2-1256/14

2-1256/14

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

5 APRIL 2003


Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en van artikel 144ter van het Gerechtelijk Wetboek


AMENDEMENTEN

opnieuw ingediend na de goedkeuring van het verslag


Art. 5

­ Nr. 16 : van de heer Mahoux c.s.

Verantwoording

[Zelfde verantwoording als bij amendement nr. 16 (cf. 2-1256/11, blz. 3)].

In zijn advies van gisteren heeft de Raad van State immers bevestigd dat een dergelijke procedure onbestaanbaar is met het beginsel van de scheiding der machten.

Bovendien onderstreept de Raad dat § 4 zou leiden tot ongelijke behandeling van de klagers, die geen enkele garantie zouden hebben dat hun klacht effectief zal kunnen worden onderzocht door een ander gerecht, terwijl in de andere gevallen van onttrekking, die aan de orde zijn in de §§ 2 en 3, dat wil zeggen ten gunste van het Internationaal Strafhof of van een andere Staat die besloten heeft zijn bevoegdheid uit te oefenen, de klagers de waarborg hebben dat de juridische procedure zal worden afgehandeld.

Paragraaf 4 is dus in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Art. 5

­ Nr. 15 : van mevrouw Nyssens.


AMENDEMENTEN ingediend na de goedkeuring van het verslag


Nr. 12 VAN MEVROUW NYSSENS EN DE HEER DALLEMAGNE

Art. 5

Het voorgestelde artikel 7, § 1, derde lid, aanvullen met een punt 5), luidende :

« 5) een in kracht van gewijsde gegane beslissing genomen werd voor dezelfde feiten en dezelfde personen door een internationaal rechtscollege of door een onafhankelijk, onpartijdig en billijk nationaal rechtscollege. »

Verantwoording

De federale procureur moet kunnen beslissen om niet te vervolgen wanneer dezelfde feiten en dezelfde personen reeds werden gevonnist door een rechtscollege dat alle waarborgen biedt voor een billijk proces.

Nr. 18 VAN MEVROUW NYSSENS EN DE HEER DALLEMAGNE

Art. 9 (nieuw)

Het wetsontwerp aanvullen met een artikel 9, luidende :

« Art. 9. ­ Voor de klachten die zijn ingediend vóór de afkondiging van deze wet, kan de federale procureur, omdat men zich bevindt in een van de gevallen bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, de kamer van inbeschuldigingstelling verzoeken de zaak te onttrekken aan de geadieerde onderzoeksrechter.

Indien de kamer van inbeschuldigingstelling, nadat ze de federale procureur en de partijen heeft gehoord, het verzoek gegrond acht, onttrekt zij de zaak aan de onderzoeksrechter.

De partijen kunnen een beroep instellen tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling bij het Hof van Cassatie binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling door een verklaring gedaan ter griffie van het Hof.

Het Hof van Cassatie hoort, in openbare zitting, de opmerkingen van de federale procureur en de partijen in het geding. »

Verantwoording

Alle sprekers waren het erover eens dat de filters die door de eerste drie paragrafen zijn ingebouwd, volstaan voor de toekomst en dat de filter die door de vierde paragraaf wordt ingebouwd ernstige problemen doet rijzen met betrekking tot de scheiding der machten, wat in het strenge advies van de Raad van State bevestigd wordt.

Dit amendement heeft tot doel de toepassing van die filters mutatis mutandis toepasselijk te maken op de zaken die hangende zijn op de datum waarop deze wet wordt afgekondigd.

Rekening houdend met het feit dat deze zaken op basis van de wet van 1993 onderzocht werden, is het evenwel van belang de bevoegdheid om de zaak aan de onderzoeksrechter te onttrekken, toe te kennen aan de kamer van inbeschuldigingstelling en niet aan de federale procureur.

Clotilde NYSSENS.
Georges DALLEMAGNE.