3-28

3-28

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 11 DECEMBER 2003 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde studie inzake de haalbaarheid van een beleid, naar Nederlands model, dat een inburgeringstraject met taallessen in het land van herkomst als voorwaarde stelt voor het bekomen van het recht van verblijf in BelgiŽĽ (nr. 3-88)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Het Nederlands regeerakkoord omvat een nota Inburgeringsbeleid. Wie zich duurzaam wil vestigen in Nederland, moet actief aan de samenleving deelnemen en zich de Nederlandse taal eigen maken, zich bewust zijn van de Nederlandse waarden en de normen naleven. Iedere nieuwkomer die op vrijwillige basis naar Nederland komt en valt onder de doelgroepen van de wet `inburgering nieuwkomers', moet eerst in het land waarvan hij afkomstig is, Nederlands leren op basisniveau als voorwaarde voor toelating. Eenmaal in Nederland aangekomen moet hij of zij zich dan nog verdiepen in de Nederlandse maatschappij. Nader af te bakenen groepen `oudkomers', in elk geval zij die het Nederlands onvoldoende beheersen en/of afhankelijk zijn van een uitkering, moeten alsnog een inburgeringsexamen afleggen. Asielzoekers krijgen pas een definitieve verblijfsstatus nadat ze slagen voor een examen.

De migrantengemeenschap in Nederland ondersteunt dit project. Nieuwkomers weten doorgaans niet waar ze terechtkomen; een goede voorbereiding lijkt dus ook voor hen inderdaad zinvol.

Ons land heeft een zeer soepele wetgeving inzake het uitreiken van verblijfsvergunningen en nationaliteitsverwerving. Onlangs bracht ik samen met een notoire staatssecretaris een bezoek aan LibiŽ. De Belgische consul aldaar was vroeger werkzaam in Marokko en hij vertelde ons dat hij ooit verplicht werd tweehonderd studentenvisa uit te reiken aan analfabeten.

Op 28 februari 2003 bekrachtigde de Vlaamse regering het decreet betreffende de Vlaamse inburgering, dat bepaalt dat de nodige taalcursussen moeten worden gevolgd. Onderwijs is echter een gemeenschapsbevoegdheid, terwijl het uitreiken van verblijfsvergunningen een federale materie is. De uitwerking van een dergelijke maatregel zal in ons land dus uiterst complex zijn en zware financiŽle implicaties met zich meebrengen. Toch kan het resulteren in een sterke sociale winst op korte termijn.

Heeft de regering aandacht voor een inburgeringsbeleid dat het aanleren van de taal van de gemeenschap in het land van herkomst als voorwaarde stelt voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning in BelgiŽ? Zo niet, waarom niet? Zal net als in Nederland hieromtrent een haalbaarheidsstudie worden opgesteld?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - In de vreemdelingenwet zijn geen bepalingen inzake talenkennis als een vereiste voor het verwerven van verblijfsrecht opgenomen. Desondanks deel ik de mening dat de kennis van op zijn minst een van de landstalen voor de vreemdeling die een verblijfsrecht in ons land verwerft, een niet te miskennen pluspunt vormt.

Door het aanleren van een van de landstalen komt de integratie in een stroomversnelling. De spreker verwijst terecht naar de bevoegdheden van de gemeenschappen in dit verband. Een vreemdeling heeft er alle belang bij gebruik te maken van de bestaande inburgeringsprogramma's.

In een onlangs door mij gepubliceerd document over de oorzaken van en oplossingen voor migratie heb ik een voorstel van gecontroleerde migratie op Europees vlak geformuleerd. Niet-EU-burgers die kandidaat zijn om via dat systeem naar ons land te komen, zouden in hun land van herkomst reeds de taal aanleren, bijvoorbeeld via een taalcursus van drie maanden. Het lijkt me dan ook niet onzinnig dat de Europese Unie dat samen met het land van herkomst meefinanciert.