3-27/6 | 3-27/6 |
16 MAART 2004
Art. 78
In § 2, tweede lid, de woorden « verwijst naar » vervangen door de woorden « leidt tot de toepassing van ».
Verantwoording
Deze wijziging beoogt de toepassing van de door het buitenlands recht aangewezen wet mogelijk te maken, zelfs wanneer het aanknopingspunt aangewend in dit recht niet de verblijfplaats, maar bijvoorbeeld de nationaliteit is. Het is van belang dat het resultaat leidt tot de toepassing van de wet van de verblijfplaats, want het is de opzet een enkele wet toe te passen op het roerende en het onroerende gedeelte van de nalatenschap.
Art. 80
In dit artikel, de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. In § 1, het 8º aanvullen met de woorden : « zonder afbreuk te doen aan § 2 ».
B. Paragraaf 2 vervangen door de volgende bepaling :
« § 2. De aanvaarding of de verwerping van een nalatenschap geschiedt op de wijze bepaald door het recht van de Staat op wiens grondgebied de betrokken goederen zijn gelegen op het tijdstip van het overlijden indien dat recht bijzondere formaliteiten vereist. De roerende goederen worden geacht gelegen te zijn bij de gewone verblijfplaats van de overledene op het tijdstip van zijn overlijden. »
Verantwoording
De wijziging strekt tot het schrappen van de verwijzing naar de plaats waar de nalatenschap openvalt, aangezien de bepaling van deze plaats kan verschillen naar gelang van het toegepaste recht. In de praktijk zal zij vaak leiden tot het aanwijzen van dezelfde wet als de wet die de erfopvolging alsook de toelaatbaarheid van de aanvaarding of de verwerping beheerst. De verwijzing (renvoi) of de toepassing van rechtskeuze kan evenwel tot andere gevolgen leiden.
Uit realiteitszin is nader omschreven dat rekening moet worden gehouden met vereisten bepaald in de wet van de plaats waar het goed zich bevindt, indien die vereisten beslissend blijken te zijn op het tijdstip van de overgang van de goederen.
Ingeval het recht van de plaats waar het goed zich bevindt niet voorziet in bijzondere formaliteiten, gebeurt de keuze van de erfgenaam aangaande de aanvaarding of de verwerping van de nalatenschap volgens de bepalingen van de wet inzake erfopvolging, als bedoeld in § 1, punt 8º.
Art. 85
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 85. De Belgische rechters zijn bevoegd om kennis te nemen van een vordering met betrekking tot de zakelijke rechten op een goed, naast de gevallen bedoeld in de algemene bepalingen van deze wet, indien dit goed in België gelegen is of geacht wordt gelegen te zijn krachtens artikel 87, § 2, bij het instellen van de vordering of, in geval van een vordering met betrekking tot de zakelijke rechten op een schuld, indien de schuldenaar zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats in België heeft bij het instellen van de vordering. »
Verantwoording
Door middel van deze toevoeging kan de internationale rechtsmacht van de Belgische gerechten worden uitgebreid tot de geschillen inzake rechten op een onlichamelijk goed, en niet langer enkel op een lichamelijk goed. Om een algemeenheid van goederen te lokaliseren met het oog op de bepaling van het toepasselijk recht, wordt verwezen naar de definitie in artikel 87. Deze definitie wordt in artikel 87 ingevoegd, in plaats van artikel 85, omdat dit eenvoudiger was qua redactie.
Voor de zakelijke rechten op een schuldvordering, is in het amendement de woonplaats of de verblijfplaats van de schuldenaar als bevoegdheidcriterium in aanmerking genomen. Op die plaats worden de vermogenselementen waarop de schuldvordering kan worden gerealiseerd, geacht zich te bevinden.
Uit de tekst van de bepaling volgt dat de algemene regels inzake de internationale rechtsmacht bevoegdheid kunnen vinden. Dit is met name het geval voor artikel 10, dat de mogelijkheid biedt voorlopige en bewarende maatregelen of uitvoeringsmaatregelen betreffende in België gelegen goederen te vorderen.
Art. 87
In dit artikel, de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Aan dit artikel, waarvan de huidige tekst § 1 zal vormen, een § 2 en een § 3 toevoegen, luidende :
« § 2. Ingeval het goed bedoeld in de eerste paragraaf samengesteld is uit een vermogen bestaande uit een geheel van goederen met een bijzondere bestemming. zijnde met name een handelszaak, wordt het geacht zich te bevinden in de Staat waarmee het vermogen de nauwste band heeft.
§ 3. De vestiging van zakelijke rechten op een schuldvordering alsook de gevolgen van de overdracht van een schuldvordering op dergelijke rechten worden beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied de partij die deze rechten heeft gevestigd of de schuldvordering heeft overgedragen zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van de vestiging of van de overdracht.
De gevolgen van een bedongen subrogatie op zakelijke rechten worden beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied de subrogerende persoon zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van de overdracht. »
B. In het oorspronkelijke eerste lid de woorden « een lichamelijk goed » vervangen door de woorden « een goed ».
Verantwoording
De toevoeging van een nieuwe § 2 heeft tot doel de plaats van het goed te bepalen wanneer dit, zoals bijvoorbeeld een handelszaak, is samengesteld uit een vermogen met een bijzondere bestemming.
De nieuwe § 3 beoogt te bepalen welk recht toepasselijk is op de zakelijke rechten op onlichamelijke goederen. Tegelijkertijd beoogt het vast te stellen welke wet toepasselijk is op de tegenstelbaarheid aan derden van de overdracht van de schuldvordering, een vraag die thans geregeld is door artikel 145 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
De bepaling strekt ertoe alle aspecten van het zakelijk recht met betrekking tot de overdracht van een schuldvordering of tot het gebruik van een schuldvordering als zekerheid aan een enkele wet te onderwerpen. In dit opzicht bevat het voornoemde artikel 145 een dubbele beperking die correctie behoeft, aangezien het alleen gewag maakt van de tegenstelbaarheid aan derden en slechts geldt voor de verrichtingen die betrekking hebben op financiële instellingen.
Dit amendement heeft de opheffing van voornoemd artikel 145 tot gevolg (zie amendement nr. 88 op artikel 135).
In de tekst wordt onder het woord « overdracht » verstaan, elke overdracht om zekerheid te stellen, zonder de mogelijkheid van eigendomsoverdracht als garantie uit te sluiten, inbegrepen de fiduciaire overdracht die in sommige buitenlandse rechtsstelsels bestaat. Het omvat inzonderheid de vestiging van een vruchtgebruik en de gevolgen ervan ten aanzien van derden, het tijdstip van de overdracht van het zakelijk recht, de tegenstelbaarheid aan derden, het bestaan van een recht in het vermogen waarop een beslag is gelegd.
Het amendement strekt ertoe de vragen in verband met een bedongen subrogatie, zoals de overdracht in het vermogen van de gesubrogeerde persoon, aan hetzelfde oplossingsbeginsel te onderwerpen.
De tekst omvat ook de inpandgeving van de handelszaak, daarbij gebruik makend van ruimere bewoordingen die tevens andere gevallen insluiten waarin eventueel is voorzien in het buitenlands recht.
Het regelen van de lokalisatie van effecten die gelden als deel van de vennootschap of als obligatieleningen is in casu overbodig aangezien zij ressorteren onder artikel 91. Zulks geldt tevens voor de lokalisatie van de intellectuele eigendomsrechten welke ressorteren onder artikel 93. De artikelen 91 en 93 halen als lex specialis de overhand op artikel 87.
Het is evenmin noodzakelijk het geval van faillissement uitdrukkelijk te regelen : het recht dat het faillissement beheerst bepaalt of de procedure invloed heeft op de zakelijke rechten. Zulks is bepaald in artikel 119 dat verwijst naar verordening 1346/2000 : artikel 5 ervan heeft geen gevolgen voor de zakelijke rechten op goederen die zich bevinden buiten de Staat waar de procedure is ingesteld.
Art. 90
In het eerste lid de woorden « dat op dat tijdstip van toepassing is » invoegen na de woorden « door het recht van die Staat ».
Verantwoording
Dit amendement is erop gericht de inhoud van het recht van de verzoekende Staat vast te leggen op het tijdstip van de onrechtmatige uitvoer. Die uitvoer kan immers reeds lang geleden hebben plaatsgevonden en het voorstel strekt ertoe te voorkomen dat de Staat zijn wetgeving a posteriori wijzigt met het oog op de teruggave met terugwerkende kracht.
De huidige tekst van de bepaling impliceert overigens reeds dat over het onwettelijke karakter van de uitvoer ook wordt geoordeeld op basis van het recht dat op dat tijdstip van toepassing is (eerste zin). De wijziging verduidelijkt dat de bevriezing van het toepasselijke recht ook slaat op de regels van burgerlijk recht inzake de teruggave, bijvoorbeeld een bepaling betreffende de nietigheid van een verkoop tegen een abnormaal lage prijs.
Dit amendement wordt aangevuld met amendement nr. 102 betreffende de overgangsbepalingen van artikel 127. Daarin wordt nader omschreven dat de nieuwe bepalingen slechts gelden voor de uitvoer verricht na de inwerkingtreding ervan. Beide amendementen overlappen elkaar niet aangezien het amendement betreffende artikel 90 een nuttige draagwijdte behoudt voor de uitvoer verricht na de inwerkingtreding van de wet.
Art. 94
In dit artikel, de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Aan dit artikel, waarvan de huidige tekst § 1 zal vormen, een § 2 toevoegen luidende :
« § 2. Met het oog op de tegeldemaking van een goed van een schuldenaar, stelt het krachtens deze afdeling toepasselijke recht tevens het bestaan vast van een recht van voorrang en de rangorde, alsook de verdeling van de opbrengst van de tegeldemaking, onverminderd artikel 119. »
B. In het oorspronkelijke eerste lid, het 7º doen vervallen.
Verantwoording
Dit amendement heeft betrekking op de voorrechten en vult als dusdanig een leemte in artikel 94 aan. Het strekt ertoe de verschillende voorrechten aan een enkele wet te onderwerpen. De toepassing van de faillissementsregels blijft voorbehouden, in die zin dat de faillissementswet beslist welke schuldvorderingen bevoorrecht zijn.
Door de toevoeging van § 2 is het niet nodig punt 7º, waarop de nieuwe paragraaf betrekking heeft, te behouden.
Art. 98
In § 1, eerste lid, de woorden « Contractuele verbintenissen worden beheerst door het recht toepasselijk krachtens » vervangen door de woorden « Het recht toepasselijk op de contractuele verbintenissen wordt vastgesteld door ».
Verantwoording
De voorgestelde wijziging is louter formeel.
Art. 99
In § 2 het 4º vervangen als volgt :
« 4º in geval van productaansprakelijkheid in hoofde van de producent, de invoerder of de leverancier, door het recht van de Staat op wiens grondgebied de benadeelde persoon zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de schade zich voordoet; »
Verantwoording
Deze wijziging beoogt de verwijzing naar de plaats waar de schade zich heeft voorgedaan te vervangen door een verwijzing naar de verblijfplaats van het slachtoffer. Bovendien wordt verduidelijkt op welke situaties de bepaling van toepassing is, door gebruik te maken van de geijkte uitdrukking « productaansprakelijkheid » en nader te bepalen dat deze aansprakelijkheid geldt in hoofde van een producent, een invoerder of een leverancier, maar niet voor een privé-persoon. Bovendien schaft de wijziging de verwijzing naar de aansprakelijkheid voor een gebrekkige dienst af.
In het kader van deze wijzigingen is rekening gehouden met de werkzaamheden die binnen de Europese Unie aan de gang zijn. Wat de inhoud betreft, is de weglating van de gebrekkige diensten verantwoord omdat dit aspect lang geen vergelijkbaar buitencontractueel risico oplevert van de omvang veroorzaakt door gebrekkige producten. Bovendien is het beter het criterium van de verblijfplaats te kiezen wanneer de plaats van de schade blijkt toevallig te zijn. Zo kan het aantal gevallen worden beperkt, waarin beroep wordt gedaan op de uitzonderingsclausule van artikel 19.
Art. 100
Het woord « Verbintenissen » vervangen door de woorden « In afwijking van artikel 99 worden verbintenissen » en de woorden « worden beheerst » vervangen door het woord « beheerst ».
Verantwoording
Deze eenvoudige verduidelijking toont aan dat artikel 100 een afwijking is van artikel 99. Zij strekt ertoe enige verwarring betreffende het gebruik van de term « accessoire » in het opschrift te voorkomen. Dit opschrift zou evenwel moeten worden gehandhaafd, want het stemt overeen met een klassieke benaming in de rechtsleer.
Art. 103
In § 1 het 2º vervangen als volgt :
« 2º de aansprakelijkheid voor de daad van personen, zaken of dieren; »
Verantwoording
De voorgestelde wijziging heeft tot doel de tekst te verduidelijken, aangezien een te letterlijke lezing van de oorspronkelijke tekst (aansprakelijkheid voor andermans daad) de indruk kan geven dat alleen de aansprakelijkheid voor de daad van personen wordt bedoeld, terwijl het net zo goed kan gaan om de aansprakelijkheid van de personen waarvoor iemand instaat als om die van de zaken die iemand in bewaring heeft of om de dieren die iemand in zijn bezit of onder zijn hoede heeft.
Het is de bedoeling deze begrippen zo ruim mogelijk uit te leggen en toe te passen op alle gevallen waarop het materieel recht betrekking kan hebben.
Het is gepast eraan te herinneren dat de lijst in § 1 niet exhaustief is.
Art. 107
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. In het opschrift het woord « wettelijke » invoegen voor het woord « subrogatie ».
B. In het eerste lid het woord « wettelijke » invoegen voor het woord « subrogatie ».
Verantwoording
Deze eenvoudige verduidelijking toont aan dat het artikel niet gaat over de contractuele subrogatie, die wordt beheerst door het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 (artikel 98).
Art. 109
Het tweede lid van dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Deze schrapping volgt uit amendement nr. 14 op artikel 5.
Art. 110
In het eerste lid de woorden « bij de oprichting » vervangen door de woorden « vanaf de oprichting ».
Verantwoording
Deze technische correctie vloeit voort uit het gegeven dat de vennootschap nog geen vestiging heeft bij de oprichting, maar na de oprichting een eerste vestiging zal hebben.
Art. 112
Het tweede lid van dit artikel vervangen als volgt :
« Wanneer een rechtspersoon zijn voornaamste vestiging verplaatst naar een andere Staat, wordt hij vanaf de verplaatsing beheerst door het recht van die andere Staat. »
Verantwoording
Deze verduidelijking is van terminologische aard. Zij brengt de structuur van de zin in overeenstemming met deze aangewend in de andere artikelen van het voorstel.
Art. 114
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. In het opschrift het woord « Vorderingen » vervangen door het woord « Rechten ».
B. In de tekst van het artikel, het woord « Vorderingen » vervangen door het woord « Rechten ».
Verantwoording
Deze technische correctie strekt ertoe een term in te voeren die meer juridisch verantwoord is dan de term « vorderingen ».
Art. 115
In dit artikel de woorden « de voornaamste vestiging en de statutaire zetel van die rechtspersoon » vervangen door de woorden « de voornaamste vestiging van de rechtspersoon » en de woorden « waren gevestigd » vervangen door de woorden « was gevestigd ».
Verantwoording
Krachtens de huidige versie kan de erkenning enkel worden geweigerd als twee elementen, waaronder de statutaire zetel, zich in België bevinden. Deze dubbele vereiste zorgt ervoor dat de exclusiviteit van de bevoegdheid niet kan worden gewaarborgd ingeval enkel de voornaamste vestiging zich in België bevindt. De wijziging beoogt zulks mogelijk te maken, terwijl zij ook duidelijk maakt dat alleen maar een statutaire zetel in België niet genoeg is om de erkenning te weigeren, indien de vennootschap haar voornaamste vestiging in het buitenland had.
Art. 121
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. Een buitenlandse rechterlijke beslissing met betrekking tot het instellen, het verloop of het sluiten van een collectieve procedure gegrond op de insolventie van een schuldenaar, die niet is uitgesproken krachtens de verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000, wordt in België erkend onder de in artikel 22 bepaalde voorwaarden.
Zij wordt evenwel niet erkend indien, naast het bestaan van een weigeringsgrond voorzien in artikel 25, het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar in de zin van die verordening op het tijdstip van de bekentenis van insolventie of van het inleidende verzoek in België gevestigd was tenzij zij enkel invloed heeft op een procedure betreffende de goederen van de schuldenaar die zich in de Staat bevinden waar zij is uitgesproken.
§ 2. In afwijking van artikel 23 is de rechtbank van koophandel bevoegd om kennis te nemen van een verzoek bedoeld in § 1 of van een vordering betreffende het erkennen of het uitvoerbaar verklaren van een beslissing met betrekking tot het instellen, het verloop en het sluiten van een insolventieprocedure, uitgesproken krachtens de verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000. »
Verantwoording
De toevoeging van paragraaf 2 strekt ertoe in de plaats van de rechtbank van eerste aanleg de rechtbank van koophandel aan te wijzen als rechter van de uitvoerbaarverklaring, wegens het bijzonder karakter van de materie. Deze afwijking geldt ongeacht of de schuldenaar de hoedanigheid van handelaar heeft.
De rechtbank van koophandel is bevoegd zowel in geval van een insolventieprocedure beheerst door de verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures ais in geval van een procedure waarop deze verordening niet van toepassing is.
Er moet worden opgemerkt dat de beslissingen houdende de opening van een insolventieprocedure, uitgesproken op grond van de verordening 1346/2000/EG, in hoofdzaak onderworpen worden aan een stelsel van erkenning van rechtswege. Er mag evenwel niet worden uitgesloten dat de rechtbank kennis moet nemen van dergelijke geschillen in geval van weigering tot erkenning of indien een van de uitzonderingen op dat stelsel, waarin de verordening voorziet, zou worden ingeroepen.
Het eerste lid van paragraaf 1 is anders geformuleerd, enerzijds met het oog op zijn toepassing op alle beslissingen die in de loop van de procedure zouden kunnen worden erkend, anderzijds met het oog op zijn toepassing op alle gevallen waarop de verordening niet van toepassing is. Het kan immers gaan om beslissingen gewezen in een Staat waarin de verordening niet van toepassing is, maar ook om beslissingen gewezen ten aanzien van een schuldenaar waarop de verordening niet van toepassing is (personen die niet onder het toepassingsgebied van de verordening vallen).
De wijziging van het tweede lid strekt ertoe de uitwerking van de buitenlandse procedure mogelijk te maken, zelfs al bevindt de hoofdvestiging van de schuldenaar zich in België, indien deze procedure slechts territoriaal is. In het omgekeerde geval waarin de hoofdvestiging zich in een derde land bevindt, zouden de Belgische rechters immers bevoegd zijn om een territoriaal faillissement uit te spreken.
Art. 125
De eerste zin van § 2 vervangen door de volgende bepaling :
« Dit recht bepaalt niet de rechtsgeldigheid van de akten van verkrijging of van overdracht van zakelijke rechten op de goederen van de trust, en evenmin de overdracht van zakelijke rechten op die goederen of de bescherming van derdeverkrijgers van die goederen. »
Verantwoording
Deze wijziging breidt de bepaling uit tot alle zakelijke rechten, wat aantoont dat zij niet worden beïnvloed door de trust.
Art. 129bis
Een artikel 129bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 129bis. Draagwijdte van de adoptiewet
In artikel 359-3 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, vervallen de woorden « de regels van het internationaal privaatrecht en. »
Verantwoording
Dit amendement volgt uit amendement nr. 62 op artikel 71, op grond waarvan deze bepaling voortaan betrekking heeft op de omzetting van een adoptie. De termen waarvan de schrapping wordt voorgesteld in artikel 359-3 van het Burgerlijk Wetboek, hebben dus geen bestaansreden meer. Artikel 71 volstaat voortaan om de doelstelling van artikel 359-3 te verwezenlijken. Ten gronde brengt dit amendement geen wijziging aan in artikel 359-3.
Art. 132
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het opschrift vervangen als volgt :
« Bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel »
B. De tekst vervangen als volgt :
« Artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 570. De rechtbank van eerste aanleg doet uitspraak, ongeacht de waarde van het geschil, over de vorderingen bedoeld in de artikelen 23, § 1, 27 en 31 van de wet van ... houdende het Wetboek van international privaatrecht.
In afwijking van het eerste lid doet de rechtbank van koophandel uitspraak over de vorderingen bedoeld in artikel 121 van dezelfde wet. »
Verantwoording
Het gaat om een louter technische aanpassing die erop is gericht het Gerechtelijk Wetboek in overeenstemming te brengen met artikel 121 op grond waarvan de erkenning en het exequatur van rechterlijke beslissingen inzake insolventie aan de rechtbank van koophandel wordt toevertrouwd.
Art. 134bis
Een artikel 134bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 134bis. Erkenning van buitenlandse vennootschappen
In artikel 58 van het Wetboek van vennootschappen, ingesteld bij de wet van 7 mei 1999, worden de woorden « werkelijke zetel » vervangen door de woorden « voornaamste vestiging. »
Verantwoording
Deze technische wijziging vloeit voort uit de vervanging van het criterium van de werkelijke zetel door dat van de voornaamste vestiging in het ontwerp van wetboek.
Art. 135
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het 3º vervangen als volgt :
« 3º artikel 359-5 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003; »
B. Het artikel aanvullen met een 10º en een 11º luidende :
« 10º artikel 145 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
11º artikel 24, § 1, van de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie. »
Verantwoording
Het amendement maakt de opheffing van de artikelen 344 tot 344quater van het Burgerlijk Wetboek in de oorspronkelijke tekst ongedaan.
De artikelen 344bis en 344quater van het Burgerlijk Wetboek werden reeds vervangen door de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie.
De artikelen 344 en 344ter zijn eveneens vervangen door de wet van 24 april 2003 maar op grond van artikel 24, § 1, van deze wet blijven de oude artikelen 344 en 344ter van het Burgerlijk Wetboek in werking tot een door de Koning te bepalen datum. Deze bepaling strekte ertoe een leemte op het stuk van de wetgeving te voorkomen zolang het Wetboek van internationaal privaatrecht niet is goedgekeurd, omdat de bedoeling voorlag om in dit Wetboek alle bepalingen onder te brengen die betrekking hebben op het toepasselijk recht inzake adoptie. Zodra het Wetboek in werking is getreden, heeft artikel 24, § 1, geen bestaansreden meer en wordt derhalve voorgesteld het op te heffen.
De opheffing van artikel 359-5 van het Burgerlijk Wetboek volgt uit de wijzigingen in de artikelen 66 en 71, de regels over de internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht inzake de herziening van een adoptie, thans in het Wetboek opgenomen.
De opheffing van artikel 145 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, volgt uit de inlassing van een bepaling met hetzelfde voorwerp in artikel 87, na amendering.
Art. 136
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 136. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zevende maand na die waarin de wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. »
Verantwoording
Deze wijziging strekt ertoe de inwerkingtreding van de wet mogelijk te maken zonder een koninklijk besluit. De meeste bepalingen kunnen inderdaad in werking treden zonder voorafuitvoeringsmaatregelen te treffen.
De minister van Justitie,
Laurette ONKELINX.
Art. 116
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 116. Dit hoofdstuk is van toepassing op de collectieve procedures die op de insolvatie van de schuldenaar berusten.
Het is met name van toepassing op insolventieprocedures betreffende beleggingsondernemingen die diensten verrichten welke het houden van geld of effecten van derden behelzen, en instellingen voor collectieve belegging. »
Verantwoording
Het toepassingsgebied van de wet wordt in algemene, beschrijvende termen uitgedrukt. De meer specifieke termen en procedures van het Belgische recht, zoals ze in het besproken voorstel stonden, mogen wegvallen. De bepalingen in het hoofdstuk betreffen weliswaar in meerderheid de procedures die in België ingeleid mogen worden en die hier onder het Belgische recht zullen verlopen.
Niettemin zullen wij in België ook geconfronteerd worden met de weerslag van buitenlandse procedures hier te lande (zie artikel 121). De in artikel 116 bedoelde procedures moeten daarom met de nodige flexibiliteit geïnterpreteerd worden wanneer wij kijken naar de rechtsfenomenen uit het buitenland. In dat opzicht is deze wet ook geroepen om op procedures te worden toegepast die niet in de insolventieverordening geregeld worden, zoals de vrijwillige of gerechtelijke vereffening wegens de insolvabiliteit van de schuldenaar.
Het toepassingsgebied van de Belgische wet is aanzienlijk beperkt doordat de Europese verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de insolventieprocedures bestaat en doordat die verordening primeert boven het Belgische recht. Er wordt immers vooraan in de wet, in artikel 2, een algemene uitzondering gemaakt. Hier zal echter de inspiratie en de regelgeving van het Europese vlak doorwerken.
Er zijn weliswaar naast de algemene Europese insolventieverordening ook bijzondere regelingen, zoals die uit de richtlijnen 2001/17/EG en 2001/24/EG van het Europese Parlement en de Raad betreffende de sanering en de liquidatie van respectievelijk de verzekeringsondernemingen en de kredietinstellingen. Deze worden weldra in het Belgische recht omgezet. Naar aanleiding van die omzetting zal er eveneens een internationaal regime ingevoerd worden dat met die Europese richtlijnen overeenstemt, maar dat ook voor de gevallen met aanknopingspunten buiten de Europese Gemeenschap regels uitvaardigt. Die regels vormen als meer specifieke regels een uitzondering op deze wet.
De bepalingen van hoofdstuk XI zijn in vergelijking met het besproken voorstel in lengte toegenomen. Dat komt, omdat de Commissie bij de eerste lezing van het onderzochte voorstel heeft geoordeeld dat de Belgische wetgever bij voorkeur op zelfstandige basis moet legifereren. Ze zijn inhoudelijk in wezen niet veranderd.
De vrees werd geuit dat de rechtsonderhorigen niet voldoende zouden ingelicht worden door een systeem met uitgevoerde verzending naar de Europese teksten. Bovendien was er een te hoge graad van abstractie vastgesteld, doordat de referte aan de Europese verordening op een indirecte manier werd gemaakt.
De praktische toepassing van de Europese regels buiten hun normaal werkingsveld, onder het besproken voorstel, vereiste bovendien diverse wijzigingen « mutatis mutandis », wat de duidelijkheid reduceerde.
De Commissie vond ook dat het niet aangewezen was om de teksten van de Europese regelgever te doen uitstralen buiten het veld waarin die autoriteit bevoegd is en in materies die hij niet heeft willen regelen. Inzake insolventie werd de behandeling van rechtsvragen over relaties buiten de EG voorbehouden aan de nationale regelgevers. Het leek dus geboden in het vooruitzicht van mogelijke toekomstige wijzigingen in de insolventieverordening zoveel als mogelijk, de Belgische wet zelfstandig te formuleren.
Toch wilde de Commissie de behandeling van insolventieprocedures onder het gemeen recht geheel in de geest van de insolventieverordening laten verlopen. De parallelle regels worden om die reden niet verlaten; ze worden alleen maar duidelijker uitgeschreven.
Betreffende lid 2 : de toevoeging van lid 2 drong zich op, aangezien de insolventieverordening, die in artikel 117 wordt aangeduid, uitdrukkelijk niet die betroffen ondernemingen en instellingen omhelst. Vanuit de Europese wetgever is er ook voor deze geen bijzondere regeling ingevoerd. De gemeenrechtelijke regeling geldt dus en het is goed om dat te verduidelijken.
Art. 117
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het opschrift van het artikel vervangen als volgt :
« Definities ».
B. De tekst van het artikel vervangen als volgt :
« Art. 117. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1º « insolventieprocedure » : de collectieve procedures bedoeld in artikel 116;
2º « hoofdprocedure » : een insolventieprocedure met gevolgen die het gehele vermogen van de schuldenaar betreffen;
3º « territoriale procedure » : een insolventieprocedure met gevolgen die alleen de goederen van de schuldenaar betreffen die zich op het grondgebied bevinden van de Staat waar de territoriale procedure wordt geopend;
4º « insolventieverordening » : de verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de insolventieprocedures;
5º « beheerder » : elke persoon of elk orgaan, dat op grond van een buitenlandse beslissing belast is met het beheer of de vereffening van de goederen waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking is verloren; of bij gebreke aan een degelijke persoon, de schuldenaar zelf. »
Verantwoording
Artikel 117 moet een paar termen introduceren om op een duidelijke manier de nieuwe, beperkte universaliteit aan te duiden en om de beperkte lokale insolventieprocedures in te voeren, zoals gehuldigd door de insolventieverordening.
Het Belgisch gemeen internationaal privaatrecht ontleent, zoals in het besproken voorstel, zijn benadering aan de beginselen in de insolventieverordening.
Op voorstel van de commissie van Justitie gebeurt de referte voortaan, waar nodig, door middel van de vermelding « insolventieverordening ».
Doordat echter ook op een zelfstandige manier een herformulering van sommige van diezelfde beginselen plaatsvindt, moeten er ook, voor de eenvoud in de formulering van die regels, definities vastgesteld worden, die overigens aansluiten bij de insolventieverordening.
Art. 118
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. In afwijking van de algemene bepalingen van deze wet, zijn de Belgische rechters slechts bevoegd om een insolventieprocedure te openen in de gevallen voorzien in artikel 3 van de insolventieverordening.
In de andere gevallen zijn zij evenwel bevoegd :
1º om een hoofdprocedure te openen : indien ofwel de voornaamste vestiging of de statutaire zetel van een rechtspersoon in België gelegen is, ofwel de woonplaats van een natuurlijk persoon in België gelegen is;
2º om een territoriale procedure te openen : indien de schuldenaar op het grondgebied van België een vestiging bezit.
§ 2. Indien een Belgische rechter zich bevoegd verklaarde om een insolventieprocedure te openen op grond van de insolventieverordening of op grond van § 1, is hij eveneens bevoegd kennis te nemen van de geschillen die daar rechtstreeks uit ontstaan.
§ 3. De erkenning in België van een buitenlandse rechterlijke beslissing die een hoofdprocedure betreft, belet niet dat door een Belgische rechter een territoriale procedure wordt geopend. »
Verantwoording
Verantwoording voor § 1 : De paragraaf verduidelijkt dat er hoofdprocedures en territoriale procedures in België mogelijk zijn, buiten het veld van de insolventieverordening, met de voor elke type vereiste specifieke bevoegdheidsgrond. Die grond houdt rekening met het verschil tussen rechtspersonen en natuurlijke personen. Wat deze laatste betreft, is het niet uitgesloten dat onder de nieuwe benadering van het internationale insolventierecht ook een niet-handelaar in België een insolventieprocedure ondergaat zonder wijziging van het Belgisch materieel recht, doordat dergelijke personen het voorwerp werden van een buitenlandse insolventieprocedure die invloed in België kan krijgen.
De bevoegdheid betreft de inleiding van procedures die berusten op een bekentenis of door vordering van een schuldeiser of die ambtshalve ingeleid worden.
Dringende en voorlopige maatregelen kunnen eveneens op grond van artikel 10 van het voorstel van wetboek in België aangevraagd worden.
De bevoegdheid steunt op het in dit wetboek gebruikte Belgische criterium van de economische of sociale vestiging of de zogenaamde « zetel » van de schuldenaar, in de nieuwe geijkte formulering van « voornaamste vestiging » gedefinieerd in artikel 4. De Belgische rechters krijgen volgens dat artikel enige flexibiliteit om met behulp van de diverse daar aangegeven criteria de lokalisering te doen, rekening houdend met de werkelijkheid. Dat criterium verschilt niet noodzakelijk van het Europese criterium in de insolventieverordening gebruikt; maar het kàn ervan verschillen. Het gebruik is hier voor een mondiale toepassing en het criterium moet aansluiten bij het criterium dat in deze wet voor de zetel van de rechtspersonen gebruikt wordt zie het hoofdstuk X.
De bevoegdheid werd ook voor een hoofdprocedure op basis van het formele criterium van de statutaire zetel die in België ligt. Dit sluit aan bij de bepaling van artikel 109 en het biedt de verzekering dat een rechtspersoon die zijn oprichting in België bewerkte, hier te lande in rechte kan aangesproken worden voor de belangrijke statutaire kwesties, ook indien de bestuurders zouden beweren dat de sterkste reële bindingen naar vreemde landen zijn verschoven.
Het gebruik van de termen « hoofdprocedure » en « territoriale procedure » maakt hier duidelijk, door de inhoud die daaraan is gegeven via de definities van artikel 117, dat de Belgische rechtbanken voortaan, in aansluiting bij de Europese evoluties, een lokale insolventieprocedure kunnen voeren. De gevolgen van de nieuwe, territoriale procedure worden beperkt tot de vermogensbestanddelen van de schuldenaar die op het Belgisch grondgebied gelegen zijn.
Daarmee komt er een duidelijke bepaling van de internationale bevoegdheid van de Belgische rechters. De afbakening van de gevallen waar er wel of niet toepassing is van de insolventieverordening gebeurt op basis van de eigen criteria van de hiërarchisch hogere insolventieverordening. Maar die Europese regeling heeft duidelijk haar greep beperkt. Ze behandelt niet de gevallen waarin het centrum van de voornaamste belangen gelegen is buiten het gebied waar de insolventieverordening geldt (Denemarken is daar niet bij).
Voor de inlassing van § 2 : Het voormalige lid 2 van artikel 118 wordt nu opgenomen als § 2 en het ondergaat terminologische wijzigingen die verduidelijken dat de rechtsgrond van de bevoegdheid deze wet kan zijn, maar eveneens de hogere Europese regelgeving, die in dat geval hier wordt aangevuld. Er wordt ook duidelijker gesteld dat het de rechter is die effectief zijn bevoegdheid heeft aanvaard, die deze aanvullende bevoegdheid krijgt.
Bij § 3 : Lid 3 van artikel 118 van het voorstel komt hier in een andere formulering. Het eerste lid van § 3 herneemt artikel 16 (2) van de insolventieverordening en vermijdt zodoende twijfel over het gevolg van de erkenning volgens de regels van artikel 121, op de mogelijkheid om in België de territoriale procedure op een later tijdstip aan te vatten.
Art. 119
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. De insolventieprocedure geopend op grond van artikel 118, § 1, tweede lid en haar gevolgen worden beheerst door Belgisch recht.
Het Belgische recht bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en word beëindigd. Het bepaalt met name de rechtsvragen die onder artikel 4, § 2, (a) tot (m) van de insolventieverordening worden genoemd.
§ 2. In afwijking van § 1, maar onverminderd de toepassing van het recht aangewezen krachtens § 1, op de vorderingen tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van handelingen die voor het geheel van de schuldeisers nadelig zijn;
1º worden de zakelijke rechten van derden op goederen die toebehoren aan de schuldenaar en die zich bij de opening van de procedure op het grondgebied van een andere Staat bevinden, beheerst door het recht dat op de zakelijke rechten van toepassing is;
2º wordt het recht van de schuldeiser om de verrekening van zijn vordering met de vordering van de schuldenaar te vragen, beheerst door het recht dat op de vordering van de insolvente schuldenaar van toepassing is;
3º wordt de uitwerking van de opening van een insolventieprocedure tegen de koper op het eigendomsvoorbehoud van de verkoper van een goed dat zich bij de opening van de procedure op het grondgebied van een andere Staat bevindt, beheerst door het recht dat op de zakelijke rechten op dat goed van toepassing is.
§ 3. In afwijking van § 1 :
1º wordt de uitwerking van de opening van een insolventieprocedure op een overeenkomst die recht geeft op de verkrijging of het gebruik van een onroerend goed, beheerst door het recht dat op die overeenkomst van toepassing is;
2º worden de gevolgen van de insolventieprocedure op de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een betalingssysteem of afwikkelingssysteem of aan een financiële markt, beheerst door het recht dat op dat systeem of die markt van toepassing is;
3º worden de uitwerking van de insolventieprocedure op de arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, beheerst door het recht dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is;
4º worden de gevolgen van de insolventieprocedure voor de rechten van de schuldenaar op een onroerend goed, op een schip of op een luchtvaartuig dat aan inschrijving in een openbaar register onderworpen is, beheerst door het recht dat op die rechten van toepassing;
5º wordt, indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van de schuldeisers nadelige handeling bewijst dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere Staat en dit recht in het gegeven geval die handeling niet laat bestrijden, de nietigheid, de vernietigbaarheid of de niet-tegenwerpbaarheid van die handeling beheerst door het recht van die Staat;
6º wordt, in geval de schuldenaar door een rechtshandeling onder bezwarende titel verricht na de opening van de insolventieprocedure, heeft beschikt over een onroerend goed, of over een schip of luchtvaartuig dat aan inschrijving in een publiek register is onderworpen, of over een effect waarvan het bestaan inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register veronderstelt, de rechtsgeldigheid van die handeling tegenover de derde-verkrijger, beheerst door het recht van de Staat waar het onroerend goed gelegen is, of het register gehouden wordt;
7º wordt de uitwerking van de opening van een insolventieprocedure op een lopende rechtsvordering betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren, beheerst door het recht van de Staat waar die rechtsvordering aanhangig is. »
Verantwoording
Bij § 1 : In de geest van wat boven in de verantwoording van amendement nr. 90 is gesteld, formuleert dit wetsartikel het merendeel van de beginselen en regels die in de insolventieverordening voorkomen, maar op een zelfstandige manier als regelen van Belgisch recht.
Deze regel geldt vanzelfsprekend voor de beide types van insolventieprocedures.
Lid 2 geeft, in vergelijking met het besproken voorstel, nu een verduidelijking door de algemene aanduiding van het toepassingsveld en door een meer informatieve verwijzing naar de rechtsvragen die ten enuntiatieve titel, in de insolventieverordening vermeld worden als vallend onder de lex concursus. Dit werd gevraagd in de Commissie.
Die nadere bepaling van het toepassingsgebied van het recht toepasselijk op de insolventie luidt, in artikel 4, § 2, van de insolventieverordening :
a) welke schuldenaars op grond van hun hoedanigheid aan een insolventieprocedure kunnen worden onderworpen;
b) welk deel van het vermogen van de schuldenaar tot de boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren;
c) welke de respectieve bevoegdheden van de schuldenaar en de curator zijn;
d) onder welke voorwaarden een verrekening kan worden tegengeworpen;
e) de gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende overeenkomsten waarbij de schuldenaar partij is;
f) de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen met uitzondering van lopende rechtsvorderingen;
g) welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar en wat de gevolgen zijn ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan na de opening van de insolventieprocedure;
h) de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen;
i) de regels betreffende de verdeling van de opbrengst van de te gelde gemaakte goederen, de rangindeling van de vorderingen, en de rechten van schuldeisers die krachtens een zakelijk recht of ingevolge verrekening gedeeltelijk zijn voldaan;
j) de voorwaarden voor en de gevolgen van de beëindiging van de insolventieprocedure, met name door een akkoord;
k) de rechten van de schuldeisers nadat de insolventieprocedure beëindigd is;
l) voor wiens rekening de kosten en uitgaven in het kader van de insolventieprocedure zijn;
m) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.
Bij § 2 en 3 : Paragrafen 2 en 3 geven een verduidelijking van de materies waarvoor een afwijking van de lex concursus geldt. Het betreft rechtsvragen over verworven rechten in de sfeer van de zakelijke rechten en zekerheden of arbeidsovereenkomsten. De uitzonderingen leunen aan bij die voorzien in artikelen 5 tot 11 en 13 tot 15 van de insolventieverordening.
Deze materies worden opgesomd en de regels worden kort gegeven, omdat een korte referte aan de insolventieverordening moeilijkheden van interpretatie zou opleveren. De regels zijn immers nogal ingewikkeld.
Het wordt verkieslijk geacht om, ter wille van de eenvormige interpretatie van de bepalingen die afkomstig zijn uit de artikelen 5 tot 11 en 13 tot 15 van de insolventieverordening, zoveel als mogelijk, de termen van de verordening zelf te gebruiken. Maar aanvullend moeten de beheerders en de rechters die de regels toepassen, streven naar een uniforme toepassing die aansluit bij de Europese wetgevende tekst en bij zijn interpretaties of aanvulling.
In de Commissie hebben de indieners, samen met de vertegenwoordiger van de minister van Justitie, ook een nazicht van de toepassing op het wereldvlak van elk van de geformuleerde Europeesrechtelijke uitzonderingen gevraagd. Nadere analyse door de experts heeft aangetoond, dat er geen aanleiding is om de afwijking die in artikel 12 van de insolventieverordening staat, betreffende de beoordeling van de intellectuele rechten, uit te breiden. Die bepaling beoogt om binnen Europa een eenmalige en finale beoordeling te laten plaatsvinden voor de rechtbank van de hoofdprocedure. Deze uitzondering betreft een regel van procedurele behandeling. Ze heeft te maken met de uniforme Europese regelingen van merken en van het in aantocht zijnde Europese octrooi. Buiten Europa heeft de coördinatie van de procedurele behandeling geen zin. De intellectuele rechten mogen in een insolventieprocedure voorts onder de Belgische verwijzingsregeling vallen zoals aangegeven in artikel 93 van deze wet. Transacties aangaande zulke rechten vallen onder het recht dat de betrokken overeenkomst beheerst.
De bijzondere regel van § 2, 2º, wordt eveneens geformuleerd omdat hij ook op Europees vlak aan België werd opgedrongen (artikel 6 van de insolventieverordening), terwijl België nog niet de nodige wijziging heeft gedaan van zijn materieel faillissementsrecht. Er is immers een wetswijziging nodig om de mogelijkheid van een schuldvergelijking in te voeren. Daarmee zouden we de gelijkbehandeling van Belgische schuldeisers verzekeren, voor die internationale gevallen waarin zij staan naast buitenlandse schuldeisers die wel een verrekening mogen doen van hun eigen vorderingen tegen de insolvente schuldenaar, op basis van het recht dat op hun vordering van toepassing is.
Art. 120
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« De curator van een hoofdprocedure of van een territoriale procedure geopend door een rechter bevoegd op grond van artikel 118, § 1, tweede lid, is verplicht om met de beheerders van buitenlandse insolventieprocedures betreffende de schuldenaar, samen te werken en informatie uit te wisselen. Dat gebeurt onder de voorwaarde dat het recht van die vreemde Staat waar de procedure werd ingesteld, op wederkerige basis een gelijkwaardige samenwerking en informatie-uitwisseling voor de betrokken procedure organiseert.
De plichten beschreven in het voorgaande lid worden nageleefd in de mate waarin de kosten van registratie, van publiciteit en van samenwerking niet onredelijk zijn, in acht genomen het actief van de boedel, ook al zou het recht van een vreemde Staat sommige lokale maatregelen verplicht maken.
Indien de vereffening van de boedel van een territoriale procedure de mogelijkheid biedt alle in die procedure toegelaten vorderingen uit te keren, draagt de in die procedure aangewezen curator het saldo onverwijld over aan de beheerder van de hoofdprocedure, onder de voorwaarde van een wederkerige samenwerking en informatie-uitwisseling in de betrokken procedure. »
Verantwoording
Er werden aan het artikel vooral wijzigingen van terminologische aard aangebracht.
Anderzijds wordt er tegemoet gekomen aan een wens uitgedrukt tijdens de bespreking van het voorstel in de Commissie, dat in de concrete gevallen een nazicht zou gebeuren op de aanwezigheid van de wederkerige goede wil die vereist is voor een gunstige samenwerking en ruil van gegevens met de buitenlandse rechters en curatoren. Alleen met landen die in hun rechtsstelsel een gelijkwaardige samenwerking mogelijk maken, kan effectief een werkelijke samenwerking doorgevoerd worden.
Ook op basis van de bespreking in de Commissie, wordt de curator die een plicht tot samenwerking opgelegd krijgt, tegelijk gemachtigd om een afweging te doen van de kosten versus de baten - onder toezicht van de rechter-commissaris, zoals voor heel zijn opdracht.
Het derde lid is substantieel hetzelfde gebleven maar staat nu in de bewoording van artikel 35 van de insolventieverordening.
Art. 121
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. Een buitenlandse rechterlijke beslissing die de opening, het verloop of de sluiting van een insolventieprocedure betreft en die niet is uitgesproken op grond van de insolventieverordening, wordt in België, volgens de bepalingen van artikel 22 erkend of uitvoerbaar verklaard :
1º als een beslissing in een hoofdprocedure, indien de beslissing werd genomen door een rechter in de Staat waar de voornaamste vestiging van de schuldenaar bij de inleiding van die procedure gelegen was;
2º als een beslissing in een territoriale procedure, indien de beslissing werd genomen door een rechter in de Staat waar de schuldenaar bij de inleiding van die procedure een andere vestiging dan zijn voornaamste vestiging bezat; in dit geval mag de erkenning of de uitvoering van de beslissing slechts goederen betreffen die waren gelegen op het grondgebied van de Staat waar de procedure werd geopend.
§ 2. Een buitenlandse rechterlijke beslissing bedoeld in § 1, mag in België geen gevolg krijgen dat in strijd is met de rechten van partijen volgens de regels gesteld in artikel 119, § 2 en § 3.
§ 3. De erkenning brengt met zich dat de beheerder de bevoegdheden mag uitoefenen die hem werden opgedragen in de vreemde beslissing, met name om als beheerder van een hoofdprocedure in België een territoriale procedure of voorlopige en bewarende maatregelen aan te vragen in zijn hoedanigheid van beheerder van een vreemde hoofdprocedure.
§ 4. In afwijking van artikel 23 is de rechtbank van koophandel bevoegd om kennis te nemen van vorderingen op grond van § 1.
De rechtbank van koophandel is eveneens bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot erkenning of uitvoerbaarverklaring van de buitenlandse rechterlijke beslissingen die genomen werden op grond van de insolventieverordening.
Die afwijkingen gelden echter niet voor beslissingen inzake de collectieve schuldenregeling van de persoon die geen handelaar is in termen van het Belgische recht. »
Verantwoording
Ten opzichte van het eerste lid van artikel 121 van het voorstel, zijn er wijzigingen die van terminologische aard zijn, doordat sommige termen gedefinieerd worden.
Er wordt bovendien in § 1 het onderscheid gemaakt dat zich opdrong, om een beperking op te leggen qua erkenbaarheid van beslissingen die voortkomen uit een vreemde hoofdprocedure terwijl wij in België oordelen dat de hoofdprocedure hier moet plaatsvinden. Dat aspect stond in het besproken voorstel, in het tweede lid. Een nieuwe beperking wordt geformuleerd voor beslissingen die territoriaal zijn en niet op goederen kunnen slaan van buiten het vreemde territorium.
De basisgedachte blijft, dat er een doorwerking mogelijk is zonder rechterlijk visum of voorafgaande gerechtelijke tussenkomst. De de plano- erkenning betreft met name de gedane aanstelling en ook de bevoegdheid van de vreemde curator met wie hier te lande moet kunnen samengewerkt worden. Voor beslissingen binnen het werkingsveld van de insolventieverordening volgt dat uit die verordening.
De eerste paragraaf laat onder meer toe om ook de hypothese te omvatten waarbij de schuldenaar zijn voornaamste vestiging buiten het gebied van de insolventieverordening lag en er een territoriaal faillissement werd vastgesteld in een EG-lidstaat (niet Denemarken). De beslissing uit de EG-lidstaat moet dan mee in acht genomen worden voor de vereffening van een ander territoriaal faillissement in België.
Door de algemene verwijzing naar artikel 22 worden al de mogelijkheden daar beschreven, onder de controlevoorwaarden daar aangeduid, van toepassing voor beslissingen inzake de insolventie.
Paragraaf 2 voegt een « contrôle de la loi applicable » in. De genomen beslissingen, inclusief de bekrachtiging van handelingen die een curator binnen zijn bevoegdheid stelt, moeten worden getoetst aan het toepasselijke recht uit de bijzondere verwijzingsregels van artikel 119, § 2 en § 3. Deze hindernis voor een erkenning ligt op hel vlak van bescherming van de rechten van derden, en van sommige beschermde partijen of houders van voorrechten. Ze verlangt dat buitenlandse beslissingen even streng de zakelijke rechten en sommige voorrechten respecteren als onze eigen rechters die oordelen in de Belgische insolventieprocedures. De beperking wordt geschreven met inspiratie in de modelwet inzake internationale faillissementen, die door UNCITRAL werd uitgevaardigd.
Betreffende § 3 : Omdat artikel 119 duidelijk verwijst naar het recht van het forum dat bepaalt welke personen onder welke voorwaarden de procedure mogen openen (onder de referte aan artikel 4, lid 2, van de insolventieverordening), moet nu zoals de verordening het doet via zijn artikel 29 aan het Belgische recht, voor de internationale gevallen van buiten de EG een regel van materieel internationaal privaatrecht toegevoegd worden, die aan een vreemde curator een vorderingsrecht toekent. Die regel lijkt te moeten volgen uit de erkenning van het buitenlandse vonnis.
Paragraaf 4 geeft twee uitzonderingsbepalingen die attributie van competentie toekennen aan de rechtbanken van koophandel, in afwijking van de algemene bevoegdheid die inzake exequatur normaal bij de rechtbank van eerste aanleg ligt, volgens artikel 23. Dit amendement werd eerst voorgesteld door senator Willems en kreeg de algemene goedkeuring van de commissie. Om de eenheid op het vlak van exequatur in de insolventie te bewaren, geeft de wet ook een regeling die hier uitzonderlijk slaat op gerechtelijke beslissingen die wel op grond van de Europese insolventieverordening werden uitgesproken. Deze bepaling poogt niet om enige voorwaarde van erkenning of gevolg van de erkenning te verbinden aan beslissingen afkomstig uit lidstaten van de EG andere dan Denemarken waarin de insolventieverordening van kracht is. Zij betreft uitsluitend de toekenning van de bevoegdheid voor procedures in België.
De uitzonderingen voor de bevoegdheid van de exequaturrechter moeten niet doorgevoerd worden ingeval een particulier in een buitenlandse procedure zoals de procedure van collectieve schuldenregeling werd gegrepen, die buiten de sfeer van de uitoefening van een handel of beroep blijft en onder de controle van de rechtbank van eerste aanleg blijft.
Art. 134ter
Een artikel 134ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 134ter. In artikel 3 van de wet van 8 augustus 1997 inzake het faillissement, gewijzigd door de wet van 4 september 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. het eerste lid wordt vervangen als volgt :
« § 1. Een schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen, kan failliet verklaard worden bij de opening van een territoriale insolventieprocedure in overeenstemming met artikel 3, § 2 van de Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de insolventieprocedures of bij toepassing van artikel 118, § 1, lid 2, 2º, van de wet van [...] houdende het wetboek van international privaatrecht.
Een schuldenaar kan failliet verklaard worden bij de opening van een territoriale insolventieprocedure in overeenstemming met artikel 3, § 3, van de Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de insolventieprocedures of na de erkenning van een buitenlandse beslissing bij toepassing van artikel 121, § 1, 1º, van de wet van [...] houdende het wetboek van internationaal privaatrecht. »
B. Dientengevolge wordt het tweede lid § 2. »
Verantwoording
Het amendement moet de strekking van artikel 3 van de faillissementswet verduidelijken. Die bepaling voorziet, na zijn wijziging door de wet van 4 september 2002, dat de schuldenaar op grond van de insolventieverordening failliet kan verklaard worden indien hij in België een vestiging bezit en het centrum van zijn voornaamste belangen in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap gelegen is. In die formulering laat de tekst uitschijnen dat hij een regel van internationale bevoegdheid stelt die steunt op de ligging van een vestiging in België. Nochtans komt het na de invoering van de verordening niet meer toe aan de nationale wetgever om een dergelijke regel te stellen voor de gevallen onder de verordening.
Anderzijds moet de faillissementswet, na de van kracht wording van de verordening, noodzakelijkerwijze een materiële bevoegdheid opdragen die toelaat zo een lokaal faillissement van een schuldenaar te openen voor handelaren of niet-handelaren, Dat beoogt deze bepaling.
De tekst onderscheidt twee gevallen. Het eerste lid beoogt een territoriale procedure bij afwezigheid van een vreemde hoofdprocedure. In dit geval wordt voorzien dat het ophouden van de betalingen wordt gecontroleerd, zonder dat de eigenlijke instorting van het krediet wordt verlangd. De schuldenaar kan immers in het buitenland, waar hij zijn voornaamste activiteiten uitoefent, zijn krediet behouden hebben. Het tweede lid slaat op het geval waar al een hoofdprocedure werd geopend in het buitenland, waardoor hier geen controle van het ophouden van betalen meer gesteld wordt, omdat dit in het buitenlandse is vastgesteld en die vreemde beslissing die de procedure opende, hier te lande het voorwerp van een erkenning werd.
| Alain ZENNER. |
Art. 59
Het tweede lid van dit artikel vervangen als volgt :
« De registratie van de sluiting van een relatie van samenleven kan in België alleen dan worden gedaan ingeval de partijen op het ogenblik van de sluiting een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben in België.
De registratie van de beëindiging van de relatie van samenleven kan in België alleen dan worden gedaan als de sluiting van de relatie in België is geregistreerd. »
Verantwoording
Dit amendement vervangt amendement nr. 57.
Het tweede lid is strijdig met de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, die bepaalt dat die instelling alleen voor mensen openstaat die een gemeenschappelijke woonplaats in België hebben. De verklaring van wettelijke samenwoning wordt tegen ontvangstbewijs overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die er melding van maakt in het bevolkingsregister.
Ook de beëindiging van de relatie wordt in het bevolkingsregister vermeld.
Aangezien de sluiting en de beëindiging gebeuren door middel van formaliteiten die enkel in België kunnen plaatsvinden, kunnen die formaliteiten niet door een buitenlandse overheid worden verricht.
Het is dan ook niet wenselijk om de Belgische administratieve overheid de bevoegdheid te verlenen om een relatie van samenleven naar buitenlands recht te sluiten of de beëindiging ervan te registreren aangezien die formaliteiten te nauw verbonden zijn met de administratieve organisatie van het betrokken land.
Het voorgestelde nieuwe amendement strekt ertoe die principes in de tekst vast te leggen.
Er zij op gewezen dat de woorden « gemeenschappelijke woonplaats » in de wet tot invoering van de wettelijke samenwoning betrekking hebben op de woonplaats in de zin van artikel 102 van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen de plaats waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft.
Daarom is gekozen voor het daarmee overeenstemmende begrip in die wet, namelijk de gewone verblijfplaats (zie artikel 4, § 2).
Alleen partners met een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats in België kunnen in België een relatie van samenleven sluiten. Overeenkomstig artikel 60 wordt die relatie van samenleven geregeld door het Belgisch recht. Bij de huidige stand van het recht kan het dus enkel gaan om de wettelijke samenwoning in de zin van de wet van 23 november 1998.
| Philippe MAHOUX. |
Art. 57
Dit artikel vervangen als volgt :
« Buitenlandse ontbinding van het huwelijk gegrond op de wil van de man
§ 1. Een in het buitenland opgestelde akte die de wilsverklaring van de man om het huwelijk te ontbinden vaststelt, zonder dat de vrouw een zelfde recht had, kan in België niet worden erkend.
§ 2. Een zodanige akte kan evenwel in België worden erkend nadat is nagegaan of aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
1º de akte is gehomologeerd door een rechter in de Staat waar ze tot stand is gekomen;
2º geen van de echtgenoten had op het tijdstip van de homologatie de nationaliteit van een Staat waarvan het recht die vorm van huwelijksontbinding niet kent;
3º geen van de echtgenoten had op het tijdstip van de homologatie zijn gewone verblijfplaats in een Staat waarvan het recht die vorm van huwelijksontbinding niet kent;
4º de vrouw heeft de ontbinding van het huwelijk op ondubbelzinnige wijze en zonder enige dwang aanvaard;
5º tegen de erkenning geldt geen enkele grond voor weigering als bedoeld in artikel 25. »
Verantwoording
Dit amendement herneemt paragraaf 1 van amendement nr. 47, dat eerder is ingediend.
Wat de tweede paragraaf betreft, gaat dit amendement voornamelijk uit van de instemming van de vrouw. Het schrapt de voorwaarde van aanwezigheid van de vrouw bij de ontbindingsprocedure. Wanneer voor de ontbindingsprocedure een oproeping volgens het boekje wordt gevraagd, wordt in de praktijk een meerderheid van de vrouwen van de erkenningsprocedure uitgesloten. In de meeste landen met een islamitische cultuur worden de vrouwen immers niet opgeroepen voor de procedure.
Het amendement laat die voorwaarde dus vallen en vervangt ze door een verruimde voorwaarde inzake de instemming van de vrouw : zij kan de ontbinding ook aanvaarden na de homologatie. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet nagaan of de vrouw werkelijk instemt vooral wanneer de aanvraag tot erkenning uitgaat van de man.
Wat de procedure betreft die van toepassing is bij de erkenning van een huwelijksontbinding gegrond op de wil van de man, gaat dit amendement uit van wat er in het familierecht gebruikelijk is, namelijk het nagaan door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Belangrijk is de noodzaak te benadrukken om garanties te leveren wat de interpretatie betreft die de ambtenaren van de burgerlijke stand aan artikel 57 geven.
Teneinde iedere vorm van discriminatie en een mogelijke afkeuring vanwege het Arbitragehof te voorkomen, kan de man eveneens, met inachtneming van dezelfde voorwaarden, de erkenning van de huwelijksontbinding vragen.
| Nathalie de T' SERCLAES. Marie-José LALOY. Fatma PEHLIVAN. Clotilde NYSSENS. Luc WILLEMS. |
Art. 19
Het tweede lid van § 1 van dit artikel vervangen als volgt :
« Bij de toepassing van het eerste lid wordt inzonderheid rekening gehouden met :
de nood aan voorspelbaarheid van het toepasselijk recht; en
de omstandigheid dat de betrokken rechtsverhouding geldig tot stand kwam volgens de regels van internationaal privaatrecht van de Staten waarmee die rechtsverhouding verbonden was bij haar totstandkoming. »
Verantwoording
Dit amendement bevordert de leesbaarheid van het voornoemd lid en geeft beter de wil van de wetgever weer.
Art. 44
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« Het huwelijk kan in België worden gesloten indien :
1º één van de toekomstige echtgenoten bij het sluiten van het huwelijk Belg is; of
2º één van de toekomstige echtgenoten ten minste 12 maanden voor het sluiten van het huwelijk zijn woonplaats heeft in België; of
3º beide toekomstige echtgenoten ten minste 6 maanden voor het sluiten van het huwelijk hun woonplaats hebben in België. »
Verantwoording
Indiener kiest ervoor om de gewone verblijfplaats in artikel 44 voor alle gevallen te schrappen als een voldoende band om in België te mogen trouwen.
De gewone verblijfplaats is in slechts enkele gevallen een criterium voor rechterlijke tussenkomst (bevoegdheid). Zij wordt weliswaar meerdere malen gebruikt voor de aanknoping bij het bepalen van de toepasselijke wet, maar het is niet nodig om dit principe te volgen voor de bepaling van een administratieve bevoegdheid van een ambtenaar van burgerlijke stand.
Dergelijke administratieve bevoegdheid is overigens een soort bepaling die maar een paar keren voorkomt in het wetboek.
Het amendement houdt in dat er voor het sluiten van het huwelijk steeds een betekenisvolle band met België dient te zijn, ofwel de nationaliteit, ofwel de woonplaats.
Het amendement is daarmee tevens een oplossing voor de in de commissie uitgedrukte vrees voor forum-shopping inzake het homo-huwelijk.
| Hugo VANDENBERGHE. |
Art. 126
Paragraaf 2 aanvullen met een derde lid, luidende :
« In afwijking van het tweede lid, kan een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht gevolgen hebben in België vanaf 1 juni 2003, indien het huwelijk voldoet aan de voorwaarden van deze wet. »
Verantwoording
De wet van 13 februari 2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek is in werking getreden op 1 juni 2003.
Vóór deze datum kon een huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht niet worden aangegaan in België. Ook kon een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht dat in het buitenland was aangegaan niet erkend worden in België.
Aangezien onze wetgeving inmiddels gewijzigd is, is het aangewezen om de gevolgen van dergelijke huwelijken die in het buitenland zijn aangegaan, te erkennen vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet van 13 februari 2003.
Art. 127
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Een § 2bis invoegen, luidende :
« § 2bis. Artikel 46, tweede lid, is van toepassing op het huwelijk dat is aangegaan vanaf 1 juni 2003. »
B. Een § 5bis invoegen, luidende :
« § 5bis. Artikel 90 is van toepassing op het goed dat het grondgebied van de Staat na de inwerkingtreding van deze wet op onrechtmatige wijze heeft verlaten. »
Verantwoording
1. Om de actuele rechtszekerheid te verhogen, is de regel vervat in artikel 46, tweede lid, van het wetboek van toepassing op het huwelijk in België aangegaan vanaf 1 juni 2003, datum van inwerkingtreding van de wet van 13 februari 2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
2. Door dit amendement wordt de toestand geneutraliseerd van de goederen die zich thans in onze musea bevinden en die aanvankelijk op niet-geoorloofde wijze kunnen zijn verworven.
Overeenkomstig de internationale instrumenten terzake wordt in de regel nader bepaald dat zij slechts geldt voor toekomstig onrechtmatig gedrag. Dat betekent niet dat dergelijke goederen ambtshalve ontsnappen aan alle terugvorderingen die daarop betrekking kunnen hebben. Het betekent alleen dat de terugvorderende Staat voor de goederen die in het verleden onrechtmatig zijn uitgevoerd, geen beroep kan doen op de wettelijke optie die hem in het nieuwe artikel 90 wordt geboden.
De minister van Justitie,
Laurette ONKELINX.
Art. 119
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. De insolventieprocedure geopend op grond van artikel 118, § 1, tweede lid, en haar gevolgen worden beheerst door Belgisch recht.
Het Belgische recht bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name de rechtsvragen die onder artikel 4, § 2, (a) tot (m) van de insolventieverordening worden genoemd.
§ 2. In afwijking van § 1, maar onverminderd de toepassing van het recht aangewezen krachtens § 1 op de vorderingen tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van handelingen die voor het geheel van de schuldeisers nadelig zijn, wordt de uitwerking van een insolventieprocedure op :
1º de zakelijke rechten van derden op goederen die toebehoren aan de schuldenaar en die zich bij de opening van de procedure op het grondgebied van een andere Staat bevinden, beheerst door het recht dat op de zakelijke rechten van toepassing is;
2º het recht van een schuldeiser om de verrekening van zijn vordering met de vordering van de schuldenaar te vragen, beheerst door het recht dat op de vordering van de insolvente schuldenaar van toepassing is;
3º het eigendomsvoorbehoud van de verkoper van een goed dat zich bij de opening van de procedure op het grondgebied van een andere Staat bevindt, beheerst door het recht dat op de zakelijke rechten op dat goed van toepassing is.
§ 3. In afwijking van § 1 wordt de uitwerking van een insolventieprocedure op :
1º een overeenkomst die recht geeft op de verkrijging of het gebruik van onroerend goed, beheerst door het recht dat op die overeenkomst van toepassing is;
2º de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een betalingssysteem of afwikkelingssysteem of aan een financiële markt, beheerst door het recht dat op dat systeem of die markt van toepassing is;
3º de arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, beheerst door het recht dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is;
3º de rechten van de schuldenaar op een onroerend goed, op een schip of op een luchtvaartuig dat aan inschrijving in een openbaar register onderworpen is, beheerst door het recht dat op die rechten van toepassing.
§ 4. In afwijking van § 1 :
1º wordt, indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van de schuldeisers nadelige handeling bewijst dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere Staat en dit recht in het gegeven geval die handeling niet laat bestrijden, de nietigheid, de vernietigbaarheid of de niet-tegenwerpbaarheid van die handeling beheerst door het recht van die Staat;
2º wordt, in geval de schuldenaar door een rechtshandeling onder bezwarende titel verricht na de opening van de insolventieprocedure, heeft beschikt over een onroerend goed, of over een schip of luchtvaartuig dat aan inschrijving in een publiek register is onderworpen, of over een effect waarvan het bestaan inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register veronderstelt, de rechtsgeldigheid van die handeling tegenover de derde-verkrijger, beheerst door het recht van de Staat waar het onroerend goed gelegen is, of het register gehouden wordt;
3º wordt de uitwerking van de opening van een insolventieprocedure op een lopende rechtsvordering betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren, beheerst door het recht van de Staat waar die rechtsvordering aanhangig is. »
Verantwoording
Bij § 1 : In de geest van wat boven in de verantwoording bij artikel 116 is gesteld, formuleert dit wetsartikel het merendeel van de beginselen en regels die in de insolventieverordening voorkomen, maar op een zelfstandige manier als regelen van Belgisch recht.
Deze regel geldt vanzelfsprekend voor de beide types van insolventieprocedures.
Lid 2 geeft, in vergelijking met het besproken voorstel, nu een verduidelijking door de algemene aanduiding van het toepassingsveld en door een meer informatieve verwijzing naar de rechtsvragen die ten enunciatieve titel, in de insolventieverordening vermeld worden als vallend onder de lex concursus. Dit werd gevraagd in de commissie.
Die nadere bepaling van het toepassingsgebied van het recht toepasselijk op de insolventie luidt, in artikel 4, § 2, van de insolventieverordening :
a) welke schuldenaars op grond van hun hoedanigheid aan een insolventieprocedure kunnen worden onderworpen;
b) welk deel van het vermogen van de schuldenaar tot de boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren;
c) welke de respectieve bevoegdheden van de schuldenaar en de curator zijn;
d) onder welke voorwaarden een verrekening kan worden tegengeworpen;
e) de gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende overeenkomsten waarbij de schuldenaar partij is;
f) de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen met uitzondering van lopende rechtsvorderingen;
g) welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar en wat de gevolgen zijn ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan na de opening van de insolventieprocedure;
h) de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen;
i) de regels betreffende de verdeling van de opbrengst van de te gelde gemaakte goederen, de rangindeling van de vorderingen, en de rechten van schuldeisers die krachtens een zakelijk recht of ingevolge verrekening gedeeltelijk zijn voldaan;
j) de voorwaarden voor en de gevolgen van de beëindiging van de insolventieprocedure, met name door een akkoord;
k) de rechten van de schuldeisers nadat de insolventieprocedure beëindigd is;
l) vor wiens rekening de kosten en uitgaven in het kader van de insolventieprocedure zijn;
m) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.
Bij § 2, 3 en 4 : De paragrafen 2, 3 en 4 geven een verduidelijking van de materies waarvoor een afwijking van de lex concursus geldt. Het betreft rechtsvragen over verworven rechten in de sfeer van de zakelijke rechten en zekerheden of arbeidsovereenkomsten. De uitzonderingen leunen aan bij die voorzien in de artikelen 5 tot 11 en 13 tot 15 insolventieverordening.
Deze materies worden opgesomd en de regels worden kort gegeven, omdat een korte referte aan de insolventieverordening moeilijkheden van interpretatie zou opleveren. De regels zijn immers nogal ingewikkeld.
Het wordt verkieslijk geacht om, ter wille van de eenvormige interpretatie van de bepalingen die afkomstig zijn uit de artikelen 5 tot 11 en 13 tot 15 van de insolventieverordening, zoveel als mogelijk, de termen van de verordening zelf te gebruiken. Maar aanvullend moeten de beheerders en de rechters die de regels toepassen, streven naar een uniforme toepassing die aansluit bij de Europese wetgevende tekst en bij zijn interpretaties of aanvulling.
In de commissie hebben de indieners, samen met de vertegenwoordiger van de minister van Justitie, ook een nazicht van de toepassing op het wereldvlak van elk van de geformuleerde Europeesrechtelijke uitzonderingen gevraagd. Nadere analyse door de experts heeft aangetoond, dat er geen aanleiding is om de afwijking die in artikel 12 van de insolventieverordening staat, betreffende de beoordeling van de intellectuele rechten, uit te breiden. Die bepaling beoogt om binnen Europa een eenmalige en finale beoordeling te laten plaatsvinden voor de rechtbank van de hoofdprocedure. Deze uitzondering betreft een regel van procedurele behandeling. Ze heeft te maken met de uniforme Europese regelingen van merken en van het in aantocht zijnde Europese octrooi. Buiten Europa heeft de coördinatie van de procedurele behandeling geen zin. De intellectuele rechten mogen in een insolventieprocedure voorts onder de Belgische verwijzingsregeling vallen zoals aangegeven in artikel 93 van deze wet. Transacties aangaande zulke rechten vallen onder het recht dat de betrokken overeenkomst beheerst.
De bijzondere regel van § 2, 2º, wordt eveneens geformuleerd omdat hij ook op Europees vlak aan België werd opgedrongen (artikel 6 van de insolventieverordening), terwijl België nog niet de nodige wijziging heeft gedaan van zijn materieel faillissementsrecht. Er is immers een wetswijziging nodig om de mogelijkheid van een schuldvergelijking in te voeren. Daarmee zouden we de gelijkbehandeling van Belgische schuldeisers verzekeren, voor die internationale gevallen waarin zij staan naast buitenlandse schuldeisers die wel een verrekening mogen doen van hun eigen vorderingen tegen de insolvente schuldenaar, op basis van het recht dat op hun vordering van toepassing is.
Art. 121
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. Een buitenlandse rechterlijke beslissing die de opening, het verloop of de sluiting van een insolventieprocedure betreft en die niet is uitgesproken op grond van de insolventieverordening, wordt in België, volgens de bepalingen van artikel 22 erkend of uitvoerbaar verklaard :
1º als een beslissing in een hoofdprocedure, indien de beslissing werd genomen door een rechter in de Staat waar de voornaamste vestiging van de schuldenaar bij de inleiding van die procedure gelegen was;
2º als een beslissing in een territoriale procedure, indien de beslissing werd genomen door een rechter in de Staat waar de schuldenaar bij de inleiding van die procedure een andere vestiging dan zijn voornaamste vestiging bezat; in dit geval mag de erkenning of de uitvoering van de beslissing slechts goederen betreffen die waren gelegen op het grondgebied van de Staat waar de procedure werd geopend.
§ 2. Een buitenlandse rechterlijke beslissing bedoeld in § 1, mag in België geen gevolg krijgen dat in strijd is met de rechten van partijen volgens de regels gesteld in artikel 119, § 2 tot § 4.
§ 3. De erkenning brengt met zich dat de beheerder de bevoegdheden mag uitoefenen die hem werden opgedragen in de vreemde beslissing, met name om als beheerder van een hoofdprocedure in België een territoriale procedure of voorlopige en bewarende maatregelen aan te vragen in zijn hoedanigheid van beheerder van een vreemde hoofdprocedure.
§ 4. In afwijking van artikel 23 is de rechtbank van koophandel bevoegd om kennis te nemen van vorderingen op grond van § 1.
De rechtbank van koophandel is eveneens bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot erkenning of uitvoerbaarverklaring van de buitenlandse rechterlijke beslissingen die genomen werden op grond van de insolventieverordening.
Die afwijkingen gelden echter niet voor beslissingen inzake de collectieve schuldenregeling van de persoon die geen handelaar is in termen van het Belgische recht. »
Verantwoording
Ten opzichte van het eerste lid van artikel 121 van het voorstel, zijn er wijzigingen die van terminologische aard zijn, doordat sommige termen gedefinieerd worden.
Er wordt bovendien in § 1 het onderscheid gemaakt dat zich opdrong, om een beperking op te leggen qua erkenbaarheid van beslissingen die voortkomen uit een vreemde hoofdprocedure terwijl wij in België oordelen dat de hoofdprocedure hier moet plaatsvinden. Dat aspect stond in het besproken voorstel, in het tweede lid. Een nieuwe beperking wordt geformuleerd voor beslissingen die territoriaal zijn en niet op goederen kunnen slaan van buiten het vreemde territorium.
De basisgedachte blijft, dat er een doorwerking mogelijk is zonder rechterlijk visum of voorafgaande gerechtelijke tussenkomst. De de plano-erkenning betreft met name de gedane aanstelling en ook de bevoegdheid van de vreemde curator met wie hier te lande moet kunnen worden samengewerkt. Voor beslissingen binnen het werkingsveld van de insolventieverordening volgt dat uit die verordening.
De eerste paragraaf laat onder meer toe om ook de hypothese te omvatten waarbij de schuldenaar zijn voornaamste vestiging buiten het gebied van de insolventieverordening lag en er een territoriaal faillissement werd vastgesteld in een EG-lidstaat (niet Denemarken). De beslissing uit de EG-lidstaat moet dan mee in acht genomen worden voor de vereffening van een ander territoriaal faillissement in België.
Door de algemene verwijzing naar artikel 22 worden al de mogelijkheden daar beschreven, onder de controlevoorwaarden daar aangeduid, van toepassing voor beslissingen inzake de insolventie.
Paragraaf 2 voegt een « contrôle de la loi applicable » in. De genomen beslissingen, inclusief de bekrachtiging van handelingen die een curator binnen zijn bevoegdheid stelt, moeten worden getoetst aan het toepasselijke recht uit de bijzondere verwijzingsregels van artikel 119, § 2 tot § 4. Deze hindernis voor een erkenning ligt op het vlak van bescherming van de rechten van derden, en van sommige beschermde partijen of houders van voorrechten.
Ze verlangt dat buitenlandse beslissingen even streng de zakelijke rechten en sommige voorrechten respecteren als onze eigen rechters die oordelen in de Belgische insolventieprocedures. De beperking wordt geschreven met inspiratie in de modelwet inzake internationale faillissementen, die door UNCITRAL werd uitgevaardigd.
Betreffende § 3 : Omdat artikel 119 duidelijk verwijst naar het recht van het forum dat bepaalt welke personen onder welke voorwaarden de procedure mogen openen (onder de referte aan artikel 4, lid 2, van de insolventieverordening), moet nu zoals de verordening het doet via zijn artikel 29 aan het Belgische recht, voor de internationale gevallen van buiten de EG een regel van materieel internationaal privaatrecht toegevoegd worden, die aan een vreemde curator een vorderingsrecht toekent. Die regel lijkt te moeten volgen uit de erkenning van het buitenlandse vonnis.
Paragraaf 4 geeft twee uitzonderingsbepalingen die attributie van competentie toekennen aan de rechtbanken van koophandel, in afwijking van de algemene bevoegdheid die inzake exequatur normaal bij de rechtbank van eerste aanleg ligt, volgens artikel 23. Dit amendement werd eerst voorgesteld door senator Willems en kreeg de algemene goedkeuring van de commissie.
Om de eenheid op het vlak van exequatur in de insolventie te bewaren, geeft de wet ook een regeling die hier uitzonderlijk slaat op gerechtelijke beslissingen die wel op grond van de Europese insolventieverordening werden uitgesproken.
Deze bepaling poogt niet om enige voorwaarde van erkenning of gevolg van de erkenning te verbinden aan beslissingen afkomstig uit lidstaten van de EG andere dan Denemarken waarin de insolventieverordening van kracht is. Zij betreft uitsluitend de toekenning van de bevoegdheid voor procedures in België.
De uitzonderingen voor de bevoegdheid van de exequaturrechter moeten niet doorgevoerd worden ingeval een particulier in een buitenlandse procedure zoals de procedure van collectieve schuldenregeling werd gegrepen, die buiten de sfeer van de uitoefening van een handel of beroep blijft en onder de controle van de rechtbank van eerste aanleg blijft.
| Alain ZENNER. |
Art. 44
In dit artikel de woorden « in België zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft » vervangen door de woorden « of in België zijn woonplaats heeft ».
Verantwoording
Voor de rechtszekerheid is het wenselijk dat de « gewone verblijfplaats » niet aangehouden wordt als aanknopingspunt.
| Luc WILLEMS. |
Art. 116
De tekst van het artikel vervangen als volgt :
« Dit hoofdstuk is van toepassing op de collectieve procedures die op de insolventie van de schuldenaar berusten. »
Verantwoording
Het toepassingsgebied van de wet wordt in algemene, beschrijvende termen uitgedrukt. De meer specifieke termen en procedures van het Belgisch recht, zoals ze in het besproken voorstel stonden, mogen wegvallen. De bepalingen in het hoofdstuk betreffen weliswaar in meerderheid de procedures die in België ingeleid mogen worden en die hier onder het Belgisch recht zullen verlopen.
Niettemin zullen wij in België ook geconfronteerd worden met de weerslag van buitenlandse procedures hier te lande (zie artikel 121). De in artikel 116 bedoelde procedures moeten daarom met de nodige flexibiliteit geïnterpreteerd worden, wanneer wij kijken naar de rechtsfenomenen uit het buitenland. In dat opzicht is deze wet ook geroepen om op procedures te worden toegepast die niet in de insolventieverordening geregeld worden, zoals de vrijwillige of gerechtelijke vereffening wegens de insolvabiliteit van de schuldenaar.
Het toepassingsgebied van de Belgische wet is aanzienlijk beperkt doordat de Europese verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de insolventieprocedures bestaat en doordat die verordening primeert boven het Belgisch recht. Er wordt immers vooraan in de wet, in artikel 2, een algemene uitzondering gemaakt. Hier zal echter de inspiratie en de regelgeving van het Europese vlak doorwerken.
Er zijn weliswaar naast de algemene Europese insolventieverordening ook bijzondere regelingen, zoals die uit de richtlijnen 2001/17/EG en 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de sanering en de liquidatie van respectievelijk de verzekeringsondernemingen en de kredietinstellingen. Deze worden weldra in het Belgische recht omgezet.
Naar aanleiding van die omzetting zal er eveneens een internationaal regime ingevoerd worden dat met die Europese richtlijnen overeenstemt, maar dat ook voor de gevallen met aanknopingspunten buiten de Europese Gemeenschap regels uitvaardigt. Die regels vormen als meer specifieke regels een uitzondering op deze wet.
Dit hoofdstuk is evenwel van toepassing op insolventieprocedures betreffende beleggingsondernemingen die diensten verrichten welke het houden van geld of effecten van derden behelzen, en instellingen voor collectieve belegging, aangezien de insolventieverordening, die in artikel 117 wordt aangeduid, uitdrukkelijk niet die ondernemingen en instellingen omhelst. Vanuit de Europese wetgever is er ook voor deze geen bijzondere regeling ingevoerd. De gemeenrechtelijke regeling geldt dus.
De bepalingen van hoofdstuk XI zijn in vergelijking met het besproken voorstel in lengte toegenomen. Dat komt, omdat de commissie bij de eerste lezing van het onderzochte voorstel heeft geoordeeld dat de Belgische wetgever bij voorkeur op zelfstandige basis moet legifereren. Ze zijn inhoudelijk in wezen niet veranderd.
De vrees werd geuit dat de rechtsonderhorigen niet voldoende zouden ingelicht worden door een systeem met uitvoerige verwijzing naar de Europese teksten. Bovendien was er een te hoge graad van abstractie vastgesteld, doordat de referte aan de Europese verordening op een indirecte manier werd gemaakt.
De praktische toepassing van de Europese regels buiten hun normaal werkingsveld, onder het besproken voorstel, vereiste bovendien diverse wijzigingen « mutatis mutandis », wat de duidelijkheid reduceerde.
De commissie vond ook dat het niet aangewezen was om de teksten van de Europese regelgever te doen uitstralen buiten het veld waarin die autoriteit bevoegd is en in materies die hij niet heeft willen regelen. Inzake insolventie werd de behandeling van rechtsvragen over relaties buiten de EG voorbehouden aan de nationale regelgevers. Het leek dus geboden in het vooruitzicht van mogelijke toekomstige wijzigingen in de insolventieverordening zoveel als mogelijk, de Belgische wet zelfstandig te formuleren.
Toch wilde de commissie de behandeling van insolventieprocedures onder het gemeen recht geheel in de geest van de insolventieverordening laten verlopen. De parallelle regels worden om die reden niet verlaten; ze worden alleen maar duidelijker uitgeschreven.
Art. 117
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het opschrift van het artikel vervangen als volgt :
« Art. 117. Definities. »
B. De tekst van het artikel vervangen als volgt :
« In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1º « insolventieprocedure » : de collectieve procedures bedoeld in artikel 116;
2º « hoofdprocedure » : een insolventieprocedure met gevolgen die het gehele vermogen van de schuldenaar betreffen;
3º « territoriale procedure » : een insolventieprocedure met gevolgen die alleen de goederen van de schuldenaar betreffen die zich op het grondgebied bevinden van de Staat waar de territoriale procedure wordt geopend;
4º « insolventieverordening »: de verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de insolventieprocedures;
5º « beheerder » : elke persoon of elk orgaan, dat op grond van een buitenlandse beslissing belast is met het beheer of de vereffening van de goederen waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking is verloren; of bij gebreke aan een dergelijke persoon, de schuldenaar zelf. »
Verantwoording
Artikel 117 moet een paar termen introduceren om op een duidelijke manier de nieuwe, beperkte universaliteit aan te duiden en om de beperkte lokale insolventieprocedures in te voeren, zoals gehuldigd door de insolventieverordening.
Het Belgisch gemeen internationaal privaatrecht ontleent, zoals in het besproken voorstel, zijn benadering aan de beginselen in de insolventieverordening.
Op voorstel van de commissie van Justitie gebeurt de referte voortaan, waar nodig, door middel van de vermelding « insolventieverordening ».
Doordat echter ook op een zelfstandige manier een herformulering van sommige van diezelfde beginselen plaatsvindt, moeten er ook, voor de eenvoud in de formulering van die regels, definities vastgelegd worden, die overigens aansluiten bij de insolventieverordening.
Art. 118
De tekst van het artikel vervangen als volgt :
« § 1. In afwijking van de algemene bepalingen van deze wet, zijn de Belgische rechters slechts bevoegd om een insolventieprocedure te openen in de gevallen voorzien in artikel 3 van de insolventieverordening.
In de andere gevallen zijn zij evenwel bevoegd :
1º om een hoofdprocedure te openen : indien ofwel de voornaamste vestiging of de statutaire zetel van een rechtspersoon in België gelegen is, ofwel de woonplaats van een natuurlijk persoon in België gelegen is;
2º om een territoriale procedure te openen : indien de schuldenaar op het grondgebied van België een vestiging bezit.
§ 2. Indien een Belgische rechter zich bevoegd verklaarde om een insolventieprocedure te openen op grond van de insolventieverordening of op grond van § 1, is hij eveneens bevoegd kennis te nemen van de geschillen die daar rechtstreeks uit ontstaan.
§ 3. De erkenning in België van een buitenlandse rechterlijke beslissing die een hoofdprocedure betreft, belet niet dat door een Belgische rechter een territoriale procedure wordt geopend. »
Verantwoording
Voor § 1 : De paragraaf verduidelijkt dat er hoofdprocedures en territoriale procedures in België mogelijk zijn, buiten het veld van de insolventieverordening, met de voor elk type vereiste specifieke bevoegdheidsgrond. Die grond houdt rekening met het verschil tussen rechtspersonen en natuurlijke personen.
Wat deze laatste betreft, is het niet uitgesloten dat onder de nieuwe benadering van het internationale insolventierecht ook een niet-handelaar in België een insolventieprocedure ondergaat zonder wijziging van het Belgisch materieel recht, doordat dergelijke personen het voorwerp werden van een buitenlandse insolventieprocedure die invloed in België kan krijgen.
De bevoegdheid betreft de inleiding van procedures die berusten op een bekentenis of door vordering van een schuldeiser of die ambtshalve ingeleid worden.
Dringende en voorlopige maatregelen kunnen eveneens op grond van artikel 10 in België aangevraagd worden.
De bevoegdheid steunt op het in dit wetboek gebruikte Belgische criterium van de economische of sociale vestiging of de zogenaamde « zetel » van de schuldenaar; in de nieuwe geijkte formulering van « voornaamste vestiging » gedefinieerd in artikel 4. De Belgische rechters krijgen volgens dat artikel enige flexibiliteit om met behulp van de diverse daar aangegeven criteria de lokalisering te doen, rekening houdend met de werkelijkheid.
Dat criterium verschilt niet noodzakelijk van het Europese criterium in de insolventieverordening gebruikt; maar het kàn ervan verschillen. Het gebruik is hier voor een mondiale toepassing en het criterium moet aansluiten bij het criterium dat in deze wet voor de zetel van de rechtspersonen gebuikt wordt zie hoofdstuk X.
De bevoegdheid geldt ook voor een hoofdprocedure op basis van het formele criterium van de statutaire zetel die in België ligt. Dit sluit aan bij de bepaling van artikel 109 en het biedt de verzekering dat een rechtspersoon die zijn oprichting in België bewerkte, hier te lande in rechte kan aangesproken worden voor de belangrijke statutaire kwesties, ook indien de bestuurders zouden beweren dat de sterkste reële bindingen naar vreemde landen zijn verschoven.
Het gebruik van de termen « hoofdprocedure » en « territoriale procedure » maakt hier duidelijk, door de inhoud die daaraan is gegeven via de definities van artikel 117, dat de Belgische rechtbanken voortaan, in aansluiting bij de Europese evoluties, een lokale insolventieprocedure kunnen voeren. De gevolgen van de nieuwe, territoriale procedure worden beperkt tot de vermogensbestanddelen van de schuldenaar die op het Belgisch grondgebied gelegen zijn.
Daarmee komt er een duidelijke bepaling van de internationale bevoegdheid van de Belgische rechters. De afbakening van de gevallen waar er wel of niet toepassing is van de insolventieverordening gebeurt op basis van de eigen criteria van de hiërarchisch hogere insolventieverordening. Maar die Europese regeling heeft duidelijk haar greep beperkt. Ze behandelt niet de gevallen waarin het centrum van de voornaamste belangen gelegen is buiten het gebied waar de insolventieverordening geldt (Denemarken is daar niet bij).
Voor de inlassing van § 2 : Het voormalige lid 2 van artikel 118 wordt nu opgenomen als § 2 en het ondergaat terminologische wijzigingen die verduidelijken dat de rechtsgrond van de bevoegdheid deze wet kan zijn, maar eveneens de hogere Europese regelgeving, die in dat geval hier wordt aangevuld. Er wordt ook duidelijker gesteld dat het de rechter is die effectief zijn bevoegdheid heeft aanvaard, die deze aanvullende bevoegdheid krijgt.
Bij § 3 : Lid 3 van artikel 118 van het voorstel komt hier in een andere formulering. Het eerste lid van § 3 herneemt artikel 16 (2) van de insolventieverordening en vermijdt zodoende twijfel over het gevolg van de erkenning volgens de regels van artikel 121, op de mogelijkheid om in België de territoriale procedure op een later tijdstip aan te vatten.
Art. 119
De tekst van dit artikel vervangen als volgt :
« § 1. De insolventieprocedure geopend op grond van artikel 118, § 1, tweede lid, en haar gevolgen worden beheerst door het Belgisch recht.
Het Belgisch recht bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name de rechtsvragen die onder artikel 4, § 2, (a) tot (m) van de insolventieverordening worden genoemd.
§ 2. In afwijking van § 1, maar onverminderd de toepassing van het recht aangewezen krachtens § 1 op de vorderingen tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van handelingen die voor het geheel van de schuldeisers nadelig zijn, wordt de uitwerking van de opening van een insolventieprocedure op :
1º de zakelijke rechten van derden op goederen die toebehoren aan de schuldenaar en die zich bij de opening van de procedure op het grondgebied van een andere Staat bevinden, beheerst door het recht dat op de zakelijke rechten van toepassing is;
2º het recht van een schuldeiser om de verrekening van zijn vordering met de vordering van de schuldenaar te vragen, beheerst door het recht dat op de vordering van de insolvente schuldenaar van toepassing is;
3º het eigendomsvoorbehoud van de verkoper van een goed dat zich bij de opening van de procedure op het grondgebied van een andere Staat bevindt, beheerst door het recht dat op de zakelijke rechten op dat goed van toepassing is.
§ 3. In afwijking van § 1 wordt de uitwerking van de opening van een insolventieprocedure op :
1º een overeenkomst die recht geeft op de verkrijging of het gebruik van een onroerend goed, beheerst door het recht dat op die overeenkomst van toepassing is;
2º de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een betalingssysteem of afwikkelingssysteem of aan een financiële markt, beheerst door het recht dat op dat systeem of die markt van toepassing is;
3º de arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, beheerst door het recht dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is;
4º de rechten van de schuldenaar op een onroerend goed, op een schip of op een luchtvaartuig dat aan inschrijving in een openbaar register onderworpen is, beheerst door het recht dat op die rechten van toepassing.
§ 4. In afwijking van § 1 :
1º wordt, indien degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van de schuldeisers nadelige handeling bewijst dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere Staat en dit recht in het gegeven geval die handeling niet laat bestrijden, de nietigheid, de vernietigbaarheid of de niet-tegenwerpbaarheid van die handeling beheerst door het recht van die Staat;
2º wordt, in geval de schuldenaar door een rechtshandeling onder bezwarende titel verricht na de opening van de insolventieprocedure, heeft beschikt over een onroerend goed, of over een schip of luchtvaartuig dat aan inschrijving in een publiek register is onderworpen, of over een effect waarvan het bestaan inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register veronderstelt, de rechtsgeldigheid van die handeling tegenover de derde-verkrijger, beheerst door het recht van de Staat waar het onroerend goed gelegen is, of het register gehouden wordt;
3º wordt de uitwerking van de opening van een insolventieprocedure op een lopende rechtsvordering betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren, beheerst door het recht van de Staat waar die rechtsvordering aanhangig is. »
Verantwoording
Bij § 1 : In de geest van wat hoger in de verantwoording bij artikel 116 is gesteld, formuleert dit wetsartikel het merendeel van de beginselen en regels die in de Insolventieverordening voorkomen, maar op een zelfstandige manier als regelen van Belgisch recht.
Deze regel geldt vanzelfsprekend voor de beide types van insolventieprocedures.
Lid 2 geeft, in vergelijking met het besproken voorstel, nu een verduidelijking door de algemene aanduiding van het toepassingsveld en door een meer informatieve verwijzing naar de rechtsvragen die ten enuntiatieve titel, in de insolventieverordening vermeld worden als vallend onder de lex concursus. Dit werd gevraagd in de commissie.
Die nadere bepaling van het toepassingsgebied van het recht toepasselijk op de insolventie luidt, in artikel 4, § 2, van de insolventieverordening :
a) welke schuldenaars op grond van hun hoedanigheid aan een insolventieprocedure kunnen worden onderworpen;
b) welk deel van het vermogen van de schuldenaar tot de boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren;
c) welke de respectieve bevoegdheden van de schuldenaar en de curator zijn;
d) onder welke voorwaarden een verrekening kan worden tegengeworpen;
e) de gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende overeenkomsten waarbij de schuldenaar partij is;
f) de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen met uitzondering van lopende rechtsvorderingen;
g) welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de schuldenaar en wat de gevolgen zijn ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan na de opening van de insolventieprocedure;
h) de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen;
i) de regels betreffende de verdeling van de opbrengst van de te gelde gemaakte goederen, de rangindeling van de vorderingen, en de rechten van schuldeisers die krachtens een zakelijk recht of ingevolge verrekening gedeeltelijk zijn voldaan;
j) de voorwaarden voor en de gevolgen van de beëindiging van de insolventieprocedure, met name door een akkoord;
k) de rechten van de schuldeisers nadat de insolventieprocedure beëindigd is;
l) voor wiens rekening de kosten en uitgaven in het kader van de insolventieprocedure zijn;
m) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.
Bij § 2, 3 en 4 : De paragrafen 2, 3 en 4 geven een verduidelijking van de materies waarvoor een afwijking van de lex concursus geldt. Het betreft rechtsvragen over verworven rechten in de sfeer van de zakelijke rechten en zekerheden of arbeidsovereenkomsten. De uitzonderingen leunen aan bij die vastgesteld in de artikelen 5 tot 11 en 13 tot 15 van de insolventieverordening.
Deze materies worden opgesomd en de regels worden kort gegeven, omdat een korte referte aan de insolventieverordening moeilijkheden van interpretatie zou opleveren. De regels zijn immers nogal ingewikkeld.
Het wordt verkieslijk geacht om, ter wille van de eenvormige interpretatie van de bepalingen die afkomstig zijn uit de artikelen 5 tot 11 en 13 tot 15 van de insolventieverordening, zoveel als mogelijk, de termen van de verordening zelf te gebruiken. Maar aanvullend moeten de beheerders en de rechters die de regels toepassen, streven naar een uniforme toepassing die aansluit bij de Europese wetgevende tekst en bij zijn interpretaties of aanvulling.
In de commissie hebben de indieners, samen met de vertegenwoordiger van de minister van Justitie, ook een nazicht van de toepassing op wereldvlak van elk van de geformuleerde Europeesrechtelijke uitzonderingen gevraagd. Nadere analyse door de experts heeft aangetoond, dat er geen aanleiding is om de afwijking die in artikel 12 van de insolventieverordening staat betreffende de beoordeling van de intellectuele rechten, uit te breiden tot de niet-gemeenschapsrechtelijke procedures.
Die bepaling beoogt om binnen Europa een eenmalige en finale beoordeling te laten plaatsvinden voor de rechtbank van de hoofdprocedure. Deze uitzondering betreft een regel van procedurele behandeling. Ze heeft te maken met de uniforme Europese regelingen van merken en van het in aantocht zijnde Europese octrooi. Buiten Europa heeft de coördinatie van de procedurele behandeling geen zin.
De intellectuele rechten mogen in een insolventieprocedure voorts onder de Belgische verwijzingsregeling vallen zoals aangegeven in artikel 93 van deze wet. Transacties aangaande zulke rechten vallen onder het recht dat de betrokken overeenkomst beheerst.
De bijzondere regel van § 2, 2º, wordt eveneens geformuleerd omdat hij ook op Europees vlak aan België werd opgedrongen (artikel 6 van de insolventieverordening), terwijl België nog niet de nodige wijziging heeft gedaan van zijn materieel faillissementsrecht. Er is immers een wetswijziging nodig om de mogelijkheid van een schuldvergelijking in te voeren.
Daarmee zouden we de gelijke behandeling van Belgische schuldeisers verzekeren, voor die internationale gevallen waarin zij staan naast buitenlandse schuldeisers die wel een verrekening mogen doen van hun eigen vorderingen tegen de insolvente schuldenaar, op basis van het recht dat op hun vordering van toepassing is.
Art. 120
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het opschrift vervangen door de woorden :
« Plicht tot informatie-vertrekking en samenwerking ».
B. De tekst van het artikel vervangen als volgt :
« De curator van een hoofdprocedure of van een territoriale procedure geopend door een rechter bevoegd op grond van artikel 118, § 1, tweede lid, is verplicht om met de beheerders van buitenlandse insolventieprocedures betreffende de schuldenaar, samen te werken en informatie uit te wisselen. Dat gebeurt onder de voorwaarde dat het recht van die vreemde Staat waar de procedure werd ingesteld, op wederkerige basis een gelijkwaardige samenwerking en informatie-uitwisseling voor de betrokken procedure organiseert.
De plichten beschreven in het voorgaande lid worden nageleefd in de mate waarin de kosten van registratie, van publiciteit en van samenwerking niet onredelijk zijn, in acht genomen het actief van de boedel, ook al zou het recht van een vreemde Staat sommige lokale maatregelen verplicht maken.
Indien de vereffening van de boedel van een territoriale procedure de mogelijkheid biedt alle in die procedure toegelaten vorderingen uit te keren, draagt de in die procedure aangewezen curator het saldo onverwijld over aan de beheerder van de hoofdprocedure, onder de voorwaarde van een wederkerige samenwerking en informatie-uitwisseling in de betrokken procedure. »
Verantwoording
Er werden aan het artikel vooral wijzigingen van terminologische aard aangebracht.
Anderzijds wordt er tegemoet gekomen aan een wens uitgedrukt tijdens de bespreking van het voorstel in de commissie, dat in de concrete gevallen een nazicht zou gebeuren op de aanwezigheid van de wederkerige goede wil die vereist is voor een gunstige samenwerking en ruil van gegevens met de buitenlandse rechters en curatoren. Alleen met landen die in hun rechtsstelsel een gelijkwaardige samenwerking mogelijk maken, kan effectief een werkelijke samenwerking doorgevoerd worden.
Ook op basis van de bespreking in de commissie, wordt de curator die een plicht tot samenwerking opgelegd krijgt, tegelijk gemachtigd om een afweging te doen van de kosten versus de baten onder toezicht van de rechter-commissaris, zoals voor heel zijn opdracht.
Het derde lid is substantieel hetzelfde gebleven maar staat nu in de bewoording van artikel 35 van de insolventieverordening.
Art. 121
De tekst van het artikel vervangen als volgt :
« § 1. Een buitenlandse rechterlijke beslissing die de opening, het verloop of de sluiting van een insolventieprocedure betreft en die niet is uitgesproken op grond van de insolventieverordening, wordt in België, volgens de bepalingen van artikel 22 erkend of uitvoerbaar verklaard :
1º als een beslissing in een hoofdprocedure, indien de beslissing werd genomen door een rechter in de Staat waar de voornaamste vestiging van de schuldenaar bij de inleiding van die procedure gelegen was;
2º als een beslissing in een territoriale procedure, indien de beslissing werd genomen door een rechter in de Staat waar de schuldenaar bij de inleiding van die procedure een andere vestiging dan zijn voornaamste vestiging bezat; in dit geval mag de erkenning of de uitvoering van de beslissing slechts goederen betreffen die waren gelegen op het grondgebied van de Staat waar de procedure werd geopend.
§ 2. Een buitenlandse rechterlijke beslissing bedoeld in § 1, mag in België geen gevolg krijgen dat in strijd is met de rechten van partijen volgens de regels vastgesteld in artikel 119, § 2 tot § 4.
§ 3. De erkenning brengt met zich dat de beheerder de bevoegdheden mag uitoefenen die hem werden opgedragen in de vreemde beslissing, met name om als beheerder van een hoofdprocedure in België een territoriale procedure of voorlopige en bewarende maatregelen aan te vragen in zijn hoedanigheid van beheerder van een vreemde hoofdprocedure.
§ 4. In afwijking van artikel 23 is de rechtbank van koophandel bevoegd om kennis te nemen van vorderingen op grond van § 1.
De rechtbank van koophandel is eveneens bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot erkenning of uitvoerbaarverklaring van de buitenlandse rechterlijke beslissingen die genomen werden op grond van de insolventieverordening.
Die afwijkingen gelden echter niet voor beslissingen inzake de collectieve schuldenregeling van de persoon die geen handelaar is overeenkomstig van het Belgische recht. »
Verantwoording
In het eerste lid van artikel 121 van het voorstel, zijn wijzigingen van terminologische aard aangebracht : sommige termen worden gedefinieerd.
Er wordt bovendien in § 1 een onderscheid gemaakt dat nodig was om een beperking op te leggen qua erkenbaarheid van beslissingen die voortkomen uit een vreemde hoofdprocedure terwijl wij in België oordelen dat de hoofdprocedure hier moet plaatsvinden. Dat aspect stond in het besproken voorstel, in het tweede lid. Een nieuwe beperking wordt geformuleerd voor beslissingen die territoriaal zijn en niet op goederen kunnen slaan van buiten het vreemde territorium.
De basisgedachte blijft, dat er een doorwerking mogelijk is zonder rechterlijk visum of voorafgaande gerechtelijke tussenkomst. De de plano-erkenning betreft met name de gedane aanstelling en ook de bevoegdheid van de vreemde beheerder met wie hier te lande moet kunnen worden samengewerkt. Voor beslissingen binnen het werkingsveld van de insolventieverordening volgt dat uit die verordening.
De eerste paragraaf staat onder meer toe om ook de hypothese te omvatten waarbij de schuldenaar zijn voornaamste vestiging buiten het gebied van de insolventieverordening lag en er een territoriaal faillissement werd vastgesteld in een EG-lidstaat (niet Denemarken). De beslissing uit de EG-lidstaat moet dan mee in acht worden genomen voor de vereffening van een ander territoriaal faillissement in België.
Door de algemene verwijzing naar artikel 22 worden al de mogelijkheden daar beschreven, onder de controlevoorwaarden daar vastgesteld, van toepassing voor beslissingen inzake de insolventie.
Paragraaf 2 voegt een « contrôle de la loi applicable » in. De genomen beslissingen, inclusief de bekrachtiging van handelingen die een curator binnen zijn bevoegdheid stelt, moeten worden getoetst aan het toepasselijke recht uit de bijzondere verwijzingsregels van artikel 119, § 2 tot § 4. Deze hindernis voor een erkenning ligt op het vlak van bescherming van de rechten van derden, en van sommige beschermde partijen of houders van voorrechten.
Bedoeling is dat buitenlandse beslissingen even streng de zakelijke rechten en sommige voorrechten respecteren als onze eigen rechters die oordelen in de Belgische insolventieprocedures. De beperking is geïnspireerd door de modelwet inzake internationale faillissementen, die door UNCITRAL werd uitgevaardigd.
Betreffende § 3 : Omdat artikel 119 duidelijk verwijst naar het recht van het forum dat bepaalt welke personen onder welke voorwaarden de procedure mogen openen (met verwijzing naar artikel 4, § 2, van de insolventieverordening), moet nu zoals de verordening het doet via zijn artikel 29 aan het Belgisch recht, voor de internationale gevallen van buiten de EG een regel van materieel internationaal privaatrecht toegevoegd worden, die aan een vreemde curator een vorderingsrecht toekent. Die regel lijkt te moeten volgen uit de erkenning van het buitenlandse vonnis.
Paragraaf 4 geeft twee uitzonderingsbepalingen die bevoegdheid toekennen aan de rechtbanken van koophandel, in afwijking van de algemene bevoegdheid die inzake exequatur normaal bij de rechtbank van eerste aanleg ligt, volgens artikel 23. Dit amendement werd eerst voorgesteld door senator Willems en kreeg de algemene goedkeuring van de commissie.
Om de eenheid op het vlak van exequatur in de insolventie te bewaren, geeft de wet ook een regeling die hier uitzonderlijk slaat op gerechtelijke beslissingen die wel op grond van de Europese insolventieverordening werden uitgesproken.
Deze bepaling poogt niet om enige voorwaarde van erkenning of gevolg van de erkenning te verbinden aan beslissingen afkomstig uit lidstaten van de EG andere dan Denemarken waarin de insolventieverordening van kracht is. Zij betreft uitsluitend de toekenning van de bevoegdheid voor procedures in België.
De uitzonderingen voor de bevoegdheid van de exequaturrechter gelden niet voor een buitenlandse procedure met betrekking tot een particulier, zoals de procedure van collectieve schuldenregeling, die buiten de sfeer van de uitoefening van een handel of beroep blijft en onder de controle van de rechtbank van eerste aanleg blijft.
Art. 133
Dit artikel wijzigen als volgt :
A. Paragraaf 1 en 3 doen vervallen.
B. Paragraaf 2 vervangen als volgt :
« In artikel 631, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het tweede lid vervangen als volgt :
« De rechtbank van koophandel bevoegd om een territoriaal of secundair faillissement uit te spreken met toepassing van artikel 3, § 2 of § 3, van verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, is die welke gelegen is in het rechtsgebied waarbinnen de schuldenaar de bedoelde vestiging bezit. Indien er meerdere vestigingen zijn, is de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, bevoegd. »
C. Het opschrift vervangen als volgt :
« Territoriale bevoegdheid inzake faillissement. »
Verantwoording
A. De afschaffing van die paragrafen is nodig omdat het voorgestelde amendement op artikel 118 het criterium van de statutaire zetel invoert als mogelijke basis voor de internationale bevoegdheid, naast de hoofdvestiging. Artikel 133 had tot doel het criterium van de territoriale bevoegdheid te doen overeenstemmen met dat van de internationale bevoegdheid zoals vastgesteld in artikel 118 van het voorliggende voorstel. Daarom stelde artikel 133 voor om de verwijzing naar het criterium van de maatschappelijke zetel in artikel 631 van het Gerechtelijk Wetboek te schrappen.
Gezien het reeds genoemde amendement lijkt dat niet meer nodig. Door de huidige tekst van artikel 631 te behouden, hoeven we bovendien niet, omwille van de interne bevoegdheid, eerdere, zorgvuldig uitgewerkte oplossingen opnieuw te bekijken.
In de praktijk komt het erop neer dat wanneer in een specifiek geval de internationale bevoegdheid van de rechtscolleges ten aanzien van een rechtspersoon is vastgesteld op basis van het criterium van de statutaire zetel in de zin van de verordening of in de zin van het Wetboek van internationaal privaatrecht, het voor het vaststellen van de interne bevoegdheid zal volstaan om formeel te verwijzen naar het criterium van de maatschappelijke zetel in de zin van artikel 631 van het Gerechtelijk Wetboek.
Wanneer de internationale bevoegdheid berust op de aanwezigheid van de hoofdvestiging in België, terwijl de maatschappelijke zetel zich in het buitenland bevindt, moet de territoriale bevoegdheid worden bepaald volgens de methode die meer algemeen is vastgesteld in artikel 13, tweede lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht. In dat geval verwijst die bepaling naar het criterium gebruikt in artikel 118 : de interne bevoegdheid wordt dus subsidiair gebaseerd op hetzelfde criterium van de hoofdvestiging.
Als de internationale bevoegdheid ten aanzien van een natuurlijk persoon overeenkomstig het Wetboek van internationaal privaatrecht gebaseerd is op de aanwezigheid van de woonplaats in België, moet verder worden gehandeld zoals hierboven beschreven, dus via artikel 13.
B. Het amendement met betrekking tot § 2 van artikel 133 is van zuiver technische aard. Enerzijds wordt een vergissing rechtgezet door een verwijzing naar § 3 van de verordening toe te voegen : anderzijds wordt de tekst aangevuld door de laatste volzin van het desbetreffende lid van artikel 631 over te nemen, voor het geval er meerdere vestigingen in België aanwezig zijn.
De tekst heeft het niet over de gevallen waarin de territoriale bevoegdheid gebaseerd is op het Wetboek van internationaal privaatrecht. Een aanvulling is evenwel overbodig, aangezien de territoriale bevoegdheid dan kan worden vastgesteld op basis van artikel 13, zoals toegelicht in het vorige punt aangaande de hoofdprocedure.
C. De verwijzing naar het gerechtelijk akkoord in het opschrift heeft geen zin meer nu § 3 is geschrapt.
Art. 134ter
Een artikel 134ter invoegen, luidende :
« Art. 134ter. Territoriale faillissement van de schuldenaar
In artikel 3 van de wet van 8 augustus 1997 inzake het faillissement, gewijzigd door de wet van 4 september 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) Het eerste lid wordt vervangen als volgt :
« § 1. Wordt een territoriale insolventieprocedure geopend krachtens artikel 3, § 2, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures of krachtens artikel 118, § 1, tweede lid, 2º, van de wet van ... houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, dan wordt de Staat van faillissement van de vestiging beoordeeld los van de hoedanigheid van koopman van de schuldenaar en van die van zijn vestigingen die in het buitenland zijn gelegen.
Wordt een territoriale insolventieprocedure geopend krachtens artikel 3, § 3, van de genoemde verordening of krachtens artikel 118, § 1, tweede lid, 2º, van de genoemde wet, als gevolg van de erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing om een hoofdprocedure te openen, dan geschiedt de faillietverklaring zonder dat de hoedanigheid van schuldenaar op enigerlei wijze wordt onderzocht. »
B) Dientengevolge wordt het tweede lid § 2. »
Verantwoording
Het amendement moet de strekking van artikel 3 van de faillissementswet verduidelijken. Die bepaling stelt, na zijn wijziging door de wet van 4 september 2002, vast dat de schuldenaar op grond van de insolventieverordening failliet verklaard kan worden indien hij in België een vestiging bezit en het centrum van zijn voornaamste belangen in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap gelegen is. In die formulering kan de tekst laten uitschijnen dat hij een regel van internationale bevoegdheid vaststelt die steunt op de ligging van een vestiging in België. Nochtans komt het na de invoering van de verordening niet meer toe aan de nationale wetgever om een dergelijke regel vast te stellen voor de gevallen als bedoeld in de verordening.
Anderzijds moet de faillissementswet, na de inwerkingtreding van de verordening, noodzakelijkerwijze een materiële bevoegdheid opdragen die toelaat zo een lokaal faillissement van een schuldenaar te openen voor handelaren of niet-handelaren, Het amendement bepaalt de draagwijdte van artikel 3 nader in die zin.
De tekst onderscheidt twee gevallen. Het eerste lid beoogt een territoriale procedure bij afwezigheid van een vreemde hoofdprocedure. In dat geval wordt voorzien dat een hoedanigheid wordt nagegaan die verband houdt met de vestiging in België zonder evenwel te eisen dat het krediet is geschokt wat betreft de andere in het buitenland gelegen vestigingen.
De schuldenaar kan immers in het buitenland, waar hij zijn voornaamste activiteiten uitoefent, zijn krediet behouden hebben. Het tweede lid slaat op het geval waar al een hoofdprocedure werd geopend in het buitenland, waardoor hier geen controle op het ophouden van betalen meer wordt uitgeoefend, omdat dit in het buitenland is vastgesteld en die vreemde beslissing die de procedure opende, hier te lande het voorwerp van een erkenning werd.
| Alain ZENNER. Hugo VANDENBERGHE. |
Artikel 1
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A) De woorden « 27, § 1, vierde lid, 27, § 2, 31 » invoegen tussen de woorden « 23, § 2 » en het woord « 32 ».
B) Het woord « 116 » vervangen door het woord « 118 ».
C) Het woord « 121 » invoegen tussen het woord « 118 » en het woord « 123 ».
D) De woorden « 134 en 135, 6º en 8º » vervangen door de woorden « 134, [134ter] en 135, 3º en 6º ».
Verantwoording
Deze wijzigingen zijn louter technisch en vloeien voort uit de andere amendementen.
Art. 44
De woorden « in België zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft » vervangen door de woorden « zijn woonplaats of sinds meer dan drie maanden zijn gewone verblijfplaats heeft in België ».
Verantwoording
Deze wijziging belet de voltrekking van een huwelijk tussen personen die alleen over een toeristenvisum beschikken.
Art. 135
Het 8º doen vervallen.
Verantwoording
Deze wijziging vloeit voort uit amendement nr. 96.
De minister van Justitie,
Laurette ONKELINX.
(Subsidiair amendement op amendement nr. 100)
Art. 44
Dit artikel vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 44. Het huwelijk kan in België worden gesloten indien :
1º één van de toekomstige echtgenoten bij het sluiten van het huwelijk Belg is; of
2º één van de toekomstige echtgenoten woonplaats heeft in België. »
Verantwoording
Indiener kiest ervoor om de gewone verblijfplaats in artikel 44 voor alle gevallen te schrappen als een voldoende band om in België te mogen trouwen.
De gewone verblijfplaats is in slechts enkele gevallen een criterium voor rechterlijke tussenkomst (bevoegdheid). Zij wordt weliswaar meerdere malen gebruikt voor de aanknoping bij het bepalen van de toepasselijke wet, maar het is niet nodig om dit principe te volgen voor de bepaling van een administratieve bevoegdheid van een ambtenaar van burgerlijke stand.
Dergelijke administratieve bevoegdheid is overigens een soort bepaling die maar een paar keren voorkomt in het wetboek.
Het amendement houdt in dat er voor het sluiten van het huwelijk steeds een betekenisvolle band met België dient te zijn, ofwel de nationaliteit, ofwel de woonplaats.
(Subsidiair amendement op amendement nr. 100)
Art. 44
Dit artikel vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 44. Het huwelijk kan in België worden gesloten indien :
1º één van de toekomstige echtgenoten bij het sluiten van het huwelijk Belg is; of
2º één van de toekomstige echtgenoten woonplaats heeft in België;
3º één van de toekomstige echtgenoten sedert minstens 12 maanden een gewone verblijfplaats heeft;
4º beide toekomstige echtgenoten sedert minstens 6 maanden een gewone verblijfplaats hebben. »
Verantwoording
Indiener kiest ervoor om de gewone verblijfplaats in artikel 44 voor alle gevallen te schrappen als een voldoende band om in België te mogen trouwen.
De gewone verblijfplaats is in slechts enkele gevallen een criterium voor rechterlijke tussenkomst (bevoegdheid). Zij wordt weliswaar meerdere malen gebruikt voor de aanknoping bij het bepalen van de toepasselijke wet, maar het is niet nodig om dit principe te volgen voor de bepaling van een administratieve bevoegdheid van een ambtenaar van burgerlijke stand.
Dergelijke administratieve bevoegdheid is overigens een soort bepaling die maar een paar keren voorkomt in het wetboek.
Het amendement houdt in dat er voor het sluiten van het huwelijk steeds een betekenisvolle band met België dient te zijn, ofwel de nationaliteit, ofwel de woonplaats.
Art. 128bis (nieuw)
Een artikel 128bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 128bis. In de eerste paragraaf van artikel 63 van het Burgerlijk Wetboek wordt de tweede alinea vervangen door de volgende bepaling :
« Indien de actuele verblijfplaats van één der aanstaande echtgenoten of van beiden om gegronde redenen niet meer overeenstemt met de in het vorige lid bedoelde inschrijving, kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van burgerlijke stand van de actuele verblijfplaats van één der echtgenoten. »
Verantwoording
Zie het amendement bij artikel 44.
Inderdaad is het zo dat, gelet op het amendement, de verblijfplaats niet meer in acht genomen wordt, en geeft de actuele niet vergunde verblijfplaats dus geen toelating meer om tot huwelijkssluiting over te gaan. Daarom wordt deze passage herschreven.
Het amendement laat evenwel wel toe dat een huwelijkssluiting mogelijk blijkt wanneer de actuele verblijfplaats om gegronde redenen niet meer overeenstemt met de plaats van inschrijving.
Art. 128bis (nieuw)
Een artikel 128bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 128bis. Indien de actuele verblijfplaats van één der aanstaande echtgenoten of van beiden om gegronde redenen niet meer overeenstemt met de in het vorige lid bedoelde inschrijving, kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van burgerlijke stand van de actuele verblijfplaats van één der echtgenoten. »
Verantwoording
Zie het amendement bij artikel 44.
Inderdaad is het zo dat, gelet op het amendement, de verblijfplaats niet meer als dusdanig in acht genomen wordt, en geeft de « actuele verblijfplaats » op zich geen toelating meer om tot huwelijkssluiting over te gaan. Daarom wordt deze passage herschreven. Het amendement laat evenwel wel toe dat een huwelijkssluiting mogelijk blijkt wanneer de actuele verblijfplaats om gegronde redenen niet meer overeenstemt met de plaats van inschrijving.
| Hugo VANDENBERGHE. |
(Subamendement op amendement nr. 97)
Art. 59
In het voorgestelde tweede lid van artikel 59 de woorden « gewone verblijfplaats » vervangen door het woord « woonplaats ».
Verantwoording
Artikel 1476, § 1, 3º, van het Burgerlijk Wetboek spreekt van gemeenschappelijke woonplaats en artikel 1476, § 1, in fine, van het Burgerlijk Wetboek vraagt de vermelding van de registratie in het bevolkingsregister.
| Luc WILLEMS. |
Art. 128bis (nieuw)
Een artikel 128bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 128bis. In de eerste paragraaf van artikel 63 van het Burgerlijk Wetboek wordt de tweede alinea vervangen door de volgende bepaling :
« Indien de actuele verblijfplaats van één der aanstaande echtgenoten of van beiden om gegronde redenen niet meer overeenstemt met de in het vorige lid bedoelde inschrijving, kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van burgerlijke stand van de actuele verblijfplaats van één der echtgenoten. »
Verantwoording
Zie het amendement bij artikel 44.
Inderdaad is het zo dat, gelet op het amendement, de verblijfplaats niet meer in acht genomen wordt, en geeft de « actuele verblijfplaats » dus geen toelating meer om tot huwelijkssluiting over te gaan. Daarom wordt deze passage herschreven. Het amendement laat evenwel wel toe dat een huwelijkssluiting mogelijk blijkt wanneer de actuele verblijfplaats om gegronde redenen niet meer overeenstemt met de plaats van inschrijving.
| Hugo VANDENBERGHE. |