3-60 | 3-60 |
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Jean-Marie Dedecker voor een mondeling verslag.
De heer Jean-Marie Dedecker (VLD), rapporteur. - Ik heb de eer over het oudste verdrag dat België nog moet ondertekenen, te mogen rapporteren. Het dateert van 1946 en is dus ouder dan ikzelf.
Ik kan goed begrijpen dat dit verdrag voor een land met 67 kilometer kust geen prioriteit is en ik neem aan dat ik als rapporteur werd aangewezen omdat toch om de vijftien jaar een walvis aan onze kust aanspoelt, meer bepaald in Oostduinkerke.
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 18 en 25 mei 2004. Gelet op de urgentie zal ik het verslag voorlezen.
De vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken verklaart dat de toetreding tot het internationaal verdrag en het protocol tot regeling van de walvisvangst, die dateren van 1946, door de gewijzigde omstandigheden vandaag voor ons land van groot belang is. Er is immers sprake van een heropening van de walvisvangst.
Slechts door toetreding kan een zetel worden verkregen in de Internationale Walvisvangstcommissie, die door het verdrag werd opgericht. Het is precies die commissie die middels een stemming over een eventuele heropening van de jacht beslist. Momenteel zijn voor- en tegenstanders binnen die commissie aan elkaar gewaagd.
In het kader van de strijd voor mariene biodiversiteit en tegen de walvisvangst heeft ons land er alle belang bij een zetel in de commissie te verwerven en er stemrecht te krijgen.
In de algemene bespreking wijst mevrouw de Bethune erop dat het advies van de Raad van State over dit wetsontwerp in klare bewoordingen stelt dat het hier geen federale maar wel een gewestelijke bevoegdheid betreft. Ze stelt voor de gewesten te horen, zoals voorgeschreven in artikel 57, 2 van het Reglement van de Senaat.
Mevrouw Durant vreest dat die vraag de ratificatie zal vertragen en bijgevolg de inspanningen van ons land terzake sterk zou kunnen belemmeren. Ze vindt dat de recente ontwikkelingen, onder meer in Canada, ons land tot spoed moeten aanzetten. Indien het zeker is dat de ratificatie in de huidige vorm, als federale bevoegdheid, niet het gevaar van nietigverklaring omwille van een bevoegdheidsconflict loopt, moeten we zo spoedig mogelijk over te toetreding tot het verdrag stemmen.
De minister antwoordt dat het advies van de Raad van State inderdaad niet werd gevolgd omwille van drie redenen.
Ten eerste zijn er juridische redenen. Juridisch gesproken zijn er de uitspraken van het Arbitragehof in verband met de extraterritorialiteit, die een voldoende argument zijn om het advies van de Raad van State nu niet te volgen. In eerdere uitspraken wijst de Raad van State trouwens naar de uitspraken van het Arbitragehof in verband met extraterritorialiteit. Zo stelt het advies van de Raad van State van 20 december 2000 over een voorontwerp van wet houdende uitvoering van het protocol betreffende milieubescherming bij het verdrag inzake Antarctica onder meer:
"Volgens de rechtspraak van het Arbitragehof betreffende gemeenschapsaangelegenheden hebben de grondwetsbepalingen in verband met de territoriale werking van de decreten `een exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling tot stand gebracht. Een zodanig stelsel veronderstelt dat het ontwerp van iedere regeling welke een gemeenschapswetgever uitvaardigt, moet kunnen worden gelokaliseerd binnen het gebied waarvoor hij bevoegd is, zodat iedere concrete verhouding en situatie slechts door één enkele wetgever wordt geregeld.' Dezelfde redenering geldt ook inzake gewestaangelegenheden.
Het valt moeilijk in te zien hoe voor een dergelijke regeling een lokalisatiecriterium gevonden zou kunnen worden dat de regeling op pertinente wijze binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van een bepaald gewest situeert.
Nu een regeling tot bescherming van het Antarcticagebied de grenzen van de territoriale bevoegdheid van de gewesten overschrijdt, moet worden aangenomen dat deze behoort tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid.
De conclusie is dan ook dat de federale overheid op grond van haar residuaire bevoegdheid - ook inzake aangelegenheden die in beginsel tot de materiële bevoegdheden van de gewesten behoren - als enige bevoegd is voor de goedkeuring van de ontworpen regeling."
Een dergelijk redenering moet naar onze mening ook gevolgd worden voor de toetreding tot het Internationaal Verdrag tot regeling van de Walvisvangst daar de biotoop van de betreffende diersoorten zich in de meeste gevallen buiten de grenzen van het Belgische grondgebied bevindt.
Ten tweede vermeld ik de inhoudelijke argumenten. Het verdrag handelt over de mariene biodiversiteit.
België is niet betrokken bij de walvisvangst en treedt toe tot dit verdrag en zijn protocol voor de bescherming van de mariene biodiversiteit. De interesse van België beperkt zich tot de in situ-studie en bescherming van zeezoogdieren.
De Raad van State heeft tot op heden nooit bezwaren geuit in verband met de federale bevoegdheid inzake natuurbehoud in de mariene gebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. Deze verbintenissen vloeien voornamelijk voort uit internationale instrumenten.
Populaties van kleine zeezoogdieren die in de Belgische mariene gebieden voorkomen, worden bestudeerd en beschermd in het kader van vermeld verdrag en zijn protocol. Het ASCOBANS-akkoord van 1992 ter bescherming van kleine walvisachtigen in de Noordzee en de Baltische Zee vervult een gelijkaardige rol. Sinds de sluiting van dit akkoord is het feit dan alleen de federale overheid hierin optreedt, nooit betwist.
Dit argument geeft dus aan dat zelfs indien extraterritorialiteit niet als argument gehanteerd zou worden, de inhoud van de toetreding in eerste instantie aansluit bij de bescherming van het mariene milieu en niet bij de bevoegdheden inzake visserij bijvoorbeeld.
Ten derde vermeld ik de beslissingen genomen in overlegfora tussen federale overheid en gewesten.
Voorafgaand aan de beslissing van de federale ministerraad en aan het advies van de Raad van State werd het dossier achtereenvolgens voorgelegd aan de werkgroep Gemengde verdragen en aan de interministeriële conferentie Buitenlands beleid van 26 september 2002 om te beslissen over het al dan niet gemengd karakter van deze verdragen. De vertegenwoordigers van de gewesten en van de federale overheid beslisten hier in consensus tot het exclusief federaal karakter van het verdrag.
Nadat de Raad van State begin dit jaar zijn advies uitbracht, volgde een nieuwe bespreking in de werkgroep Gemengde verdragen. Uitkomst was hierbij dat het Waalse en Brussels gewest aangaven dat ze het exclusieve federale karakter van het verdrag wensten te behouden. Het Vlaamse gewest gaf op deze vergadering en op daaropvolgende bilateraal overleg aan dat het zich niet wenste uit te spreken over deze kwestie op een manier die het dossier zou blokkeren.
Ten slotte nam de federale ministerraad op 23 april dan de beslissing om de toetreding principieel goed te keuren en een ontwerp in te dienen in de Senaat.
Een spoedige toetreding van België tot het walvisverdrag is belangrijk om reeds op de jaarlijkse vergadering in Sorrento op 19-22 juli 2004 als actief lid te kunnen optreden. Momenteel is de situatie zo dat in de walviscommissie de groep van landen die het huidige bestaande moratorium op walvisvangst wil opheffen min of meer in balans is met de tegenstanders van de opheffing van het moratorium. Er wordt gewerkt met een meerderheidsstemming. Als gevolg van een actieve diplomatie van vooral Japanse zijde zal een aantal microstaten zich nu bij het pro-walvisvangstkamp voegen en de Europese positie tegen het hervatten van de walvisvangst in het gedrang brengen. De druk op België om snel toe te treden tot het walvisverdrag is bijgevolg zeer groot.
De artikelen 1 tot en met 3 worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.
Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor een mondeling verslag in de plenaire vergadering.
-De algemene bespreking is gesloten.