2-1100/4 | 2-1100/4 |
23 APRIL 2002
De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft tijdens haar vergadering van 23 april 2002 twee voorstellen van resolutie betreffende de toestand in het Midden-Oosten besproken.
Naar aanleiding van het debat in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging van 19 april 2002, in aanwezigheid van de minister van Buitenlandse Zaken, werd een nieuw voorstel van resolutie (zie amendement nr. 1, stuk Senaat, nr. 2-1100/2) ingediend betreffende de toestand in het Midden-Oosten.
Het betreft hier een compromisvoorstel ter vervanging van het voorstel van resolutie van 17 april 2002 van de heren Monfils et Roelants du Vivier betreffende de toestand in het Midden-Oosten (stuk Senaat, nr. 2-1100/1) en het voorstel van resolutie van 18 april 2002 ingediend door mevrouw Laloy (stuk Senaat, nr. 2-1101/1) betreffende hetzelfde onderwerp.
De heer Monfils licht punt 1 van het dispositief van het nieuw voorstel van resolutie toe, waarbij wordt aangedrongen op een staakt-het-vuren, de stopzetting van de zelfmoordaanslagen en de beėindiging van de krijgsverrichtingen in de Palestijnse gebieden.
De heer Geens betreurt dat er niet expliciet verwezen wordt naar de verantwoordelijkheid van de Palestijnse autoriteit in het conflict.
De heren Dubié en Maertens willen punt 1 van het dispositief van het nieuw voorstel van resolutie aanvullen door een subamendement nr. 2, om te eisen dat de Israėlische regering de gerichte moorden stopzet.
De heer Maertens vestigt er de aandacht op dat zowel de Palestijnse Raad als de Palestijnse Autoriteit moeten kunnen beschikken over de nodige materiėle en politieke mogelijkheden om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid op te nemen.
De heer Geens stelt voor dat er in het compromisvoorstel expliciet zou worden verwezen naar de verantwoordelijkheid van de Palestijnse Autoriteit.
Mevrouw Laloy wijst erop dat het nieuwe voorstel van resolutie een compromistekst is die er impliciet van uit gaat dat men ook langs Palestijnse zijde de nodige mogelijkheden moet hebben om op een volwaardige manier aan het vredesproces deel te nemen.
De heer Monfils voegt eraan toe dat de compromistekst enkel een basis is voor verdere discussie. Hij kan in de plenaire vergadering aangevuld of gewijzigd worden.
De heer Geens vindt dat het nieuwe voorstel van resolutie niet werkbaar is omdat het beleid van de minister er niet door ondersteund wordt.
De heer Colla dient een subamendement nr. 6 in om het geweld een halt toe te roepen en er bij de Israelische regering en de Palestijnse Autoriteit op aan te dringen dat zij de mogelijkheden krijgen om de doelstelling, verwoord in het eerste punt van het dispositief, te realiseren.
De heer Maertens dringt erop aan dat het nieuwe voorstel van resolutie een allesomvattende korte tekst zou zijn, zodat het een nuttig werkinstrument is dat als aanbeveling voor de regering kan dienen.
Mevrouw Laloy dient een subamendement nr. 5 in, waarbij aan de eerste considerans van het nieuwe voorstel van resolutie wordt toegevoegd dat er een oplossing kan gezocht worden die berust op het internationaal recht.
De heer Colla dient een subamendement nr. 9 in, waarbij de andere landen in de regio ook bij het vredesproces betrokken worden.
Mevrouw Laloy en de heer Monfils dienen een subamendement nr. 4 in, stellende dat er zal toegezien worden op de uitvoering van resolutie 1405 van de Verenigde Naties, met name het sturen van een onderzoeksteam om de feiten vast te stellen.
De heer Dedecker stelt voor dat een tijdelijke schorsing van het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Israėl in overweging zou worden genomen, op voorwaarde dat de Europese Unie daar ook voorstander van is.
De heer Colla antwoordt dat deze optie op korte termijn niet doelmatig is en ongewenste effecten kan hebben.
Mevrouw Laloy vindt dat de Senaat resolutie nr. 173 van 10 april 2002 van het Europees Parlement, die de opschorting vraagt van het Associatieakkoord Europese Unie-Israėl, moet steunen.
Mevrouw Thijs vraagt een verduidelijking van de draagwijdte van het begrip « met Belgische deelname » gebruikt in amendement nr. 8 van de heer Colla. Het lid vraagt of bij het sturen van een vredesmacht een specifieke logistieke bijstand zal worden gegeven door ons land of dat men deze vredesmacht voluit gaat steunen. Zij wenst te weten of er reeds duidelijke opties werden genomen omtrent de aard van de bijstand.
De heer Colla is van mening dat deze bereidheid tot participatie zo breed mogelijk moet worden opgevat en zowel logistieke steun als inzet van manschappen kan inhouden, indien zulks door de Verenigde Naties zou gevraagd worden. De concrete bepaling hiervan moet echter ten gepaste tijde volgen.
De heer Monfils voegt hieraan toe dat het de regering toekomt om de exacte inhoud van een Belgische participatie vast te leggen.
Mevrouw Thijs wenst te weten of de andere leden het met de stelling van de heer Colla eens zijn.
De heer Maertens stelt dat de Belgische regering moet garanderen dat de Palestijnse overheid in staat is op internationaal vlak als gesprekspartner te fungeren, gelet op het feit dat ze als Staat niet erkend is, en dat haar parlementairen zich in de onmogelijkheid bevinden te vergaderen.
De heer Colla merkt op dat er in het subamendement nr. 6 sprake is van « qu'ils se rangent » wat kan vertaald worden door « mogelijk maken » of « zich schikken naar ». De heer Colla is van mening dat de vertaling « mogelijk maken » inhoudt dat beide partijen alle initiatieven nemen opdat er door beide kampen op het terrein zou kunnen opgetreden worden.
De heer Maertens verklaart dat hij bereid is zijn amendement nr. 3 in te trekken indien het begrip « mogelijk maken » wordt weerhouden.
De heer Galand stelt dat, vermits de infrastructuur van de officiėle Palestijnse overheid werd geviseerd en niet die van Hamas onderhandelingen met de Palestijnse Autoriteit materieel onmogelijk zijn. Spreker stelt voor dat de tekst vermeldt dat de instellingen van de Palestijnse autoriteiten hun actiemogelijkheden moeten terugkrijgen.
De heer Geens antwoordt dat het vanzelfsprekend is dat de Palestijnse Autoriteit beschikt over de nodige bewegingsvrijheid, opdat de doelstellingen van amendement nr. 1 zouden worden gerealiseerd.
De heer Colla en mevrouw Laloy dienen het subsidiair amendement nr. 7 in op subamendement nr. 6 waarbij de woorden « qu'ils aient la capacité » worden toegevoegd in het eerste punt van het dispositief van het nieuwe voorstel van resolutie dat nu ter tafel ligt.
De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken stelt dat de tekst voorgesteld door amendement nr. 6 van de heer Colla en mevrouw Laloy, « pour qu'ils se rangent ą cet objectif », impliceert dat Israėl de beėindiging van het geweld en een staakt-het-vuren zou goedkeuren, wat een ommekeer zou betekenen van haar politiek.
De heer Galand is van mening dat het nuttig zou kunnen zijn om punt 3, waarin sprake is van het organiseren van een internationale conferentie eerst te vermelden in het dispositief van amendement nr. 1.
De heer Monfils vindt dit echter niet logisch omdat de allereerste voorwaarde voor het beėindigen van een conflict juist een staakt-het-vuren is.
Mevrouw Laloy dient amendement nr. 5 in ter aanvulling van considerans A om bij te dragen tot een duurzame oplossing die op het internationaal recht berust. Deze formulering houdt volgens spreekster het recht op bewegingsvrijheid, het recht om te vergaderen, en het recht om te erkennen en erkend te worden in.
Subamendement nr. 5 op amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Subamendement nr. 6 op amendement nr. 1 en subsidiair amendement nr. 7 op subamendement nr. 6 worden eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Subamendement nr. 8 op amendement nr. 1 wordt aangenomen met 7 stemmen voor en 1 onthouding.
Subamendement nr. 9 op amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen.
Subamendement nr. 4 op amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen.
Amendement nr. 1, aldus gesubamendeerd, wordt eenparig aangenomen.
Het voorstel van resolutie, aldus geamendeerd, wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor een mondeling verslag in de plenaire vergadering.
| De rapporteur, Michiel MAERTENS. |
De voorzitter, Marcel COLLA. |