3-738/1

3-738/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

9 JUNI 2004


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet

(Verklaring van de wetgevende macht,
zie « Belgisch Staatsblad » nr. 128,
tweede uitgave, van 10 april 2003)


VOORSTEL VAN DE HEER BERNI COLLAS


TOELICHTING


Tijdens de staatshervorming van 1993 hebben de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschap constitutieve autonomie gekregen. De toenmalige meerderheid heeft het echter niet opportuun geacht om die bevoegdheid inzake zelfbeschikking ook aan de Duitstalige Gemeenschap te verlenen.

Die beslissing is vrij onbegrijpelijk zoals de reacties van een aantal hoogleraren publiek recht uitwijzen. Ter illustratie kunnen we Mark Uyttendaele citeren, die daarover schrijft : « L'autonomie constitutive sur le plan institutionnel consacre l'abandon de la logique d'uniformité institutionnelle qui avait trouvé à s'appliquer depuis 1970. Respecte-t-elle le principe d'égalité ? Il est permis d'en douter ... On n'aperçoit pas les raisons pour lesquelles elle [la Communauté germanophone] est privée d'un droit à l'auto-organisation. ».

Karel Rimanque is het roerend met hem eens :

« De omstandigheid dat zij [de Duitstalige Gemeenschap] kleiner is qua bevolking en territoriale bevoegdheidssfeer dan de andere gemeenschappen kan op zich deze ongelijke behandeling niet verantwoorden. Aan een gemeenschap waaraan wel uitgebreide verdragsbevoegdheid werd toegekend, de door de bijzondere wet omschreven bescheiden institutionele autonomie onthouden, is o.i. niet bijzonder consistent. Wanneer de algemene, zij het relatieve criteria voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op dit onderscheid worden toegepast, kan men moeilijk tot een andere conclusie komen dan de vaststelling dat een redelijke verantwoording niet kan worden aangetoond ».

In het kader van overigens eenparig ingenomen standpunten heeft de Duitstalige Gemeenschap zich achter die zienswijze geschaard. Ze gaat ervan uit dat de weigering om het zelfbeschikkingsrecht toe te kennen een ongelijke behandeling inhoudt die niet te rechtvaardigen valt en niet echt samenvalt met de federale staatsstructuur zoals zij is vastgelegd in de Grondwet (cf. bijvoorbeeld de nota van 26 oktober 1998 en de resolutie van 17 februari 2003).

Bovendien is het duidelijk dat die gemeenschap niet over dezelfde middelen beschikt als de andere gemeenschappen om de gang van zaken op federaal niveau te beïnvloeden. Op politiek vlak is die situatie natuurlijk toe te schrijven aan de geringe omvang van die gemeenschap en aan de bescheiden politieke invloed die daaruit voortvloeit. Het is dan ook des te meer te betreuren dat de Gemeenschap op het institutionele vlak in het federaal parlement slechts kan rekenen op de gewaarborgde vertegenwoordiging door één, door de Raad uit zijn leden gekozen senator. Zo staat hij in zekere zin alleen en zal hij ongetwijfeld moeilijkheden ondervinden om het wetgevend proces op gang te krijgen dat noodzakelijk is om verandering te brengen in de organisatie van de organen van de Gemeenschap.

Indien de Gemeenschap bijvoorbeeld oordeelt dat er verandering moet komen in de samenstelling of de werking van haar organen, zal zij misschien dubbel benadeeld zijn bij het uitvoeren van haar project. Eerst beschikt de Raad niet over de constitutieve autonomie die hem in staat kan stellen autonoom en vrij op te treden. Voorts zijn de middelen om de federale overheid te overtuigen van de gegrondheid van dergelijke veranderingen, te beperkt.

Ten slotte zijn er ook de nefaste gevolgen die het niet toekennen van de constitutieve autonomie kan meebrengen. Het niet toekennen van die bevoegdheid kan immers gemakkelijk geïnterpreteerd worden als een teken van wantrouwen jegens een minderheid en haar organen die sedert nu al 30 jaar bewezen hebben dat zij de toegekende autonomie op een redelijke en gematigde wijze uitoefenen.

Het is dus verstandig om een eind te maken aan die onverantwoorde situatie.

Op 10 april 2003 hebben de Kamers de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet vatbaar verklaard voor herziening zodat het akkoord over de politieke vernieuwing van 26 april 2002, waarin de meerderheid zich heeft uitgesproken voor het aanvullen van die institutionele lacune, uitgevoerd kan worden.

Dit voorstel wil vaste vorm geven aan dat plan.

De Grondwet heeft de gewone wetgever ermee belast de verkiezing, de samenstelling en de werking van de Raad van de Gemeenschap te regelen (cf. de artikelen 115, § 1, tweede lid, en 118, § 1, van de Grondwet alsook de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, die ter uitvoering van die bepalingen is uitgevaardigd). De Grondwet bepaalt hetzelfde inzake de samenstelling en de werking van de Regering van de Gemeenschap (cf. de artikelen 121, § 1, tweede lid, en 123, § 1, van de Grondwet alsook de genoemde wet van 31 december 1983).

Het is bijgevolg volkomen logisch dat de gewone wetgever bepaalt welke aangelegenheden betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van de raad enerzijds, en de werking van de regering anderzijds, de raad kan regelen krachtens de constitutieve autonomie.

Om de parallel met de andere deelgebieden te trekken, kan men na de wijziging van de Grondwet een bepaling invoegen in de genoemde wet van 31 december 1983, die refereert aan de bepalingen van de bijzondere wet betreffende de constitutieve autonomie.

Bovendien blijft de voorwaarde gelden dat decreten ter uitvoering van die autonomie alleen met een bijzondere meerderheid aangenomen kunnen worden.

Berni COLLAS.

VOORSTEL


Enig artikel

Artikel 123, § 2, van de Grondwet wordt aangevuld met het volgende lid :

« De wet duidt de aangelegenheden aan betreffende de samenstelling en de werking van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap welke door haar Raad bij decreet worden geregeld. Dat decreet moet worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken Raad aanwezig is. »

19 mei 2004.

Berni COLLAS.