3-73

3-73

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 15 JULI 2004 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsvoorstel tot aanvulling van het Strafwetboek met een hoofdstuk over doodslag en lichamelijk letsel door toedoen van gezelschapsdieren (van de heer Francis Poty, Stuk 3-126)

Voorstel tot terugzending

De heer Hugo Coveliers (VLD). - De bedoeling van de indiener van deze tekst is lovenswaardig, namelijk beletten dat dieren mensen kwetsuren, soms zelfs dodelijke kwetsuren, toebrengen. Het middel om dit doel te bereiken is echter totaal verkeerd. De indiener probeert dit te realiseren via het strafrecht, dat in onze democratische rechtsorde geënt is op het strafbaar stellen van daden of nalatigheden. Hierop is maar één uitzondering: in geval van racisme en negationisme worden ook opinies strafbaar gesteld. Voor het overige kent het algemene en het bijzondere strafrecht alleen de verantwoordelijkheid van daders.

Dat zegt ook de dienst Wetsevaluatie van de Senaat, die naar mijn gevoel een zeer degelijk advies over het voorstel heeft uitgebracht. Ik citeer uit het advies. "Het voorstel lijkt ervan uit te gaan dat incidenten met honden niet onder de bepalingen van titel VIII van het Strafwetboek vallen. Is dat correct?" Ik vind het antwoord niet in het verslag. Volgens mij zijn er wel degelijk vonnissen en arresten waarin gesteld wordt dat iemand die een dier aanzet tot agressie, die nalatig is bij de bewaking van een dier, onder titel VIII, hoofdstukken I en II, kan vallen.

"Of is het de bedoeling om een afwijkend regime in te voeren voor `slagen en verwondingen' met dieren, of nog een soort objectieve aansprakelijkheid voor de `verantwoordelijke' voor het dier?", vraagt de dienst Wetsevaluatie zich af. Ik heb geen probleem met de invoering van objectieve aansprakelijkheid voor de verantwoordelijke voor een dier. Dat kan evenwel niet via het strafrecht. Het bestaat reeds in het burgerlijk recht. In het burgerlijk recht is de eigenaar of - zoals het Hof van Cassatie zegt - de meester van het dier aansprakelijk. Het kan dus ook de persoon zijn die een paard berijdt in een manege, ongeacht wie de eigenaar ervan is.

Nu brengt de indiener die aansprakelijkheid onder in titel VIII van het Strafwetboek. Aanvankelijk stond het onder de artikelen 556 en 559 van het Strafwetboek, waarover mevrouw De Schamphelaere in de commissie terecht opmerkte dat ze afgeschaft zijn. Titel VIII gaat over misdrijven en wanbedrijven tegen personen. Hoofdstuk I gaat over het opzettelijk doden, moord, doodslag en opzettelijke slagen en verwondingen die de dood tot gevolg hebben, en hoofdstuk II over onopzettelijk doden. De indiener voegt een hoofdstuk IIbis in, dat gaat over doodslag en lichamelijk letsel door toedoen van gezelschapsdieren. Net voor dat nieuwe hoofdstuk staan artikel 422, dat gaat over het veroorzaken van een treinongeval door het trekken aan de noodrem, en artikel 422bis, over de gevallen van schuldig verzuim, dat bepaalt dat iemand veroordeeld kan worden omdat hij geen hulp verleent wanneer hij daartoe gehouden is.

De indiener maakt een onderscheid tussen het opzettelijk veroorzaken van iemands dood door toedoen van een gezelschapsdier en het onopzettelijk veroorzaken van de dood. Houdt dat in dat de begrippen `opzettelijk' en `onopzettelijk', die geënt zijn op de mens als dader, nu worden toegepast op het dier? Als het ging om een wapen zou deze vraag niet kunnen gesteld worden, maar hier gaat het om een levend wezen.

Ik lees in het verslag dat het slachtoffer niets meer hoeft te bewijzen, maar dat het parket hiermee wordt belast. Ik zou het standpunt van de minister van Justitie daarover willen horen. De beleidsnota van de minister van Justitie vermeldt nergens de problematiek van de gezelschapsdieren en van de letsels die ze kunnen veroorzaken. Ik vind het ook niet normaal dat het parket, dat zovele misdrijven - die overigens ook verjaren - moet behandelen, daarmee wordt opgezadeld. De indiener had er beter aan gedaan de objectieve aansprakelijkheid in te voeren.

Ik hoop dat de Senaat beseft dat dit voorstel het aantal assisenzaken zal doen toenemen. Als een hond iemand doodbijt, zal de zaak voor het assisenhof moet komen. Het gaat immers om gevangenisstraffen tot 30 jaar. Als ik als advocaat een cliënt met zo'n zaak krijg, zou ik eisen dat de zaak voor het assisenhof komt. Wat zal een rechter of jury overigens doen als de verdachte de artikelen 70 en 71 van het Strafwetboek inroept en verklaart dat het dier handelde onder een drang die het niet kon weerstaan? Recentelijk is een West-Vlaamse man die dit argument inriep, vrijgesproken.

Ik loof de bedoeling van de heer Poty. Als we het voorstel goedkeuren, dreigen we ons echter belachelijk te maken. Ik stel voor het voorstel terug te sturen naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zodat de commissie een advies kan vragen aan de commissie voor de Justitie. Ik zie in het verslag dat de commissie dit had willen doen, maar dat de tijd daartoe ontbrak.

Ik geef nog een voorbeeld. Een persoon kan ook veroordeeld worden als een gezelschapsdier, een kat bijvoorbeeld, onopzettelijk iemand lichamelijk letsel toebrengt. De eigenaar kan daar, conform de hoofdstukken I en II, Boek II, titel VIII, van het Strafwetboek, twee jaar voor krijgen. Ter vergelijking: de maximumstraf voor mensensmokkel is zes maanden.

De bedoeling is edel, maar laten we het voorstel in de commissie nog eens rustig bekijken. We gaan toch geen mensen in de gevangenis steken omdat een dier iemand onopzettelijk heeft gekwetst. In een gevangenis moeten gevaarlijke mensen en recidivisten worden opgesloten. Als een hond iemand onopzettelijk gebeten heeft, moeten we de eigenaar ervan toch niet opsluiten.

M. Philippe Mahoux (PS). - Je répondrai aux arguments qui viennent d'être développés. Mais pourquoi des amendements ne sont-ils pas déposés en fonction de ceux-ci ?

Ce serait plus simple si l'intention était bien d'arriver à une certaine perfection juridique pour des textes qui sont pourtant en discussion en commission des affaires sociales depuis un certain temps.

Mme Christine Defraigne (MR). - Nous avons déposé des amendements en commission mais vous n'en avez pas tenu compte !

De voorzitter. - De bespreking moet ordelijk verlopen. We hebben het voorstel tot terugzending van de heer Coveliers gehoord.

Ik geef het woord aan mevrouw Defraigne. Mevrouw, u mag uw mening geven zowel over het wetsvoorstel als over het voorstel tot terugzending naar de commissie.

Mme Christine Defraigne (MR). - En commission, nous avons voté contre la proposition parce qu'on n'a pas tenu compte de nos diverses remarques. Nous avons déposé des amendements, qui ont été balayés alors qu'ils avaient pour objectifs de répondre aux objections d'incohérence juridique fondamentale de cette proposition et de tenir compte des remarques très pertinentes formulées par le service d'évaluation de la législation.

La proposition de M. Poty procède, comme M. Coveliers l'a souligné, d'une intention louable mais elle aurait dû être adaptée à la logique des dispositions du code pénal et non être adoptée dans la précipitation.

Nous nous sommes opposés d'emblée à deux des quatre incriminations proposées par M. Poty. M. Poty créait au départ quatre infractions : la mort et les lésions corporelles volontaires et la mort et les lésions corporelles involontaires causées par l'intermédiaire d'un animal de compagnie.

Nous avons critiqué les infractions de mort involontaire et les lésions corporelles involontaires. En effet, nous pensons que la proposition va trop loin car elle ne vise pas seulement les propriétaires malveillants ou irresponsables. Elle s'applique aussi à des cas « limites » comme celui d'un voleur qui se fait mordre par le chien du cambriolé, ou celui du petit voisin de deux ans qui tire sur la queue du chien ou du chat et se fait mordre ou griffer. Et voilà le propriétaire de l'animal mis au banc d'infamie sur le même pied que l'assassin ou le meurtrier !

La proposition nous apparaissait donc comme ayant un champ d'application trop large.

Pour sa part, le service d'évaluation de la législation s'était également montré assez critique en estimant que la proposition était difficilement compatible avec la structure logique du code pénal. La logique de ce code est d'établir une hiérarchie dans la qualification des faits incriminés.

C'est ainsi que, par ordre décroissant de gravité, le code pénal établit les qualifications pénales suivantes : l'assassinat ou meurtre avec préméditation, le meurtre ou homicide commis avec intention de donner la mort mais sans préméditation, les lésions corporelles volontaires faites sans intention de donner la mort mais ayant entraîné celle-ci, les lésions corporelles volontaires ayant entraîné une maladie incurable, une incapacité permanente de travail, la perte d'un organe, une mutilation grave, une maladie ou une incapacité de travail temporaires ou encore n'ayant entraîné ni maladie, ni incapacité de travail. Il classe ensuite les lésions corporelles involontaires ayant entraîné la mort et celles n'ayant pas entraîné la mort.

Dans notre code pénal, à cette hiérarchie dans la gravité des faits correspond une hiérarchie équivalente des peines. C'est, en fait, cette correspondance qui ne se retrouve pas dans la proposition de M. Poty.

L'auteur de la proposition a voulu tenir compte des critiques émises et a lui-même déposé des amendements remaniant sa proposition. Si l'on me permet une comparaison avec le langage du rugby, je dirais que, malheureusement, cet essai n'a pas été transformé.

Les amendements visent à supprimer la mort involontaire tout en maintenant la mort causée volontairement, ce qui est légitime. Mais cela aboutit à une profonde incohérence.

Il y a là aussi une double incohérence, le Code pénal envisageant deux éventualités distinctes, à savoir la mort et les blessures, d'une part, et la notion d'acte volontaire et d'acte involontaire, d'autre part.

Comme M. Coveliers l'a rappelé, classer ces mesures parmi les sanctions au chapitre 2 du Code pénal, chapitre qui traite de l'homicide et des lésions corporelles involontaires, et y intégrer la mort qui serait infligée volontairement rend les choses ingérables.

Par ailleurs, l'article 422 sexies, en faisant référence aux dispositions du chapitre 1 du titre 8 pour la détermination des peines à appliquer, précise expressément que lesdites peines doivent être celles prévues pour l'assassinat et le meurtre. Dès lors, toute personne ayant volontairement occasionné la mort d'autrui par l'intermédiaire d'un animal est un assassin ou un meurtrier. Vraiment aucune nuance n'est apportée dans les intentions.

Je pense que l'on a travaillé dans la précipitation, sans se préoccuper de la cohérence. La conséquence est le détricotage de toute une logique. À mes yeux, il eût été judicieux de traiter cette matière, qui concerne le Code pénal, en commission de la Justice ou, à tout le moins, de tenir compte des remarques que nous avions formulées et des amendements que nous avions déposés.

La solution préconisée, soit le renvoi de la proposition de loi en commission de la Justice, est tout à fait justifiée.

Si aucune majorité ne se dégage dans ce sens, je crois qu'adopter cette proposition en l'état actuel ne sert pas notre institution, même si cela part d'un bon sentiment. Nul n'ignore que l'enfer est pavé de bonnes intentions. En outre, comme M. Coveliers l'a dit, nous serions couverts de ridicule. Si le ridicule ne tue pas, certains animaux de compagnie tuent.

Je préférerais donc que l'on suive la suggestion de M. Coveliers. Sinon je serai au regret de voter contre la proposition.

M. Christian Brotcorne (CDH). - Cette proposition de loi suscite manifestement des difficultés malgré son approbation en commission des Affaires sociales. Je ne peux que redire l'attitude qui a été celle du CDH lors de la discussion de cette proposition. Nous nous sommes effectivement posé la question de savoir si les objectifs que souhaitait rencontrer M. Poty ne figuraient pas déjà dans notre arsenal juridique, notamment dans le Code pénal, lorsqu'il évoque les agressions animales, mais aussi dans le Code civil, par référence à la responsabilité générale sur la base des articles 1382 et suivants. Je m'étonne dès lors que les difficultés semblent, aujourd'hui seulement, prendre corps dans l'esprit de certains.

Je me rallie néanmoins aux propos de M. Coveliers et de Mme Defraigne, en ce qui concerne, non seulement les considérations juridiques mais aussi celles qui concernent la manière dont les travaux étaient envisagés au sein de la commission des Affaires sociales. D'autres propositions étaient sur la table. Certaines ont été rédigées dans l'intervalle et avaient l'avantage de faire un tour beaucoup plus complet de la question.

Je me souviens, monsieur le ministre, que vous nous aviez suggéré, et promis ensuite, d'élaborer un texte beaucoup plus général qui aborde l'ensemble de la problématique liée aux animaux de compagnie. C'était peut-être une perspective souhaitable à envisager.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Er zijn inderdaad verschillende wetsvoorstellen ingediend over het probleem van de gevaarlijke honden. De commissie heeft zich driemaal over het onderwerp gebogen en beslist dat het voorstel van de heer Poty eigenlijk los staat van de andere voorstellen die veeleer van preventieve aard zijn. De discussie zal in het najaar worden voortgezet; de commissie heeft adviezen gevraagd en de minister heeft een nota aangekondigd.

De commissie heeft beslist dat ze het voorstel van de heer Poty afzonderlijk zou behandelen en heeft inderdaad rekening gehouden met het vertrek van de heer Poty als gemeenschapssenator, maar daarom moet het niet worden gezien als een afscheidscadeau. We hebben dit wetsvoorstel ernstig besproken en de nodige adviezen gevraagd. Ik hoor juridisch onderlegde senatoren zeggen dat het voorstel niet voldoet. Dat kan, maar dat is nog geen reden om de commissie favoritisme of een verkeerde aanpak te verwijten.

M. Christian Brotcorne (CDH). - En tout cas, ce texte ne semble plus faire l'unanimité. J'ai entendu l'appel lancé pour le renvoi en commission des Affaires sociales. J'estime que ce serait une bonne décision. Si une majorité devait décider de maintenir le texte et de le soumettre au vote, compte tenu des éléments que nous avons évoqués en commission et de nombreux arguments qui ont été développés sur le plan juridique et qui emportent notre assentiment, nous ne voterions pas le texte tel qu'il est proposé et nous nous abstiendrions.

Nous aurions intérêt à renvoyer cette proposition de loi à la commission et à envisager la suite à donner à cette problématique d'une manière plus générale, comme l'a d'ailleurs lui-même suggéré le ministre des Affaires sociales.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Steeds meer mensen en ook jonge kinderen worden door honden zwaar gewond of zelfs gedood. De CD&V-fractie is van oordeel dat daarbij niet alleen de burgerlijke aansprakelijkheid moet kunnen worden ingeroepen, maar ook een beroep moet kunnen worden gedaan op het strafrecht. Om het voorstel in een ruimere context te kunnen plaatsen, lijkt het ons raadzaam nogmaals naar de wijze raad van de commissie voor de Justitie te luisteren. Wij zijn in elk geval overtuigd van het belang van strafrechtelijke beteugeling.

M. Philippe Mahoux (PS). - Je voudrais tout d'abord rendre hommage à M. Poty qui est parti sous d'autres cieux et qui profite d'une retraite bien méritée. Il a effectivement le mérite d'avoir déposé une proposition de loi très importante quand on connaît les dégâts que certains animaux de compagnie occasionnent à des humains. Ce sont des problèmes auxquels nous sommes confrontés tant en ville qu'en région rurale.

Je tiens ensuite à rendre hommage à la commission des Affaires sociales et à sa présidente. La manière dont on aborde ce problème comme s'il y avait des collègues experts et d'autres qui le seraient moins ne me semble pas admissible. Madame la présidente et la plupart des membres de votre commission, soyez assurés de notre confiance. Vous faites un bon travail et il est un peu particulier, de critiquer le travail d'une commission alors qu'on n'en fait pas partie.

Enfin, j'ai souvenance que Caligula avait décidé de transformer son cheval, d'abord en humain puis, en sénateur et en consul. Je me demande même si Caligula n'avait pas décidé d'inscrire son cheval au Panthéon latin ! Alors, monsieur Coveliers, je m'étonne quand j'entends dire que ce serait l'animal qui subirait la peine. Comme s'il s'agissait de donner une personnalité juridique à un animal ! Soyons clairs : il est évidemment question ici de la responsabilité pénale du propriétaire du chien. Il peut dès lors y avoir des inculpations, des incriminations pour défaut de précaution ou pour agression perpétrée par un animal considéré comme un instrument, une arme dans les mains de son propriétaire. À moins, monsieur Coveliers, que l'on ne tente de donner la personnalité juridique à votre animal de compagnie, si vous en avez un !

Cela étant, le texte comporte peut-être des imperfections, mais il concerne un problème ancien qu'il ne faudrait pas laisser traîner : les agressions par des animaux de compagnie sont en effet une réalité. Dès lors, la commission des Affaires sociales peut, en son pouvoir discrétionnaire, à sa propre demande et non à la demande d'un membre d'une autre commission, réexaminer le problème, requérir d'autres avis, améliorer le texte et rassurer M. Coveliers. Pour ma part, je n'y verrais aucune objection. Cette question relève en effet de la responsabilité de la commission des Affaires sociales, c'est pourquoi, je souhaiterais entendre Mme Van de Casteele, la présidente de la commission.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Als lid van de commissie, waarin blijkbaar te weinig juristen zitting hebben, wil ik namens onze fractie onze gehechtheid aan dit wetsvoorstel uitspreken. Het is niet omdat de heer Coveliers opmerkingen heeft geformuleerd die overigens terecht waren, dat hij niet overtuigd is van de noodzaak van een wettelijke regeling terzake.

Als vader, jogger en arts werd ik al meermaals geconfronteerd met de nalatigheid van bezitters van dieren. Veel te vaak verklaren ze dat hun dier niets doet terwijl ze wel weten dat het gevaarlijk kan zijn. De voorziene straffen zijn niet te zwaar. De rechter heeft overigens altijd de mogelijkheid een lichte straf uit te spreken als hij dat noodzakelijk acht.

De heer Coveliers gaat volgens mij wel erg ver in het toedichten van handelsbekwaamheid aan dieren. In zijn denkrichting verder gaand, zou de persoon die iemand voor de leeuwen gooit kunnen worden vrijgepleit met als argument dat de leeuwen een onweerstaanbare drang volgen.

Ik benadruk dat we het wetsvoorstel steunen, maar vanzelfsprekend bereid zijn het advies van de commissie voor de Justitie in te winnen over mogelijke verbeteringen van de formulering van de strafmaat.

De heer Hugo Coveliers (VLD). - Niet-juristen kunnen over heel wat materies met meer kennis van zaken spreken dan ik. Maar in dezen wil ik toch wijzen op het onderscheid tussen enerzijds het straffen van een dader voor zijn daden en nalatigheden en anderzijds het straffen van iemand omdat hij een dier bezit. De bezitter van een dier kan burgerlijk aansprakelijk worden gesteld voor wat zijn dier verkeerd doet, maar toch niet gestraft worden voor onopzettelijk letsel toegebracht door een dier. Het gaat niet aan iemand twee jaar gevangenisstraf op te leggen voor wat zijn dier onopzettelijk doet. Waar moet dit heen?

M. Michel Delacroix (FN). - L'intervention de M. Coveliers était tout à fait pertinente. C'est la structure du texte qui me paraît inacceptable et non l'un ou l'autre amendement. À cet égard, la section de législation du Sénat a émis un avis relativement cinglant en parlant d'incohérence du code pénal. En ce qui me concerne, j'estime que l'adoption de ce texte, même modifié, romprait la cohérence générale de nos règles de responsabilité civile et de responsabilité pénale.

En matière de réparation, l'article 1385 du code civil n'édicte pas à proprement parler une responsabilité objective mais il retient la responsabilité automatique de la personne qui, aux termes de la jurisprudence, est le gardien de l'animal. La proposition avancée par la commission reprend une définition du propriétaire ou du gardien différente de celle de l'article 1385. Nous risquons donc de nous retrouver devant les mêmes tribunaux avec des définitions discordantes du responsable au civil et au pénal, ce qui me paraît très dangereux.

En outre, il résulte de la discussion relative à l'article 2 qui s'est déroulée en commission que les tribunaux ne disposeraient pas d'outils leur permettant de sanctionner le propriétaire d'un animal qui aurait occasionné un dommage. Sur le plan des dommages intentionnels, la loi ne définit peut-être pas l'animal tel quel mais de très nombreuses dispositions précisent que l'utilisation d'une arme est considérée comme circonstance aggravante.

La jurisprudence, parfaitement constante, établit que l'arme, quand il s'agit d'un chien, est le chien. Il suffit que l'animal ait servi d'arme. Le code pénal est donc suffisant quand il est question d'une intention délibérée de nuire.

Nous avons aussi abondamment parlé du dommage involontaire. À ce sujet, ceux qui pensent que le code pénal ne permet pas de sanctionner le propriétaire se trompent lourdement. Les articles 418 et 420 du code pénal assimilent le défaut de prévoyance et de précaution - la Cour de cassation est constante - à la faute mentionnée à l'article 1382 du code civil régissant la responsabilité aquilienne. Conformément à cet article 1382, le propriétaire et le gardien peuvent même être cumulativement poursuivis en raison d'un défaut de surveillance, d'une intention de nuire dans le dressage ou d'une négligence dans l'éducation de l'animal. Au pénal, les tribunaux ont donc bien la faculté de sanctionner le propriétaire, le gardien ou l'usager occasionnel, même cumulativement, ce que la proposition de loi ne prévoit pas.

Enfin, pourquoi se limiter aux animaux de compagnie ? L'article 1385 n'édicte aucune limitation de cet ordre. Nous aboutirions à une nouvelle incohérence de fait, le propriétaire d'un canari qui aurait picoré le doigt de quelqu'un tomberait sous le coup de la loi pénale nouvelle que l'on voudrait instituer tandis qu'un éleveur de vipères qui aurait l'intention de les lâcher dans la foule y échapperait ! Cette proposition de loi part d'une intention certes parfaitement louable. Il y a certainement quelque chose à faire en la matière mais pas ce qui nous est proposé.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Wanneer het over dieren gaat, is de belangstelling altijd zeer groot. Dat verklaart trouwens het grote succes van Van den vos Reynaerde. Omdat mensen zichzelf gemakkelijk herkennen in diergedrag hebben theatervoorstellingen rond dieren altijd een groot succes gehad en kunnen ze dieren als een subject van rechte omschrijven waarvan het gedrag bepaalde rechtsgevolgen kan hebben. Dat is de theorie van het animisme. Het goedkeuren van allerlei wetten tot bescherming van de natuur en de dieren gebeurde trouwens onder invloed van deze stroming. Ook wanneer de dieren geen rechtssubjecten zijn, is het objectieve recht vandaag zo opgebouwd dat de mens tegenover dieren toch bepaalde plichten heeft en we dus in zekere mate kunnen spreken van dierenrechten.

Het voorstel dat we nu bespreken verdient onze aandacht - mevrouw De Schamphelaere heeft er reeds over gesproken - principieel en inzake de formulering. We voegen het immers toe aan de zeer ruime categorie van wetgeving inzake opzettelijke of onopzettelijke slagen en verwondingen waarvan het gewicht van de straf wordt bepaald door het schadegevolg. Ik heb niet aan de werkzaamheden van de commissie deelgenomen en vraag mij af hoever de strafwaardigheid van het gedrag reikt. Wanneer het gaat om het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen door het optreden van het dier, dan rijst de vraag of een onzorgvuldige bewaking van het dier het strafbare feit is.

Wat wenst men precies te bestraffen? Dat zou ik graag weten. Ik heb geen fundamenteel bezwaar tegen het beginsel van het voorstel, maar wel tegen de technisch-juridische verwoording ervan. Sinds 1804 werd in artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek een objectieve aansprakelijkheid voor de dieren opgenomen. De eigenaar of de bewaker van het dier is aansprakelijk voor het autonome gedrag van het dier. Deze objectieve aansprakelijkheid is niet gekoppeld aan een inbreuk op enige zorgvuldigheidsnorm. Er kan een afzonderlijke inbreuk zijn op de zorgvuldigheidsnorm, maar er is dus altijd een objectieve foutloze aansprakelijkheid voor de schadelijke gedragingen van het dier. Als nu een schuldaansprakelijkheid voor de gedragingen van het dier wordt ingevoerd, waar ligt dan de grens? Is de onzorgvuldigheid in de bewaking voldoende? Zoals u weet, is het grote devies van de grote staatslieden van de meerderheid: hou de hond aan de lijn. Hoever dit gaat en wanneer dit strafbaar wordt, is niet duidelijk.

Bovendien wijs ik op de gebrekkige technische verwoording van het toepassingsgebied. Zoals gezegd, is er in artikel 1385 sprake van de eigenaar of de bewaker van het dier. Ik begrijp niet waarom in de tekst wordt gesproken over de eigenaar of de bezitter. De bezitter is niet hetzelfde als de bewaker. De bezitter is de bewaker, maar er bestaat ook een hele categorie van personen die de bewaker van het dier zijn, maar niet de bezitter. Die vallen er dan buiten. Ik wil geen misbruik maken van de mij toegekende tijd om 200 jaar rechtspraak toe te lichten, al kan dat tot veel hilariteit leiden.

Nemen we het voorbeeld van de blaffende hond die zich losrukt en een voorbijganger achtervolgt. Deze gaat lopen en sterft aan een hartaanval. Is de eigenaar van de hond, die te goeder trouw de leiband even losliet, strafbaar?

Veronderstel dat iemand op een mooie zomerdag gaat wandelen. Er staat een stier in de wei, de wandelaar wordt overmeesterd door een torero-gevoel en jaagt de stier even op met een rode doek. De stier valt iemand anders aan. De bepaling eigenaar of bezitter is in dit geval niet van tel, want de wandelaar is noch de eigenaar, noch de bezitter.

Ik geef deze voorbeelden om aan te duiden dat het wetsvoorstel goede bedoelingen nastreeft. Maar, zoals Balzac schreef, goede bedoelingen alleen volstaan niet om een groot literator te zijn. In het wetsvoorstel moeten twee punten worden verduidelijkt, namelijk wat strafbaar is en het materieelrechtelijke toepassingsgebied van de bepaling.

M. Philippe Mahoux (PS). - Selon vous, monsieur Vandenberghe, peut-on retenir l'excuse de provocation de la part du torero contre le propriétaire du taureau ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De provocatie is natuurlijk een rechtvaardigingsgrond. Tenzij wordt aangenomen dat de eigenaar daarmee rekening moet houden. Mag de eigenaar bijvoorbeeld de eerste mei een stier in de weide laten wanneer er een betoging met rode vlaggen zal voorbijkomen?

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Niemand twijfelt aan de goede bedoelingen van de heer Poty, noch aan deze van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. Dit voorstel kan overigens niet los worden gezien van de andere voorstellen die werden besproken. Er werden een aantal juridisch-technische opmerkingen geformuleerd. Ik stel voor in de commissie te overleggen hoe daaraan kan worden tegemoetgekomen.

M. le président. - Chers collègues, vous avez entendu la proposition de M. Coveliers et de Mme Defraigne pour un renvoi en commission. Ils demandent par ailleurs, comme le règlement le prévoit, que la commission des Affaires sociales demande l'avis de la commission de la Justice avant de réexaminer ce dossier. D'autres membres ont d'ailleurs appuyé cette requête qui me paraît largement justifiée, puisqu'il s'agit tout de même du Code pénal.

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). - Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat er juridisch en technisch wat schort aan de tekst van het voorstel. Maar de ironische en sarcastische toon waarmee de juristen onder ons erover spreken, doet mij vrezen dat het probleem niet ernstig wordt genomen. Ze geloven in de goede wil van de indiener en erkennen dat ze begrip tonen voor het probleem, maar zien zij het echt als een ernstig probleem in onze samenleving? De artsen onder ons zullen zeker bevestigen dat de nonchalance van de eigenaars van honden en andere dieren een reële bedreiging vormt. Ik kan akkoord gaan met een juridische verbetering van het voorstel, maar ik verzet mij tegen een minimalisering of ridiculisering van het probleem. Ik ken te veel oudere mensen in Brussel die op straat door onbewaakte dieren worden lastiggevallen om de geest van het voorstel prijs te geven.

De voorzitter. - Aangezien er geen instemming is om het voorstel in zijn huidige vorm ter stemming voor te leggen, stel ik voor dat we ingaan op de suggestie van de voorzitter van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Je vous propose de renvoyer ce texte à la commission des Affaires sociales. Si elle le souhaite, celle-ci pourra, en vertu du règlement, demander à la commission de la Justice de donner son avis. Le Code pénal ne peut qu'y gagner en cohérence. Bien entendu, tout le monde respecte la volonté de M. Poty.

Je vous invite à vous prononcer sur cette proposition de renvoi en commission.

-Het voorstel tot terugzending wordt aangenomen bij zitten en opstaan.