3-371/4

3-371/4

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

11 MEI 2004


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte en de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte


AMENDEMENTEN


Nr. 6 VAN MEVROUW DEFRAIGNE C.S.

Art. 3

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 3. ­ In artikel 16 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) de tweede volzin van het tweede lid vervalt;

b) dit artikel wordt aangevuld met een derde lid, luidende :

« De vorderingen tot herziening worden behandeld overeenkomstig de regels van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van artikel 723, § 1, en behalve wat de schatting van de onteigende goederen betreft, waarvoor de rechtspleging wordt gevolgd die bepaald is in de artikelen 7 tot 10 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte ». »

Verantwoording

Dit amendement op artikel 3 moet samen worden gelezen met een amendement van dezelfde indieners op artikel 4 van het voorstel.

Volgens het advies van de Raad van State is artikel 3, dat de mogelijkheid voor de onteigenaar wil schrappen om de herziening te vragen van de voorlopige vergoeding die door de vrederechter is toegekend, niet strijdig is met de Grondwet, noch met haar artikelen 10 en 11. Volgens de Raad van State bestaat er geen enkele aanvechtbare discriminatie in het feit dat voortaan alleen de onteigende partij die vordering tot herziening kan instellen.

Hoewel het principe van het voorstel, namelijk dat voortaan een « eenzijdige » herziening ­ alleen in het voordeel van de onteigende ­ wordt ingevoerd, dus niet van ongrondwettigheid te verdenken is, blijft het een feit dat die maatregel als al te radicaal kan worden beschouwd.

Bij de algemene bespreking is gebleken dat het echte probleem er niet zozeer in bestaat dat de onteigenende overheid eveneens de mogelijkheid heeft een vordering tot herziening in te stellen om de voorlopige door de vrederechter toegekende vergoeding te verminderen. De menselijke drama's ­ die gelukkig zeer gering in aantal zijn in verhouding tot het totaal aantal onteigeningen ­ die de indiener van het voorstel aan de kaak stelt, zijn in werkelijkheid te wijten aan de traagheid van de rechtsgang.

Op zich is het niet erg laakbaar dat een onteigende na een gerechtelijk beroep het bedrag van de hem voorlopig toegekende vergoeding verminderd ziet en dat hij veroordeeld wordt tot het terugbetalen van wat hij teveel heeft ontvangen. Indien er moet worden terugbetaald, is dat het resultaat van een rechterlijke beslissing volgend op een debat op tegenspraak gevoerd voor een onafhankelijke en onpartijdige gerechtelijke instantie dat de rechten van de verdediging eerbiedigt en dat de onteigende de kans biedt om al zijn argumenten in rechte en in feite te doen gelden.

Onaanvaardbaar is daarentegen dat de traagheid van de rechtsgang, waarop de onteigenden zelf niet altijd vat hebben, ook leidt tot het toekennen van verwijlintresten die, precies wegens die traagheid, zeer hoog kunnen oplopen en soms een bedrag bereiken dat hoger is dan de oorspronkelijke vergoeding. Dat is uiteraard ontoelaatbaar. De indieners van dit amendement menen dan ook dat daar iets aan moet worden gedaan.

Ze stellen dus voor de mogelijkheid van een vordering tot herziening voor beide bij de onteigening betrokken partijen te behouden. Dat betekent dat artikel 3 van het voorstel vervalt (behalve de paragraaf over de procedurebepalingen betreffende de vordering tot herziening) en dat artikel 4 wordt vervangen door een bepaling die artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 anders formuleert, zodat bij vermindering van de onteigeningsvergoeding bij rechterlijke beslissing alleen het bedrag van de eigenlijke vergoeding moet worden terugbetaald doch geen enkele vorm van interesten. Het afwijzen van enige interest is te verantwoorden door het feit dat bij een onteigening de onteigende moeilijkheden heeft als gevolg van een toestand die hem van bij het begin is opgelegd, aangezien hij de onteigening per definitie niet heeft gewenst.

Nr. 7 VAN MEVROUW DEFRAIGNE C.S.

Art. 4

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 4. ­ Artikel 21 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Indien in de loop van de procedure, de onteigeningsvergoeding bij rechterlijke uitspraak wordt verminderd en de onteigende dan ook wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat hij teveel heeft ontvangen, moet alleen het verschil tussen het bedrag van de definitieve vergoeding en het bedrag van de voorlopige vergoeding worden terugbetaald, met uitsluiting van elke interest op de aldus verschuldigde hoofdsom ».

Verantwoording

Zie verantwoording bij het amendement nr. 6 op artikel 3.

Nr. 8 VAN MEVROUW DEFRAIGNE C.S.

Art. 7

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Volgens de Raad van State doet die bepaling afbreuk aan de bindende kracht van de vonnissen en arresten alsook aan het fundamenteel beginsel van de Belgische rechtsorde, dat inhoudt dat rechterlijke beslissingen niet gewijzigd kunnen worden dan ingevolge de aanwending van rechtsmiddelen.

Naast dat principieel bezwaar zou het voorstel door de terugwerking in de praktijk tot onoverkomelijke moeilijkheden leiden : een aantal onteigenende overheden zijn verdwenen (intercommunales), er zijn nalatenschappen opengevallen, de procesarchieven bestaan soms niet meer (advocaten hoeven hun archief niet langer dan vijf jaar te bewaren). In de gegeven omstandigheden is het ondenkbaar de veertig jaar oude gerechtelijke procedures op de helling te zetten.

Christine DEFRAIGNE.
Nathalie DE T' SERCLAES.
Alain ZENNER.