten in de sector van de vrije beroepen
De mededingingsautoriteit heeft meegewerkt aan de verschillende acties (hierboven vermeld) die ondernomen werden door de Commissie en die geleid hebben tot het aannemen van het verslag. De Dienst voor de mededinging van de FOD Economie heeft meer bepaald actief meegewerkt aan de vergaderingen van experten die werden georganiseerd door DG Concurrentie van de Commissie.
De Dienst voor de mededinging heeft het verslag van de Commissie in de sector van de vrije beroepen gunstig onthaald en steunt het. Eveneens houdt de mededingingsautoriteit, meer bepaald de Dienst voor de mededinging van de FOD Economie, zich ter beschikking van alle bevoegde instanties om over te gaan tot een evaluatie van de regels van de verschillende beroepen in het licht van de standpunten ontwikkeld door de Commissie. In die zin heeft de Dienst voor de mededinging de gelegenheid gehad om over te gaan tot (informele) gedachtewisselingen met bepaalde beroepsorganisaties.
In haar verslag identificeert de Commissie een geheel van 5 regels die mogelijk concurrentiebeperkend zijn in de sector van de vrije beroepen (vaste of aanbevolen prijzen, reclame, toegang tot het beroep en exclusieve werkzaamheden, structuur van de ondernemingen). Toch aanvaardt de Commissie dat in bepaalde gevallen concurrentiebeperkende regels volkomen gerechtvaardigd kunnen zijn. Dit is onder meer het geval als de betrokken regel het algemeen belang dient.
De Dienst voor de mededinging deelt de conclusies van de Commissie. Hij geeft inderdaad een voorkeur voor een benadering geval per geval die toelaat om de eigenheid van elk beroep in rekening te brengen.
Het is trouwens overeenkomstig deze principes dat de Dienst voor de mededinging op dit ogenblik meerdere dossiers onderzoekt in de sector van de vrije beroepen (dierenartsen, apothekers, notarissen, enz.). Het handelt hier om lopende onderzoeken, hetzij als gevolg van het neerleggen van een klacht, hetzij ambtshalve onderzoeken.
3. a), b), d), 4, 5 en 6. Deze vragen vallen hetzij onder het algemeen beleid van de regering, hetzij onder dit van een welbepaalde minister (bijvoorbeeld de minister van Justitie wat de notarissen betreft). In dit geval komt het elke minister toe om zijn beleid te bepalen. In bepaalde gevallen kan dus inderdaad een wijziging op wetgevend gebied noodzakelijk zijn. Dit is onder meer het geval voor regels met betrekking tot de toegang tot het beroep of de reclame. Sommige ministers hebben individueel het initiatief genomen om na te gaan of, en in welke mate er een noodzaak bestaat om de bestaande regels te wijzigen om, in voorkomend geval, meer concurrentie te brengen in de sectoren die tot hun bevoegdheid behoren.
3. c) De schaal van erelonen van de Belgische Orde van architecten
In juni 2004 heeft de Commissie een boete van 100 000 euro opgelegd aan de Orde van architecten. De Commissie was immers van oordeel dat de schaal van aanbevolen minimum honoraria van de Orde van architecten concurrentiebeperkend was.
Deze beschikking was volkomen conform aan het standpunt van de Dienst voor de mededinging.
In een procedure die ingesteld werd tegen de Orde, had de Dienst voor de mededinging immers op het einde van zijn onderzoek aan de Raad voor de mededinging in zijn verslag voorgesteld de schaal van de erelonen van de architecten te veroordelen met als reden dat de architecten de mogelijkheid moesten hebben om op vrije wijze de voorwaarden vast te leggen die hun concurrentiepositie bepalen.
In zijn beslissing van juli 2002 heeft de Raad voor de mededinging vastgesteld dat een redelijke termijn voor behandeling van de zaak was verstreken en heeft hij bijgevolg geen beslissing ten gronde genomen.
Geconfronteerd met deze situatie heeft de Commissie besloten op te treden en heeft dus in juni 2004 de betrokken beschikking verleend.