3-98

3-98

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 24 FEBRUARI 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid» (nr. 3-618)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Op 1 april 1994 werd door de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen de jaarlijkse bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid ingevoerd. De opbrengst van die bijdrage is bestemd voor de financiering van de sociale zekerheid van de werknemers. Zelfstandigen in hoofdberoep zijn deze bijdrage in principe niet verschuldigd; aan hen werd een gelijkwaardige inspanning gevraagd. Zelfstandigen betalen sinds 1 april 1994 immers een verhoogde sociale bijdrage.

Toch zijn er situaties waarin ook zelfstandigen in hoofdberoep de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid toch verschuldigd zijn. Het gaat om zelfstandigen die naast hun zelfstandige beroepsbezigheid een vaak beperkte beroepsbezigheid als werknemer uitoefenen of die uit een voorheen uitgeoefende loontrekkende bezigheid nog een sociale uitkering genieten, bijvoorbeeld een uitkering vanwege het Fonds voor Arbeidsongevallen of het Fonds voor Beroepsziekten. Zij zijn de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid verschuldigd en die bijdrage wordt op het totale gezinsinkomen berekend, dus ook op de inkomsten uit de zelfstandige activiteit. De extra bijdrage die zij sinds 1 april 1994 aan hun sociaal verzekeringsfonds betalen wordt dan wel in mindering gebracht.

In de praktijk stellen we evenwel vast dat deze regeling in de hierboven genoemde gevallen soms zeer perverse gevolgen heeft. De bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid is vaak groter dan het inkomen uit een nevenactiviteit of extra sociale uitkering. Mij werden een aantal voorbeelden gesignaleerd die aantonen dat de huidige regeling werken allerminst beloont.

Voorbeeld 1: een zelfstandige advocaat geeft ook nog in zeer beperkte mate les aan een vormingscentrum en wordt voor die activiteit ingeschreven als werknemer. Ook zijn vrouw is zelfstandige. Hij ontvangt voor het lesgeven een belastbaar inkomen van ongeveer 530 euro. Door die nevenactiviteit moet hij de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid betalen op het totale gezinsinkomen, dus van man én vrouw, zo'n 730 euro. Bij de uiteindelijke afrekening blijkt dat hij 200 euro minder overhoudt dan wanneer hij die lesopdracht niet had aanvaard. Hierbij hebben we dan nog geen rekening gehouden met de 200 euro aan personenbelasting op het inkomen van 530 euro. Hij betaalt dus heel wat meer extra sociale en fiscale lasten dan wat die nevenactiviteit hem opbrengt.

Voorbeeld 2: een zelfstandig bedrijfsleider krijgt vanuit een vroegere activiteit als werknemer een vergoeding vanwege het Fonds voor Arbeidsongevallen van ongeveer 500 euro. Omdat de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid, in dit geval zo'n 400 euro, verschuldigd is op zijn totale gezinsinkomen en hij nog 250 euro personenbelasting betaalt op die uitkering, houdt hij van zijn uitkering niets meer over, maar legt hij er 150 euro op toe.

De voorbeelden tonen overduidelijk aan dat deze regeling onrechtvaardige bijwerkingen heeft. In een periode waarin het erop aan komt de activiteitsgraad op te trekken, mogen we toch initiatieven verwachten om werk te belonen in plaats van te bestraffen.

Erkent de minister het geschetste probleem? Is hij van plan dit probleem op te lossen? Zo ja, aan welke oplossing denkt hij en binnen welke termijn wil hij die realiseren?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Dit is een zeer ingewikkelde problematiek, maar ik zal het kort houden.

Na onderzoek door de bevoegde diensten van mijn FOD Sociale Zekerheid is gebleken dat de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid in de beide gevallen die de heer Steverlynck aankaart, niet verschuldigd is. Als de heer Steverlynck me de gegevens van de betrokkenen doorgeeft, zal ik mijn administratie vragen hun dossier te bekijken, zodat de wetgeving correct kan worden toegepast.

Zoals u ziet, was mijn antwoord kort en concreet.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Een ingewikkelde problematiek mag ons er niet van weerhouden een oplossing te zoeken voor onrechtvaardige situaties. De twee voorbeelden zijn inderdaad zeer reëel en ik zal de gegevens graag doorgeven zodat de problemen kunnen worden opgelost.