Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 3-1

BUITENGEWONE ZITTING2003-2004

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven (Overheidsbedrijven)

Vraag nr. 3-94 mevrouw De Roeck d.d. 13 augustus 2003 (N.) :
NMBS. ­ Sproeitreinen.

In opvolging van vragen tijdens de vorige legislatuur rond het gebruik van pesticiden voor het onderhoud van spoorinfrastructuur (cf. vraag nr. 264 van 2 augustus 2000 van Lode Vanoost in de Kamer en vraag nr. 2-1148 van 6 februari 2001 van Johan Malcorps in de Senaat), graag volgende bijkomende vragen ter verduidelijking :

1. Op 20 december 2001 keurde het Vlaams Parlement een voorstel van decreet goed houdende de vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door openbare diensten in het Vlaams Gewest. Ten laatste tegen 1 juni 2003 moeten alle openbare diensten een reductieprogramma voor bestrijdingsmiddelen voorleggen aan de Vlaamse minister van Leefmilieu. Dit geldt met name ook voor één van de belangrijkste publieke gebruikers van pesticiden in Vlaanderen, de NMBS. Wordt er door de NMBS effectief een dergelijk reductieprogramma opgemaakt ? Worden er bijkomende inspanningen gedaan om te komen tot een vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen of tot de inzet van minder schadelijke middelen ? Wordt het milieumeerjarenplan 2000-2003 van de NMBS terzake aangepast of aangevuld ? Rekening houdend met verbintenissen uit het verleden : is het gebruik van herbiciden met de werkzame stof diuron helemaal stopgezet, wordt er gestreefd naar minder gebruik van producten met de actieve stoffen dichlobenil en MCPA, wordt er stelselmatig de voorkeur gegeven aan glyfosaat ?

2. Blijkbaar is zowat twee jaar geleden al overleg gepleegd over het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het kader van intergewestelijk overleg inzake milieuproblemen, waar de NMBS was op uitgenodigd, maar daar zou verder weinig gevolg aan gegeven zijn. Is het de bedoeling dit overleg te hernemen en tot sluitende afspraken te komen, gelijklopend in de drie gewesten ? Zijn er afspraken terzake in de milieubeleidsovereenkomst met het Brussels Gewest die ook in de twee andere gewesten kunnen overgenomen worden ? Is het niet nodig hierover ook overleg te plegen met de federale diensten Leefmilieu, gezien de bepalingen over pesticidenreductie in het federaal plan duurzame ontwikkeling ?

3. Er zijn toch vragen te stellen bij de wijze waarop deze bestrijdingsmiddelen worden aangebracht op en rond de sporen zelf. Dat een aangepaste verstuivingstechnologie nodig is, ligt voor de hand gezien de 2 500 km dubbelspoorlijnen en 500 km enkelspoorlijnen die onkruidvrij moeten gehouden worden. Volgens de NMBS zou het gaan om maar liefst 4 000 hectaren die chemisch bewerkt moeten worden. Blijkbaar worden de hoofdsporen één à twee keer per jaar behandeld met een sproeitrein. In de lente zou het gaan om een systematische behandeling; op het einde van de zomer zou een tweede behandeling volgen voor de lijnen waarop zich aanzienlijke vegetatieproblemen stellen. Het doel van de behandeling is niet enkel het vrijmaken van de sporen. Men zou breed genoeg sproeien (met zijsproeiers) om ook dienstwegen en voetpaden voldoende vrij te houden. Tijdens de behandeling rijdt de sproeitrein 50 à 60 km/u. De trein is naar verluidt zo uitgerust dat het sproeien onmiddellijk kan worden stopgezet ter hoogte van bruggen, tunnels en overwegen. Via een spuitboom met onafhankelijke secties kunnen de herbicidedoseringen aangepast worden aan het terrein. Het personeel dat de zijsproeiers bedient wordt bijgestaan door plaatselijke NMBS-verantwoordelijken die de aanwezigheid aangeven van tuinen, ecologisch gevoelige gebieden, enz. Bovendien zou in waterwingebieden uitdrukkelijk rekening gehouden worden met de wensen van waterleidingmaatschappijen. Toch blijft het reëel de vraag of via deze werkwijze een echt preventieve aanpak mogelijk is en of er bij een snelheid van 50 km/u garanties kunnen geboden worden dat geen gevoelige zones meer ondergespoten worden. Is deze werkwijze al kritisch doorgelicht op haar efficiëntie (hoeveelheid gebruikt product) en op haar milieu-impact ? Bestaan er geen alternatieven voor ? Blijkbaar doet men er alles aan om ook bij de basisbehandeling het spoor niet buiten dienst te moeten stellen. Maar loopt de ecologische kost juist daardoor niet nodeloos op ? Is het sproeien naast de sporen (op het wandelpad) in alle omstandigheden echt nodig ? En hoe vermijdt men dan dat er gesproeid wordt op de bermen en taluds ?

4. Welke beschermende maatregelen worden nu juist genomen voor de 160 km spoor gelegen in een beschermingszone van waterwingebieden ? Welke producten en hoeveelheden worden daar gesproeid ?

5. De onkruidbeheersing van bijsporen, perrons, werkplaatsen en vormingsstations wordt grotendeels uitbesteed. Dit gebeurt via aanbestedingen. In de bestekken zouden de wettelijke verboden om bermen en taluds te behandelen met herbiciden zijn opgenomen, maar worden in deze bestekken ook doelstellingen opgenomen in verband met het gebruik van minder grote hoeveelheden herbiciden en/of minder schadelijke producten ?

6. Ten slotte worden bepaalde oppervlakten tegen onkruid behandeld door plaatselijk personeel van de NMBS : stationspersoneel, ploegen van de baan, werkplaatsen, enz. Hierbij worden rugsproeiers ingezet of mechanische strooiers van korrels. Hoe wordt ook bij deze toepassingen toegezien op een vermindering van het gebruik ?