3-392/1 | 3-392/1 |
5 DECEMBER 2003
Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 24 augustus 2000 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 50-850/1 1999/2000).
Dat de bouwsector één van de drijvende krachten is voor de nationale en regionale economie, wordt algemeen aanvaard.
Het zogenaamde multiplicatoreffect van de bouw houdt in dat één baan in de bouwsector elders anderhalve bijkomende job schept. Of zoals het spreekwoord zegt : « Quand le bâtiment va, tout va. » Weliswaar is het zo dat door de internationalisering van de economie en het groeiend belang van de tertiaire sector dit effect enigszins in kracht is afgenomen, wat niet wegneemt dat de aandrijvende invloed nog steeds zeer belangrijk is.
Dit zijn dan ook gegevens waaraan men in de huidige sociaal-economische context niet zomaar kan voorbijgaan.
De sector van de woningbouw is sterk afhankelijk van de wil en de wens van de kandidaat-bouwer om te investeren in een gebouw of woning. Deze wil en wens zijn op hun beurt afhankelijk van het vertrouwen van de kandidaat-investeerder in de economie in het algemeen, alsmede van de kostprijs en de opbrengst van zijn investering in het bijzonder.
Dit laatste wordt in belangrijke mate bepaald door het financieel en sociaal-economisch beleid van de overheid.
Er moeten dan ook maatregelen worden getroffen om de Belgische gezinnen ertoe aan te zetten hun spaargelden verder te investeren in particuliere bouwprojecten en de Belgische bedrijfswereld te stimuleren om te investeren in bedrijfsbouw. Enkel bij een structureel gezonde economie kan de consument ervan overtuigd worden dat hij beter zal worden bij een investerend gedrag in plaats van bij een rigoureus spaargedrag.
Met andere woorden, het beleidsvoerend niveau heeft zeer cruciale sleutels in handen om én het vertrouwen van de kandidaat-investeerder te herstellen én de bouwsector als katalysator van het economische gebeuren nieuwe stimuli te geven. In wat volgt worden hiertoe enkele eerste aanzetten gegeven.
Het bezitten van een tweede woning (hieronder dient te worden verstaan elk ander onroerend bezit dan de eerste woning) mag niet langer fiscaal worden gestraft. Vandaar dat artikel 2 voorziet in de afschaffing van de 40 %-verhoging van het kadastraal inkomen voor een tweede woning. Op termijn dient zelfs te worden gestreefd naar een volledige gelijkschakeling tussen de eerste en de tweede woning.
De belastingen op de meerwaarden bij de verkoop van een onroerend goed binnen 5 jaar na verwerving van het goed, maken een onaanvaardbare discriminatie uit met de fiscale behandeling van roerende goederen. Deze bijkomende fiscale discriminatie tussen inkomsten uit onroerende en roerende goederen wordt dan ook in artikel 3 weggewerkt.
Deze maatregelen geven een eerste aanzet tot het aanzwengelen van de activiteiten en investeringen in de bouwsector.
Zoals gesteld in de inleiding zal dit onvermijdelijk en onmiddellijk een gunstig effect hebben op de algemene economie en de tewerkstelling. Een bijkomend effect is uiteraard ook dat het zwartwerk en de oneerlijke concurrentie bestreden worden. Naast een arsenaal van sanctioneringsinstrumenten dient immers ook vanuit een positieve optiek de strijd te worden aangegaan tegen het zwartwerk.
Indien immers via fiscale en parafiscale weg de kostprijs van bouwwerken kan gedrukt worden ten voordele van kwaliteit en kwantiteit, zal de lokroep van het goedkope zwartwerk minder sterk worden en zal aldus het officiële circuit zijn economische rol kunnen spelen zoals het hoort.
Kortom, al deze voordelen in ogenschouw nemend, is het duidelijk dat onze samenleving en onze economie er alle baat bij hebben dat de bouwsector wordt gestimuleerd door een langetermijnvisie vanwege de beleidsvoerende overheid.
| Jean-Marie DEDECKER. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 7 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt vervangen als volgt :
« Art. 7. § 1. Inkomsten van onroerende goederen zijn :
1º voor niet verhuurde onroerende goederen : het kadastraal inkomen of de huurwaarde naargelang die goederen in België of in het buitenland zijn gelegen;
2º voor verhuurde onroerende goederen :
a) het kadastraal inkomen, wanneer die goederen in België zijn gelegen en zijn verhuurd aan een natuurlijke persoon, die ze noch geheel, noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid;
b) het kadastraal inkomen, wanneer die goederen in België zijn gelegen, overeenkomstig de pachtwetgeving zijn verhuurd en door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt;
c) het kadastraal inkomen, wanneer het gaat om gebouwde onroerende goederen verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is, met het oog op het ter beschikking stellen ervan :
aan een natuurlijk persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt;
aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken;
d) het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen dat niet lager mag zijn dan het kadastraal inkomen, wanneer het andere in België gelegen onroerende goederen betreft;
e) het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen wanneer het in het buitenland gelegen onroerende goederen betreft.
3º de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.
§ 2. Wanneer een huurvoordeel bestaat in een eenmaal door de huurder gedane uitgave, wordt het bedrag ervan over de gehele duur van het contract verdeeld. »
Art. 3
Artikel 90, 10º, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt opgeheven.
Art. 4
Deze wet is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2004.
19 november 2003.
| Jean-Marie DEDECKER. |