3-679/1

3-679/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

12 MEI 2004


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, aan de burgerlijke meerderjarigheid op achttien jaar

(Ingediend door de dames Annemie Van de Casteele en Christel Geerts)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over, met aanpassingen, van een voorstel dat reeds op 4 september 2002 in de Kamer werd ingediend (stuk Kamer, nr. 50-2009/1 ­ 2001/2002).

Krachtens artikel 2 van de wet betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap kan een persoon met een handicap van tenminste eenentwintig jaar en ten hoogste vijfenzestig jaar aanspraak maken op een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming.

De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan gehandicapten van minstens 21 jaar en hoogstens 65 jaar van wie is vastgesteld dat hun lichamelijke of psychische toestand hun verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen. Tewerkstelling in beschutte werkplaatsen wordt niet tot die algemene arbeidsmarkt gerekend.

De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan personen met een handicap van minstens 21 jaar en hoogstens 65 jaar van wie een gebrek aan of vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld. Het gaat dus om een compensatie voor de bijkomende kosten voor een persoon met een handicap die hij of zij moet maken om zich aan het maatschappelijk leven aan te passen.

De maximale jaarlijkse bedragen zijn voor de inkomensvervangende tegemoetkoming op 1 januari 2004 als volgt vastgelegd :

­ Categorie C : de personen met een handicap die : 1) één of meer kinderen ten laste hebben; 2) een huishouden vormen met één of meer personen die geen inkomen hebben = 9 529,93 euro;

­ Categorie B : de personen met een handicap die : 1) geen huishouden vormen met een andere persoon; 2) zelf niet behoren tot categorie C en die een huishouden vormen met een andere persoon die geen bloed of aanverwant is in de eerste, de tweede of derde graad en evenmin behoort tot categorie C = 7 147,44 euro (alleenstaanden);

­ Categorie A : de personen met een handicap die niet behoren tot categorie B, noch tot categorie C = 4 764,96 euro (samenwonenden).

Mensen die hun hoofdverblijfplaats hebben in een instelling worden altijd bij de categorie B ingedeeld.

Voor de indeling in categorieën wordt rekening gehouden met alle inkomsten van het huishouden, ongeacht de relatie van de aanvrager tot de andere samenwonenden.

De jaarlijkse bedragen voor de integratietegemoetkoming zijn als volgt vastgelegd :

­ categorie I : 942,34 euro;

­ categorie II : 3 211,12 euro;

­ categorie III : 5 130,98 euro;

­ categorie IV : 7 475,18 euro;

­ categorie V : 8 480,13 euro.

Personen met een zelfredzaamheid minder dan 7 kunnen geen recht doen gelden op een integratietegemoetkoming.

Op 31 december 2002 genoten :

­ 10 519 personen enkel een inkomensvervangende tegemoetkoming;

­ 48 181 personen enkel een integratietegemoetkoming;

­ 61 085 personen een inkomensvervangende tegemoetkoming en een integratietegemoetkoming.

De gezinssituatie van de persoon met een handicap heeft een invloed op het barema van de inkomensvervangende tegemoetkoming en bepaalt de aftrek die zal worden toegepast op de gezinsinkomsten.

De leeftijd werd op 21 jaar vastgesteld, onder meer omdat dat op het ogenblik van het totstandkomen van de wet de leeftijd was waarop men burgerlijk meerderjarig was. Dit kunnen we afleiden uit de argumentatie van de toenmalige staatssecretaris voor Volksgezondheid en Gehandicaptenbeleid : « De Staatssecretaris is van oordeel dat de wetgeving eenduidig moet zijn. Het is derhalve wenselijk de voor de toekenning van tegemoetkomingen aan gehandicapten vereiste leeftijd op 21 jaar te brengen. Als de leeftijd voor de meerderjarigheid in de toekomst tot 18 jaar wordt verlaagd, kunnen de leeftijdsvereisten voor de toekenning van de tegemoetkomingen nog altijd worden gewijzigd. » (stuk Kamer, nr. 448/4, 1985-1986, blz. 13).

De leeftijd van de burgerlijke meerderjarigheid is inmiddels teruggebracht tot 18 jaar (Wet van 19 januari 1990 tot verlaging van de leeftijd van burgerlijke meerderjarigheid tot achttien jaar, Belgisch Staatsblad van 30 januari 1990). Maar er werd op dat ogenblik of later geen wijziging aangebracht aan de wet betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Dit onder meer omwille van budgettaire redenen. Dit wetsvoorstel heeft tot doel de wet betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap aan te passen aan deze realiteit. Het is echter niet een louter technisch geïnspireerd voorstel. Door de verlaging van de leeftijd willen we ook de emancipatie van de personen met een handicap versterken. Ook zij hebben recht op onafhankelijkheid vanaf 18 jaar, net als iedereen. Volgens artikel 3 van de wet van 27 februari 1987 kan een persoon (met een handicap) van minder dan 21 jaar een tegemoetkoming verkrijgen wanneer die gehuwd is of was of die één of meer kinderen ten laste heeft. Wij willen de leeftijdsgrens terugbrengen tot 18 jaar voor alle personen met een handicap, dus bijvoorbeeld ook voor alleenstaanden. Op deze manier verkrijgen de 18- tot 21-jarigen een verbeterde en meer zelfstandige financiële positie.

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap heeft deze verlaging ook aanbevolen in haar activiteitenverslag van 2002 : « De Raad betreurt dat de vereiste leeftijd voor de instap tot de tegemoetkoming van de categorie « volwassen » niet tot 18 jaar, de leeftijd van de meerderjarigheid, werd teruggebracht ... » (blz. 87).

Deze wijziging in de wetgeving betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming noopt, logischerwijze, ook tot een wijziging van de wetgeving betreffende de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een aandoening, verder verhoogde kinderbijslag genoemd.

Voor personen met een handicap die nog school lopen na hun 18 jaar moet bepaald worden dat zij zich vanaf deze leeftijd kunnen kandidaat stellen voor het verkrijgen van de integratietegemoetkoming. De hoogte van deze integratietegemoetkoming moet voor deze groep zodanig aangepast worden dat ze er financieel niet op achteruit gaan, vergeleken met de huidige situatie. Wanneer zij stoppen met het onderwijs kunnen zij vanzelfsprekend aanspraak maken op de inkomensvervangende tegemoetkoming.

Nu kan een alleenstaande persoon met een handicap weliswaar gebruik maken van de bijkomende kinderbijslag maar op deze manier blijft er een financiële afhankelijkheid tegenover de ouders. Dit wil geenszins zeggen dat wij deze band als negatief beschouwen.

Elke mindervalide jongere van minder dan 21 jaar kan, naast de gewone kinderbijslag, nog genieten van een bijkomende kinderbijslag wanneer het getroffen is door ontoereikendheid of een vermindering van een lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens een of meer aandoeningen van ten minste 66 %. De jongere mag geen beroep uitoefenen waardoor die onder het stelsel van de sociale zekerheid valt, met uitzondering van de beroepsbedrijvigheid binnen het kader van een leercontract of in een beschutte werkplaats. De maandelijkse bedragen voor deze verhoogde kinderbijslag zijn op 1 januari 2004 als volgt :

337,17 euro bij zelfredzaamheid 0-3,

364,70 euro bij zelfredzaamheid 4-6,

389,87 euro bij zelfredzaamheid 7-9.

Hierna de cijfers omtrent de mensen met een handicap beneden 21 jaar aan wie een bijkomende bijslag volgens hun zelfredzaamheidsgraad werd toegekend (nationaal) :

­ zelfredzaamheidsgraad 0-3 : 8 475 rechthebbenden;

­ zelfredzaamheidsgraad 4-6 : 10 175 rechthebbenden;

­ zelfredzaamheidsgraad 7-9 : 4 787 rechthebbenden.

Dat maakt een totaal van 23 437 rechthebbenden op bijkomende kinderbijslag.

In 2003 ontvingen, in de regeling voor werknemers, 3 805 jongeren tussen de leeftijd van 18 tot 21 jaar de verhoogde kinderbijslag ten gevolge van een aandoening. In de regeling voor zelfstandigen gaat het om 294 jongeren. Daarbij moeten dan nog de jongeren die onder het stelsel van de overheid vallen gevoegd worden.

Als nu de tegemoetkomingen voor personen met een handicap toegekend worden vanaf de leeftijd van 18, kan ook de verhoogde kinderbijslag slechts toegekend worden tot de leeftijd van 18 jaar, de leeftijd waarop ook de gewone kinderbijslag, zonder voorwaarden, toegekend wordt.

De gewone kinderbijslag kan weliswaar worden verlengd tot de leeftijd van 25 jaar. Bij verhoogde kinderbijslag is dit niet het geval omdat de inkomensvervangende en de integratietegemoetkoming starten op de leeftijd van 21 jaar, en nu 18 jaar. Deze logica zat ook al vervat in de wet betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap van 27 februari 1987 : « Ten slotte voorziet de tekst uitdrukkelijk in de afbouw van de verhoogde en verlengde kinderbijslag na 21 jaar, mits behoud van de verworven rechten. Zo komt men tot een coherent geheel van voorzieningen waarbij gehandicapte kinderen tot de leeftijd van 21 jaar aanspraak kunnen maken op verhoogde kinderbijslag en vanaf die leeftijd recht hebben op de tegemoetkomingen. Zowel dubbel gebruik als leemten worden hierdoor vermeden. » (stuk, Kamer 1985-1986, nr. 448/4, blz. 3-4).

De verlaging van de leeftijd voor het recht op integratietegemoetkoming en inkomensvervangende tegemoetkoming moet dan ook, in deze filosofie, gepaard gaan met een verlaging van de leeftijd voor het recht op verhoogde kinderbijslag.

In dit voorstel wordt de leeftijd tot wanneer bijkomende kinderbijslag kan genoten worden verlaagd tot 18 jaar in plaats van 21 jaar, vermits men vanaf 18 jaar recht kan laten gelden op een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming.

Door dit voorstel wordt er ook binnen de groep van personen met een handicap een discriminatie weggewerkt.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikelen 2, 4, 6 en 7

Deze artikelen vervangen het leeftijdscriterium van 21 jaar door 18 jaar, zowel in de wetgeving betreffende de tegemoetkoming aan de personen met een handicap als in de wetgeving betreffende de kinderbijslag van werknemers en zelfstandigen.

Artikel 3

Omdat ieder persoon met een handicap vanaf 18 jaar volgens dit voorstel recht heeft op een tegemoetkoming schrapt dit artikel de uitzonderingsregel die stelde dat personen met een handicap jonger dan 21 jaar die gehuwd zijn of kinderen ten laste hebben wel aanspraak maken op de tegemoetkomingen.

Artikel 5

Het recht op een tegemoetkoming aan personen met een handicap wordt in principe maar toegekend op aanvraag. Personen die op de leeftijd van 18 jaar recht kunnen doen gelden op een tegemoetkoming, ontvingen vóór die leeftijd vaak verhoogde kinderbijslag. Voor hen gaat het de facto om de overgang van het ene sociaal recht (verhoogde kinderbijslag) naa het andere (tegemoetkoming). De indiensters willen dat deze overgang met zo weinig mogelijk formaliteiten gepaard gaat en bij voorkeur ambtshalve gebeurt. Dit artikel voert de wettelijke basis voor dergelijk ambtshalve onderzoek in.

Artikel 7

De indiensters opteren voor een samenhangende regeling waarbij ook een koninklijk besluit moet worden gewijzigd.

Annemie VAN de CASTEELE.
Christel GEERTS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 2 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap vervangen bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in § 1, vervangen bij de wet van 30 december 1992, wordt het woord « eenentwintig » vervangen door het woord « achttien »;

b) in § 2 wordt het woord « eenentwintig » vervangen door het woord « achttien ».

Art. 3

Artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1991, 30 december 1992 en 24 december 2002, wordt opgeheven.

Art. 4

In artikel 4, § 1, 6º, van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, wordt het getal « 21 » vervangen door het getal « 18 ».

Art. 5

In artikel 8 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 24 december 2002, wordt een § 1bis ingevoegd, luidend als volgt :

§ 1bis. ­ « de Koning bepaalt in welke gevallen de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve worden onderzocht. »

Art. 6

In artikel 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders van 19 december 1939 vervangen bij de wet 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) In § 1 wordt het getal « 21 » vervangen door het getal « 18 »;

B) In § 2 wordt het getal « 21 » vervangen door het getal « 18 ».

Art. 7

In artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen laatst gewijzigd bij de wet van 11 juli 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) In § 1 wordt het getal « 21 » vervangen door het getal « 18 »;

B) In § 1bis wordt het getal « 21 » vervangen door het getal « 18 »;

C) In § 2 wordt het getal « 21 » vervangen door het getal « 18 ».

18 maart 2004.

Annemie VAN de CASTEELE.
Christel GEERTS.