3-1040/1

3-1040/1

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

17 FEBRUARI 2005


Wetsvoorstel met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid en de representativiteit van de vakverenigingen

(Ingediend door de heer Michel Delacroix)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel heeft een dubbel doel. Het beoogt eensdeels in ons positief recht een anomalie weg te werken die tot stand is gekomen in omstandigheden die thans tot het verleden behoren en anderdeels voor de werknemers een echte vrije keuze van vakbond te waarborgen, want die vrije keuze hebben ze nu niet.

De werknemersverenigingen die aan het begin van de 20e eeuw werden opgericht hebben, uit een wantrouwen dat vandaag volledig achterhaald is, de statuten van beroepsvereniging en vereniging zonder winstoogmerk die de toenmalige wetgever ze ter beschikking had gesteld, niet willen aannemen.

Door de plaats die de vakbonden in het huidige economisch en sociaal bestel bekleden, mogen ze zich niet langer beroepen op de terughoudendheid waarvan ze ten tijde van hun oprichting blijk hebben gegeven. Op het vlak van de fundamentele rechtsbeginselen lijkt het derhalve zeer wenselijk dat de bestaande vakbonden, in hun eigen belang en in het belang van hun leden, rechtspersoonlijkheid krijgen die de dubbelzinnigheden van hun huidig statuut kan wegwerken. Zulks is des te meer noodzakelijk omdat de fondsen die de bestaande vakbonden beheren en die voortkomen uit de bijdragen van hun leden en uit overheidssubsidies, van hen belangrijke financiële spelers maken, die echter niet onderworpen zijn aan elementaire regels van boekhoudkundige controle, terwijl de kleinste vzw of handelsvennootschap almaar strengere verplichtingen krijgen opgelegd.

Het lijkt zowel voor hun gesprekspartners als voor hun leden heel billijk dat voor de vakverenigingen boekhoudkundige transparantie geldt, die ze moeten naleven door, naar het voorbeeld van iedere aansprakelijke representatieve instantie, rechtspersoonlijkheid te verkrijgen.

Er zij trouwens op gewezen dat in een analoog wetsvoorstel (stuk Kamer, nr.326/1 — 1995/1996), dat in 1995 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend door de heer Vandenhaute c.s., eveneens uiting werd gegeven aan de volgende terechte bezorgdheid : « Doordat er voor de vakverenigingen en hun beheer geen wettelijke regeling bestaat, staan de leiders van de vakverenigingen bloot aan verleiding en druk. ».

Voorts hebben de vakbonden als gevolg van de historische omstandigheden thans in tal van opzichten een wettelijk alleenrecht, terwijl ze in meer of mindere mate maar ontegenzeglijk de emanatie of op zijn minst de partners zijn van de traditionele socialistische, liberale en christen-democratische partijen.

Een dergelijk alleenrecht kan op generlei wijze nog worden gerechtvaardigd. Het lijkt zelfs haaks te staan op de evolutie van de huidige samenleving, die de fundamentele vrijheden bevordert, waaronder de vrijheid van vereniging en de strijd tegen elke vorm van discriminatie.

Volgens de indiener van dit wetsvoorstel moet de vakbondswereld worden opengesteld voor iedere werknemersvereniging die voldoet aan een minimum aantal criteria en die politiek neutraal is of banden heeft met andere gedachtesystemen dan die van de oude historische partijen.

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 1

Met dit artikel wordt tegemoet gekomen aan de wetgevingstechnische wens van de Raad van State.

Artikel 2

Dit artikel bepaalt welke rechtsvormen de organisaties die de werknemers vertegenwoordigen, mogen hebben.

Artikel 3

Dit artikel stelt de termijn vast waarover de bedoelde organisaties beschikken om een van beide bij artikel 2 bepaalde rechtsvormen aan te nemen.

Artikel 4

Dit artikel bepaalt de straffen die van toepassing zijn op wie de aan de vakbonden opgelegde verplichting niet nakomt om een van beide bij artikel 2 bepaalde rechtsvormen aan te nemen.

Artikel 5

Die maatregel beoogt een versoepeling van de voorwaarden inzake representativiteit die bij de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven worden opgelegd aan de vakbonden, in het kader van hun deelneming aan de ondernemingsraden. Dat gebeurt door het aantal vereiste leden te verlagen en door de verplichting om in de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad te zijn vertegenwoordigd af te schaffen.

Artikel 6

Die maatregel heeft tot doel de bij de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités aan de vakbonden opgelegde voorwaarden inzake representativiteit te versoepelen. Dat gebeurt door het aantal vereiste leden te verlagen en door de verplichting om in de Centrale raad voor het bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad te zijn vertegenwoordigd af te schaffen.

Artikel 7

Die bepaling is niet langer gerechtvaardigd zo de vakbonden rechtspersoonlijkheid bezitten.

Artikelen 8 en 9

Die maatregelen strekken tot een versoepeling van de voorwaarden inzake representativiteit die aan de vakbonden worden opgelegd bij de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Dat gebeurt door het aantal vereiste leden te verlagen en door de verplichting om in de Nationale Arbeidsraad te zijn vertegenwoordigd af te schaffen.

Michel DELACROIX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Alle vakverenigingen en alle verenigingen opgericht voor het onderzoek, de bescherming en de ontwikkeling van de beroepsbelangen van hun leden, moeten de vorm aannemen van een der hierna volgende verenigingen :

1º de beroepsvereniging, zoals die is geregeld bij de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen;

2º de vereniging zonder winstoogmerk, zoals die is geregeld bij de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.

Art. 3

De in artikel 2 omschreven vakverenigingen en verenigingen, opgericht vóór de inwerkingtreding van deze wet, beschikken vanaf die inwerkingtreding over een termijn van zes maanden om zich te conformeren aan de bepalingen van artikel 2. Deze termijn kan bij koninklijk besluit worden verlengd voor twee termijnen van zes maanden, hetzij bij algemene maatregel, hetzij bij bijzondere maatregel ten aanzien van uitdrukkelijk vermelde vakverenigingen of verenigingen.

Art. 4

Bij elke overtreding van de in artikel 2 vervatte bepalingen worden zowel de leden van de vakverenigingen en van de verenigingen als de leiders ervan gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van één euro tot honderd euro.

Bovendien kunnen de leiders overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek worden veroordeeld tot ontzetting van de uitoefening van bepaalde rechten.

Art. 5

In artikel 14, § 1, 4º, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) het punt a) wordt vervangen als volgt :

« a) de interprofessionele werknemersorganisaties die ten minste 5 000 leden tellen; »;

B) het punt b) wordt aangevuld als volgt : « , alsmede de professionele organisaties die ten minste 500 leden tellen; ».

Art. 6

In artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) het punt 1º wordt vervangen als volgt :

« 1º de interprofessionele organisaties van werknemers en van werkgevers; de werknemersorganisaties moeten bovendien ten minste 5 000 leden tellen; »;

B) het punt 2º. wordt aangevuld als volgt : « , alsmede de vakorganisaties die ten minste 500 leden tellen; ».

Art. 7

Artikel 4 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 8

Artikel 7, 3º, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel wordt vervangen als volgt :

« 3º ten minste 1 500 leden telt. ».

Art. 9

Artikel 8, § 1, 2º, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« 2º onverminderd het 1º, elke erkende vakorganisatie die tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :

a) zij verdedigt de belangen van al de categorieën van het personeel van de diensten welke onder het comité ressorteren;

b) het aantal bijdrageplichtige leden ervan vertegenwoordigt ten minste 5 % van de personeelssterkte van de diensten welke onder het comité ressorteren. ».

20 december 2004.

Michel DELACROIX.