3-38

3-38

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 22 JANUARI 2004 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Ludwig Caluwť aan de minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling over ęde uitvoering door BelgiŽ van de Kyotoverplichtingen in het algemeen en het nationaal allocatieplan in het bijzonderĽ (nr. 3-100)

De heer Ludwig Caluwť (CD&V). - Mijn vraag heeft betrekking op een problematiek die gisteren al aan bod kwam in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden. Deze problematiek moet niet beperkt blijven tot een vrijblijvende gedachtewisseling. Ze kan ook formeel worden behandeld in de vorm van een vraag om uitleg met een formeel verslag.

De Kyotodiscussie, meer bepaald de verdelingsproblematiek, staat volop in de belangstelling. Men poogt tot elke prijs een verdelingsmechanisme tussen de gewesten te ontwikkelen. Is dat absoluut noodzakelijk? CreŽert men hierdoor niet nog meer politieke problemen dan nodig? Wij blijven voorstander van een andere werkwijze. Elk gewest en de federale overheid kunnen namelijk maatregelen nemen die qua kostprijs per eenheid weg te werken CO2-uitstoot lager liggen dan de kostprijs op wereldniveau. Zo kan er nog heel wat gebeuren inzake de isolatie van woningen en op het vlak van de brandstof voor voertuigen.

De meerderheid kiest daar echter niet voor en wil een verdelingsmechanisme tussen de gewesten. De doelstellingen voor het Waalse Gewest voor de periode 2008-2012 zijn 7,5% lager dan in 1990. Het Waalse Gewest mag in de periode 2008-2012 per inwoner nog 15,2 ton CO2 uitstoten. Intussen richt men alle banbliksems op het Vlaamse Gewest. Het Vlaamse Gewest heeft als doelstelling niet -7,5%, maar -5,2% tegenover 1990. Men vindt dat Vlaanderen meer zou moeten doen. In de periode 2008-2012 zal Vlaanderen slechts 14,4 ton CO2 per inwoner mogen uitstoten. In die periode blijft er dus een belangrijke onrechtvaardigheid bestaan. Na de socialezekerheidstroom en na de financiŽle stroom is er een nieuwe solidariteitsstroom van Noord naar Zuid, namelijk een CO2-stroom. Vlaanderen zal immers veel meer inspanningen moeten doen om tegemoet te komen aan de eisen van CO2-reductie.

Indien BelgiŽ zich wil houden aan de eis om de CO2-uitstoot tegen 2012 effectief met 7,5 procent te verminderen tegenover 1990, dan kunnen we niet anders dan het Waals Gewest een hogere reductie dan 7,5 procent opleggen, terwijl we van Vlaanderen minder dan 7,5 procent mogen verwachten. Alleen zo houden we immers rekening met het feitelijke verschil in CO2-uitstoot per hoofd tussen het Noorden en het Zuiden van het land. Indien Vlaanderen en WalloniŽ twee onafhankelijke lidstaten van Europa zouden zijn, dan zou Vlaanderen bij de onderhandelingen misschien zijn uitgekomen op 5 procent en WalloniŽ op 10 procent. Maar nu is over de twee samen onderhandeld en komen we voor geheel BelgiŽ tot 7,5 procent. Als we die 7,5 procent over de gewesten verdelen en rekening houden met de uitstoot per hoofd, moet de reductie in WalloniŽ hoger liggen en in Vlaanderen lager dan 7,5 procent. Ik begrijp niet waarom de regering die redenering niet heeft gevolgd.

Mijn tweede vraag betreft de timing van de uitwerking van het nationale allocatieplan, dat uiteindelijk voor 31 maart bij de Europese Unie moet worden ingediend. De minister zegt dat zij hier louter voor brievenbus speelt, omdat de verantwoordelijkheid volledig bij de gewesten ligt. Toch lijkt het me nuttig te weten wanneer de gewesten hun plan moeten voorleggen om het geheel tijdig bij de EU te kunnen indienen, gelet ook op het feit dat er een termijn van inzage door de bevolking van een maand moet worden uitgetrokken. In Nederland is het plan al sinds 19 december helemaal af. Wij staan nog bijna nergens. Hoe beoordeelt de minister deze achterstand? Wat zijn de gevolgen indien BelgiŽ er niet in slaagt zijn nationale allocatieplan tijdig bij de EU in te dienen?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling. - Het is inderdaad een gewestelijke bevoegdheid om het nationale allocatieplan om te zetten in een eigen plan. De gewesten moeten dat bij de EU indienen voor einde maart en daarvoor nog de bevolking raadplegen. De federale regering gaat er nog steeds vanuit dat de gewesten die termijn kunnen en zullen halen. We hebben tot dusver van geen enkel gewest een signaal gekregen dat dit niet het geval is. Als dat toch zou gebeuren, zal ik het parlement daar onmiddellijk van op de hoogte brengen.

Ik wil kort de motieven van mijn aanpak schetsen en uitleggen hoe ik de solidariteit invul. Ik ben het met de heer Caluwť eens dat we rekening moeten houden met de CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking, maar ik wil daarbij niet uitsluitend voortgaan op de cijfers die BelgiŽ scoorde op het moment dat mijn compromisvoorstel werd aanvaard. Ik wil ook kijken waar een gewest vandaan komt. Vlaanderen had in 1990 een CO2-uitstoot van 15,25 ton per hoofd. In mijn compromisvoorstel zakt Vlaanderen tot 14,01 ton of -1,24 ton CO2-uitstoot per hoofd. WalloniŽ had in 1990 16,66 ton CO2-uitstoot per inwoner en moet in mijn compromisvoorstel zakken tot 15,01. Dat is een inspanning van -1,65 ton per inwoner. Anders gezegd, de gemiddelde Vlaming mag in de toekomst 1,24 ton CO2 minder uitstoten, de gemiddelde Waal 1,65 ton minder.

Vlamingen en Walen stranden niet op exact hetzelfde CO2-uitstootpeil: er is een verschil van 1 ton CO2 per inwoner. De reden daarvoor is de verschillende industriŽle opbouw in Vlaanderen en WalloniŽ. Het houdt geen steek de rechten enkel te berekenen per hoofd van de bevolking: in Brussel levert de berekening van de toegekende rechten op CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking het cijfer van 4,28 ton op, want in Brussel is geen industrie. De berekeningswijze per hoofd van de bevolking houdt overigens geen rekening met de aard van de industrie in de gewesten.

Ik ben wel bereid om te kijken naar de relatieve inspanning van elk gewest per hoofd van de bevolking ten opzichte van 1990. Als we daarmee rekening houden, stellen we vast dat de Walen in het compromisvoorstel al meer inspanningen moeten leveren.

Solidariteit in deze materie moet federaal verlopen. Dat gebeurt via het federale Kyotofonds, dat voor de helft zal worden aangewend om emissierechten aan te kopen, uitgaande van een prijs voor emissierechten van 10 euro. Daardoor kan de CO2-uitstoot van Vlaanderen meer bedragen dan de norm van een daling van de uitstoot met 7,5% en mag de uitstoot stranden op het niveau van een daling met 5,2%. Door dat fonds zal er 12 miljoen euro per jaar naar Vlaanderen en Brussel gaan. Daarmee is een vorm van solidariteit geschapen. Het is een werkbaar voorstel.

Ik moet een resultaatsverbintenis aangaan. Ik moet exact weten wie wat gaat doen. Ik moet normen opleggen. Indien ik geen normen opleg, zal de federale overheid bijkomende emissierechten moeten aankopen. Ik mag de gewesten niet de vrijheid laten de naleving van de Kyotonorm zelf in te vullen. De gewesten hebben trouwens de meeste mogelijkheden in handen om een emissiereductie te bereiken.

De heer Ludwig Caluwť (CD&V). - Uit het antwoord van de minister blijkt hoe dan ook dat niet Vlaanderen verantwoordelijk is voor het relatief grootste deel van de CO2-uitstoot, maar WalloniŽ. Het is dus gerechtvaardigd om eventuele extra inspanningen in de eerste plaats van WalloniŽ te vragen.