2-1620/1

2-1620/1

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

9 APRIL 2003


Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 51bis in de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmee gelijkgestelde plicht, wat betreft de oorlogsvrijwilligers

(Ingediend door mevrouw Anne-Marie Lizin)


TOELICHTING


Zodra België in 1944 nog maar gedeeltelijk was bevrijd, riep de Belgische regering vrijwilligers op om een verbintenis aan te gaan tot het einde van de oorlog, om het einde van de oorlog samen met de geallieerden te bespoedigen en om tegelijkertijd de grondslagen te leggen voor het nieuwe Belgische leger.

In een akkoord dat minister Spaak in Londen had gesloten, was bepaald dat Groot-Brittannië de uitrusting leverde voor de nieuwe Belgische eenheden en dat de Belgische regering een aantal ervan ter beschikking van het Britse leger stelde, voor eventuele operaties in het Verre Oosten.

Op die manier kregen de tweede, derde, vierde, vijfde en zesde infanteriebrigade een speciale training en een aangepaste medische voorbereiding in Groot-Brittannië.

De capitulatie van Duitsland op 8 mei 1945 veranderde niets aan die militaire voorbereiding.

De Belgische regering maakte eenzijdig een einde aan haar verbintenissen ten opzichte van de oorlogsvrijwilligers door op 8 mei 1945 hun oorlogsdienst te beëindigen. België was echter in oorlog met Japan en pas op 2 september 1945 kwam er een eind aan die oorlog.

De oorlogsvrijwilligers werden noch op 8 mei, noch op 31 augustus ontslagen, en dit op verzoek van de generale staf van de geallieerden.

Het zijn de enige landgenoten wier oorlogsdienst niet volledig werd erkend. Hun oorlogsdienst eindigt op 8 mei 1945, terwijl de meesten onder hen slechts eind 1945, of zelfs in mei of in juni 1946, gedemobiliseerd werden.

Ter vergelijking : de oorlogsdienst van de krijgsgevangenen is erkend tot de datum waarop ze terug thuis zijn gekomen. Hetzelfde geldt voor de gedeporteerden (niet alle Belgen zijn gelijk voor de wet). Men heeft steeds vergeten de demobiliseringsdatum of minstens 2 september 1945 te erkennen als einddatum van de oorlogsdienst voor de vrijwilligers.

De oorlogsvrijwilligers hebben in 1944-1945 een contract met de Belgische regering ondertekend : een verbintenis tot het einde van de oorlog.

Reeds jarenlang strijdt de Federatie der oorlogsvrijwilligers ervoor dat alle oorlogvrijwilligers krijgen waar ze recht op hebben. Nu het bruine gevaar weer opduikt, menen we dat we de herinnering hieraan levend moeten houden en zelfs moeten opwekken, zodat onze jonge generatie niet in een conflict belandt zoals wij dat hebben gekend. We moeten ons de 53 700 jongeren herinneren die op de oproep van het land gereageerd hebben en de overlevenden (het zijn er nog slechts ongeveer 10 000) recht doen wedervaren.

Anne-Marie LIZIN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In titel II, hoofdstuk III, van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmee gelijkgestelde plicht, wordt een afdeling III met een artikel 51bis ingevoegd, luidende :

« Afdeling III. ­ Oorlogsvrijwilligers

Art. 51bis. ­ Om in aanmerking te komen voor de voordelen waarvan sprake is in dit hoofdstuk, kunnen de oorlogsvrijwilligers de periode vanaf de datum van hun dienstneming tot de datum van hun demobilisatie beschouwen als periode van geldige militaire dienst. Die periode eindigt uiterlijk in juni 1946. »

26 maart 2003.

Anne-Marie LIZIN.
Michel BARBEAUX.