3-534/1 | 3-534/1 |
3 MAART 2004
Vanaf 1 maart 2004 worden zeer hoge boetes van toepassing op overtredingen van de Wegcode. Ook de minnelijke schikkingen zijn navenant hoog.
Overtredingen worden soms vastgesteld terwijl de overheid zelf in fout is. Er zijn gevallen bekend waarbij in weerwil van de artikelen 1.5.1 en 1.5.2 van het ministerieel besluit van 7 mei 1999 wordt geflitst wegens de overschrijding van snelheidslimieten vermeld op wederrechtelijk geplaatste verkeersborden.
In dergelijke gevallen moet de burger van een rechtsstaat zonder inhibities toegang kunnen zoeken tot het gerecht om zijn zaak te bepleiten. Een van de belangrijke zaken die de burger ervan weerhoudt om een minnelijke schikking te weigeren en zijn zaak voor de politierechter te brengen, is de vrees dat er ingeval van veroordeling tevens een vermelding in het strafregister volgt. Voor sommige mensen kan dat bijvoorbeeld een zeer nadelige invloed hebben op hun beroepsloopbaan.
Teneinde de toegang tot het gerecht voor de burger niet alleen de iure maar ook de facto vrij te maken in het kader van de verkeersproblematiek, stellen wij voor de vermeldingen in het strafregister onmogelijk te maken voor verkeersovertredingen die de rechter met een boete tot een bepaald maximum bestraft, hetzij omdat dat het maximum is dat krachtens de wet kan worden opgelegd, hetzij omdat de rechter het gezien de concrete omstandigheden niet billijk acht om de overtreder een bijkomend penaal stigma te bezorgen.
Het maximum wordt volgens dit voorstel bepaald op het maximale boetebedrag dat kan worden uitgesproken voor overtredingen van de tweede graad (artikel 29, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart 1968). Dat er een vervangende gevangenisstraf wordt uitgesproken, heeft volgens dit voorstel geen belang.
Verkeersovertredingen tot de tweede graad worden regelmatig begaan zonder dat men de overtreder kan beschouwen als een crimineel. Voor dergelijke verkeersovertredingen tot en met de tweede graad wordt de overtreder overigens niet noodzakelijk voor de rechtbank gebracht, maar kan hij een minnelijke schikking treffen met het parket.
| Jean-Marie DEDECKER. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 590, eerste lid, 1º, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1997, wordt aangevuld als volgt :
« , met uitzondering van veroordelingen tot straffen wegens overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, voor zover de uitgesproken geldboete het in artikel 29, § 1, tweede lid, van dezelfde wetten bepaalde maximum niet overschrijdt ».
Art. 3
Deze wet treedt in werking op 1 maart 2004.
5 februari 2004.
| Jean-Marie DEDECKER. |