3-669/1

3-669/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

6 MEI 2004


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 21, 5ŗ, van het Wetboek van inkomstenbelasting 1992, teneinde de berekening van aangroei- en getrouwheidspremies verbonden aan spaarrekeningen transparanter te maken

(Ingediend door de heer Francis Poty en mevrouw Christiane Vienne)


TOELICHTING


Een groot deel van het geld van onze medeburgers wordt nog steeds op spaarrekeningen geplaatst.

Volgens de huidige wetgeving kunnen de inkomsten uit spaardeposito's vrijgesteld worden van roerende voorheffing voor de eerste schijf van 1 250 euro als zij verplicht maar ook uitsluitend bestaan uit een basisrente, een getrouwheidspremie en/of een aangroeipremie.

Aangezien de basisrente vrij laag is, lokken banken mogelijke spaarders met verleidelijke aangroeipremies.

Daar duikt het probleem op. Het koninklijk besluit van 31 december 1999 (dat artikel 2 van het uitvoeringsbesluit WIB 1992 wijzigt) verduidelijkt de fiscale voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een vrijstelling van roerende voorheffing op spaardeposito's te genieten, maar bepaalt enkel de valutadata (D+1 voor storting, D- maximum 7 voor opvraging) voor de berekening van de basisrente.

Voor de aangroei- en getrouwheidspremie blijven nog steeds de oude bepalingen van artikel 2 van het uitvoeringsbesluit WIB 1992 van kracht, namelijk : « De getrouwheidspremie en de aangroeipremie worden pro rata temporis per ondeelbare vaste periode van ten minste een halve maand toegepast. »

De valutadatum voor de berekening van de basisrente is dus een andere dan de valutadatum voor de berekening van de aangroei- en getrouwheidspremie, terwijl het toch over dezelfde stortingsdatum gaat.

Een storting op de tweede dag van de maand levert vanaf de derde dag basisrente op, maar levert slechts een aangroeipremie op vanaf de zestiende dag.

Het behoud van deze bepaling leidt tot grote verwarring en tot verschillen in de berekening van de interesten. Het feit dat de meeste banken zelden duidelijk meedelen vanaf welke begin- en einddatum de premies verdiend worden, maakt de zaken er niet transparanter op.

Dat is jammer, te meer daar een aantal financiėle instellingen de aangroeipremies wel op dezelfde manier als de basisrente berekenen, namelijk D+1.

Die praktijk is natuurlijk gunstig voor de cliėnt, maar is wel illegaal en blijft momenteel ongestraft.

Het grootste probleem wordt eigenlijk veroorzaakt door de volgende bepaling van het koninklijk besluit : « De periode waarin die aangroei moet behouden blijven om de aangroeipremie te kunnen verkrijgen mag niet minder dan 6 maanden bedragen. »

Deze bepaling heeft mettertijd en dankzij de fiscale wetgever verschillende berekeningswijzen mogelijk gemaakt.

Zo meent een bank die momenteel 2 % aangroeipremie biedt dat de zes maanden pas beginnen te lopen vanaf de eerste dag van de eerste maand die volgt op de storting (dat kan dus zelfs de eerste dag van een nieuw semester zijn). Zij past bovendien het systeem van de valutadatum D-7 toe voor opvragingen. Bijgevolg kan bijvoorbeeld een storting die op 2 maart werd uitgevoerd, pas vanaf 8 oktober worden opgevraagd, dus 7 maanden en 5 dagen na de geboekte storting.

De banken die het systeem voor de basisrente (D+1, D-7) toepassen voor de aangroeipremie vragen logischerwijze dat het bedrag niet alleen 6 maanden blijft staan, maar ook nog 8 extra dagen. Pas dan is de aangroeipremie verworven.

Deze verschillende berekeningen aan de hand van valutadata heeft gevolgen voor de cliėnten die een zo groot mogelijke opbrengst nastreven en hun geld naar andere rekeningen overplaatsen als reactie op de aanlokkelijke reclame.

Niet weinig mensen zijn de premie misgelopen die in de reclame beloofd werd voor een « behoud van de aangroei gedurende zes maanden » terwijl het geld in werkelijkheid vaak (veel) langer dan 190 kalenderdagen moet blijven staan.

De wetgever heeft de regering gemachtigd de banken te verplichten hun cliėnten in te lichten (Koninklijk besluit van 23 maart 1995 betreffende de prijsaanduiding van homogene financiėle diensten). Het is echter zonneklaar dat deze informatie vaak niet duidelijk is met betrekking tot rentevoeten op een spaarrekening en dat enkel nominale rentevoeten worden voorgespiegeld.

Met betrekking tot de aangroeipremie zou bijgevolg het volgende moeten gelden :

1. het achterhaalde en soms niet toegepaste systeem van quinzaines moet worden vervangen door D+1;

2. het aantal dagen dat nodig en voldoende is om de premie te verkrijgen, moet duidelijk aangeplakt worden en in aantal dagen worden uitgedrukt;

3. er moet rekening worden gehouden met D-7 om zo volstrekte eenvormigheid te krijgen.

Hierdoor zal er eenduidigheid zijn over het ogenblik waarop de aangroeipremie moet worden gecrediteerd, zowel bij het normale beheer van de rekening als bij het afsluiten van de rekening.

Voor de getrouwheidspremies maken de meeste banken gretig gebruik van de onduidelijkheid van de wettekst; zij beschouwen de getrouwheidspremie wel als verworven na een periode van een jaar (en 7 dagen) maar daarna is ze niet langer gegarandeerd, tenzij het geld opnieuw voor een jaar op de rekening blijft staan. Zo krijgt een cliėnt die zijn geld gedurende een jaar, elf maanden en dertig dagen op zijn rekening laat staan, slechts een keer de getrouwheidspremie. Het is volstrekt niet billijk geen rekening te houden met de tijd die er na een jaar bijkomt omdat er wel degelijk sprake is van « getrouwheid » en uit de wettelijke bepalingen niet kan worden afgeleid dat de intrest berekend moet worden op basis van jaren.

Er moet dus verduidelijkt worden dat de getrouwheidspremie ook na een jaar nog moet worden toegepast, ongeacht hoe lang het geld nog op de rekening blijft staan.

Verbruikersorganisaties hebben al vaker meer duidelijkheid geėist in de berekening van aangroei- en getrouwheidspremies. Het is de hoogste tijd dat die terechte eis wordt ingewilligd.

Het gebrek aan transparantie maakt het onmogelijk de interesten die rekeningen opleveren, te vergelijken : er is geen sprake van duidelijkheid noch van eenvormigheid inzake de verschillende valutadata die worden gebruikt voor de aangroeipremies.

Transparantie is echter wel mogelijk : ofwel moet het cliėnteel beter worden ingelicht en moet dus rekening worden gehouden met de subjectieve voorkeuren van de spaarders, ofwel moeten de berekeningswijzen van de verschillende interesten en premies op objectieve wijze eenvormig worden gemaakt.

Aangezien de fiscale wetgever voordelen verstrekt, moet hij ook kunnen nagaan of wordt voldaan aan de elementaire regel dat er voldoende transparantie moet zijn, zonder dat evenwel afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van de vrije wil.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Het geld moet ten minste 190 dagen (183+7) op de rekening blijven staan. De aangroeipremie is verschuldigd vanaf de volgende dag, net als de basisrente. Het verbod voor de depositaris om een valutadatum voor de opvraging toe te passen, wordt verklaard doordat de bestaande valutadatum voor opvraging voor de basisrente reeds vervat zit in die 190 dagen.

Bijvoorbeeld : Voor een storting die wordt uitgevoerd en geboekt op 12 februari, begint de basisrente te lopen vanaf 13 februari (D+1), ongeacht hoe lang het geld op de rekening blijft staan.

De bedoeling is de berekening van de aangroeipremie aan te passen aan die van de basisrente.

De aangroeipremie begint te lopen vanaf 13 februari (D+1) en is definitief verworven op 19 augustus, dus na 183 dagen, waarbij nog 7 werkdagen worden geteld met het oog op de gelijkschakeling van de berekening met die van de basisrente.

Als het geld op 19 augustus wordt opgevraagd, zullen basisrente en getrouwheidspremie worden berekend op 183 dagen (D+1 en D-7).

Artikel 2 (derde streepje)

Aangezien de getrouwheidspremie in de plaats komt van de aangroeipremie en de overeenstemming van de berekening ervan met die van de basisrente al gegarandeerd is in de periode van 190 dagen, zal de getrouwheidspremie verschuldigd zijn vanaf de 365e dag volgend op de dag waarop de aangroeipremie verworven is.

De depositaris kan dus geen valutadatum toepassen voor de opvraging, aangezien de 7 dagen voor de berekening van de basisrente reeds vervat zitten in de aangroeipremie, die de getrouwheidspremie voorafgaat. Om de berekeningswijzen op elkaar af te stemmen, moeten er dus geen valutadagen meer worden toegevoegd.

Artikel 2 (vierde streepje)

De spaarder moet natuurlijk wel de getrouwheidspremie op eenzelfde bedrag blijven krijgen; de depositarissen kunnen niet eisen dat het bedrag steeds opnieuw 365 dagen onaangeroerd blijft.

Artikel 3

Een groot deel van de huidige regels voor de berekening van aangroei- en getrouwheidspremies staan momenteel in het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van Inkomstenbelasting 1992.

De Koning moet dus zorgen voor de overeenstemming van dit wetsvoorstel met de betrokken regelgevende bepalingen.

Francis POTY.
Christiane VIENNE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 21, 5ŗ, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden na de woorden « met dien verstande dat : », de volgende bepalingen ingevoegd :

« ­ de aangroeipremie, die op dezelfde wijze als de basisrente en de getrouwheidspremie een inkomen is verbonden aan het spaardeposito, verschuldigd is wanneer de aangroei 190 kalenderdagen op de rekening blijft staan, te rekenen vanaf de kalenderdag volgend op de storting, zonder dat de depositaris een valutadatum kan toepassen voor de opvraging;

­ de aangroeipremie op de rekening gecrediteerd moet worden ten laatste op 31 december van het jaar waarin de premie wordt vastgesteld of op de datum waarop de afsluiting van de rekening wordt gevraagd, voor zover de bovenvermelde periode verstreken is;

­ de getrouwheidspremie, die op dezelfde wijze als de basisrente en de aangroeipremie een inkomen is verbonden aan het spaardeposito, is verworven als de bedragen ten minste 365 kalenderdagen op de rekening blijven staan, te rekenen vanaf de kalenderdag volgend op de dag waarop de aangroeipremie definitief verworven is, zonder dat de depositaris een valutadatum kan toepassen voor de opvraging;

­ de getrouwheidspremie blijft van toepassing na de bovenvermelde periode tot op de dag van de opvraging; voor de berekening van de premie wordt rekening gehouden met de dag waarop de opvraging wordt verricht;

­ de getrouwheidspremie moet op de rekening gecrediteerd worden ten laatste op 31 december van het jaar waarin de premie wordt vastgesteld of op de datum waarop het afsluiten van de rekening wordt gevraagd voor zover de bovenmelde periode verstreken is. »

Art. 3

De Koning brengt deze wet in overeenstemming met de bestaande regelgevende bepalingen.

Art. 4

Deze wet treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2005.

Francis POTY.
Christiane VIENNE.