2-282

2-282

Belgische Senaat

Handelingen

WOENSDAG 2 APRIL 2003 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Financiën over «de herschatting van de waarde van onroerende goederen van een nalatenschap» (nr. 2-1001)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Bij het overlijden van een persoon wordt de totale nalatenschap van roerende en onroerende goederen die aan de wettelijke erfgenamen wordt toegewezen, op de gebruikelijke wijze geschat en betalen de erfgenamen de daarop eisbare successierechten.

Het kan echter ook gebeuren dat na die regelmatige vereffening en verdeling plots een testament opduikt dat de erfrechtelijke regeling, zoals die werd uitgevoerd, wijzigt. De problemen worden nog groter indien daaropvolgend nog procedures worden gevoerd over de interpretatie van het testament, die uiteindelijk leiden tot een definitief arrest van het Hof van Beroep.

Indien een rechterlijke beslissing de erfrechtelijke verdeling volledig wijzigt, verplicht de fiscus de erfgenamen een nieuwe aangifte te doen met een herschatting van de roerende en de onroerende goederen. Indien er daar onroerende goederen bij betrokken zijn, leidt die herschatting wellicht tot een belangrijke meerwaarde in vergelijking met die die werd gedaan door de beëdigde schatter op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap. Voor die interpretatie baseert de overheid zich op artikel 37.3 en artikel 40.4 van het Wetboek van de successierechten. Daarbij kunnen eventueel nog boetes en interesten worden verrekend in de periode tussen het vellen van het definitieve arrest en het ogenblik dat de nieuwe aangifte van een nalatenschap dient te gebeuren.

Vindt de minister dergelijke praktijk billijk gelet op het declaratoir karakter van de vereffening en gelet op het feit dat de verdeling ingaat op de dag van het overlijden van de decujus. Zou het niet normaal zijn om gewoon de schatting op het ogenblik van het overlijden te handhaven gelet op het declaratoir effect van de verdeling?

Een andere mogelijkheid bestaat erin een dading te sluiten tussen de erfgenamen die al jaren in proces zijn, om de nadelige gevolgen te voorkomen van een procesvoering en van een herschatting. Ook hier wordt voorgehouden dat artikel 37.3 van het Wetboek van de successierechten van toepassing is en dat er een nieuwe aangifte moeten worden gedaan in geherwaardeerde waarde, in toepassing van artikel 25 van het Wetboek van de successierechten. Voor de wettelijke erfgenamen verandert er echter niets. Zij hebben bij het openvallen van de nalatenschap te goeder trouw de volledige aangifte van de daarop geplaatste waarde gedaan en de daarop verschuldigde successierechten betaald.

Waarom moet dan op een eventuele dading die ook een declaratoir effect heeft, een herwaardering en een actualisering van de nalatenschap gebeuren en waarom moeten daarop opnieuw successierechten worden betaald? Beschouwt de minister dat als een juiste interpretatie van de wet en kan niet worden aangenomen dat door het arrest de partijen een dading over de nalatenschap kunnen doorvoeren waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat al de successierechten zijn betaald? In feite leidt de ontstane situatie - van een normale aangifte van een nalatenschap en de betaling van de successierechten en daaropvolgend de wijziging van de erfregeling door een later opgedoken testament - tot een dubbele belastingheffing tegen een verschillende waardering van de nalatenschap. Aangezien er maar één dode is, kunnen goederen geen tweemaal worden geërfd. We zien nu dat de fiscus een manier heeft gevonden om tweemaal successierechten te innen. Eens na de eerste aangifte van de nalatenschap en mogelijk tien of vijftien jaar later als een herwaardering van de nalatenschap plaatsvindt waarbij de waarde van de onroerende goederen kan verhoogd zijn. De vraag die ik me stel is of de successierechten die aanvankelijk werden betaald, bij een herwaardering van een nalatenschap ook niet moeten worden geherwaardeerd. Op de vroeger betaalde successierechten zou in zo een geval een herwaarderingscoëfficiënt kunnen worden toegepast.

In ieder geval lijkt het mij dat het later opgedoken testament of de nieuwe elementen die een herverdeling van de nalatenschap vereisen, als elementen van overmacht moeten worden aangezien voor de erfgenamen. Het komt mij ook voor dat de regeling waarbij tweemaal successierechten worden betaald ingevolge een dubbele waardering van de onroerende goederen op verschillende ogenblikken, niet overeenstemt met de wet, en zeker niet met de algemene rechtsbeginselen krachtens dewelke aan de eigenaars geen bijzondere en buitensporige last mag worden opgelegd.

M. Antoine Duquesne, ministre de l'Intérieur. - Je vous livre la réponse du ministre des Finances :

En droit civil, il n'existe qu'une seule dévolution qui, par une fiction de la loi, est toujours censée être celle existant au jour du décès. Chaque fois que les biens successoraux sont dévolus autrement que suivant la situation apparente au décès, suite à un fait postérieur au décès, il est question de « changement de dévolution ». La découverte d'un testament peut provoquer un tel changement.

Selon l'article 37, 3º du code des droits de succession, il y a lieu de déposer une nouvelle déclaration de succession à chaque changement de dévolution, nonobstant le fait que ce changement peut conduire à la perception de droits complémentaires ou à une restitution. Pour cette nouvelle déclaration, le délai est de cinq mois à compter de l'événement si le décès a eu lieu en Belgique, en vertu de l'article 40 du code des droits de succession. Les biens concernés par ce changement de dévolution doivent être, selon l'article 25 du même code, déclarés et taxés à leur valeur au jour de l'événement qui a conduit au changement de dévolution. Ainsi, le nouvel héritier est-il imposé au jour et selon la valeur où son patrimoine s'est effectivement enrichi.

La méthode de travail décrite par M. Vandenberghe est par conséquent entièrement conforme à la loi et il n'est absolument pas question d'une double perception de droits de succession parce que les droits de succession payés sur la base de la dévolution originale sont imputés sur les droits de succession calculés sur la dévolution définitive. Il n'est pas davantage question d'une amende ou d'intérêts lorsque la nouvelle déclaration a été introduite dans les délais et les droits réglés à temps.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het antwoord voldoet mij niet omdat de minister het declaratoir effect van de vereffening en de verdeling ontkent. Het algemeen rechtsbeginsel is dat de erfgenamen de decujus opvolgen de dag van diens overlijden. De dag van de ontdekking van het testament heeft daarop geen invloed. De belastingen worden gevestigd op de dag van het overlijden. Als later de nalatenschap wordt herschat omdat een testament werd gevonden, dan komt dat neer op een ontkenning van het declaratoir effect van de vereffening en van de verdeling bij de erfrechtelijke regeling. De erflater is immers niet gestorven op de dag dat het testament wordt gevonden. Hij is dan al lang dood. Zo kan het gebeuren dat vijftien jaar na iemands overlijden de erfgenamen gelukkig worden gemaakt met een testament, maar dat de fiscus ze de dag nadien komt zeggen dat de waarde van de betrokken onroerende goederen met bijvoorbeeld 300% is gestegen! Dat is toch niet redelijk. Ik zal tijdens de volgende legislatuur dan ook een wetsvoorstel indienen om de wet aan te passen, zodat de fiscus niet tweemaal belastingen kan heffen terwijl een persoon slechts eenmaal kan overlijden.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De twee overblijvende vragen om uitleg worden uitgesteld.

De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 3 april 2003 om 10 uur, om 15 uur en om 19 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.10 uur.)