(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De tekst van deze vraag is dezelfde als die van vraag nr. 3-1659 ann de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, die hiervoor werd gepubliceerd.
Antwoord : Ik heb de eer aan het geachte lid ter kennis te brengen dat de werkzaamheden van 6 mei en van 19 juni 1952 van de commissie Financiėn van de Senaat in het kader van de bespreking van de wet van 9 maart 1953 waarmee sommige aanpassingen werden doorgevoerd inzake militaire pensioenen en kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging werd verleend voor de militaire invaliden van vredestijd (MIV) duidelijk aangeven hoe de pensioenen van deze categorie van personen dienen te worden behandeld en wat de toe te passen beschikkingen zijn inzake de ten laste neming van de gezondheidszorgen.
Wat de pensioenen betreft, vond de commissie het billijk dat de MIV op dezelfde manier zouden behandeld worden als de oorlogsinvaliden.
Anderzijds heeft de commissie wat de problematiek van de gezondheidszorgen betreft, akte genomen van de tekst van het wetsontwerp en ermee volstaan op te merken dat : « ... een artikel wordt ingelast waarmee aan de begunstigden van de wet genees- en artsenijkundige verzorging ten laste van de Staat wordt toegekend ».
Wanneer men de tekst van artikel 5 van het bewuste wetsontwerp onderzoekt, kan men gemakkelijk vaststellen dat het luidt als volgt : « De militaire invaliden waarvan de invaliditeit te wijten is aan een schadelijk feit dat zich in vredestijd heeft voorgedaan, ontvangen op kosten van de Staat hun hele leven genees- en artsenijkundige verzorging, hospitalisatie, protheseapparaten en andere vereist door de ziekten of verwondingen waarvoor hun het pensioen werd verleend ... »
Het zal het geachte lid niet ontgaan zijn dat de tekst die aldus door de commissie werd onderzocht — en die in haar ogen blijkbaar voldeed daar hij enkel het voorwerp uitmaakte van een kennisneming van drie lijnen in een tekst van vier bladzijden — exact deze is die vervolgens door de Kamers werd goedgekeurd.
Op grond van wat voorafgaat, zie ik mij verplicht te constateren dat de wet van 9 maart 1953, niettegenstaande de door de wetgever gewenste gelijkheid voor wat de pensioenen van de MIV en de oorlogsslachtoffers aangaat, voor het geval van de MIV de ten laste neming van de gezondheidszorgen voorbehoudt voor de causale aandoening die bepalend is voor het pensioen en geenszins de algemene ten laste neming van alle uitgaven voor de gezondheid van de MIV beoogt.
Ik voeg hier zonodig aan toe dat de gelijkheid van behandeling tussen de MIV en de oorlogsslachtoffers door de wetgever op losse schroeven werd gezet door de wet van 8 juli 1970 die de ratio tussen de pensioenen van de MIV en deze van de oorlogsslachtoffers definitief heeft vastgelegd, behoudens uitzonderingen, op 80/100. Deze wijziging heeft geen enkele invloed gehad op de modaliteiten voor de ten laste neming van de gezondheidszorgen voor de MIV.
Voor het overige maken de eisen van de MIV momenteel het voorwerp uit van een beoordeling door mijn diensten.