3-56

3-56

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 6 MEI 2004 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Stefaan De Clerck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde structurele problemen met betrekking tot de concurrentiekracht van de Belgische economieĽ (nr. 3-305)

De heer Stefaan De Clerck (CD&V). - Voor ik met mijn mondelinge vraag van start ga, wil ik onze nieuwe griffier veel succes wensen in zijn nieuwe job.

Ik stel het ook op prijs dat de minister hier aanwezig is, want ik weet dat ze straks een toespraak moet houden in het kader van de Werelddag van de telecommunicatie.

De materie die ik hier aansnijd, is volgens mij van groot belang. De afgelopen dagen werd in de pers melding gemaakt van verschillende rapporten die bevestigen wat onze partij al vroeger heeft aangekaart en wat ikzelf vorig jaar in mijn campagne heb aangebracht, maar wat toen niet werd aanvaard. Er is namelijk een fundamenteel probleem met de concurrentiekracht van onze economie. Voor het eerst verdwijnt BelgiŽ in The World Competitiveness Yearbook uit de top twintig. Ons land stond lang op de 17de of 18de plaats en tuimelt nu naar de 25ste plaats. Het merkwaardige is dat die achteruitgang vooral te wijten is aan belastingdruk, loonkosten, het functioneren van de overheid, activering van werklozen, het gevaar van verhuizing van het productieapparaat naar het buitenland. Die indicatoren zijn toch wel nagenoeg wetenschappelijke vaststellingen. In een ander rapport over de elektronische overheid, noteert consultant Accenture voor BelgiŽ ook een achteruitgang. De zesmaandelijkse peiling van Right Management Consultants naar het vertrouwen van de Belgische werknemers wijst erop dat de vrees om zijn baan te verliezen toeneemt. Volgens een bevraging van Febiac en Agoria geeft een kwart van de auto-industrie te kennen een delokalisatie te overwegen.

Het valt dus nog moeilijk te ontkennen dat het niet goed gaat met ons land en dat we op economisch vlak met een aantal oranje knipperlichten worden geconfronteerd. Bijzonder in dat alles is dat de achteruitgang zich ook situeert op domeinen waarop de nationale overheid volledige impact zou moeten hebben. We boeren dus achteruit op domeinen die we zelf in de hand hebben en dus niet te wijten zijn aan de wereldeconomie.

Welke economische lessen trekt de minister hieruit?

Wat doet ze concreet en hoever staat het met de maatregelen die de ministerraad in Gembloers nam om nieuwe buitenlandse investeringen aan te trekken?

Hoe komt het dat we achteruitgaan op het vlak van e-government, een materie waarvoor de minister samen met enkele staatssecretarissen bevoegd is?

Ik weet dat de minister in haar antwoord zal verwijzen naar de economische groei en de conjunctuur, maar ik ben ervan overtuigd dat genoemde indicatoren niets met perceptie te maken hebben, maar objectieve vaststellingen zijn. We moeten ons afvragen hoe we het tij kunnen keren. Dat is de verantwoordelijkheid van de minister en van de hele regering. We zouden de Vlaamse economie kunnen bekijken en het hebben over de GIMV enzovoort, maar dat doen we hier niet omdat we in het federaal parlement zitten. Ik maak me echt heel veel zorgen en denk dat dit een belangrijk debat is, dat we later uitgebreid moeten voeren. Nu wil ik in het korte tijdsbestek van deze mondelinge vraag graag vernemen wat de strategie is van de minister en van de regering.

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik zal de vraag over e-government eerst beantwoorden. E-government is in de eerste plaats de bevoegdheid van de staatssecretaris voor e-government, de heer Vanvelthoven. Voor de kruispuntbank voor ondernemingen ben ik bevoegd samen met minister Laruelle en de staatssecretarissen Vanvelthoven en Van Quickenborne, en het verheugt me dat die kruispuntbank sinds een paar maanden behoorlijk werkt.

De resultaten van de studie waarnaar de heer De Clerck verwijst, hebben meer met perceptie te maken dan met de werkelijke toestand. Ik zal dat met harde cijfers aantonen. BelgiŽ is volgens The World Competitiveness Yearbook 2004 inderdaad van de 18de naar 25ste plaats gezakt. Dat resultaat moet echter worden gerelativeerd. De achteruitgang is immers het gevolg van een andere methodologie bij de meting van de zogeheten economische prestaties. Voor die prestaties zien we dat BelgiŽ van de 4de plaats in 2003 verhuist naar de 20ste plaats in 2004. Dat heeft te maken met de invoering van een nieuwe - subjectieve - survey-indicator, namelijk angst voor de delokalisatie van diensten. Op dat stuk scoort BelgiŽ slecht. Maar angst is subjectief.

Voorts wil ik ook nog zeggen dat de drie survey-indicatoren over angst voor de zogeheten delokalisatie van de productie, van R&D en diensten zijn verschoven van de deelindex Business Efficiency naar de deelindex Economic Performance. Daarenboven werden tot vorig jaar de directe investeringen in BelgiŽ en Luxemburg samengenomen, terwijl dit jaar de cijfers afzonderlijk werden bekeken, wat voor BelgiŽ minder positief was.

Het herstel van de economie is sterker in de Verenigde Staten en in AziŽ. De slechte prestaties van Europa in 2003 zijn vooral toe te schrijven aan de sterke euro. Een sterke euro is vooral nadelig voor open economieŽn zoals de Belgische. Toch houdt BelgiŽ beter stand dan zijn buurlanden.

De harde cijfers voor de Belgische economie zijn dan weer goed. Uit de cijfers van Eurostat, die regelmatig worden geactualiseerd, blijkt dat de Belgische cijfers goed zijn voor volgende vier cruciale pijlers van de economie: groei, werkgelegenheid, begroting en overheidsschuld. Die harde cijfers zijn gebaseerd op objectieve gegevens, niet op angsten. Uit de cijfers van Eurostat blijkt inderdaad dat de economische groei in BelgiŽ sneller aantrekt dan in onze buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland en dat ons cijfer beter is dan het Europees gemiddelde. Ik kan de heer De Clerck de gedetailleerde gegevens bezorgen als hij dat wil.

Voorts zien we dat de werkloosheid in BelgiŽ lager ligt dan bij onze buurlanden en ook sneller afneemt, en dat de werkgelegenheid ook sneller op gang komt dan in de buurlanden.

Volgens Eurostat ligt het overheidstekort in BelgiŽ, voor zover er een is, want in 2003 was er geen, bij ongewijzigd beleid op 3,3% van het BBP. Het ligt dus lager dan bij de buurlanden, die systematisch boven de 3%-norm uitkomen. De doelstelling van BelgiŽ blijft evenwel een begroting in evenwicht.

Tenslotte vermeld ik dat hoewel in BelgiŽ de schuld hoog is, de schuldratio ten opzichte van onze directe buurlanden en de EU-12 daalt.

Kortom op basis van de vier cruciale economische pijlers doet BelgiŽ het goed.

Vraag is dan waarom de perceptie zo contrasteert met de harde cijfers. Om nog maar eens een objectieve studie aan te halen, verwijs ik naar een studie van Europese ombudsmannen, waaruit blijkt dat de Belgen bij de top-3 staan inzake klagen. Misschien speelt dat ook een rol. Desalniettemin wijs ik erop dat het Vlerick-instituut gisteren nog een studie publiceerde, die aantoont dat de overheidsmaatregelen inzake concurrentievermogen en ondernemerschap zeer positief worden geŽvalueerd.

Dan geef ik nu graag een kort overzicht van de maatregelen die de regering voor mijn bevoegdheidsdomein al heeft genomen.

Om nieuwe buitenlandse investeringen aan te trekken hebben we een task force opgericht die de zwakke en sterke punten van BelgiŽ in kaart zal brengen. We verwachten een eerste rapport tegen eind mei.

De elektriciteitskosten voor grote verbruikers en voor een groot deel van de kleine en middelgrote ondernemingen worden beperkt.

Er komt een aanpassing van de wet op de handelsvestigingen van 29 juni 1975 om de procedure te verbeteren en te vergemakkelijken. Een ontwerp in die zin is al bij de Kamer ingediend en de bespreking ervan moet eerstdaags beginnen.

Dan zijn er nog enkele maatregelen die tot de bevoegdheid van andere collega's behoren. Via obligatieleningen is 65 miljoen euro verzameld voor het Starterfonds. Dat geld zal ter beschikking gesteld worden van het Participatiefonds.

Er komt een hervorming van het concurrentiebeleid.

Om de ontwikkeling van R&D te bevorderen wordt de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing veralgemeend en uitgebreid. Sinds 1 oktober vorig jaar bestaat er een maatregel waardoor universiteiten en hogescholen de helft van de bedrijfsvoorheffing die op de lonen van onderzoekers wordt geheven, niet aan de Staat hoeven door te storten. Die maatregel wordt per 1 juni 2004 uitgebreid. TweeŽnzeventig autonome wetenschappelijke instellingen van allerlei slag zullen daarvan genieten. In Gembloers is ook beslist die maatregel uit te breiden naar de privť-sector, maar dan wel in het kader van een publiek-private samenwerking of PPS met een van de genoemde categorieŽn.

Zoals al gezegd functioneert de kruispuntbank voor ondernemingen naar behoren, zij het niet perfect.

De heer Stefaan De Clerck (CD&V). - Ik kan er alleen maar akte van nemen dat de minister zich voor een deel van mijn vragen niet bevoegd verklaart, ook al verbaast me dat soms ten zeerste, bijvoorbeeld inzake het concurrentiebeleid.

De minister weidt in haar antwoord uit over de maatregelen die de regering in Gembloers heeft genomen. Hier is het vooral afwachten in welke mate die zullen worden uitgevoerd.

Mijn belangrijkste opmerking betreft de zogenaamd harde cijfers waarmee de minister tracht te bewijzen dat het nu allemaal zoveel beter gaat. Ik ben het bijvoorbeeld helemaal niet met haar eens dat de kruispuntbank goed functioneert. Tijdens een recent bezoek heb ik zelf moeten vaststellen dat de toestand gewoon dramatisch is. Niets functioneert er naar behoren. Ik hoop dat de situatie intussen verbeterd is en ik neem me voor dat opnieuw te gaan verifiŽren.

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Als u dat interesseert, kan u volgende week samen met mij de kruispuntbank bezoeken.

De heer Stefaan De Clerck (CD&V). - Ik had ook al een bezoek later gepland. Mogelijk kunnen we een double-check uitvoeren.

Ik kom tot de reŽle cijfers. Op het vlak van de economische groei is het nog veel te vroeg om victorie te kraaien. We moeten voorzichtig zijn met de uitspraak dat de economische heropleving begonnen is. Er is een recordaantal faillissementen. Wel spelen verschillende factoren daarbij een rol: de olieprijs, de prijs van ruwe materialen. Er zijn ook tegenstrijdige factoren: het vertrouwen van de ondernemers stijgt terwijl het consumentenvertrouwen daalt. De heropleving is heel precair. Hopelijk zet ze zich door.

Voor de werkloosheidsgraad staat BelgiŽ volgens de cijfers van maart 2004 op de 14de plaats van de 25 EU-leden. Dat is niet echt schitterend. We gaan verder achteruit.

Wat het overheidstekort betreft, wijst de Europese Commissie op de kunstgrepen die de Belgische regering heeft toegepast. De Europese Commissie stelt dat er zonder die kunstgrepen een begrotingstekort zou zijn van 1 procent.

Het is juist dat de studie waar ik naar verwezen heb, rekening houdt met perceptie, maar toch moeten we erkennen dat de sfeer niet goed is. Er is een gebrek aan economische daadkracht en aan economische strategie. De doelstellingen, voor Vlaanderen en op federaal vlak, zijn niet duidelijk. Er is geen afdoende antwoord op de enorme internationale concurrentie.

De harde cijfers die de minister aanbrengt zijn voor mij onvoldoende hard, en tonen volgens mij aan dat het bedrijfsleven moet worden aangemoedigd om meer te investeren in BelgiŽ. De minister heeft geen enkele fiscale of andere maatregel vermeld om de investeringen in Belgische bedrijven aan te moedigen.

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - We kunnen dit welles-nietesspelletje blijven spelen, maar dat gaat buiten het kader van een mondelinge vraag.

Ik spreek tegen dat er geen fiscale maatregelen werden genomen om de investeringen aan te moedigen. De maatregelen in verband met de bedrijfsvoorheffing van onderzoekers hebben tot doel de investeringen in R&D in ons land te stimuleren. De loonkost van de zeer hoog geschoolde onderzoekers weegt immers zwaar door in de R&D-kosten.