3-390/1 | 3-390/1 |
5 DECEMBER 2003
Dit wetsvoorstel neemt, met een aangepaste toelichting, de tekst over van een voorstel dat reeds op 24 augustus 2000 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 50-0851/001 1999/2000).
Door de wet van 28 december 1992 werd niet alleen het overgangsregime inzake BTW ingevoerd maar werd ook de Belgische wetgeving zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht met de zesde BTW-richtlijn.
Voorheen werden de diensten in artikel 18 (oud) van het BTW-Wetboek exhaustief opgesomd. Wanneer een dienst niet was vermeld in dat artikel, was deze niet belastbaar.
De verhuur van onroerende goederen werd niet vermeld in artikel 18. Alleen de verhuur van stalling voor rijtuigen door een « exploitant » werd overeenkomstig artikel 18, § 1, tweede lid, 8º, van het BTW-Wetboek als een dienst aangemerkt.
Wanneer de verhuur gebeurde door iemand die niet als « exploitant » diende aangemerkt te worden, was de verhuur niet aan BTW onderworpen. De verhuur bleef dan buiten de werkingssfeer van de BTW.
Met ingang van 1 januari 1993 is overeenkomstig artikel 18, § 1, van het BTW-Wetboek een dienst elke handeling die geen levering van een goed is. De verhuur van een onroerend goed is dus ongetwijfeld een dienst sedert 1993. Met ingang van 1 januari 1993 kan men dan ook niet meer stellen dat de verhuur van onroerende goederen buiten de werkingssfeer van de BTW valt.
Opdat een dienst aan BTW zou onderworpen zijn, is evenwel vereist dat hij wordt verricht door een belastingplichtige.
Ook de definitie van belastingplichtige werd gewijzigd sinds 1 januari 1993.
Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het Wetboek zijn omschreven.
Krachtens artikel 4, tweede lid, van de zesde BTW-richtlijn omvat het begrip « economische activiteit » alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar, dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen en wordt als economische activiteit onder andere beschouwd, de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
Wanneer de verhuurder voldoet aan bovenstaande definitie zal hij een belastingplichtige zijn en is de verhuur van onroerende goederen in zijnen hoofde onderworpen aan de BTW, voor zover er niet in een uitdrukkelijke vrijstelling is voorzien.
Samengevat wordt de belasting op de verhuur van onroerende goederen als volgt geregeld.
Sedert 1 januari 1993 vallen de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen binnen de werkingssfeer van de BTW, met dien verstande dat deze handelingen door artikel 44, § 3, 2º, van het BTW-Wetboek vrijgesteld zijn van BTW.
Hieruit volgt dat eenieder die een economische activiteit uitoefent van verpachting, verhuur of overdracht van huur van onroerende goederen, weliswaar daarvoor de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt, doch in principe geen recht op aftrek heeft van de voorbelasting op de uitgaven voor de verwerving, de bouw, de omvorming, de verbetering, de herstelling, het onderhoud, enz. van de in huur gegeven onroerende goederen.
Aftrek is het recht dat krachtens artikel 45 van het BTW-Wetboek is toegekend aan eenieder die werkelijk de hoedanigheid van belastingplichtige bezit om de voorbelasting, dit is de BTW op bepaalde uitgaven en lasten die betrekking hebben op de uitoefening van de activiteit waaruit de belastingplicht voortspruit, te recupereren door toerekening ervan op de BTW die verschuldigd is geworden wegens goederenleveringen en diensten, wegens intracommunautaire verwervingen of wegens handelingen die daarmee zijn gelijkgesteld.
De techniek van de aftrek van voorbelasting houdt in dat na verloop van een bepaald tijdvak (maand of kwartaal) een afrekening moet worden gemaakt van wat globaal opeisbaar en aftrekbaar is geworden gedurende het tijdvak waarop de afrekening slaat. Deze afrekening wordt in de BTW-aangifte gedaan, waardoor dus in principe alleen de belastingplichtigen die BTW-aangiften indienen het recht op aftrek effectief kunnen uitoefenen.
Het vermogen om de voorbelasting onmiddellijk af te trekken zonder af te wachten of de goederen wel werkelijk zijn gebruikt voor één van de bestemmingen bepaald in artikel 45, § 1, van het BTW-Wetboek is één van de bijzonderste kenmerken van de aftrekregeling.
Het bestemmingsprincipe leidt echter tot een correctie op de aftrek wanneer naderhand komt vast te staan dat de oorspronkelijke bestemming gewijzigd is in een bestemming waarvoor geen of slechts een beperkt recht op aftrek bestaat. De correcties van de vroegere aftrek, in min of in meer, worden « herziening » genoemd.
Belastingplichtigen brengen in principe de BTW in aftrek, geheven op alle bedrijfsuitgaven die zij bestemmen voor het verrichten van handelingen die in het BTW-Wetboek zijn bedoeld en niet zijn vrijgesteld en het verlies van het recht op aftrek meebrengen.
Dat principe geldt onder meer voor investeringen en voor de algemene kosten, zelfs wanneer deze slechts onrechtstreeks tot het verrichten van de genoemde handelingen bijdragen.
Bijgevolg wordt dit principe ook toegepast voor de verschuldigde BTW op de bouw van een onroerend goed dat gebruikt wordt voor de uitoefening van de activiteit van de BTW-belastingplichtige.
De toepassing van de principes zoals hiervoor uiteengezet heeft tot gevolg dat een BTW-belastingplichtige die een onroerend goed bouwt of verbouwt voor eigen nijverheids- of handelsdoeleinden, de BTW terzake kan recupereren, terwijl een BTW-belastingplichtige die een onroerend goed bouwt of verbouwt met het oog op de verhuur ervan voor nijverheids- of handelsdoeleinden, de BTW terzake niet kan recupereren omdat deze activiteit vrijgesteld is van BTW ingevolge de bepalingen van artikel 44, § 3, 2º, van het BTW-Wetboek.
De bedoeling van voorliggend wetsvoorstel is dan ook de verhuur van onroerende goederen voor nijverheids- of handelsdoeleinden toe te voegen aan de lijst van uitzonderingen op de algemene vrijstellingsregel van artikel 44, § 3, 2º, van het BTW-Wetboek en aldus deze verhuur te onderwerpen aan de BTW, zodat de verhuurder-belastingplichtige in de mogelijkheid wordt gesteld de BTW die hij verschuldigd was op de bouw of verbouwing van deze onroerende goederen in aftrek te brengen.
Voorliggend wetsvoorstel heeft tot gevolg dat de BTW, zoals de basisregels van deze belasting het vereisen, wordt gedragen door de eindverbruiker.
Wanneer de BTW op zijn gevolgen wordt beoordeeld, kan worden gesproken van een « verbruiksbelasting ». De BTW wordt in de eerste BTW-richtlijn een algemene verbruiksbelasting genoemd, strikt evenredig met de prijs van goederen en diensten ongeacht het aantal transacties die tijdens het produktie- en distributieproces voor de fase van heffing plaatsvonden. Een verbruiksbelasting wordt echter slechts een enkele maal gedragen en wel door de eindverbruiker.
Ter zake kan volgende passage geciteerd worden uit het verslag over de tenuitvoerlegging van het overgangsstelsel van de BTW van de Hoge Raad van Financiën van december 1995 :
« Elk stelsel dat geen volledige neutralisatie zou inhouden van de belasting op de vorming, de omvorming of de verbetering van investeringsgoederen, zou onvermijdelijk tot blijvend gevolg hebben die belasting in de heffingsgrondslag van de latere verrichtingen op te nemen. Een dergelijk stelsel zou derhalve het risico inhouden de economische evolutie en de technische vooruitgang af te remmen. Het zou bovendien de huidige consumptie aanmoedigen ten nadele van de toekomstige consumptie. Het stelsel dat evenwel de investeringsgoederen onmiddellijk zou onderwerpen aan een volledige detaxatie, zou daarentegen wel beantwoorden aan het bestendig streven naar gelijkheid op het vlak van omzetbelasting, alsook aan het bestendig streven naar helderheid en doorzichtigheid op het vlak van belastingen. »
Aldus komt voorliggend wetsvoorstel tegemoet aan de algemene principes geformuleerd in de eerste BTW-richtlijn en wordt de fiscale neutraliteit bevorderd.
Bovendien is het zo dat in de meeste Europese lidstaten de in dit wetsvoorstel bedoelde economische activiteit reeds aan de BTW onderworpen wordt.
Het belangrijkste motief voor de indiening van voorliggend wetsvoorstel is echter de bouwsector een fiscale stimulans te geven.
Het is algemeen bekend dat de bouwsector onverbrekelijk verbonden is met het macro-economisch gebeuren. Deze sector maakt integraal deel uit van het kringloopproces van produktie, inkomensvorming en bestedingen. De bouwsector vormt eveneens een element in het proces van de economische groei op lange termijn en in de dynamiek tussen sparen en investeren op korte termijn.
Deze sector draagt door de aard van zijn produkt immers essentieel bij tot de uitbreiding en instandhouding van de kapitaalgoederenvoorraad en dus van het nationaal produktiepotentieel.
Voorliggend wetsvoorstel zal alleszins een belangrijke stimulans betekenen voor de bouw van onroerende goederen bestemd voor handels- en nijverheidsdoeleinden.
De budgettaire gevolgen van voorliggend wetsvoorstel zullen op termijn positief uitvallen voor de Schatkist. Ingeval de verhuurder van bedoelde onroerende goederen deze gebouwen zelf heeft laten oprichten, zal hij weliswaar de verschuldigde BTW daarop ineens kunnen terugvorderen van de overheid. Nochtans zal de Schatkist deze BTW stapsgewijs recupereren via de onderwerping van de huurprijs aan de BTW. Van zodra het totale bedrag van de BTW op het gebouw gerecupereerd is, zal de Schatkist profijt doen.
Ingeval bedoelde gebouwen niet werden opgetrokken door de verhuurder maar door hem werden aangekocht, levert de voorgestelde regeling bijkomende ontvangsten op voor de Schatkist vanaf het ogenblik dat de onroerende goederen worden verhuurd.
Bovendien zal de voorgestelde maatregel een stimulerend effect uitoefenen op de bouwsector in het algemeen, zodat hierdoor ook de overheidsontvangsten zullen toenemen.
Ten slotte heeft voorliggend wetsvoorstel tot gevolg dat voor de berekening van het belastbaar huurinkomen in de inkomstenbelastingen, de bruto-handelshuur niet langer zal worden verminderd met een forfait van 40 % voor de gemaakte kosten, maar wel met het werkelijke bedrag van deze kosten zoals vermeld op de factuur. Voorliggend wetsvoorstel draagt op die manier bij tot een meer correcte belastingheffing en is bovendien een middel om het zwartwerk tegen te gaan.
| Jean-Marie DEDECKER. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 44, § 3, 2º, a), van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, laatst gewijzigd bij de wet van 29 augustus 2002, wordt aangevuld als volgt :
« de verhuur van onroerende goederen voor nijverheids- of handelsdoeleinden, die niet het het voorwerp uitmaakt van een contract als bedoeld in punt b; »
19 november 2003.
| Jean-Marie DEDECKER. |