3-46/1

3-46/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2003

9 JULI 2003


Wetsvoorstel betreffende de oprichting van ontmoetingsruimten in het kader van een gerechtelijke procedure

(Ingediend door mevrouw Clotilde Nyssens)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 9 april 2003 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-1597/1 ­ 2002/2003).

1. Wat zijn ontmoetingsruimten ?

Begin jaren 90 is een reflectiegroep samengesteld uit artsen, psychologen, maatschappelijk werkers, magistraten en advocaten tot de vaststelling gekomen dat in een aantal gevallen waarin tussen de ouders ernstige conflicten bestonden, de klassieke bemiddeling in familiezaken niet alleen onuitvoerbaar was maar ook in geen enkel opzicht bijdroeg tot een positieve evolutie van het conflict ten aanzien van de positie van het kind of van de kinderen.

Bij de tussenkomst wordt het conflict dat voortvloeit uit de scheiding van de ouders immers als een feit erkend. In een eerste fase bleek het derhalve noodzakelijk dat het kind uit dat ouderlijk conflict wordt gehaald. De uitdaging moest worden aangenomen om de relatie van het kind met zijn vader en die van het kind met zijn moeder te herdenken.

Dergelijke handelwijze vereiste een nieuwe infrastructuur : zo zijn de eerste ontmoetingsruimten ontstaan.

De belangrijkste doelstelling van die ontmoetingsruimten betreft het kind en zijn fundamenteel recht contacten met zijn beide ouders te onderhouden of opnieuw aan te knopen. Het kind moet kunnen vertoeven in een vertrouwenwekkende en aangepaste omgeving om bij voorbeeld zijn relaties met de ouder die hij niet meer zag, opnieuw aan te knopen. (Het begrip « ouder » moet vanzelfsprekend worden uitgebreid tot een ieder die ten aanzien van het kind een « recht op persoonlijke relatie » eist en aan wie dat recht bij rechterlijke beslissing is toegekend).

Na grote aarzeling en talrijke onderhandelingen heeft de meerderheid van de ontmoetingsruimten in 2000 met het ministerie van Justitie een subsidieovereenkomst ondertekend met het oog op rechtstreekse financiering van de verschillende diensten, aangezien voornoemde diensten in een nationaal project zijn gegroepeerd. In dit kader verrichten de ontmoetingsruimten thans hun activiteiten.

Die activiteiten zijn gegrond op verschillende krachtlijnen :

­ in het kader van het politieke streven om familiale geschillen uit het strafrecht te halen wordt op de ontmoetingsruimten in hoofdzaak een beroep gedaan door personen die door de burgerlijke rechterlijke instanties daarnaar zijn verwezen;

­ aangezien het « niet-afgeven van het kind » als een strafbaar feit wordt beschouwd, worden de ontmoetingsruimten ertoe genoodzaakt de ontmoetingen tussen ouders en kinderen in het kader van de alternatieve maatregelen te organiseren;

­ met het oog op een optimale kwaliteit van de geboden diensten kunnen de ontmoetingsruimten ook personen helpen die op hen een beroep willen doen op advies van hun advocaat, evenals personen die door de diensten voor jeugdbijstand naar hen zijn verwezen of die eenvoudigweg op hun eigen verzoek daarvan gebruik willen maken (in dat geval kan worden overwogen om met de bevoegde instanties een samenwerkingsovereenkomst uit te werken).

Het recht van het kind om zich te uiten en zijn gevoelens te kennen te geven in een conflict tussen zijn ouders, inzonderheid inzake het omgangsrecht, vormt weliswaar een positieve en gunstige evolutie in talrijke situaties maar het is heel belangrijk die contacten tussen ouders en kinderen te begeleiden om zoveel mogelijk te voorkomen dat het kind wordt « gegijzeld » of als « pasmunt » fungeert in het ouderlijk conflict. Het kind zit vast in een driehoeksconflict en kan niet zelfstandig zijn emoties en diepste gevoelens uiten omdat het heen en weer wordt geslingerd tussen zijn loyauteit voor zijn vader en die voor zijn moeder. Zowel voor de ouders als voor het kind is op dit vlak een begeleidende structuur noodzakelijk, hetgeen een van de doelstellingen van de ontmoetingsruimten vormt.

Samengevat zijn de ontmoetingsruimten, gerechtelijk beschouwd, centra die op grond van een mandaat of van een rechterlijke beslissing de opdracht hebben een band tussen ouder(s) en kind(eren) te creėren of die band te herstellen wanneer het persoonlijk contact is onderbroken, een conflict daaromtrent is ontstaan of dat contact gewoonweg moeilijk is geworden.

Niemand ontkent thans nog het nut en tevens de noodzaak van de 25 ontmoetingsruimten die evenwichtig zijn verspreid over Vlaanderen, Brussel en Walloniė. Zij worden heden gefinancierd door de FOD Justitie en hebben 55 voltijdse betrekkingen. Die betrekkingen bieden werk aan ongeveer 130 deeltijds werkende werknemers.

De minister van Justitie heeft in een antwoord op een vraag om uitleg zelf het volgende gesteld : « De neutrale ontmoetingsruimten beantwoorden aan een reėle behoefte. Dat blijkt uit de werking en het nut ervan, alsook uit de tevredenheid van de gebruikers » (Handelingen van de Senaat, zitting van 17 oktober 2002, nr. 2-234, blz. 4).

De ontmoetingsruimten moeten kunnen blijven functioneren in een multifilosofische context. Hun rol en de voorwaarden waaronder zij optreden, moeten klaar en duidelijk zijn omschreven. Bij ernstige conflicten kan elke dwingende beslissing die voorziet in het optreden van een ontmoetingsruimte immers alleen doeltreffend zijn ingeval de inzet en de gevolgen die eruit voortvloeien in geval van niet-naleving van de rechterlijke beslissing, duidelijk zijn vastgelegd.

Hoewel het gegeven dat familiale conflicten uit het strafrecht zijn gehaald, in talrijke gevallen een gunstige evolutie is in de huidige rechtspraktijk, bestaan nog altijd veel gevallen waarin het conflict zo intens en zo diep geworteld is dat het een strafrechtelijke benadering vereist. In dergelijke gevallen moet de rechterlijke overheid een beroep kunnen doen op een gespecialiseerde en bevoegde instantie zoals de ontmoetingsruimten opdat bij de uitvoering van de rechterlijke beslissing de belangen van elke betrokken partij zo goed mogelijk in acht worden genomen.

Gelet op het belang van de taken van die instanties en rekening houdend met de materie waarin zij optreden, moet hen een statuut worden verleend die door de federale wetgever is erkend.

2. Bevoegdheid van de federale overheid

Zoals in andere materies moeten de gerechtelijke overheden kunnen rekenen op externe instanties of organisaties die met dat doel zijn opgericht of erkend, teneinde bij te dragen tot het toezicht op de tenuitvoerlegging van de beslissingen genomen door de hoven en rechtbanken en de betrokken partijen te helpen die beslissingen in het belang van alle betrokken partijen zo goed mogelijk uit te voeren.

Dat is bijvoorbeeld het geval voor de commissies tot bescherming van de maatschappij die bij de wet van 9 april 1930 zijn opgericht, de probatiecommissies die bij de wet van 29 juni 1964 zijn opgericht en de bemiddelaar in familiezaken die bij de wet van 19 februari 2001 is ingevoerd.

Onlangs nog is door tussenkomst van de minister van Financiėn een regeling uitgewerkt om met de hulp van de federale administratie uitkeringen tot levensonderhoud terug te vorderen.

De Raad van State heeft in zijn advies inzake het ontwerp dat de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken is geworden, het volgende gesteld : « Het gezinsbeleid in de zin van artikel 5, § 1, II, 1ŗ, van de bijzondere wet (van 8 augustus 1980, tot hervorming der instellingen), kan een geheel van initiatieven en maatregelen omvatten die ertoe strekken de gezinnen bijstand en materiėle, sociale, psychologische en onderwijshulp te verlenen. De bevoegdheid voor jeugdbescherming is aan de gemeenschappen opgedragen, doch met uitdrukkelijke uitzondering van inzonderheid de burgerrechtelijke regels met betrekking tot het statuut van de minderjarigen en van de familie, zoals die vastgesteld zijn door het Burgerlijk Wetboek en de wetten tot aanvulling ervan.

Die opgedragen bevoegdheden passen in het gehele kader van de regeling voor de verdeling van de bevoegdheden over de Staat, de gemeenschappen en de gewesten en mogen geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de federale Staat. Tot die opgedragen bevoegdheden behoort dus niet de bevoegdheid tot regeling van de procedures die voor de gerechten worden gevolgd en van alle uitkomsten en tussenstappen waartoe ze aanleiding kunnen geven, zelfs als die procedures verband zouden houden met de gezinssituatie van de partijen. »

In het verlengde van de activiteiten van de rechterlijke macht die zich uitspreekt inzake het burgerlijke familierecht, behoort de materie die in dit voorstel van wet wordt behandeld, tot de taken van het federaal Parlement.

Het is dan ook met recht dat de ontmoetingsruimten sedert verscheidene jaren financieel worden gesteund via de begroting van de FOD Justitie.

3. Noodzaak van een in de wet erkend statuut

Uit de toelichting die voorafgaat, blijkt het nut en het belang van de taken van de ontmoetingsruimten, alsook de verantwoordelijkheid van de federale overheid terzake.

Derhalve is het volgens mij noodzakelijk dat dringend een algemeen wettelijk kader wordt vastgelegd om de bovenvermelde instellingen te erkennen die als opdracht hebben de rechterlijke macht te helpen bij de toepassing en de tenuitvoerlegging van de beslissingen die zij inzake burgerlijk familierecht moet nemen en waarvoor zij oordeelt dat het optreden van die instellingen in het belang van de betrokken partijen doeltreffend kan zijn.

Het voorgestelde wettelijke kader moet aan de bevoegde instanties overigens de mogelijkheid bieden beter toezicht uit te oefenen op de activiteiten van die ontmoetingsruimten en op de correcte uitvoering van hun opdrachten.

Zulks vormt de doelstelling van dit voorstel van wet dat zich beperkt tot de vastlegging van het beginsel en van de algemene voorwaarden verbonden aan het bestaan en het optreden van de ontmoetingsruimten door aan de Koning de machtiging te verlenen de bijzondere toepassingsvoorwaarden te bepalen alsook de regels inzake erkenning, machtiging en subsidiėring.

Clotilde NYSSENS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Ingeval de bevoegde rechter in het kader van de artikelen 223, 371 tot 387bis en 1479 van het Burgerlijk Wetboek, alsook in het kader van de procedures bedoeld in de afdelingen I tot IV van hoofdstuk XI van boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, kennis neemt van geschillen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag of het recht op persoonlijke relaties ten aanzien van minderjarige kinderen, kan hij aan een organisatie die daartoe door de Koning is erkend, de opdracht geven toezicht te houden op de uitvoering van de rechterlijke beslissing, de betrokken personen te contacteren, ontmoetingen tussen die personen te organiseren, zulks in het streven naar een doeltreffende en nuttige toepassing van die beslissing, met inachtneming van de fundamentele rechten van iedere partij en hoofdzakelijk vanuit het streven naar de inachtneming van de persoon van het betrokken kind of de betrokken kinderen.

De in het eerste lid bedoelde organisatie krijgt de naam « ontmoetingsruimte ».

In de rechterlijke beslissing wordt een nadere omschrijving gegeven van de bijzondere opdracht die aan de ontmoetingsruimte is gegeven, alsook van de identiteit van de personen die moeten ingaan op iedere oproeping vanwege de ontmoetingsruimte.

De ontmoetingsruimte licht de betrokken rechterlijke overheid regelmatig in over de tenuitvoerlegging van de haar toevertrouwde opdracht.

Art. 3

Zelfs vooraleer een rechterlijke overheid is opgetreden, kunnen de betrokken personen in geval van een manifest gezinsconflict betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag of het recht op een persoonlijke relatie ten aanzien van minderjarige kinderen, een beroep doen op een ontmoetingsruimte om hen bij te staan bij het vinden van een minnelijke schikking die in voorkomend geval kan worden vastgesteld door de bevoegde rechterlijke overheid.

Art. 4

De Koning bepaalt de erkenningsprocedure en -voorwaarden voor de ontmoetingsruimte die moet zijn opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.

Art. 5

De Koning bepaalt de nadere regels en de voorwaarden waaraan de ontmoetingsruimte moet voldoen om de financiering vereist voor de uitoefening van haar opdrachten te verkrijgen. In het kader van die financieringsvoorwaarden moet onder meer rekening worden gehouden met de vereisten inzake de leefbaarheid van die organisatie in het licht van de haar toevertrouwde opdrachten.

De Koning kan bijzondere kwalificatievoorwaarden bepalen waaraan de personeelsleden moeten voldoen.

Art. 6

Deze wet treedt in werking de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de koninklijke uitvoeringsbesluiten bedoeld in de artikelen 4 en 5 in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.

23 juni 2003.

Clotilde NYSSENS.