3-36

3-36

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 15 JANUARI 2004 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over źhet koninklijk besluit betreffende de financiering van de BSE-testen╗ (nr. 3-138)

Mondelinge vraag van de heer Ludwig CaluwÚ aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over źde financiering van de BSE-testen╗ (nr. 3-147)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Dit dossier dreigt een lang verhaal te worden. Ik heb de minister er de voorbije maanden in de wandelgangen al meermaals over aangesproken, maar nu is er helemaal geen klaarheid meer. Vandaar deze mondelinge vraag.

Sinds 2001 worden runderen van meer dan dertig maanden bij ons getest op BSE. Aanvankelijk werd dit gefinancierd door de overheid, maar vanaf 2002 werd beslist dat dit niet verder mogelijk was, gezien de hoge kostprijs. De voorbije jaren werd dan ook een systeem van prefinanciering op poten gezet via de BIRB, waardoor een bedrag van ongeveer 60 miljoen euro op een of andere manier moet worden terugbetaald. De sector vraagt zich af of dit wel kan, gezien de hoge prijs die men de voorbije periode in vergelijking met andere landen voor de testen heeft betaald.

De vorige legislatuur werd na overleg een oplossing uitgewerkt, meer in het bijzonder het innen van een gezondheidsbijdrage die door de hele sector zou worden gedragen. Hoewel iedereen het er blijkbaar over eens was, was Europa van oordeel dat deze regeling niet strookt met het vrij verkeer van goederen en beschouwt het die bijdragen als een soort exportsteun, aangezien de ge´mporteerde producten aan een heffing onderhevig zijn en de geteste geŰxporteerde niet.

De minister nam een initiatief terzake, evenwel zonder de sector te consulteren. Deze werd dan ook geconfronteerd met het koninklijk besluit, dat op 19 december 2003 werd goedgekeurd door de Ministerraad. Daarbij wordt een nieuw systeem ingevoerd, waarbij enerzijds een gezondheidsbijdrage wordt ge´nd die overeenstemt met de steun die door Europa is toegelaten en anderzijds een retributie per rund wordt ingevoerd om het surplus voor de testen te financieren. Waarschijnlijk heeft de minister de brief van de vleessector ontvangen, waarin de betrokkenen, zijnde de landbouwers, de veehandelaars, de slachthuizen en de uitsnijderijen, zich sterk verzetten tegen de nieuwe regeling. Ik begrijp hun bekommernis. Daarom verzoek ik de minister terzake maatregelen te nemen.

Met de nieuwe regeling blijft ons systeem duurder dan het buitenland voor de runderen, waardoor men vreest dat deze in het buitenland zullen worden geslacht en getest. Voor varkens, kippen en kalveren moet in het buitenland helemaal geen gezondheidsbijdrage worden betaald, wat een aanzienlijk concurrentienadeel oplevert voor onze Belgische vleessector. De vleessector plant zelfs manifestaties om alarm te slaan.

Ook de minister van Landbouw in Vlaanderen vindt deze toestand onhoudbaar. Ik begrijp dat men dit probleem enigszins een communautair dossier noemt. De rundersector is immers vooral in WalloniŰ geconcentreerd en de intensieve veeteelt grotendeels in Vlaanderen. Dat zij mee moet betalen voor de BSE-testen roept dan ook heel wat verontwaardiging op.

Ik kreeg graag ook meer duidelijkheid over het voornemen om de testen grotendeels door overheidslaboratoria te laten uitvoeren. Volgens de nota zou 25% van de testen door privÚ-laboratoria worden gedaan en 75% door overheidslaboratoria, een verhouding die volgens sommigen inmiddels tot 50-50% zou zijn teruggebracht. Dat draagt evenmin de goedkeuring van de slachthuizen weg, aangezien het te veel tijd kost en te weinig flexibel is testen te laten uitvoeren door de enige twee overheidslabs. Voor hen is het immers belangrijk dat de testen op korte termijn worden gedaan en dat de resultaten op korte termijn beschikbaar zijn.

Daarom moet er een liberalisering komen zodat de slachthuizen zelf kunnen kiezen met welk lab ze samenwerken. Uiteraard moeten de laboratoria dan een erkenning krijgen van het Voedselagentschap, dat ook het testen verder moet controleren. Ik denk dat dit een terechte vraag is om sneller, flexibeler en goedkoper te kunnen werken. Grote weerstand is er ook tegen het feit dat de prefinanciering in de bijdrage wordt verrekend en dat de bijdrage op het niveau van de slachthuizen wordt ge´nd met de bedoeling ze aan de consument door te rekenen.

Ik heb dan ook de volgende vragen. Waarom heeft de minister geen overleg gepleegd met de verschillende sectoren? Wat is de huidige stand van zaken van het dossier? Is de minister bereid om verder te onderhandelen over het alternatieve voorstel dat hij van de sector heeft gekregen? Is het dossier al voorgelegd aan Europa? In de huidige regeling zouden er wel eens wat addertjes onder het gras kunnen zitten die het vrije verkeer van goederen kunnen belemmeren, zodat die opnieuw de weerstand van Europa kan oproepen.

De heer Ludwig CaluwÚ (CD&V). - Mevrouw Van de Casteele heeft de problematiek al uitvoerig toegelicht en ik vat dus alleen nog even samen.

Op 19 december 2003 keurde de Ministerraad een ontwerp van koninklijk besluit goed met betrekking tot de financiering van de BSE-tests. Op tal van punten roept dit koninklijk besluit vragen op en zou het zware gevolgen kunnen hebben.

Ten eerste is er de retroactiviteit van de bijdragen. De prefinanciering, ten belope van 60 miljoen euro, moet worden terugbetaald door degenen die nu aan de maatregel onderworpen zijn. Wanneer we dan bovendien merken dat in vergelijking met het buitenland de kostprijs van deze tests in ons land tot drie maal hoger ligt, dan is dit toch een punt waaraan gewerkt moet worden en is retroactiviteit niet verantwoord.

Dat de BSE-tests die worden uitgevoerd op volwassen runderen, ook moeten worden betaald door de varkens-, de pluimvee- en de kalversector, is het meest voor kritiek vatbaar. Deze sectoren hebben met BSE-tests niets, maar dan ook niets te maken. Men zou bijvoorbeeld even goed aan de schoenlappers een bijdrage kunnen vragen. Op geen enkele manier kan worden verantwoord dat deze sectoren mee moeten betalen. Bovendien moet goed worden beseft dat deze drie segmenten van onze bloeiende vleessector, vooral op export zijn aangewezen. De varkenssector haalt 200% van de zelfvoorzieningsgraad, dit wil zeggen dat 100% of meer wordt uitgevoerd. Voor de pluimveesector is dat 180% en voor de kalversector 160%. De extra bijdrage die ze moeten betalen zal automatisch negatieve gevolgen hebben voor hun concurrentiepositie, met ongetwijfeld een inkrimping van de sector en jobverlies tot gevolg.

De rundveesector is geografisch relatief evenwichtig verdeeld. Dat is niet het geval voor de varkens- en de pluimveesector, die in de eerste plaats een Vlaamse aangelegenheid zijn. De Vlaamse minister van Landbouw protesteert terecht tegen de solidariteit die van Vlaanderen wordt verwacht en merkt op dat daar moet worden gecorrigeerd.

De hele vleessector, zowel in het noorden als in het zuiden van het land, verwerpt deze regeling en vraagt dat het ontwerp wordt ingetrokken. De sector deed een alternatief voorstel en wenst dat dit wordt overgenomen. Is de minister bereid zijn ontwerp van koninklijk besluit te wijzigen of in te trekken? Wil hij het voorstel van de vleessector in overweging nemen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het overleg met de verschillende sectoren over de financiering van de BSE-testen is al meer dan twee jaar aan de gang.

Wat het solidariteitsprincipe betreft, werd eind 2002 een principieel akkoord bereikt, meer bepaald over een gezondheidsbijdrage voor alle vleessoorten. Het uitgangsprincipe was dat de eindverbruiker de kosten van de BSE-testen zou dragen. De inning van de heffing op het niveau van de distributie was voor de Europese Commissie echter onaanvaardbaar. Om die reden wordt in het huidige voorstel voorzien in een inning op slachthuisniveau, maar met een doorrekening naar de eindconsument. Ons voorstel komt tegemoet aan de opmerkingen van de Europese Commissie en aan het principeakkoord dat alle vleessoorten in aanmerking komen voor een gezondheidsbijdrage.

Wat de inning betreft, staat de Europese Commissie alleen een inning op het niveau van het slachthuis toe, met uitzondering van een inning op het niveau van de producent-veehouder. Met die mogelijkheid kan de landbouwsector echter niet akkoord gaan.

Voor de financiering van de BSE-testen door de federale overheid verwijzen we naar de eerder genomen beslissing van de federale overheid, met name dat die kosten vanaf 1 januari 2002 niet meer door de Schatkist mogen worden gedragen. Het voorstel werd op 19 december 2003 door de Ministerraad goedgekeurd.

Op 13 januari 2004 is overlegd met de gewestregeringen. De federale minister van Landbouw en de Waalse minister van Landbouw zijn van mening dat het ontwerp een aanvaardbare oplossing biedt voor een problematiek die al twee jaar aansleept. Zowel de Inspectie van FinanciŰn als de minister van Begroting hebben een gunstig advies uitgebracht. Vˇˇr 23 januari 2004 zal de Raad van State advies geven. Het ontwerp werd genotificeerd aan de Europese Commissie en er werd een advies gevraagd aan het Wetenschappelijk ComitÚ van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen.

Het alternatieve voorstel van de sector heeft als budgettair gevolg dat de federale overheid de lasten uit het verleden dient te dragen ten belope van 60 miljoen euro, zoals door mevrouw Van de Casteele werd aangehaald. De federale overheid financiert in dat voorstel 19,4 miljoen euro per jaar, het maximum dat Europa toestaat. Ten slotte levert de rundveesector zelf nog een bedrag van 6,6 miljoen euro via een bijdrage per geslacht rund dat verplicht aan de test onderworpen wordt. Gelet op de beslissing van de federale overheid van 2001 om de kosten van de BSE-testen niet langer door de Schatkist te laten dragen, kunnen wij het voorstel van de sector niet aanvaarden.

Op de vraag om de prijs van de BSE-testprocedures marktconform te houden, kan ik alleen zeggen dat de huidige prijs niet afwijkt van de prijs in een aantal andere EU-staten. Bovendien werkt het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen een nieuwe procedure uit, waardoor de kostprijs op korte termijn aanzienlijk zal verminderen.

We zijn ook van mening dat de procedure waarbij het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen de stalen onmiddellijk aan de laboratoria toewijst, helemaal terecht is om te kunnen nagaan of de verplichte testen correct worden uitgevoerd en essentieel voor de bescherming van de volksgezondheid. Kijk maar naar de situatie in Duitsland, waar de slachthuizen de vrije keuze hebben en al verschillende dieren besmet werden bevonden, die nooit aan een onderzoek waren onderworpen.

Afsluitend wil ik nogmaals benadrukken dat het doel van ons voorstel zeker niet is de landbouwsector alleen te laten opdraaien voor de BSE-testen. Schikkingen zijn al getroffen om de kosten te laten dragen door de eindconsument. Wij zijn ervan overtuigd dat gewoon een misverstand de verschillende organisaties ertoe heeft aangespoord zich te verzetten tegen de door ons voorgestelde regeling.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het zal de minister waarschijnlijk niet verwonderen dat zijn antwoord mij ontgoochelt. Hij laat geen enkele opening om te sleutelen aan het voorgestelde systeem, waarvan ik blijf zeggen dat het nefast is.

Inzake de lasten van het verleden heeft de sector mijns inziens volkomen gelijk als ze zeggen dat ze moeten opdraaien voor een prijs waarover ze niets te zeggen hadden. De minister zegt nu dat de prijs van een BSE-test in BelgiŰ niet afwijkt van die van andere landen in Europa. Maar twee maanden geleden nog zei hij dat onze prijs veel hoger lag dan in de rest van Europa en vond hij dat we daar dringend iets aan moesten doen. Daarom precies startte hij de tests in eigen beheer in overheidslabs.

Ik heb van mijn kant altijd verdedigd dat er ook aan de kostprijs van de privÚ-laboratoria kon worden gesleuteld. Die kostprijs werd immers opgelegd - volgens mij ten onrechte - door het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, zonder enige inspraak van de sector, terwijl die toch moest betalen.

De minister zegt nu dat hij overleg heeft gehad met de sector, maar volgens de geluiden die ik opvang klopt dat niet. Mensen uit de sector zeggen me dat ze wel betrokken werden bij de discussie over de financiering van het Federaal agentschap en dat het overleg trouwens heel constructief is verlopen. Maar de sector kreeg het ontwerp van koninklijk besluit over de BSE-testen zonder enig overleg en totaal onverwacht opgedist. Ze hebben niet eens de kans gekregen in de voorbereidingsfase opmerkingen te maken, laat staan dat er met hun opmerkingen rekening kon worden gehouden.

De minister blijft blijkbaar bij zijn standpunt dat de testen vooral in overheidslaboratoria moeten gebeuren, zonder evenwel te specificeren welk percentage hij in gedachten heeft. Voor mij is dat alleszins niet vanzelfsprekend en het is niet omdat er in Duitsland wat is misgelopen met de testen door privÚ-laboratoria waarop de slachthuizen naar eigen keuze een beroep kunnen doen, dat het Duitse systeem helemaal niet deugt. Ik ben het er honderd procent mee eens dat het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen controle moet uitoefenen op de laboratoria die de testen uitvoeren. Maar daarnaast moeten de slachthuizen zelf een laboratorium kunnen kiezen.

Ik dring er bij de minister op aan dat hij alsnog overleg organiseert met de vleessector en dat hij, voor de sector tot acties overgaat, aan een deel van hun verzuchtingen tegemoetkomt.

De heer Ludwig CaluwÚ (CD&V). - Ik heb de indruk dat de minister de consequenties van zijn maatregelen niet goed inschat. Er werd inderdaad overleg gepleegd over de ontwerptekst over de zogenaamde vleestaks. Ook al heb ik bij die taks heel wat bedenkingen, toch moet ik vaststellen dat ze niet nadelig is voor onze concurrentiepositie.

Door het feit dat de minister de dure BSE-test ook laat betalen door de vleesconsumenten in de importerende landen, zal de verkoop van Belgisch vlees in het buitenland dalen. De vleessector, die een belangrijk deel van onze economie vertegenwoordigt, zal er sterk door inkrimpen.

De kostprijs van de BSE-test is in BelgiŰ veel hoger dan in andere landen. In Oostenrijk bijvoorbeeld bedraagt de kostprijs per test 18,9 euro, in BelgiŰ 62,9 tot 68,9 euro. Samen met de bijkomende kosten bedraagt de totale kostprijs in Oostenrijk 40 euro per test, in BelgiŰ 100 euro per test. In alle andere Europese landen zijn de tests goedkoper dan in BelgiŰ. De gevolgen van die hogere kosten in de voorbije drie jaar worden nu ten laste gelegd aan sectoren die niets met het BSE-probleem te maken hebben. Dat is onaanvaardbaar. Mijnheer de minister, kom op deze maatregel terug.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Er is een verschil tussen de tests van een drietal jaar geleden en de huidige tests. Bij een internationale vergelijking moet rekening worden gehouden met de evolutie van de techniek. Verschillen in kwaliteit van de tests zijn een oorzaak van de prijsverschillen.

In de huidige situatie moeten de kosten zo laag mogelijk worden gehouden. De prijzen op het huidige ogenblik zijn immers te hoog. Het voorstel om 50 tot 75% van de tests door het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen te laten uitvoeren heeft als doel een trend te induceren om de prijzen te doen dalen. Een openbare aanbesteding zal daarbij ook helpen.

Mag ik er ook op wijzen dat wij vandaag voorstellen om voor 50 procent solidair te zijn, terwijl onder de vorige regering 100 procent solidariteit gold?