3-409/1

3-409/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

11 DECEMBER 2003


Wetsvoorstel tot wijziging van de artike- len 416 en 417 van het Strafwetboek

(Ingediend door de heer Jean-Marie Dedecker)


TOELICHTING


Handelaars (vooral in kledingzaken, elektrozaken, warenhuizen, juwelierswinkels en garages) worden nog steeds geregeld geconfronteerd met ramkraken en gewelddadige overvallen, waarbij het al verschillende malen is voorgekomen dat de handelaar bij de rechtmatige verdediging van zijn eigendom een of meerdere daders verwondt of doodt.

Het rechtsgevoel bij een groot deel van de bevolking dicteert dat iemand die naar aanleiding van een gewelddadige en gewapende overval overgaat tot de gewapende verdediging van zijn handelszaak niet als een dader, maar als een slachtoffer behandeld moet worden. Hij dient noch vervolgd, noch gestraft te worden, tenminste voor zover de verdediging in verhouding staat met de aard en de intensiteit van de agressie.

In bijna alle Europese landen kan je wettige verdediging inroepen voor de bescherming van eigendom. Dat heeft daar niet geleid tot een escalatie van geweld of excessen. Wij geven het voorbeeld van onze buurlanden.

Nederland

Artikel 41 van het Wetboek van strafrecht stelt :

« 1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. »

Het tweede lid van het artikel houdt rekening met de normale menselijke reacties. Met dergelijke bepaling in ons strafrecht zou de pijnlijke zaak Wouter Thybergien vermeden zijn. Wij wensen die bepaling daarom ook in artikel 416 van ons Strafwetboek op te nemen.

Frankrijk

Artikel 122-5 van de Code pénal luidt :

« N'est pas pénalement responsable la personne qui, devant une atteinte injustifiée envers elle-même ou autrui, accomplit, dans le même temps, un acte commandé par la nécessité de la légitime défense d'elle-même ou d'autrui, sauf s'il y a disproportion entre les moyens de défense employés et la gravité de l'atteinte.

N'est pas pénalement responsable la personne qui, pour interrompre l'exécution d'un crime ou d'un délit contre un bien, accomplit un acte de défense, autre qu'un homicide volontaire, lorsque cet acte est strictement nécessaire au but poursuivi dès lors que les moyens employés sont proportionnés à la gravité de l'infraction. »

En artikel 122-6 :

« 122-6 Est présumé avoir agi en état de légitime défense celui qui accomplit l'acte :

1º pour repousser, de nuit, l'entrée par effraction, violence ou ruse dans un lieu habité;

2º pour se défendre contre les auteurs de vols ou de pillages exécutés avec violence. »

Artikel 122-5 heeft dezelfde draagwijdte als artikel 416 van ons Strafwetboek, zij het dat de proportionaliteitsvereiste expliciet vermeld wordt. In ons recht wordt die voorwaarde gesteld door rechtspraak en rechtsleer. Het verdient aanbeveling om de voorwaarde ook in ons Strafwetboek op te nemen. Het recente geval waarbij een man een groentendief opwachtte en neerschoot, toont aan dat in de wettekst duidelijk moet worden gemaakt dat wettige verdediging enkel kan ingeroepen worden in omstandigheden waarin lijf en goed daadwerkelijk in gevaar zijn.

Het komt hoe dan ook de rechter toe om per geval na te gaan of van wettige verdediging sprake is. In sommige gevallen kan het niet noodzakelijk zijn om tot doodslag over te gaan. Het oogmerk moet steeds zijn « zichzelf, anderen en zijn goederen te verdedigen » en niet « te doden ».

Wij wensen ook naar Frans voorbeeld (122-6) artikel 417 Strafwetboek duidelijker te formuleren, weliswaar met weglating van de bepaling dat het weerlegbaar vermoeden enkel's nachts geldt.

Duitsland

Het Duitse Strafgesetzbuch luidt :

« § 32 : (1) Wer eine Tat begeht, die durch Notwehr geboten ist, handelt nicht rechtswidrig.

(2) Notwehr ist die Verteidigung, die erforderlich ist, um einen gegenwärtigen rechtswidrigen Angriff von sich oder einem anderen abzuwenden.

§ 33 : Überschreitet der Täter die Grenzen der Notwehr aus Verwirrung, Furcht oder Schrecken, so wird er nicht bestraft.

§ 34 : Wer in einer gegenwärtigen, nicht anders abwendbaren Gefahr für Leben, Leib, Freiheit, Ehre, Eigentum oder ein anderes Rechtsgut eine Tat begeht, um die Gefahr von sich oder einem anderen abzuwenden, handelt nicht rechtswidrig, wenn bei Abwägung der widerstreitenden Interessen, namentlich der betroffenen Rechtsgüter und des Grades der ihnen drohenden Gefahren, das geschützte Interesse das beeinträchtigte wesentlich überwiegt.

Dies gilt jedoch nur, soweit die Tat ein angemessenes Mittel ist, die Gefahr abzuwenden.

§ 35 : (1) Wer in einer gegenwärtigen, nicht anders abwendbaren Gefahr für Leben, Leib oder Freiheit eine rechtswidrige Tat begeht, um die Gefahr von sich, einem Angehörigen oder einer anderen ihm nahestehenden Person abzuwenden, handelt ohne Schuld. Dies gilt nicht, soweit dem Täter nach den Umständen, namentlich weil er die Gefahr selbst verursacht hat oder weil er in einem besonderen Rechtsverhältnis stand, zugemutet werden konnte, die Gefahr hinzunehmen; jedoch kann die Strafe nach § 49 Abs. 1 gemildert werden, wenn der Täter nicht mit Rücksicht auf ein besonderes Rechtsverhältnis die Gefahr hinzunehmen hatte.

(2) Nimmt der Täter bei Begehung der Tat irrig Umstände an, welche ihn nach Absatz 1 entschuldigen würden, so wird er nur dann bestraft, wenn er den Irrtum vermeiden konnte. Die Strafe ist nach § 49 Abs. 1 zu mildern. »

Volgens het Duitse strafrecht kunnen in geval van bescherming van personen (zichzelf of andere personen) daden worden gesteld die de omschrijving van « noodweer » overschrijden, wanneer er sprake is van verwarring, vrees of angst. Dat komt overeen met artikel 41.2 van het Nederlandse wetboek. Ook in het Duitse strafrecht wordt het evenredigheidsbeginsel formeel aangehaald.

De publieke opinie is voor een belangrijk deel voorstander van wettige verdediging van eigendom en zolang de overheid niet overal en altijd de veiligheid kan garanderen, zullen gevallen zoals de zaak Thybergien blijven voorkomen, wet of geen wet. Daar waar de overheid in gebreke blijft, dient de samenleving het gat dicht te rijden. Nu al wringt de rechterlijke macht zich in alle mogelijke bochten om haar verplichting de wet toe te passen te verzoenen met het rechtvaardigheidsgevoel van de burger.

Jean-Marie DEDECKER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 416 van het Strafwetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 416. ­ Er is geen misdrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf, van een ander of van goederen, behalve indien er een wanverhouding is tussen het verweer en de ernst van de aanval.

Er is geen misdrijf wanneer de overschrijding van de grenzen van de ogenblikkelijke noodzaak van wettige verdediging het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, vrees of verwarring, door de aanranding veroorzaakt. »

Art. 3

Artikel 417 van het Strafwetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 417. ­ Vermoed wordt in staat van wettige verdediging te handelen, hij die doodslag pleegt, verwondingen of slagen toebrengt :

1º bij het afweren van de beklimming of de braak van afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of aanhorigheden ervan;

2º bij het zich verdedigen tegen de daders van een diefstal of plundering die met geweld wordt gepleegd. »

4 november 2003.

Jean-Marie DEDECKER.