3-496/1

3-496/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

5 FEBRUARI 2004


Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven

(Ingediend door mevrouw Annemie Van de Casteele en de heer Jean-Marie Dedecker)


TOELICHTING


Krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (Belgisch Staatsblad van 16 december 1995) bedraagt het BTW-tarief voor een aantal handelingen in de bouwsector, onder bepaalde voorwaarden, 6 % (voor de institutionele sociale woningbouw) of 12 % (voor de particuliere sociale woningbouw). Het koninklijk besluit bepaalt dat de tarieven van 6 % en 12 % slechts van toepassing zijn van 1 januari 1996 tot 31 december 1997.

De wet van 20 januari 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 vervangt, opnieuw onder bepaalde voorwaarden, de datum van 31 december 1997 door 30 juni 1998, zowel voor de institutionele als voor de particuliere sociale woningbouw. De verlenging van de termijn waarbinnen de verlaagde BTW-tarieven van toepassing zijn, had echter uitsluitend tot doel facturatieproblemen bij de jaarovergang te voorkomen. De strikte voorwaarden die aan deze termijnverlenging verbonden waren, hadden immers tot gevolg dat op het moment waarop de wet werd aangenomen, geen nieuwe bouwers of kopers van onroerend goed in aanmerking konden komen voor de verlenging van de gunstmaatregel.

Dit voorstel strekt er in eerste instantie toe deze maatregel opnieuw in te voeren en een permanent karakter te geven.

Bovendien houdt het voorstel rekening met de EU-richtlijn 92/77/EEG met betrekking tot de modaliteiten voor een verlaagd BTW-tarief bij de levering, bouw, renovatie en verbouwing van in het kader van het sociaal beleid verstrekte huisvesting. Deze richtlijn heeft tot doel een harmonisering in te voeren inzake de verlaagde BTW-tarieven die de ondertekenende lidstaten wensen in te voeren.

België heeft geopteerd voor de invoering van oppervlaktenormen teneinde aan de gestelde voorwaarden op sociaal vlak te voldoen.

Hier wordt voorgesteld om in het kader van het verlaagde BTW-tarief voor de particuliere sociale woningbouw, de bestaande oppervlaktenormen van respectievelijk 190 m2 voor huizen en 100 m2 voor appartementen te vervangen door respectievelijk 210 m2 en 105 m2, te verhogen met 25 m2 per persoon ten laste. Deze oppervlaktenormen zijn trouwens ook opgenomen in de verzekering tegen inkomensverlies wegens onvrijwillige werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, die in de loop van 1998 werd ingevoerd door Vlaams minister van Huisvesting Leo Peeters. Op deze wijze kan dan ook een coördinatie tussen beide regelingen tot stand worden gebracht.

Indien de maatregel structureel wordt, mag verwacht worden dat, na een inloopperiode waarin iedereen de gelegenheid krijgt van deze voorwaarden gebruik te maken, een budgettaire evenwichtssituatie wordt bereikt. De Schatkist lijdt door de BTW-verlaging immers geen verlies als daardoor ongeveer 1 200 bijkomende woningen gebouwd worden.

Als de maatregel permanent wordt, zal het aantal bijkomende woningen stijgen. De effecten van de verlaging nemen toe met de tijd aangezien potentiële bouwers de tijd moeten krijgen om de verlaagde BTW in te calculeren in hun beslissing.

De meerderheid van de kandidaat-bouwers zijn jonge gezinnen met een bescheiden inkomen. De maatregel vormt voor deze gezinnen een stimulans om zelf een woning te bouwen of om onder gunstige voorwaarden een woning te huren of te kopen in het kader van de institutionele huisvesting.

In tegenstelling tot subsidies en andere fiscale stimuli geniet de bouwheer in voorkomend geval onmiddellijk een voordeel van maximaal 4 462 euro. Gezinnen beschikken hierdoor over een groter budget om te investeren in de bouw van hun woning.

Een belangrijk motief voor de indiening van voorliggend wetsvoorstel is ook de zorg om de bouwsector een fiscale stimulans te geven.

Het is algemeen bekend dat de bouwsector onverbrekelijk verbonden is met het macro-economisch gebeuren. Deze sector maakt integraal deel uit van het kringloopproces van productie, inkomensvorming en bestedingen. De bouwsector vormt eveneens een element in het proces van de economische groei op lange termijn en in de dynamiek tussen sparen en investeren op korte termijn. Deze sector draagt door de aard van zijn product immers essentieel bij tot de uitbreiding en instandhouding van de kapitaalgoederenvoorraad en dus van het nationaal productiepotentieel.

Het is dan ook uitermate belangrijk dat deze sector de nodige stimulansen zou krijgen om ten volle de vruchten te kunnen plukken van het conjunctuurherstel.

Aangezien de budgettaire evenwichtssituatie slechts zal bereikt worden na een zekere inloopperiode waarin iedereen de gelegenheid krijgt van de voorwaarden gebruik te maken, dient de overheid de noodzakelijke budgettaire middelen uit te trekken om deze inloopperiode te financieren.

De regering heeft zich echter reeds geëngageerd om de komende jaren prioritair aandacht te besteden aan de verlaging van de loonkosten in het kader van haar tewerkstellingsbeleid en een aantal dringende en noodzakelijke fiscale maatregelen te treffen, waaronder de gefaseerde afschaffing van de crisisbelasting en de herindexering van de belastingschalen.

Annemie VAN de CASTEELE.
Jean-Marie DEDECKER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven worden een artikel 1quater en een artikel 1quinquies ingevoegd, luidende :

Art. 1quater. ­ In afwijking van artikel 1, worden onderworpen aan het tarief van 6 procent, de handelingen bedoeld in tabel B, rubriek X, § 1, van de bijlage bij dit besluit. De uitsluitingen opgenomen in rubriek X, § 2, van dezelfde tabel B blijven van toepassing.

Art. 1quinquies. ­ § 1. In afwijking van artikel 1 worden onderworpen aan het tarief van 12 % over een totale gecumuleerde maatstaf van heffing van 50 000 euro, exclusief BTW :

A) werk in onroerende staat en andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3º tot 6º, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die de oprichting tot voorwerp hebben van een woning die na uitvoering van de werken :

­ een totale oppervlakte heeft, berekend volgens criteria vastgesteld door de minister van Financiën, die voor huizen 210 m2 en voor appartementen 105 m2, telkens verhoogd met 25 m2 per persoon ten laste, niet overschrijdt;

en

­ hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, wordt gebruikt als vaste privé-woning. Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan het vervullen van volgende voorwaarden :

1) het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek, moet zich voordoen uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarin het gebouw voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing;

2) de bedoelde handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd door een persoon die op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract geregistreerd is als zelfstandige aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

3) de bouwheer moet :

a) vooraleer de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek, bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde van het ambtsgebied waarin het gebouw is gelegen een eensluidend verklaard afschrift indienen van :

­ de bouwvergunning;

­ het plan dat werd of de plans die werden voorgelegd om de bouwvergunning te verkrijgen;

­ in voorkomend geval, de basisakte;

­ het (de) aannemingscontract(en);

b) bij de indiening van de stukken bedoeld onder a) een verklaring afleggen, in de vorm bepaald door de minister van Financiën, dat het gebouw dat hij laat oprichten de hierboven bepaalde maximale toegestane oppervlakte niet overschrijdt en bestemd is om, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, te worden gebruikt als vaste privé-woning;

c) aan de dienstverrichter een afschrift van de verklaring bedoeld onder punt b) overhandigen;

4) de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij moet bewaren, moeten melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen.

Voor zover de voorwaarden bedoeld in punt 5 hieronder vervuld zijn en behalve in geval van samenspannen tussen partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief;

5º de dienstverrichter moet :

a) op de factuur die hij uitreikt en op het dubbel dat hij bewaart, de datum en het referentienummer vermelden van de verklaring bedoeld onder punt 3, b), hierboven, alsmede het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waar de verklaring werd ingediend;

b) binnen een door de minister van Financiën bepaalde termijn een afschrift van iedere factuur die hij uitreikt met toepassing van het tarief van 12 % toesturen aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert;

B) de leveringen van gebouwen en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op gebouwen die niet vrijgesteld zijn door artikel 44, § 3, 1º, van het Wetboek, wanneer die gebouwen :

­ een totale oppervlakte hebben, berekend volgens criteria vastgesteld door de minister van Financiën, die voor huizen 210 m2 en voor appartementen 105 m2, telkens verhoogd met 25 m2 per persoon ten laste, niet overschrijdt;

en

­ hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, gebruikt worden als vaste privé-woning.

Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan het vervullen van de volgende voorwaarden :

1. degene die het gebouw levert of een zakelijk recht op het gebouw vestigt, overdraagt of wederoverdraagt in omstandigheden waarbij de belasting opeisbaar wordt, moet :

a) vooraleer de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17 van het Wetboek, bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde van het ambtsgebied waarin hij zijn woonplaats of maatschappelijke zetel heeft een eensluidend verklaard afschrift indienen van :

­ de bouwvergunning die werd uitgereikt aan de oprichter van het onroerend goed dat wordt vervreemd of waarop een zakelijk recht wordt gevestigd, overgedragen of wederovergedragen;

­ het (de) plan(s) met betrekking tot dat onroerend goed;

­ in voorkomend geval, de basisakte;

­ de verkoopovereenkomst;

b) bij de indiening van de stukken bedoeld onder a) de verklaring afleggen, in de vorm bepaald door de minister van Financiën, dat het gebouw dat hij overdraagt of waarop hij een zakelijk recht vestigt, overdraagt of wederoverdraagt, de maximale toegestane oppervlakte hierboven bepaald niet overschrijdt en bestemd is om, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, te worden gebruikt als vaste privé-woning.

Deze verklaring moet bovendien aangevuld en mede ondertekend worden door de verkrijger van het gebouw of van het zakelijk recht op het gebouw;

2. de door de vervreemder uitgereikte factuur en het dubbel dat hij moet bewaren moeten melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen;

3. binnen een door de minister van Financiën bepaalde termijn moet de vervreemder een afschrift van iedere factuur die hij uitreikt met toepassing van het tarief van 12 % toesturen aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert.

§ 2. De voorwaarden bedoeld onder § 1, A, eerste lid, en B, eerste lid, moeten vervuld blijven gedurende een periode die eindigt op :

A) wat de oprichting van een woning betreft, 31 december van het jaar na dat waarin het gebouw voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing;

B) wat de levering van een gebouw en de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op een gebouw die niet vrijgesteld zijn door artikel 44, § 3, 1º, van het Wetboek betreft, 31 december van het jaar na dat waarin de verkrijger voor het eerst onroerende voorheffing is verschuldigd voor dat gebouw.

Indien de bouwheer of verkrijger tijdens de hierboven genoemde periode wijzigingen aanbrengt waardoor de voorwaarden bedoeld onder § 1, A, eerste lid, en B, eerste lid, niet meer vervuld zijn, moet hij :

1º hiervan aangifte doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde van het ambtsgebied waarin het gebouw is gelegen binnen de termijn van een maand vanaf de datum waarop de wijzigingen aangevangen worden;

2º het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terugstorten aan de Staat.

§ 3. Het verlaagd tarief van 12 % is in geen geval van toepassing op :

A) werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en het oprichten van afsluitingen;

B) werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.

Art. 4

Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.

19 november 2003.

Annemie VAN de CASTEELE.
Jean-Marie DEDECKER.