2-1557/2

2-1557/2

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

1 APRIL 2003


Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 357 en 362 van het Gerechtelijk Wetboek


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR DE HEER ISTASSE


I. PROCEDURE

Dit wetsontwerp, dat onder de verplicht bicamerale procedure valt, is op 20 maart 2003 in de Kamer van volksvertegenwoordigers eenparig aangenomen door de 125 stemmende leden en op 24 maart 2003 overgezonden naar de Senaat.

De commissie voor de Justitie heeft het onderzocht tijdens haar vergaderingen van 25 maart en 1 april 2003.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat in een hele reeks van rechtscolleges een bepaald aantal of een bepaald minimumaantal tweetalige magistraten moeten beschikbaar zijn.

Bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en het parket bij die rechtbank, is er momenteel op dat vlak een deficit van 28 rechters op een personeelsformatie van 105 en van 29 substituten op een personeelsformatie van 92, of een respectievelijk bezettingspercentage van 73 en 68 %. Dit betekent dat er alleen al voor die gerechten 57 plaatsen niet kunnen ingevuld worden (de Raad van State vernietigt immers de benoemingen die geschieden met miskenning van de wet van 15 juni 1935).

Een eerste maatregel die ertoe strekt om deze vicieuze cirkel te doorbreken, werd medio 2002 door de wetgever aangenomen. De wet van 18 juli 2002 voerde de taalkennis op 2 niveaus in voor de magistraten. Deze wet evenals het uitvoeringsbesluit, traden op 1 januari 2003 in werking en een eerste examensessie zal in april georganiseerd worden (aankondiging van Selor in het Belgisch Staatsblad van 3 maart 2003). Die maatregel dient aangevuld te worden met een bijkomende stimulans.

Men kan er voorts niet omheen dat bij de federale overheid alleen de magistraten geen taalpremie ontvangen. Ter vergelijking is het nuttig erop te wijzen dat de tweetaligheidspremies die worden toegekend aan de officieren bij de politiediensten die het bewijs leveren van hun taalkennis van niveau 1 223,11 euro (9 000 frank) bedragen voor een elementaire kennis, en 267,33 euro (10 800 frank) als het een grondige kennis van de andere landstaal betreft.

Dit wetsontwerp strekt er dan ook toe een premie in te stellen voor de magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij het examen van doctor of licentiaat in de rechten hebben afgelegd.

Krachtens dit wetsontwerp is het aantal magistraten aan wie een premie wordt toegekend, beperkt tot het minimumaantal voorgeschreven bij de wet van 15 juni 1935, met name 316 (zulks betekent dat, indien krachtens de wet 5 tweetaligen nodig zijn terwijl het betrokken gerecht er 7 telt, alleen de 5 magistraten met de hoogste dienstanciënniteit de premie zullen ontvangen).

Dit wetsontwerp is erop gericht de magistraten aan te moedigen zich kandidaat te stellen voor de vacante ambten van magistraat die zijn voorbehouden voor kandidaten die het bewijs hebben geleverd van de kennis van een andere taal dan die van hun diploma, zoals bepaald bij de wet van 15 juni 1935. Het is dan ook verantwoord die premie uitsluitend toe te kennen aan de magistraten die benoemd worden op plaatsen welke voorbehouden zijn aan tweetalige kandidaten.

Het bedrag van de taalpremie is gelijk aan de weddebijslag van de toegevoegde magistraten (216,91 euro per maand) voor diegenen die voor het examen « voldoende kennis » slagen. De premie bedraagt 130 % hiervan voor diegenen die voor het examen « grondige kennis » slagen (281,98 euro per maand).

III. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Nyssens vraagt of de toegevoegde vrederechters benoemd in kantons waar vrederechters de kennis van meer dan een landstaal moeten bewijzen, inderdaad de tweetaligheidspremie waarin dit wetsvoorstel voorziet, krijgen.

De minister bevestigt dat. Hij verwijst naar zijn verklaringen tijdens de discussie in de Kamercommissie voor de Justitie (stuk Kamer, nr. 50-2310/003, blz. 6).

Mevrouw De Schamphelaere kan het principe van de premies ondersteunen, maar wijst erop dat het hier maar een beperkt middel betreft om de gerechtelijke achterstand in Brussel te beperken.

De echte oplossing zou een algemene verbetering van de tweetaligheid in alle Brusselse rechtscolleges zijn.

De door deze meerderheid aangenomen wetten gaan evenwel allemaal de verkeerde richting uit : het verhogen van het aantal eentalige toegevoegde rechters en de versoepeling van het taalexamen doen blijken dat de grondige kennis van het Nederlands eigenlijk uitzonderlijk is en, gelet op onderhavig ontwerp, enkel en alleen nodig is voor het absolute (wettelijke) minimum van magistraten.

Men moet trouwens eens de evolutie van de laatste jaren nagaan. Eerst worden eentalige rechters toegevoegd, voor wie geen enkele taalvereiste geldt. Tegelijk wordt er een onderscheid gemaakt in taalkennis tussen de basiskennis en de kennis om te zetelen, hetgeen op zich al een achteruitgang betekent op de vereiste van taalkennis. Nu wordt er een premie toegekend, zowel voor de basiskennis (eigenlijk hoofdzakelijk een passieve kennis) als voor de gevorderde kennis, waarbij men moet weten dat onder het oude regime er nooit een premie voor basiskennis zou zijn toegekend, omdat die op grond van het oude regime gewoon ontoereikend zou geweest zijn om te slagen.

Bovendien is het verschil in premie tussen basiskennis en gevorderde kennis slechts 65 euro, of nog geen 30 % zodat het maar de vraag is of voor dit luttele verschil velen zich geroepen zullen voelen om inspanningen te leveren voor een gevorderde actieve mondelinge en schriftelijke kennis.

Spreekster stelt vast dat wat het advies van de Raad van State betreft, de spoedprocedure werd gevraagd, zodat de Raad enkel de rechtsgrond heeft onderzocht.

Op twee punten heeft de Raad vragen bij de mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel.

Immers, magistraten die andere magistraten vervangen, krijgen de premie niet, omdat zij niet benoemd zijn in het betreffende rechtscollege, ook al zijn zij houder van een bewijs van taalkennis.

Bovendien stelt de Raad dat uit de uitleg van de gemachtigde ambtenaar is gebleken dat bepaalde toegevoegde rechters die in het bezit zijn van een diploma, in één taal zetelen in zaken van de andere taalrol, terwijl toegevoegde rechters en substituten niet benoemd zijn bij het rechtscollege, maar bij het rechtsgebied van het hof van beroep. De Raad vraagt naar objectieve redenen voor het verschil.

De minister heeft geantwoord dat het de bedoeling is om voor alle magistraten die werkzaam zijn in tweetalige rechtscolleges in een premie te voorzien, maar het geld er niet is. De objectieve reden is dus geldgebrek.

Volgens mevrouw De Schamphelaere biedt het wetsontwerp geen fundamentele oplossing. Om aan de impasse in de Brusselse rechtbanken van eerste aanleg en het parket te verhelpen, is een structurele ingreep nodig. Deze wordt voorgesteld in het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe, tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg en de splitsing van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg in het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde te vermelden (stuk Senaat, nr. 2-761/1).

De heer Vandenberghe vindt dit ontwerp typisch voor de manier waarop de regering werkt. Tijdens vier jaar paars-groen beleid is de situatie van de rechtbank van eerste aanleg in Brussel niet veranderd. De fundamentele problemen blijven dezelfde en de gerechtelijke achterstand is nog steeds even groot.

Spreker herinnert eraan dat hij bij het onderzoek van het wetsontwerp tot uitbreiding van het aantal toegevoegde rechters had gewezen op de onbillijke gevolgen van dat wetsontwerp dat, door de toegevoegde rechters een premie toe te kennen, de eentaligheid bij de magistraten aanmoedigde. De heer Vandenberghe heeft toen voorgesteld een tweetaligheidspremie in te voeren voor magistraten die geslaagd zijn voor het taalexamen, maar de Senaat heeft de tekst toen niet in die zin kunnen amenderen.

Enkele maanden later, vlak voor de ontbinding, dient de regering bij het Parlement een hoogdringende tekst in, die ertoe strekt een tweetaligheidspremie toe te kennen, terwijl die oplossing al lang ingevoerd had kunnen zijn.

Om misverstanden over de vereiste taalkennis te voorkomen, verduidelijkt de minister dat een « voldoende » kennis van een andere taal dan die van het diploma bestaat in een actieve en passieve mondelinge kennis en een passieve schriftelijke kennis van de taal. De « grondige kennis » bestaat in een actieve en passieve mondelinge en schriftelijke kennis van de taal.

Ten slotte herinnert de minister eraan dat de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken niet van toepassing is op de toegevoegde rechters en substituten, benoemd in de rechtbank van eerste aanleg van Brussel. Die wet is wel van toepassing op de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde politierechters, die dan ook de door deze wet ingevoerde tweetaligheidspremie kunnen krijgen.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

Artikelen 1 tot 4

Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. Zij worden aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 11 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Jean-François ISTASSE. Josy DUBIÉ.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde
als de tekst van het door de Kamer van
volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp
(zie stuk Kamer, nr. 50-2310/004)