3-991/9

3-991/9

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

16 FEBRUARI 2005


Wetsontwerp tot wijziging van artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER COLLAS EN MEVROUW KAPOMPOLÉ


I. INLEIDING

Het wetsontwerp werd op 27 januari 2005 aangenomen in de plenaire vergadering van de Senaat en overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De Kamer heeft het ontwerp geamendeerd (artikel 2) en het op 4 februari 2005 teruggezonden naar de Senaat. Ingevolge artikel 64.1 van het Reglement van de Senaat is « bij de Senaat slechts aanhangig ... de bepalingen die door de Kamer werden geamendeerd of toegevoegd ».

De commissie heeft het ontwerp opnieuw besproken én geamendeerd tijdens haar vergadering van 16 februari 2005.

II. BESPREKING

Bij de aanvang van de vergadering dienen de heer Galand en mevrouw De Roeck de amendementen nrs. 3 tot 5 in. De heer Dedecker dient een amendement nr. 6 in (zie Senaat, stuk nr. 3-991/8). Deze amendementen slaan uiteraard allemaal op het door de Kamer geamendeerde artikel.

Mevrouw Hermans stelt dat de VLD-fractie het ontwerp blijft steunen.

De heer Beke betreurt dat het voorstel toch nog niet tot een goed einde is gebracht omdat in de Kamer een amendement is aangenomen om ook de 11.11.11-actie van de tegenwaarde van de alsnog ingeleverde muntstukken te laten genieten. Bij de eerste behandeling in de Senaat is een identiek amendement van mevrouw Kapompolé verworpen vooral omdat een dergelijke uitbreiding tot een discriminatie van nog andere organisaties zou leiden. Er zijn een vijftigtal NGO's die deel uitmaken van 11.11.11, maar er zijn zesenvijftig andere die er geen lid van zijn.

Zo maken bijvoorbeeld Amnesty International, Foster Parents Plan België en de Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelingssamenwerking noch van de Tsoenami-, noch van de 11.11.11-actie deel uit.

Vooral de heer Willems heeft toen voor die discriminatie gewaarschuwd. Behalve de PS-fractie heeft iedereen in de Senaat deze redenering gevolgd. De Kamer heeft, over de partijgrenzen heen, een andere houding aangenomen.

De CD&V-fractie heeft besloten zich bij de amendering door de Kamer neer te leggen, vooral om een procedureslag te vermijden.

De heer Beke deelt mede dat reeds verscheidene organisaties hun steun hebben toegezegd en van plan zijn met de inzameling van start te gaan zodra het wetsontwerp definitief is goedgekeurd. Er is immers eerst rechtszekerheid nodig.

De termijn wordt nu wel erg kort. Vandaar roept de heer Beke zijn collega's op om het wetsontwerp in zijn huidige vorm onverwijld goed te keuren.

De heer Galand merkt op dat organisaties die werkelijk ervaring hebben en gespecialiseerd zijn in aangelegenheden zoals de Tsoenami, Médecins sans frontières in Frankrijk bijvoorbeeld, verklaard hebben dat er thans geen spoedeisende projecten meer bestaan.

Toen is de beslissing genomen om het initiatief te verruimen tot de 11.11.11-actie die een ruimer NGO-programma is. Jammer genoeg heeft die thans af te rekenen met een groot beheersprobleem. De rekening 11-11 is immers een algemene rekening en bijgevolg ontstaan er moeilijkheden als men het geld wil toewijzen aan welbepaalde projecten.

Volgens de heer Galand gaat het oorspronkelijk om een prachtig initiatief maar indien men een campagne wil opzetten moet men de termijn verlengen.

Spreker wijst erop dat wanneer een aantal NGO's hun krachten gebundeld hebben om de oude geldstukken aan de burgers te vragen, zij niet meer dan 100 miljoen Belgische frank bijeen gehaald hebben. Dat lijkt hem een ontgoochelend resultaat. Indien de minister van Financiën en de regering de campagne evenwel steunen kan men meer geld inzamelen. Om dat doel te bereiken moeten de media aandacht besteden aan de campagne en moet zij ook de nodige tijd krijgen.

De heer Galand stelt bijgevolg de maand juli als einddatum voor (zie amendement nr. 3).

Voorts stelt spreker vast dat door de Tsoenami nog nooit zoveel geld werd ingezameld en stelt voor dat men aandacht besteedt aan de « onzichtbare Tsoenami's » onder meer die welke Afrika teisteren. Waarom zou men dan het ingezamelde geld niet beschikbaar stellen voor een actie die past in het raamwerk van de Millenniumdoelstellingen ? Om te kunnen overleven hebben heel wat mensen drinkwater nodig.

De heer Galand verklaart zijn steun toe te zeggen aan die handelswijze, doch hij stelt voor te bepalen dat de actie niet deel uitmaakt van de operatie Tsoenami alleen, doch van de « Millenium Goals ». De doelstellingen bestaan onder meer in het bestrijden van extreme armoede. Het publiek kan zeer goed begrijpen dat in het kader daarvan de strijd voor drinkwater voorgaat. De twee nationale programma's, zowel « 11.11.11-Aktie » en « Opération 11.11.11 » kunnen dat geld goed beheren.

Aangezien het uiteindelijk om geld van de overheid gaat, stelt de heer Galand voor dat de Schatkist het int. Zo kunnen die bedragen opgenomen worden in de 1 %-ontwikkelingsinspanning van België. De oude muntstukken die de Schatkist inzamelt, worden als overheidsgeld omgezet in euro.

Mevrouw De Roeck herinnert eraan dat het oorspronkelijk wetsvoorstel met spoed in deze commissie werd behandeld en er ook bijna unaniem werd goedgekeurd. De hoop dat het heel snel wet zou worden is in duigen gevallen door het aannemen van een amendement in de Kamer. Men kan dat betreuren, doch als blijkt dat zulks op unanieme wijze is gebeurd, dan is dat het resultaat van de normale gang van zaken in een democratie.

Spreekster pleit er dan ook voor dat deze Senaat zich bij die amendering zou neerleggen. De tijd die nu nog rest is zeer kort, zeker als men het publiek nog verder wil sensibiliseren. Het hoogtepunt van de Tsoenami-solidariteit is immers reeds achter de rug. Ondertussen zwelt de kritiek aan die stelt dat ook andere regio's in de wereld die steun heel goed kunnen gebruiken. Niemand kan bezwaren hebben tegen het feit dat dat geld wordt gebruikt om de « Milleniumdoelstellingen » na te streven. Dat houdt onder meer in : gelijke kansen voor vrouwen en mannen overal in de wereld, de strijd tegen aids, onderwijs voor alle kinderen, bestrijding van extreme armoede, enz. De uitbreiding van het ontwerp in die zin moet perfect kunnen. De organisaties betrokken bij de Tsoenami- en de 11.11.11-actie zijn sowieso van plan binnenkort acties op te zetten om deze « Milleniumdoelstellingen » bij het grote publiek beter bekend te maken. Het zou aangewezen zijn dat de organisaties die de actie willen steunen, wat meer tijd zouden krijgen. Vandaar dat zij samen met de heer Galand een amendement heeft ingediend om de verenigingen drie maanden extra tijd te bezorgen om de inzameling bekend te maken en te organiseren.

De heer Van Nieuwkerke betreurt dat de wetgever er weer niet in geslaagd is om kort op de bal te spelen. Voorts meent hij dat het steunen van twee verschillende acties met één en hetzelfde ontwerp de sensibilisering van het publiek zal bemoeilijken. Hij vindt dat doodjammer, maar legt zich hierbij neer.

De heer Collas merkt op dat zijn fractie de originele tekst heeft goedgekeurd in de plenaire vergadering van 27 januari 2005. Indien de indieners zelf verklaren het eens te zijn met de door de Kamer geamendeerde tekst, is zijn fractie het ook daarmee eens.

Hij stelt vast dat er nieuwe amendementen zijn ingediend onder meer over de inruilperiode en de comptabilisering van die inspanning. Spreker herhaalt dat de Staat al het werk voor zijn rekening neemt. De burger hoeft alleen zijn oude muntstukken in te leveren, die voor hem geen enkele waarde meer hebben.

De voorzitter geeft aan dat twee van de amendementen, nrs. 3 en 5, van de heer Galand en mevrouw De Roeck onmogelijk kunnen worden aanvaard vanwege strijdig met artikel 64.1 van het Reglement van de Senaat.

De minister verklaart het eens te zijn met dat procedurebezwaar. Over het doel van het ontwerp en het verzoek aan de regering wil hij twee punten toelichten.

Over de voorgestelde werkwijze verklaart de minister in de eerste plaats volstrekt niet gekant te zijn tegen de bedoeling om de bevolking warm te maken voor een aantal doelstellingen en zeker voor de Millenniumdoelstellingen. Hier gaat het echter om oude Belgische muntstukken die thans geen waarde meer hebben. Het ontwerp bepaalt alleen dat wanneer het publiek die stukken binnenbrengt ofwel bij de Post ofwel bij de Nationale Bank, de Staat de tegenwaarde ervan zal storten op de rekening van NGO-programma's aanvankelijk uitsluitend voor de actie-Tsoenami en vervolgens voor de 11.11.11.-actie.

De minister heeft steeds raadzaam gevonden het geld ter beschikking te stellen van veel meer verenigingen. Hij kan evenwel begrijpen dat men in de betrokken periode vooral aandacht heeft gehad voor de rekening 12-12. Het ontwerp is na enkele weken door de Kamer geraakt en er is dan ook een vraag geweest om het ingezamelde geld aan andere verenigingen over te maken. Volgens de minister heeft het geen belang over welke verenigingen het gaat doch wil men hier een regeling uitwerken die weliswaar het project onder de aandacht brengt maar die vrij ingewikkeld is om het begrotingsbedrag te berekenen dat de Staat moet betalen.

Voor de minister is het zeer de vraag of men overheidsgeld wil besteden aan een informatiecampagne om waardeloze muntstukken te laten binnenbrengen. Hij verkiest dat geld onmiddellijk te laten overmaken aan de betrokken verenigingen. Indien het doel erin zou bestaan een informatiecampagne op touw te zetten om het publiek tot een financiële inspanning te brengen, zou de minister daar nog begrip kunnen voor opbrengen. Thans is het echter zo dat de voorgestelde regeling meer dan symbolisch is.

Voorts is het ook nog de vraag welke begrotingsmiddelen de Staat bereid is te besteden om tijdens de volgende maanden het debat te begeleiden en de nodige informatie te verstrekken over de Millenniumdoelstellingen.

De minister meent dat het publiek reeds zeer vrijgevig is geweest in het kader van de actie-Tsoenami. Volgens hem kan datzelfde publiek geen begrip opbrengen voor een puur symbolische inspanning die erin bestaat waardeloze muntstukken in te leveren ook wanneer de Staat zorgt voor een gelijklopende inspanning. Is het niet raadzaam dat bedrag onmiddellijk op de begroting op te voeren ?

Wat nu de begunstigden betreft, wordt de minister gesterkt in zijn overtuiging dat het logischer zou zijn dat bedrag op te voeren op een post van de federale begroting inzake ontwikkelingssamenwerking en nadien te beslissen het volgens vast te stellen criteria toe te wijzen aan de betrokken verenigingen.

De minister merkt op dat in dit geval een aantal burgers die hun muntstukken binnenbrengen, zullen beslissen hoeveel de anderen als belastingplichtigen ter beschikking moeten stellen van de Ontwikkelingssamenwerking.

De minister verklaart evenwel niet gekant te zijn tegen een amendement, dat het toepassingsgebied nog wil aanpassen. Het begrotingsaspect zal hij aan zijn collega's nog voorleggen tijdens de begrotingscontrole. De minister spreekt evenwel de vrees uit dat de reclamecampagne nog duurder zal uitvallen dan de actie opbrengt.

Mevrouw De Roeck verklaart dat de indieners de regering niet vragen om een heel dure campagne te voeren. Het is vooral hun eigen taak om ervoor te zorgen de juiste mensen te sensibiliseren. De Nationale Bank heeft trouwens reeds heel wat stappen ondernomen.

Ten aanzien van de heer Van Nieuwkerke stelt mevrouw De Roeck dat zij eveneens de gang van zaken in dit dossier betreurt. De signalen om de opbrengst van de actie met nog andere organisaties te delen worden echter ook door de deelnemers aan de Tsoenami 12-12 zelf gegeven. Zo heeft Artsen zonder Grenzen bekendgemaakt meer dan voldoende geld te hebben ontvangen voor de noodhulp die zij in de getroffen regio denken te verlenen en dat zij het overschot aan andere acties zullen besteden. De politiek kan dat signaal niet negeren.

Mevrouw De Roeck betreurt dat de Senaat de termijn niet meer kan verlengen. Daarmee vervalt dus het voor haar belangrijkste amendement. Ze hoopt evenwel dat de Kamer die termijn wel nog kan verlengen.

Volgens senator Galand is de opmerking van de minister over de kostprijs van de campagne van ondergeschikt belang. Wel belangrijk zijn publieke steunbetuigingen van de minister en de regering om het grote publiek op de hoogte te brengen. Uiteraard hoopt de spreker op een enorme opbrengst, maar vroegere ervaringen hebben hem geleerd dat de regering niet bang moet zijn voor een onverwachte en enorme budgettaire tegenvaller ten gevolge van dit voorstel. Verder wijst hij er op dat de regering er zich toe verbonden heeft jaarlijks de drempel van 0,7 % te halen, en dus is elke inspanning welkom. Hij sluit zich ten slotte aan bij mevrouw De Roeck en onderstreept het gewicht van de spoedige goedkeuring van dit wetsvoorstel. Hij trekt daarom zijn amendementen in.

De heer Beke brengt het ontstaan van het wetsvoorstel in herinnering : het is er gekomen op vraag van verenigingen en organisaties die de Tsoenami-actie wensten te kunnen verlengen. De overheid wordt niet gevraagd om een nieuwe, dure campagnes te lanceren. Om de verenigingen de nodige rechtszekerheid te bieden is de goedkeuring van het voorliggend voorstel echter noodzakelijk. Om die reden maakt de senator geen bezwaar tegen de toevoeging van de organisatie 11.11.11 aan het ontwerp. Een snelle stemming is immers cruciaal.

Mevrouw Kapompolé is tevreden over de amendering van het ontwerp door de Kamer die overeenstemt met wat zij met haar amendement nr. 2 had willen bereiken. Zij benadrukt dat zij daarmee enkel wenste te bereiken dat er niet alleen aandacht wordt geschonken aan de Tsoenami-ramp maar ook aan vele andere problemen.

De heer Dedecker licht kort zijn amendement nr. 6 (zie stuk senaat nr. 3-991/8) toe. In eerste instantie meent hij dat het door de Kamer toegevoegde amendement de oorspronkelijke doelstelling, namelijk het beperken van de actie tot de gevolgen van de tsoenami, uitholt. Hij is het er echter mee eens dat de schenkingen tengevolge van de vloedgolf de schenkingen ten voordele van Afrika negatief beïnvloeden, maar dit wordt niet opgelost door enkel 11.11.11 toe te voegen aan de lijst van verenigingen. Daarom stelt hij voor de opbrengst te verdelen over alle NGO's.

De heer Willems merkt op dat hij reeds bij de eerste bespreking van het ontwerp bedenkingen had over mogelijke discriminatie. Ongeacht de bijzondere omstandigheden die het ontstaan van het voorstel verklaren, blijft de senator het moeilijk hebben om de opbrengst van de actie voor te behouden aan slechts enkele organisaties en verenigingen.

De senatoren Beke, De Roeck en Collas begrijpen het standpunt van de heer Dedecker, maar benadrukken dat een snelle instemming met de tekst van de Kamer noodzakelijk is om nog resultaat te kunnen boeken op het veld.

De voorzitter merkt op dat ingevolge artikel 79, laatste lid, van de Grondwet, de Kamer het ontwerp alsnog kan amenderen om de periode van inwisseling te verlengen.

III. STEMMINGEN

De amendementen 3 tot 5 worden ingetrokken.

Amendement 4 op artikel 2 wordt aangenomen met 7 tegen 5 stemmen bij 1 onthouding.

Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteurs voor het uitbrengen van een mondeling verslag.

De rapporteurs, De voorzitter,
Berni COLLAS.
Joëlle KAPOMPOLÉ.
Jean-Marie DEDECKER.

Tekst aangenomen door de commissie
(zie stuk Senaat, nr. 3-991/10 - 2004/2005)