2-1376/3

2-1376/3

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

14 JANUARI 2003


Wetsontwerp houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIEN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEREN de CLIPPELE EN MALCORPS


Dit wetsontwerp werd op 5 december 2002 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en op 6 december 2002 overgezonden aan de Senaat. De Senaat heeft het ontwerp diezelfde dag geëvoceerd. De onderzoekstermijn verstrijkt op 27 januari 2003.

De commissie heeft aldus dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 8, 13 en 14 januari 2003.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE STAATSSECRETARIS VOOR ENERGIE EN DUURZAME ONTWIKKELING

Dit wetsontwerp beoogt de geleidelijke uitstap te regelen uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, enerzijds, en de vergunningen voor nieuwe kerncentrales te verbieden, anderzijds.

Het kadert volledig in het regeerakkoord dat bepaalt : « Teneinde de wetenschappers voldoende tijd te verlenen om nieuwe alternatieve hernieuwbare en zuivere energiebronnen op grote schaal op punt te stellen, zal België zich inschrijven in een scenario waarbij de desactivering van de nucleaires centrales van zodra ze veertig jaar oud zijn, wordt aangevat. Daartoe zal de regering het Europees Milieu-Agentschap consulteren en een commissie van internationaal erkende experten ondervragen over de haalbaarheid en uitvoering van dit scenario. »

De staatssecretaris heeft dus een brief geschreven naar het Europees Milieu-Agentschap om te vragen of het aanvaardde door de Belgische regering over haar beleid geraadpleegd te worden. Het agentschap heeft geantwoord dat dit onmogelijk was, daar dit niet onder zijn mandaat viel.

In het licht van die nieuwe toestand, heeft de regering dus een commissie van vijf internationale deskundigen gekozen, die wordt voorgezeten door de wetenschappelijk voorzitter van het Europees Milieu-Agentschap, de heer Bourdeau. Op die manier kwam de regering haar verbintenissen in de regeringsverklaring na.

De wil van de regering om geleidelijk uit te stappen uit de kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie werd opnieuw bevestigd in de verklaringen van federaal beleid van oktober 2001 en oktober 2002. Daarin werd voorzien dat het wetsontwerp op de buitengebruikstelling van de kerncentrales die ouder zijn dan 40 jaar in de komende maanden zou worden ingediend.

Het voorliggend wetsontwerp schuift het beginsel naar voor van de buitengebruikstelling van de zeven kerncentrales in België, te weten Doel 1-2-3-4 en Tihange 1-2-3.

De oudste kerncentrale (te weten Doel 1) zal dus worden gedesactiveerd vanaf 2015 en vervolgens de andere centrales, zodat in 2025 geen enkele kerncentrale nog actief zal zijn in België.

Twee nauw verbonden beginselen zijn vastgelegd. Het eerste betreft de desactivering; Het tweede bepaalt dat geen nieuwe kerncentrale bestemd voor industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, kan worden opgericht en/of in exploitatie gesteld.

Het voorliggend ontwerp doet geen afbreuk aan het tijdsschema inzake de provisies voor de ontmanteling en de ontsmetting. Evenmin doet het afbreuk aan de toepasselijke reglementering, onder meer inzake de aansprakelijkheidsverzekering of het beheer van radioactief afval.

Er zijn drie soorten redenen die het uitstappen uit kernenergie rechtvaardigen.

De eerste soort redenen heeft te maken met het probleem van de ongevallen, die zeer speciale problemen doen rijzen, enerzijds omdat ze uiterst onwaarschijnlijk zijn. Anderzijds zijn de gevolgen ervan potentieel onbeheersbaar. Dat wordt bewezen door het feit dat de verzekeringsmaatschappijen weigeren de onbeperkte schade te dekken die door nucleaire ongevallen kan worden veroorzaakt.

De tweede reden voor het uitstappen uit kernenergie is het risico op proliferatie, met name het risico dat iemand kernbrandstof in handen krijgt. Op het einde van het Belgisch nucleair programma zal 5 000 ton brandstof in de centrales zijn gebruikt, waarvan 670 ton in La Hague zal zijn opgewerkt. Dat is ruim voldoende om het op verkeerde wijze te gebruiken.

Het derde probleem is het vraagstuk van het afval. In België zijn de technieken van het afvalmanagement de beste. Het probleem voor onze maatschappij is evenwel welke waarborgen we kunnen krijgen over hoe afval dat tienduizenden jaren lang actief blijft, zich zal gedragen. Volgens de staatssecretaris is die hypotheek overbodig.

In zijn conclusies en aanbevelingen op blz. 37 zegt het AMPÈRE-rapport : « Overigens is de commissie van oordeel dat men de electronucleaire optie moet openhouden. Hiertoe moet men de nationale know-how in de electronucleaire sector op peil houden, zowel privé als publiek, en ook deelnemen aan het onderzoek en de overwegend private ontwikkeling van de toekomstgerichte procédés.

Het behoud van de electronucleaire optie impliceert geenszins de verplichting om een beroep te doen op deze procédés. In een democratie hangt deze keuze alleen af van het Parlement. Het is duidelijk dat de toekomstige technische ontwikkelingen op electronucleair vlak moeten geëvalueerd worden op basis van hun eigen verdiensten in verschillende domeinen, te weten de beveiliging van de goede werking, de beperking van de besmette zone bij ongeval, het beheersen van de benedenfase van de nucleaire cyclus en meer bepaald de conditionering en het beheer van het afval, evenals het niveau van de technische productiekost. »

De staatssecretaris verklaart het volledig eens te zijn met de mening van de AMPÈRE-commissie. Het gaat er niet om fanatiek tegen kernenergie te zijn, maar wel de gevaren die de maatschappij loopt bij haar bevoorrading in energie zoveel mogelijk te beheersen.

Evolutie van de vraag

Enerzijds is er het AMPÈRE-scenario dat, in de hypothese van een beheer van de vraag, uitgaat van een evolutie van het elektriciteitsverbruik van + 0,5 % per jaar tot 2005 en vervolgens een stabilisering tot in 2012.

Anderzijds beschrijft het uitrustingsplan 1995-2005 een « homo economicus »-scenario. Het voorspelt een toename van + 0,7% per jaar waarbij in 2005 79 terawattuur per jaar verbruikt zouden worden. In 2001 heben wij echer al 83 terawattuur verbruikt. Er kan in België dus veel energie bespaard worden.

Tussen 1995 en 2000 bedroeg de werkelijke groei van het elektriciteitsverbruik + 2,7 % per jaar. Tussen 2000 en 2001 was dat percentage 0,6 %.

Het Planbureau heeft op 24 september 2002 een verslag over het potentieel inzake energiebesparing aan het Parlement voorgelegd. Volgens het Hermes-model zou de evolutie van het elektriciteitsverbruik 2,1 tot 1,5 % per jaar bedragen. Volgens het Primes-model zou die evolutie 1,9 tot 1,2 % per jaar bedragen.

Er is wel een noodzakelijke voorwaarde opdat dit besparingspotentieel gerealiseerd wordt. Het betreft de ontkoppeling van drie aspecten in de elektriciteitssector, namelijk de productie, het vervoer en de distributie. Volgens de staatssecretaris kan energie bespaard worden op het vlak van de distributie.

Zolang deze scheiding niet was doorgevoerd, was het uiterst moeilijk, zoniet onmogelijk om een echt rationeel energiegebruik te organiseren. Men kan moeilijk verwachten dat de producent besparingen gaat organiseren op het gebied van de distributie. Deze ontkoppeling die voorzien werd door een richtlijn uit 1996 en nu gerealiseerd is, is een noodzakelijke voorwaarde voor rationeel energiegebruik.

Voor de staatssecretaris levert de evolutie van de vraag naar elektriciteit geen moeilijkheden op inzake de bevoorradingszekerheid. Het bewijs ervan is dat deze evolutie de laatste tijd sterk steeg, met gelijktijdige pieken in België en in Frankrijk, zonder dat er problemen waren.

In de toekomst zullen er ook geen problemen zijn aangezien het mogelijk is elektriciteit met gas te produceren. De staatssecretaris voegt eraan toe dat het niet die schommeling van enkele percenten is die welke regering ook zal beletten gascentrales te laten optrekken.

Een belangrijker vraag betreft de klimaatopwarming.

Voor de staatssecretaris is het evident dat de evolutie van het gasverbruik in België geen invloed heeft op de gasprijzen in de wereld.

Vanuit het oogpunt van de klimaatopwarming is de evolutie van het uiteindelijke energieverbruik van belang, en niet de evolutie van het elektriciteitsverbruik op zich. De overgrote meerderheid van de uitstoot van broeikasgassen komt voort uit energieverbruik. Het aandeel van het elektriciteitsverbruik daarin bedraagt slechts 22 Mt CO2 op een totaal van 150 Mt.

Evolutie van het uiteindelijke energieverbruik, met inbegrip van diesel, benzine, enz.

Zij bedroeg van 1981 tot 2000 0,9 % per jaar. In beide scenario's van het Planbureau schommelt die evolutie tussen + 0,4 en + 1,1 %, of - 0,3 tot + 0,8 %. Bijgevolg kan de evolutie van het elektriciteitsverbruik geen probleem vormen voor de bevoorradingszekerheid. Ten tweede, wat betreft de klimaatopwarming, zal men moeten letten op de evolutie van het totale energieverbruik waarvan elektriciteit deel uitmaakt.

De staatssecretaris verwijst naar blz. 53 van het executive summary van de commissie AMPERE, waarin staat dat men in Europa in de periode 1990-1997 een duidelijke daling heeft vastgesteld van het elektriciteitsverbruik per inwoner in de landen die voluntaristische maatregelen inzake rationeel energieverbruik getroffen hebben (Oostenrijk, Denemarken, Duitsland, Zweden, ...).

Wat is nu de toestand in België op het vlak van de gedecentraliseerde productie, namelijk de vernieuwbare energiebronnen enerzijds en de gecombineerde productie anderzijds.

Er is eerst de techniek van de warmtekrachtkoppeling. Inherent aan de elektriciteitsproductie is de productie van warmte. Er zijn grote voordelen mogelijk indien men die vrijgekomen warmte kan aanwenden bijvoorbeeld voor het verwarmen van gebouwen of in industriële processen. Daartoe moet aan twee voorwaarden zijn voldaan : de temperatuur moet voldoende hoog zijn en de plaats waar de behoefte aan warmte zich bevindt mag niet te ver gelegen zijn van de plaats van de productie ervan. Het vervoer van warmte is immers duurder dan het vervoer van elektriciteit.

De recente cijfers voor Europa waarover de staatssecretaris beschikt dateren van 1998. Hij meent evenwel dat de huidige toestand daar niet ver van afwijkt.

Het aandeel van de warmtekrachtkoppeling in de totale elektriciteitsproductie bedraagt in België 4,1 %, terwijl die in heel Europa 10,9 % bedraagt. Denemarken zit zelfs aan 62 %. Bijgevolg zit België, ondanks een dichte industriële structuur en oude technologische ervaring, met 3 400 GWh onder het Europees gemiddelde. Volgens de commissie AMPÈRE bedraagt het potentieel 4 500 GWh. Volgens de universiteit van Antwerpen kan men tot 18 000 GWh gaan. Het potentieel is dus enorm.

Toestand in Europa op het vlak van vernieuwbare energiebronnen

Zonder rekening te houden met waterkrachtenergie zit men in België aan ten hoogste 1 % terwijl het Europees gemiddelde 2,1 % bedraagt. Als men met waterkrachtenergie rekening houdt, bedraagt het Europees gemiddelde 14 %.

België is tijdens de vorige zittingsperiode overeengekomen om in 2010 te komen tot 6 % vernieuwbare energiebronnen. Het potentieel zoals berekend door de commissie AMPÈRE bedraagt 8 000 GWh. Het federaal Planbureau sprak van 11 000 GWh in zijn planning van maart 2001.

Als men dus het potentieel in vernieuwbare energie en gecombineerde productie optelt, komt men volgens de laagste hypothese aan 13 500 GWh en ten hoogste aan 29 000 GWh.

Men zou jaarlijks 46 000 GWh (de productie van de kerncentrales) moeten vervangen. Het is duidelijk dat windmolens en warmtekrachtkoppeling daartoe niet zullen volstaan.

De rest zal, naast de energiebesparingsmaatregelen, gedekt moeten worden door de gas-stoomturbines, dat wil zeggen de gascentrales.

In verband met de bevoorradingszekerheid bepaalt artikel 6 van het ontwerp dat het indicatief programma vanaf 2015 jaarlijks wordt opgemaakt. Het evalueert de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit en formuleert, wanneer deze in het gedrang dreigt te komen, aanbevelingen dienaangaande.

Ingevolge artikel 8 van het ontwerp moet de CREG ook een jaarlijkse evaluatie maken van deze bevoorradingszekerheid en desgevallend aanbevelingen formuleren.

Artikel 9 van het ontwerp voorziet een volmacht aan de Koning in het geval van bedreiging van de bevoorradingszekerheid. De staatssecretaris vestigt er de aandacht op dat deze problematiek bestaat in hoofde van alle ministers van energie waar ook ter wereld. Dat is ook de reden waarom in de wet van 29 april 1999 het analoge artikel 32 is opgenomen. Dit artikel is indertijd eenparig aangenomen. Er wordt ook bepaald dat de uitzondering in artikel 9 met betrekking tot de overmacht niet kan worden ingeroepen vanwege de elektriciteitsproducenten, de uitbaters van het transportnet en van het distributienet en de gefedereerde entiteiten of bij niet-uitvoering van het indicatief plan.

De regering wenst hiermee te vermijden dat er in ons land strategieën zouden worden ontwikkeld of tactieken zouden worden toegepast die het onmogelijk zouden maken om tot een uitstap uit de kernenergie over te gaan.

De eerste prioriteit van elke minister van energie is de bevoorradingszekerheid. Problemen zoals die recentelijk voorkwamen in Californië en Brazilië zijn voor ons land absoluut onaanvaardbaar.

Er blijft ons evenwel steeds een zwaard van Damocles boven het hoofd zweven. Alles hangt immers af van de internationale toestand en van wat kan gebeuren in de landen waarvan wij voor onze energiebevoorrading en in het bijzonder voor aardolie afhankelijk zijn. In België blijft de eerste energiebron immers aardolie ook al wordt er in ons land geen elektriciteit meer geproduceerd op basis van aardolie.

Acht percent van de wereldaardoliereserves en 40 % van de aardgasreserves bevinden zich in Europa (van de Atlantische Oceaan tot de Kaspische Zee).

In verband met de werkgelegenheid merkt de staatsecretaris het volgende op :

In de eerste plaats kan er geen sprake zijn van een structurele afhankelijkheid van het buitenland voor de elektriciteitsbevoorrading, wat ook de samenstelling van de regeringen in Europa moge zijn. Elektriciteit wordt immers niet gestockeerd en de Europese cohesie is niet groot genoeg zodat België niet kan rekenen op zijn buurlanden mocht zich in België een probleem voordoen. Daaruit vloeit voort dat het geïnstalleerd vermogen in België steeds groter zal moeten zijn (met een ingebouwde veiligheidsmarge) dan de verbruikspieken.

Vandaag bedraagt die piek 12 500 tot 12 800 MW. Het geïnstalleerd vermogen in België bedraagt ongeveer 15 000 MW. Men zal dat vermogen altijd moeten handhaven ongeacht de aard van de elektrische centrales.

Er is geen verband tussen de uitstap uit kernenergie en de elektriciteitsuitwisselingen op internationaal niveau. Er zouden banden zijn tussen beide indien aan twee voorwaarden is voldaan : ten eerste indien door het uitstappen uit kernenergie het geïnstalleerd vermogen in België lager zou komen te liggen dan het vermogen dat noodzakelijk is om het piekverbruik te dekken, wat geenszins het geval is. Een tweede reden voor die afhankelijkheid van het buitenland zouden de goedkopere productietechnieken in het buitenland zijn, wat de producenten er zou toe brengen hun installaties in België te sluiten om systematisch goedkopere elektriciteit in het buitenland te kopen. Ook dat is niet het geval.

Vandaag kopen Belgische verbruikers Franse elektriciteit uit kerncentrales. Zij zullen dat ook morgen doen. De richtlijn van 1996 en de wet van 29 april 1999 verlenen hen daartoe het recht.

Tweede opmerking : De uitstap uit de kernenergie geschiedt geleidelijk. Bijgevolg zal er tijd zijn om de overschakeling op nieuwe energiebronnen te organiseren. Die zal mogelijk blijven binnen de elektriciteitssector. In 2025 zal België nog heel wat elektriciteit verbruiken die nog steeds in België zal worden geproduceerd.

Ten derde hangt het aantal banen per geproduceerd kilowattuur niet af van de brandstof maar wel van de omvang van de installatie. Of men nu een beroep doet op gas of op kernenergie, de nieuwe installaties werken nagenoeg zonder personeel per geproduceerd kilowattuur wanneer zij een vermogen hebben van 600 MW en meer. Naarmate het energiebeleid wordt afgestemd op de gecombineerde productie, waarbij alternatieve energiebronnen worden ingeschakeld, worden de productie-eenheden kleiner.

Ten vierde bepaalt artikel 10 van het ontwerp dat wanneer er wordt overgegaan tot de sluiting van een nucleaire centrale, in overleg met de partners een sociaal begeleidingsplan voor de betrokken werknemers moet worden opgesteld.

Klimaatopwarming

De staatssecretaris herinnert eraan dat België zich in het kader van het Kyoto-protocol ertoe verbonden heeft de uitstoot van broeikasgassen met 7,5 % te verminderen in de periode 2008-2012 ten opzichte van het jaar 1990. Dat komt neer op de vermindering van de CO2-uitstoot van 140 megaton in 1990 tot een uitstoot van 130 megaton. De CO2-uitstoot in België bedraagt momenteel 150 megaton.

Het aandeel van de elektriciteit bedraagt 22 megaton CO2. Het AMPÈRE-rapport vermeldt op blz. 21 dat de commissie van mening is dat de uitstap uit de kernenergieproductie in België zijn weerslag zal hebben op de CO2-uitstoot en dat de CO2-uitstoot in 1998 in België hoger zou hebben gelegen dan 16,5 miljoen ton per jaar indien de kerncentrales vervangen waren door STEG-centrales op aardgas.

In zijn argumentatie spreekt bijvoorbeeld Electrabel van 33 of zelfs 35 megaton CO2 in plaats van die 16,5. Zij baseren zich hiervoor op de gemiddelde uitstoot van CO2 op vandaag door het productiepark dat nog op fossiele brandstoffen werkt. Het is natuurlijk zo dat tegen de tijd dat de kerncentrales uit dienst zullen worden genomen, het oude klassieke productiepark ook reeds zal vervangen zijn door nieuwe gasgestookte installaties.

Op blz. 55, onder punt 3.4. van hetzelfde document, staat te lezen : « Wij tonen inderdaad aan dat tussen een scenario met sterke groei van de vraag (+ 3,5 % per jaar tot 2005 en + 3,0 % per jaar van 2005 tot 2012) en een scenario met stabiel verbruik (+ 0,5 % per jaar tot 2005 en + 0,0 % per jaar van 2005 tot 2012), de CO2-uitstoot ongeveer 17 miljoen ton per jaar in 2012 kleiner zou zijn. »

De staatssecretaris merkt op dat die getallen als bij wonder samenvallen. Men mag echter niet te ruime conclusies trekken uit die vergelijking. Evenmin kan men stellen dat het probleem van de baan is. Echter, het is mogelijk de CO2-uitstoot te stabiliseren via de elektriciteitsproductie door, enerzijds, de kerncentrales te vervangen door STEG-centrales en, anderzijds, via energiebesparingen die tot een stabiel verbruik leiden, zoals de AMPÈRE-commissie heeft vastgelegd in haar scenario in vergelijking met « business as usual ».

Het probleem van de klimaatopwarming is hoe dan ook het probleem van de energie in zijn geheel en meer bepaald van de energie die verplaatsingen nodig maakt.

Volgens de staatssecretaris is het logisch te beweren dat de oplossing van het probleem erin bestaat het aandeel van kernenergie in het energieverbruik in België of elders te vergroten. Zo zou er echter een ander probleem ontstaan.

Thans bestaan er op het internationale vlak 430 kerncentrales, die aan ongeveer 17 % van de elektriciteitsvraag op het mondiale vlak voldoen. Verhoogt men het aandeel van elektriciteitsproductie uit kernenergie met 17 % tot bijvoorbeeld 60 %, dan zou het aantal kerncentrales stijgen van 430 tot 1 500. Gaat men ervan uit dat ook het transport via kernenergie moet gebeuren, wat volgens de staatssecretaris tot de mogelijkheden behoort, dan zou men kernenergie kunnen gebruiken om waterstof te produceren. Uit een technisch oogpunt is het zo dat waterstof ook auto's kan aandrijven. Op wereldvlak heeft men daarvoor meer dan 1 500 kerncentrales nodig.

De drie problemen inherent aan kernenergie zouden dan worden vermenigvuldigd met het aantal kerncentrales. Niemand kan garanderen dat geen van deze kerncentrales zich in toekomstige oorlogszones zou bevinden.

De tendens gaat precies in de omgekeerde richting.

Volgens « World Energy Outlook » van het Internationaal Energie-Agentschap van 21 september 2002 daalt het aandeel van elektriciteitsproductie uit kernenergie tegen 2030 van 17 % naar 9 %.

Prijs van de elektriciteit

De staatssecretaris maakt een onderscheid tussen drie verschillende punten. In de eerste plaats is er de prijs van de elektriciteitsproductie zonder kernenergie. Vervolgens is er de prijs die België betaalt om het streefdoel van het Protocol van Kyoto te halen. Ten derde is er de kostprijs voor ons land ná 2012-2022, enzovoort.

Het eerste punt ondergaat de invloed van de Europese markt. Bijgevolg speelt de concurrentie een belangrijke rol. Die ondergaat dan weer de invloed van, enerzijds, de tussenverbindingen die thans nog niet bestaan voor de interne markt doch wel voor gevallen waarbij de toelevering wordt onderbroken. Anderzijds wordt die ook beïnvloed door de mogelijkheid om opnieuw oligopolies of kartels binnen Europa op te richten. Die factoren bepalen de prijs die de Belgische consumenten zullen betalen voor de elektra.

De staatssecretaris verklaart het volstrekt oneens te zijn met de raming van de productiekosten die het AMPÈRE-rapport vermeldt. Dat rapport bevat de sociale kostprijs van de energieproductie waarin, eigenaardig genoeg, de sociale kostprijs van de kernenergie lager is dan die van elektriciteitsproductie met windmolens. Dat valt te verklaren door het feit dat de gebruikte methode geen rekening kan houden met het probleem van het radioactief kernafval, van de proliferatie noch van de ongevallen.

Zie het verslag van de Assemblée nationale française de l'Office parlementaire d'évaluation des choix scientifiques et technologiques van de heren Bataille en Galet. Op blz. 367 van dat verslag staat het volgende te lezen :

« La commission indique clairement les limites de l'exercice externe pour le cas du nucléaire. » De staatssecretaris voegt eraan toe dat het de methode is die door de AMPÈRE-commissie is gebruikt. Hij citeert verder : « Les estimations ne sont pas jugées fiables pour les accidents nucléaires. Les déchets radioactifs à haute activité, la prolifération nucléaire et le terrorisme. Ces lacunes pourraient être significatives et doivent être clairement soulignées pour toute évaluation. »

Bijgevolg is de kostprijs van de elektriciteit die in België geproduceerd wordt door gascentrales ongeveer dezelfde als de kostprijs van de elektriciteit die in België geproduceerd wordt door kerncentrales. De prijs van de elektriciteit zal dus worden bepaald door de markt, aangezien de Belgische centrales niet duurder zijn dan de andere Europese centrales en ook omdat de doelstellingen die België inzake groene elektriciteit heeft bepaald niet zullen leiden tot een forse stijging van de prijs. Integendeel, de prijs voor het transport van elektriciteit zal tegen het einde van deze zittingsperiode gedaald zijn, vergeleken bij het begin van deze zittingsperiode, rekening houdende met de regulering die door deze regering zowel vanuit sociaal oogpunt als vanuit milieu-oogpunt werd ingevoerd.

Kostprijs van de Belgische Kyoto-verbintenissen over de periode 2008-2012 (eerste toezeggingsperiode)

Deze kostprijs wordt door de Europese Commissie volgens het Primes-model geraamd op 0,3 % van het BIP, waarbij rekening wordt gehouden met de intra-Europese emissiehandel.

Volgens een studie van Price Waterhouse Coopers bedragen de kosten voor België slechts 0,1 % van het BIP in plaats van 0,3 %.

Kostprijs van de Belgische Kyoto-verbintenissen na het jaar 2012 (na het begin van de sluiting van onze kerncentrales)

Er bestaan terzake twee ramingen. De eerste, de zogenaamde Proost-Markal-raming gaat uit van een kostprijs van 0,1 % van het BIP in 2020 die oploopt tot 2,7 % van het BIP in 2030 (uitgedrukt in BIP van 2000), vooropgesteld dat de Kyoto-doelstelling voor België inhoudt dat de CO2-uitstoot verminderd wordt met 15 % in plaats van met 7,5 %.

Van zijn kant meent het Planbureau dat de kostprijs in 2030 niet 2,7 % van het BIP zal zijn, maar 1,9 % van het BIP, steeds wanneer men ervan uit gaat dat de Kyoto-doelstelling een vermindering van de uitstoot met 15 % bedraagt.

Die ramingen houden geen rekening met twee zaken. Zo wordt er in eerste instantie geen rekening gehouden met de uitwisseling van emissierechten binnen de Europese Unie. Momenteel wordt geraamd dat dit mechanisme de kostprijs halveert. Bijgevolg zou die gereduceerd worden van 2,7 % tot 1,35 % en van 1,9 % tot 0,95 %. Bovendien wordt geen rekening gehouden met de gevolgen van de vermindering van de fiscale lasten op arbeid die onvermijdelijk het gevolg zal zijn van een gewijzigde belasting op energie.

De percentages 1,35 en 0,95 moeten worden vergeleken met de variërende hypothesen in verband met de groei van het BIP.

Veiligheid

Het gaat om veiligheidsinvesteringen in de kerncentrales. Voor de goedkeuring van dit ontwerp heeft de toezichthoudende minister het Federaal Agentschap voor nucleaire controle geraadpleegd.

Sedert de publicatie van richtlijn 96/92/EG, dat wil zeggen sedert de openstelling van de elektriciteitsmarkt, is het probleem van deze veiligheidsinvesteringen reëel. Het is belangrijk dat elke regering erop toeziet dat alle investeringen en installaties voor de productie van elektriciteit in een openmarktcontext geschieden.

Sedert juli 2001 legt de wet een gescheiden boekhouding op voor nucleaire activiteiten en niet-nucleaire activiteiten. Die wet had niet tot doel veiligheidsinvesteringen te controleren, maar kruissubsidiëring tussen een bepaalde soort elektriciteitsproductie en een andere soort te verhinderen.

Die wet heeft ook gunstige gevolgen voor het toezicht op de veiligheidsinvesteringen in de verschillende productiecircuits.

Dat gunstige gevolg heeft ertoe geleid dat de regering via haar minister van Binnenlandse Zaken heeft beslist dat het Federaal Agentschap voor nucleaire controle in het kader van zijn opdrachten zich elk jaar formeel kan uitspreken over de veiligheidstoestand van de kerncentrales in het licht van hun desactivering wanneer ze 40 jaar oud zullen zijn.

De staatssecretaris voegt eraan toe dat de wet bepaalt dat de nucleaire elektriciteitsproducenten verantwoordelijk blijven tot het einde van de ontmantelingsactiviteiten. Hij herinnert er ook aan dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de exploitanten bij het begin van deze zittingsperiode 100 miljoen euro per centrale beliep.

Ze is opgetrokken tot 300 miljoen euro per centrale en per vestigingsplaats. Dat betekent dat wanneer er zich een nucleair ongeval voordoet dat verscheidene centrales tegelijk op dezelfde plaats treft, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de nucleaire exploitanten de facto is verhoogd van 100 tot 300 miljoen euro.

II. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Willame-Boonen vindt dat er bij de hoorzittingen in de Kamer van volksvertegenwoordigers bepaalde leemtes zijn gebleven. Graag hoorde ze vertegenwoordigers van de privé-consumenten, enerzijds, en van de ondernemingen, anderzijds, over de waarschijnlijke prijsstijging van de elektriciteit.

Het zou interessant zijn deskundigen te horen over de weg die Finland en Zweden zijn ingeslagen.

Het commissielid wenst ook een vertegenwoordiger van de CREG te horen.

De heer Caluwé sluit zich bij deze vraag aan.

De commissie heeft uiteindelijk op 13 januari 2003 de volgende experten gehoord :

­ de heer Bonet, directeur van het Instituut van radio-elementen;

­ de heer B. Velge, directeur van het economisch departement van het VBO;

­ de heer B. Laponche, internationaal consultant;

­ de heer P. Felten, internationaal directeur van AREVA;

­ de heer Ph. Busquin, Europees commissaris;

­ de heer L. Mampaey, directeur van de centrale te Doel;

­ mevrouw Chr. Vanderveeren, voorzitster directiecomité CREG;

­ de heer Pirard, gemeenschappelijk vakbondsfront.

De tekst van hun uiteenzettingen alsook de gedachterwisseling die daarop volgde, zijn opgenomen in de bijlage bij dit verslag.

Naar aanleiding van deze hoorzitting heeft de heer O. Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, een exemplaar van het « Voorstel van indicatief programma van de productiemiddelen voor elektriciteit 2002-2011 » van 19 december 2002, ter beschikking gesteld van de leden van de commissie.


De heer Roelants du Vivier verwijst naar een verklaring van staatssecretaris Deleuze toen in de Kamer de conclusies van het AMPÈRE-rapport werden besproken.

Op dat ogenblik heeft de staatssecretaris de vijf beperkingen van het energiebeleid van België opgesomd : de bevoorradingszekerheid, de liberalisering van de markt, de werkgelegenheid in de sector, de klimaatopwarming en de regeringsbeslissing uit kernenergie te stappen.

De heer Roelants du Vivier meent dat de bevoorradingszekerheid en de klimaatopwarming zeer ernstige beperkingen zijn. In die context rijst dus de vraag over het uitstappen uit kernenergie en de desactivering van de centrales eens ze 40 jaar oud zijn.

De heer Roelants du Vivier keert terug naar de tijd toen men beslist heeft kerncentrales in België te installeren. Die beslissing werd in de jaren zeventig genomen. België heeft toen zwaar in die sector geïnvesteerd. Gedurende minstens twee decennia waren de elektriciteitsproducenten er duidelijk voor gewonnen om uitsluitend met kernenergie elektriciteit te produceren.

Van 1974 tot 1986 is het aandeel van kernenergie in de volledige elektriciteitsproductie snel gestegen tot twee derden. Tegelijk nam de hoeveelheid afval toe. De radioactiviteit van uranium en van bepaalde splijtingsproducten is hoog, hoewel ze afneemt.

Indertijd heeft men wellicht de fout gemaakt zich aan een technologie te wagen waarvan men niet de hele splijtstofcyclus onder de knie had, dat wil zeggen tot en met de oplossing van het afvalprobleem.

Vandaag is bijna 60% van de elektriciteit die in België wordt geproduceerd van kernenergie afkomstig, wat ons wereldwijd op de derde plaats brengt, na Frankrijk en Litouwen.

België is dus in zeer hoge mate afhankelijk van een energiebron die door haar productiestructuur de ontwikkeling van een aanbodpolitiek bevorderd heeft. Een opvallend voorbeeld is het promoten van elektrische verwarming, wat rekening houdend met de energiebalans, onzin is. Eén van de gevolgen van die aanbodpolitiek was dat weinig belang werd gehecht aan vernieuwbare energie en aan rationeel energieverbruik.

Het lijkt dus coherent de afhankelijkheid van België van kernenergie te verminderen en er zich op termijn van te ontdoen.

Overigens zegt het regeringsakkoord van 7 juli 1999 het volgende : « De regering wil zich bovendien op termijn geleidelijk terugtrekken uit de sector van de nucleaire energie met eerbiediging van de doelstellingen vooropgezet door de Conferentie van Rio en het Protocol van Kyoto inzake de uitstoot van CO2. »

Er is dus een engagement om de klimaatopwarming te bestrijden dat de wijze waarop uit kernenergie wordt gestapt beïnvloedt.

De klimaatopwarming door de uitstoot van broeikasgassen is immers een belangrijk probleem. De staatssecretaris houdt daar wel degelijk rekening mee. Het is wereldwijd de grootste zorg van de milieugemeenschap. Die opwarming wordt geraamd op meer dan 2 % tegen het einde van deze eeuw. De laatste ramingen van de Europese Commissie gaan zelfs tot 3,5 % tegen 2100. Het gevolg van dat verschijnsel is de stijging van de zeespiegel met 15 tot 95 centimeter. In principe wordt het door het Protocol van Kyoto bestreden. Niettemin zal dat protocol, eens het volledig wordt toegepast, die aangekondigde temperatuurstijging met nauwelijks 0,1 % doen dalen. Op wereldschaal gaat het om een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 5 %.

Het probleem is dus dat bij de huidige stand van zaken de doelstellingen van het Protocol van Kyoto zeer ontoereikend zijn. Vandaag zijn de Belgische kerncentrales verantwoordelijk voor 20 % van de uitstoot van CO2. Mocht men de bestaande 5 700 nucleaire MW vervangen door gascentrales, dan komt dat neer op 17 miljoen ton CO2 meer.

Volgens de heer Roelants du Vivier is het Protocol van Kyoto slechts het begin van een proces. Het proces dat in Rio werd vastgelegd komt erop neer dat men zegt dat de uitstoot ten minste gestabiliseerd moet worden. Daartoe zullen de broeikasgassen na het Protocol van Kyoto verder moeten worden verminderd.

Wetenschappers roepen op tot een wereldwijde vermindering van de uitstoot van broeikasgassen niet met 5 %, maar met 50 of zelfs met 70 %. De weg is met andere woorden nog lang. Er zal dus moeten worden bepaald hoe men die uitdaging in de toekomst zal aangaan. Het zal mogelijk, maar moeilijk zijn de doelstellingen van Kyoto I waar te maken met de ontmanteling van de kerncentrales, maar de vraag blijft voor Kyoto II, III, IV enz.

Bijgevolg moeten we ons afvragen wat de werkelijke milieuprioriteit is voor de planeet. Als het de klimaatopwarming is, dan moet men alle mogelijkheden goed bekijken en moet men weten of men geen beroep doet op kernenergie, met al haar gebreken. Het is toch belangrijk dat we zeker zijn van onze planning op lange termijn.

De bevoorradingszekerheid is van fundamenteel belang.

Dankzij het « Groenboek » van de Europese Commissie, is de heer Roelants du Vivier erachter gekomen dat we uiterst afhankelijk zijn van het buitenland en van de energiebronnen in het buitenland. Op basis van de huidige vooruitzichten zal de afhankelijkheidsgraad in 2030 70 % bedragen.

Welke speelruimte hebben we ten opzichte van die afhankelijkheid ? Het moet gezegd dat België, net als de Europese Unie overigens, weinig speelruimte heeft om op de voorwaarden van het energieaanbod in te werken. Het is vooral aan de vraagzijde dat men kan handelen, hoofdzakelijk met energiebesparingen in gebouwen en bij het transport.

Om die redenen drong het « Groenboek » van de Europese Commissie aan op de noodzaak om de energiebronnen te diversifiëren. Dat gold meer bepaaldelijk voor de vernieuwbare energiebronnen. Tegen 2010 zou het aandeel van dat soort bronnen in de energiebalans moeten verdubbelen, dat wil zeggen, van 14 naar 22 % stijgen. Er bestaan verschillende middelen om dat doel te halen. Het gaat niet alleen om windenergie, maar ook om biomassa, het gebruik van biobrandstof, enz.

Er moet dus nog een enorme investeringsinspanning worden geleverd om de vraag naar energie te doen samenvallen met de naleving van de verbintenissen van Kyoto. De AMPÈRE-commissie en het evaluatierapport bevestigen dat. Terzelfder tijd mag de bevoorradingszekerheid niet in het gedrang komen. De positie van de gewone energiebronnen zal nog lang onaantastbaar blijven.

Op het vlak van het vervoer vallen er nog omvangrijke investeringen te doen. Zo produceert een gemiddelde auto per jaar twee- à driemaal zijn eigen massa in CO2.

Het gevolg daarvan is dat de vervoersector in het bijzonder onder vuur ligt. Nu is die markt afhankelijk van de olie aangezien het aandeel van het vervoer in de eindvraag van olie 67 % bedraagt. Niet alleen bij het vervoer maar ook in de verwarming van gebouwen moet er dus een immense inspanning komen.

Ook de verschillende vormen van energiebesparing bieden een fundamenteel potentieel. Dat neemt niet weg dat een aantal studies aantoont dat er een schemerzone blijft bestaan. Uit de conclusies blijkt zelfs enige ongerustheid want het is zeer de vraag of men de doelstelling haalt zelfs als men daarvoor alles in het werk wil stellen.

Ten slotte is het ook zo dat de geopolitieke toestand de energiebalans kan besturen. Wat staat er te gebeuren in 2030 ? De beschikbare scenario's zijn geruststellend of verontrustend. De toekomst is hoe dan ook onzeker.

Binnen dat kader wordt de vraag gesteld naar de uitstap uit kernenergie. Volgens de heer Roelants du Vivier gaat het wetsontwerp uit van de opvatting dat wij de fraaie en de minder fraaie kanten van kernenergie kennen.

Gezien de tere punten zijn wij ervan overtuigd dat we kernenergie moeten verlaten. Tegen wanneer ? Stelt een termijn van 40 jaar een haalbaar tempo voor ? De Verenigde Staten brengen de leeftijd van de kerncentrales van 40 op 60 jaar. Moeten we onszelf op dat punt geen manoeuvreerruimte gunnen ? Volgens artikel 9 zou men in zeer moeilijke omstandigheden de toestand opnieuw kunnen onderzoeken.

Volgens de heer Roelants du Vivier mag men het probleem in zijn geheel niet benaderen vanuit een ideologisch-mechanistisch standpunt.

Belangrijk is de zaken te zien in het licht van de omstandigheden die in de loop van de tijd veranderen. Het is steeds zeer ingewikkeld een prognose te maken voor de volgende 30 of 40 jaar. Op dit punt van de behandeling bekijkt men de zaken vanuit een perspectief in 2025. Hoe zullen de zaken er dan voorstaan ?

Een wetswijziging behoort steeds tot de mogelijkheden.

Thans is het zeer de vraag of de regering werkelijk over alle nodige waarborgen beschikt zodat zij op een bepaald ogenblik niet eerst af te rekenen krijgt met moeilijkheden inzake bevoorradingszekerheid en voorts met de moeilijkheid om onze verbintenissen volgens het Protocol van Kyoto na te komen. Men moet zich een extra inspanning getroosten om de gasuitstoot te beperken om het broeikaseffect te bestrijden. Beschikken wij daartoe over de nodige middelen ?

De heer Malcorps onderstreept dat de kern van het probleem bestaat in het aanbodsgerichte en energieverspillend energiemodel (zie bijvoorbeeld de elektrische huisverwarming). Het energiemodel moet worden omgebouwd en de vraag naar elektriciteit moet verminderen. De maatregelen die terzake worden voorgesteld door de commisie AMPÈRE doen bepaalde vragen rijzen. Het moet de bedoeling zijn de kerncentrales te vervangen in een globaal beleid, om de vraag te verminderen. Het probleem van een te grote afhankelijkheid van kernernergie en de problematiek van de CO2-uitstoot moeten dus worden aangepakt door een totaal ander energiebeleid te gaan voeren. Spreker verwijst naar de uitvoerige studie van de UIA (Studiecentrum voor technologie en milieu) van 1995, waar men aantoonde dat, ondanks een groei van de elecktriciteitsdiensten met 46 % tegen 2010, alle kerncentrales toch zouden kunnen worden gesloten en tegelijkertijd de CO2- uitstoot in de elektriciteitssector zou kunnen worden verminderd met 20 % ten opzichte van 1990. Dit gaat gepaard met een structureel programma ter vermindering van de vraag, één grote nieuwe STEG-centrale, 6 % meer invoer van aardgas en een aandeel aan hernieuwbare energie tegen 2010 van minimum 6,5 %.

Spreker heeft verder nog een concrete vraag in verband met de verbintenissen van België in het kader van Kyoto. Bij de onderhandelingen over de lastenverdeling op Europees niveau is er immers ook rekening gehouden met de nucleaire politiek die de diverse landen voeren. Bij de onderhandelingen over een tweede Kyoto-verdrag en meer bepaald over de lastenverdeling op Europees niveau, zou de nucleaire uitstap dan ook moeten kunnen worden ingebracht in de discussie.

De heer Vankrunkelsven wil duidelijk stellen dat hij een notoir tegenstander is van kernenergie. Opwekking van energie uit kernsplitsing was een foute beslissing en een collectieve vergissing, waardoor een enorm probleem van nucleair afval werd gecreëerd.

Spreker heeft echter ook enige kritische bedenkingen bij het voorliggend ontwerp.

Enerzijds is er het probleem van radioactief afval. Er is een massa X en de massa die jaarlijks aan dit afval wordt toegevoegd neemt steeds af, aangezien de methodes om het afval te verwerken verbeteren.

Anderzijds heeft men ook het probleem van de CO2 en opwarming van de aarde. Dit is een nieuw gegeven in het debat.

Men moet durven deze beide problemen naast elkaar te stellen en als het ware kiezen tussen de pest en de cholera. Wat is het grootste kwaad ? Iets meer kernafval toevoegen of meer koolstofgas uitstoten ? Er rijzen dan ook vragen over het nemen van een beslissing tot sluiting, alvorens er een goed alternatief voorhanden is over energie-opwekking die een antwoord kan bieden op de groeiende problematiek van de CO2.

Spreker betreurt dan ook dat het voorstel tot uitstap uit de kernenergie geen invulling geeft van de toekomstige « gap ». Hij vreest dat men achteraf zal terugvallen op het bijbouwen van klassieke elektriciteitscentrales, of op het kopen van elektriciteit in andere landen waar ze vaak door kernenergie is opgewekt. Men zou dus eerst moeten nadenken over hoe men kan besparen.

Spreker heeft ook een technische opmerking. Door het stemmen van deze wet geeft men eigenlijk een volmacht aan de volgende regering om deze wet terug ongedaan te maken, bij koninklijk besluit (zie artikel 9 van het ontwerp).

De heer Lozie wijst erop dat deze wetgeving een principieel standpunt vraagt. De vraag is of men een energievoorziening kan aanvaarden die per definitie de baten legt bij de huidige generatie, maar de lasten legt op de toekomstige generaties. Volgens spreker is dit onaanvaardbaar. Kernenergie heeft bewezen een grote hoeveelheid energie te kunnen produceren, heeft echter niet bewezen goedkoop te kunnen produceren. Bovendien heeft deze energie op geen enkel ogenblik bewezen het probleem van de afval te kunnen oplossen.

Spreker meent dat het geen zaak betreft van kiezen tussen kernenergie en vermindering van CO2-uitstoot. Hij is ervan overtuigd dat pas na de beslissing om de uitstap uit de kernenergie te realiseren, de bereidheid zal ontstaan om over energiebesparing op grote schaal te debatteren. Als men toestaat dat kernenergie de kern blijft van de energieproductie, stelt men tegelijkertijd dat energieverbruik kan blijven toenemen. Een ernstige vermindering van de CO2-uitstoot zal pas kunnen worden bereikt, als men afstapt van nucleaire energie. Het energiebeleid moet veranderen.

Het is pas op het ogenblik dat men de sector van de kernenergie de wacht heeft aangezegd dat deze sector de CO2-uitstoot als tegenargument is beginnen te gebruiken, aldus de heer Lozie.

Spreker vindt de discussie rond de CO2-uitstoot belangrijk maar de discussie zal pas ten gronde kunnen worden gevoerd wanneer aan de bevolking en de elektriciteitsproducenten duidelijk wordt gemaakt dat er grenzen worden gesteld aan de wijze waarop er energie wordt geproduceerd. Er zullen hierbij niet alleen grenzen aan de kernenergie moeten worden gesteld maar ook aan de CO2-uitstoot.

Een verbod op de productie van kernenergie zal, aldus de spreker, ten goede komen aan de discussie rond het verminderen van de CO2-uitstoot. Indien men op dit ogenblik enkel zou beslissen tot het invoeren van een CO2-taks zonder dat men over de uitstap uit de kernenergie zou praten, zou men een louter fiscale discussie voeren en geen discussie over het klimaat. De fiscale discussie is voor de spreker echter maar bijzaak in vergelijking tot het belang van de vermindering van de CO2-uitstoot.

Spreker aanvaardt op geen enkel ogenblik het argument dat de uitstap uit de kernenergie zou betekenen dat men zou kiezen voor een verhoging van de CO2-uitstoot. In tegendeel, het zijn twee gelijklopende discussies. De ene discussie versterkt de andere, aldus de spreker.

De heer de Clippele heeft twee vragen met betrekking tot de volgende onderwerpen : 1º de opslag van het radio-actief afval na 2025 : hoe zal deze opslag gefinancierd worden aangezien het de overheid zal zijn die voor deze opslag verantwoordelijk is : zal er nog een federale bevoegde instantie zijn ? 2º het voorliggende wetsontwerp is zonder twijfel een tekst die van openbare orde is. Men kan er niet van afwijken. Dit betekent dat het voorliggende wetsontwerp van toepassing zal zijn op alle personen in alle gevallen die zich op het het Belgisch grondgebied bevinden, zelfs in het geval van doorvoer van nucleair materiaal. Spreker wenst van de staatssecretaris te vernemen wat zijn houding is ten aanzien van een situatie is waarbij, na 2025, men verder elektriciteit in het buitenland zou aankopen, die geproduceerd wordt door een kerncentrale die zich dicht bij de Belgische grens bevindt.

De heer Roelants du Vivier is van oordeel dat de heftigheid van de tussenkomst van de heer Lozie hem het ergste doet vrezen. Spreker is van oordeel dat de discussie rond de uitstap uit de kernenergie niet in zwart-wit-termen mag worden gesteld. Het gaat niet om of de opwarming van het klimaat of kernenergie.

Spreker wenst duidelijk te stellen dat hij geen bijzondere sympathie heeft voor kernenergie, maar de vraag die men zich op een eerlijke wijze moet stellen, is die van het ritme waarop men uit de kernenergie zal stappen. Is het in het wetsontwerp voorziene ritme te verzoenen met de huidige en toekomstige internationale verplichtingen die België heeft, zoals de Kyoto-protocols I, II en III ?

Spreker is echter van oordeel dat de redenering waarbij men de uitstap uit de kernenergie ziet als een eerste stap in het bereiken van de voor België opgelegde doelstellingen in de Kyoto-protocols, niet wetenschappelijk is onderbouwd. Hij wenst dan ook vanwege de regering duidelijke garanties op welke wijze de internationale doelstellingen kunnen worden gehaald. Bovendien moet men de vraag durven stellen of het ritme dat de federale wetgever zich met het voorliggende wetsontwerp oplegt, niet te snel is. Het is een vraag die volgens de spreker redelijkerwijze moet worden gesteld.

De heer Guilbert is van oordeel dat het « comfort » dat kernenergie biedt in feite een comfort « voor de struisvogel » is. Dit comfort heeft immers voor gevolg dat er in ons land zeer kwistig met energie wordt omgesprongen. Het is een gekend gegeven dat, waar er kerncentrales zijn, er energieverspilling bestaat. Deze vaststellingen leest men zelfs in de publicaties van de Belgische energieproducenten. Spreker is het eens met de analyse van de heren Malcorps en Lozie : de uitstap uit de kernenergie zal België verplichten een ander energiebeleid te voeren waarbij energiebesparing een zeer belangrijk aandachtspunt zal zijn. Bovendien zal de uitstap uit de kernenergie ook nieuwe mogelijkheden creëren voor de gewesten op het vlak van ruimtelijke ordening en stedebouw.

Mevrouw Lizin verklaart dat de aangelegenheid die in behandeling is voor haar in de Senaat een debat verdient van hogere kwaliteit dan dat van de Kamer.

Een wet goedkeuren en tegelijk zeggen dat men dat tegen zijn zin doet, is bijna absurd.

Er is geen enkele duidelijkheid wat de termijnen betreft, misschien kan men die materie toch iets objectiever bekijken.

Spreekster wenst de aangelegenheid niet te bekijken als burgemeester van een stad, waarvoor een dergelijke keuze vanzelfsprekend ook gevolgen heeft. Als er mensen zijn die beseffen dat de centrales op een dag zullen moeten sluiten, zijn het wel de bestuurders van een stad.

Spreekster zou wensen dat men personen hoort die instaan voor de veiligheid, om tegelijk te spreken over de keuze zelf en indien mogelijk, over wat een bij wet vastgestelde sluiting inhoudt.

Voor spreekster is het probleem niet zozeer dat men technisch een einde maakt aan de werking van de kernreactoren, maar wel dat men een wettelijke datum vastlegt zonder te onderzoeken wat die datum als gevolgen zal meebrengen inzake veiligheid, als de wet wordt aangenomen.

Spreekster wenst dus dat vakbondsafgevaardigden worden gehoord, niet op het vlak van de werkgelegenheid maar bijvoorbeeld over de onderaanbesteding en de gevaren van de overgangsperiode.

Zij wijst erop dat de belasting voor de stad zal blijven bestaan, ook al wordt er voorzien in recyclages en overgangsperioden enz.

De stad is dus op dat vlak niet ongerust, maar wel op dat van de veiligheid, in de veronderstelling dat een datum bij wet wordt vastgesteld en niet op basis van een normale economische ontwikkeling.

Als er ongevallen gebeuren, bevindt het grootste gevaar zich, met inachtneming van de heersende windrichting, buiten Hoei, in de richting van Luik en in 10 % van de gevallen van Namen.

Het zou dus interessant zijn om de verantwoordelijke ambtenaren te horen die over dat soort moeilijkheden kunnen spreken.

In Frankrijk is er een parlementaire wetenschappelijke dienst, voorgezeten door een parlementslid, waar de twee assemblees vertegenwoordigd zijn.

Het debat is ook daar dus geopend, in een ander kader. Misschien zou het interessant zijn de voorzitter van die dienst te horen.

Spreekster citeert eveneens de heer Van Binnebeeck (van Vinçotte) en de Sociale Inspectie.

In Frankrijk is er bij het ministerie van Leefmilieu eveneens een leidinggevend ambtenaar die zich met het probleem van de risico's inlaat.

Spreekster voegt eraan toe dat het niet haar doel is het idee van een stop aan de kernenergie op te geven, maar wel dat er een andere wettekst komt dan die van het huidige ontwerp.

In dat kader dient zij haar amendementen in.

Op het stuk van de werkgelegenheid wordt het beslist een catastrofe, ook al is die gespreid.

Het probleem van het opslaan van afval onder water is niet opgelost.

Wat de vakbonden betreft, merkt de heer De Grauwe op dat sommigen van hun vertegenwoordigers in de Kamer al gehoord zijn.

De heer Malcorps verklaart dat de opmerkingen van mevrouw Lizin in verband met de risico's rond de wettelijke bepalingen van een sluitingsdatum van de centrales pertinent zijn.

Nochtans wijst hij erop dat de Kamer op dat punt het Federale Agentschap voor nucleaire controle heeft geraadpleegd. Het spreekt vanzelf dat dit over voldoende middelen moet beschikken om een totale kernveiligheid te waarborgen, in welk scenario dan ook.

Anderzijds bestaat het gevaar dat het openhouden van die centrales andere veiligheidsproblemen schept.

Antwoorden van de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling

De staatssecretaris verklaart als antwoord op de opmerkingen van de heer Roelants du Vivier dat er op het vlak van zekerheid inzake de bevoorrading en CO2 dwingende verplichtingen bestaan, zoals ook voor de andere drie prioriteiten waaraan herinnerd werd. Wat betreft de duur waarin het regeringsontwerp voorziet, dient te worden opgemerkt dat de cijfers overeenstemmen met wat in Duitsland werd besloten, waar het aandeel van de kernenergie ongeveer 35 % bedraagt en de voorgestelde levensduur van de centrales 32 jaar is, met een verschillend systeem voor de verdeling van de productieperiodes.

Dat maakt evenwel geen verschil voor de algehele aanpak zoals die werd gepland.

Wanneer de centrales gebouwd werden is er voorzien in een afschrijfvingsperiode van 20 tot 25 jaar maar technisch werden ze ontworpen om 40 jaar te functioneren.

Met die levensduur van 40 jaar bevestigt de wet wat overeengekomen was bij de aanvang van de eerste industriële exploitaties in 1974 en 1975.

Er werd gevraagd dat het geen volmachten voor de volgende regering zou betreffen.

Ten eerste zal het allicht niet voor de eerstvolgende regering zijn, aangezien het probleem zich ten vroegste tussen 2010 en 2012 zal voordoen.

Tegen 2010 zal men over uitgebreide informatie beschikken, bijvoorbeeld inzake het Protocol van Kyoto, en inzake de doeltreffendheid van mogelijke maatregelen om de doelstellingen ervan te bereiken.

Wat te maken heeft met het Protocol van Kyoto komt echter niet in aanmerking voor de gevallen van overmacht zoals bepaald in ontwerpartikel 9.

Het is zaak te weten of het Europees niveau niet neerkomt op het kiezen tussen twee kwalen. Niemand kan daar met zekerheid op antwoorden.

De staatssecretaris merkt alleen op dat de klimaatopwarming bij uitstek een Europese aangelegenheid is, en dat dat zo zal blijven na de uitbreiding, wanneer de Emission trade-richtlijn van toepassing zal zijn.

Wanneer men het verslag van de hoorzittingen in de Kamer inkijkt, inzonderheid die met vertegenwoordigers van het DG Milieu, stelt men vast dat het twee jaar geleden een « European climate change program » gepubliceerd heeft, dat een lijst opmaakt van alle mogelijke maatregelen om het broeikaseffect op Europees niveau te bestrijden, wat zo'n 20 dollar per ton CO2 zou kosten.

Het besluit dat alle maatregelen die genomen kunnen worden tegen een prijs die dat bedrag niet overschrijdt, in Europa zou leiden tot een vermindering van de uitstoot die het dubbele bedraagt van wat Europa beloofd heeft.

In een uitgebreid Europa, en dank zij de Emission trade-richtlijn, zal het mogelijk worden de inspanningen toe te spitsen op plaatsen waar dat het goedkoopst is, aangezien Europa in internationale onderhandelingen over een algemene vermindering van zijn uitstoot onderhandelt en dat artikel 4 van het Protocol van Kyoto Europa toestaat ze naar goeddunken te verdelen. En dat doet ze ook, zoals de staatssecretaris met genoegen vaststelt.

Hij verheugt zich ook over het feit dat de richtlijn een maand geleden bij de eerste lezing aangenomen werd tijdens de Europese Raad voor het milieu.

Hij herinnert eraan dat de onderhandelingen in 1997-1998 door de Universiteit van Utrecht georganiseerd werden op basis van de zogenaamde « tryptic approach » (met andere woorden de individuele verbruikers, de industrie en de energie).

Energie was een speciaal geval omdat men het in Europa om zo te zeggen eens is over de onenigheid inzake kernenergie.

Zo heeft Europa toegestaan dat Zweden afstapt van kernenergie, wat een argument was om het aandeel van de Zweden in de Europese verlagingen kleiner te maken.

De staatssecretaris weet niet of dat ook zo zal zijn voor de Belgische onderhandelingen, die in 2005-2006 moeten plaatsvinden.

Wat de aankoop van elektriciteit in het buitenland betreft, wordt hij niet beïnvloed door de kwestie van de kernenergie, maar wel door twee andere factoren :

1º de vraag of een land voldoende installaties bezit om pieken in het verbruik op te vangen. Dat is een structurele kwestie. Men heeft er reeds op gewezen dat behalve het Groothertogdom Luxemburg, geen enkel Europees land zich kan veroorloven om structureel afhankelijk te zijn van het buitenland. In België zullen er voldoende installaties zijn om aan de vraag te voldoen;

2º de kostprijs van de elektriciteitsproductie in een land, die systematisch hoger zou zijn dan in de buurlanden. Dat zal niet het geval zijn voor België.

Integendeel, dank zij het nieuwe systeem voor de regulering van het vervoer van elektriciteit en van de kosten ervan, die niet langer door een controlecomité bepaald worden maar door de CREG, zal de kostprijs voor het vervoeren van elektriciteit in België tegen het einde van de zittingsperiode gedaald zijn ten opzichte van het begin ervan, met inbegrip van de federale bijdrage in de sociale fondsen.

Op dit ogenblik koopt België soms elektriciteit aan in Frankrijk, net als alle buurlanden van dat land, aangezien Frankrijk jaarlijks 75 % elektriciteit produceert met behulp van kerncentrales.

Op 14 juli, bijvoorbeeld, produceert men 100 % en wordt de elektriciteit dan ook verkocht tegen de marginale kostprijs van de productie ervan.

Bovendien zullen de kerncentrales niet door één enkele alternatieve oplossing vervangen worden, maar door een combinatie van verschillende oplossingen, waarvan de respectieve aandelen nog bepaald moeten worden.

Als men van oordeel is dat het wetsontwerp aan een volgende regering volmachten verleent, dan zijn het dezelfde bevoegdheden als bedoeld in artikel 32 van de wet van 29 april 1999, en als de bevoegdheden die aan elke regering en elk regeringslid dat voor energie bevoegd is, verleend worden.

Als er morgen in Ryad een staatsgreep plaatsheeft, zou de stijging van de olieprijzen ons in grote problemen brengen, zonder dat dat iets met de kwestie kernenergie te maken heeft.

Er zullen altijd onbeheersbare externe factoren zijn, aangezien België niets produceert en alleen wind en zon als energiebronnen heeft.

Op de vraag over de financiering van de opslag van radioactief afval na 2025 antwoordt de staatssecretaris dat die financiering gewaarborgd is. Wanneer immers afval naar de NIRAS wordt gebracht moeten de producenten in het langetermijnfonds een bijdrage storten die overeenstemt met de totale kostprijs van het langetermijnbeheer van hun afval. Dat financieringssysteem blijft van toepassing zodat de datum waarop het afval aan de NIRAS wordt bezorgd, geen invloed heeft op de financiering van die activiteit.

Spreker meent dat geen enkele internationale rechtsregel de aankoop in het buitenland verbiedt van kernenergie door een land dat heeft afgezien van de elektriciteitsproductie op basis van kernenergie.

Krachtens de Europese richtlijn van 1996 is elke onderneming vrij haar elektriciteit te kopen waar zij dat wenst. Hoogstens ethische overwegingen kunnen de consument bij zijn keuze leiden.

De staatssecretaris merkt ten slotte op dat de regering in tweede lezing een wetsontwerp heeft goedgekeurd over de aanleg van reserves voor kernafval. Dat ontwerp regelt onder meer het statuut van het afval dat zich in de centrales bevindt. Voor de berging van dat afval moeten reserves worden aangelegd waarvan het bedrag zal worden geraamd door een bijzondere commissie. Zodra het ontwerp zal zijn goedgekeurd, zal het probleem van de opslag van het afval en van het statuut van dat afval geregeld zijn.

De heer Caluwé meent dat voorliggend wetsontwerp eerder merkwaardig is. Inderdaad gaat het in wezen niet echt om een ontwerp, maar veeleer om een resolutie, die de politieke intentie uitdrukt om in 2015 uit de kernenergie te stappen. Deze resolutie wordt in de vorm van een wetsontwerp gegoten, zonder zich echter te bekommeren over de vraag welk alternatief er wordt geboden voor 2015. Heeft de regering wel een plan om in de noden te voorzien in 2015, welke andere bronnen van energie zal men aanspreken en hoe zal men deze tijdig aanspreken ? Bestaat er een programma om het elektriciteitsverbruik te verminderen ? Hoe kadert men deze uitstap uit kernenergie in de problematiek van de vermindering van het broeikaseffect en vermindering van de uitstoot van koolstofgassen ? Men mag niet uit het oog verliezen dat België zich door de ondertekening van het Verdrag van Kyoto heeft verbonden tot deze laatste doelstelling, terwijl de uitstap uit de kernenergie geen verplichting is en louter op vrijwillige basis gebeurt. Er worden drie redenen aangehaald voor de uitstap uit de kernenergie, namelijk de proliferatie, het probleem van kernafval en het nucleaire risico. Spreker kan deze redenen moeilijk bijtreden. Wat de proliferatie betreft, ziet hij het verband niet in. Wat de problematiek van kernafval betreft, verwijst hij naar de commissie AMPÈRE die heeft gesteld dat hiervoor een oplossing bestaat. Wat het nucleaire risico betreft en meer bepaald de kans van 1 op 100 000 op een catastrofe, begrijpt spreker niet waarom men de uitstap dan uitstelt tot 2015. Welk alternatief heeft men trouwens voor 2015 ? Men weet dat de andere bronnen als wind, water en zon, slechts in beperkte mate de behoeften kunnen invullen en daarenboven vrij duur zijn. Men zal aldus zijn toevlucht moeten nemen tot gas. Maar ook deze bron is relatief duur en maakt België afhankelijk qua bevoorradingslanden. Bovendien verhoogt dit de uitstoot van koolstofgassen, wat dan weer in strijd is met de ondertekening van het Kyoto-verdrag, waarvoor sancties kunnen worden toegepast.

Men moet er zich bewust van zijn dat men aldus in 2015 nog steeds elektriciteit zal verbruiken, die is geproduceerd op basis van kernenergie, weliswaar in Frankrijk. Men zal zijn toevlucht nemen tot de Franse nucleaire elektriciteit, wat geen oplossing biedt.

Het is een feit dat er een daling moet komen van het elektriciteitsverbruik. Het energieverbruik moet worden getemperd om de doelstellingen van Kyoto te halen. Dit zal echter voornamelijk worden gerealiseerd door de vermindering van de uitstoot bij transport en bij huisverbranding. Indien er een daling van het elektriciteitsverbruik wordt vastgesteld, kan men nog beslissen de productie ervan te verminderen. Men zou dus best eerst het werkelijke resultaat afwachten.

Een uitstap uit de kernenergie brengt een verhoging van de moeilijkheidsgraad om de doelstellingen van Kyoto te verwezenlijken met zich mee van 13 %.

Spreker besluit dat voorliggend wetsontwerp in wezen een politiek pamflet is om één van de regeringspartners genoegen te doen om met deze uitstap te kunnen uitpakken bij de volgende verkiezingen. Dit is niet geheel zonder risico, aangezien dit wetsontwerp het signaal geeft dat het niet langer nodig is te investeren in nucleaire energie.

Mevrouw Lizin wenst dit wetsontwerp voornamelijk te benaderen vanuit de veiligheidsproblematiek. Zij verwijst naar de hoorzittingen met de syndicaal afgevaardigden, die allen vroegen voorliggend ontwerp niet overhaast te stemmen.

Spreekster zou nog bijkomende hoorzittingen wensen.

Vooreerst wenst zij een antwoord op de vraag of het juridisch wel mogelijk in een wetsontwerp een datum te bepalen voor de sluiting van een industriële onderneming. Dit is in ieder geval een primeur. Daarbij komt de vraag of er een schadeloosstelling wordt voorzien van de eigenaars van deze onderneming.

Spreekster verklaart zich enigszins ongerust over het stilzwijgen van Electrabel terzake. Een hoorzitting met Electrabel dringt zich op, om alle opties met kennis van zaken te nemen.

Spreekster vreest voor een vervroeging van de bepaalde sluitingsdatum. Indien men voorliggend ontwerp aanneemt, zal er niet meer worden geïnvesteerd in kernenergie, wat een vervroegde sluiting tot gevolg zal hebben. Ook de veiligheid komt in het gedrang. Men zal bijvoorbeeld geen gespecialiseerde electriciens meer willen vormen.

Het voorstel van mevrouw Lizin om supplementaire hoorzittingen te organiseren wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Mevrouw Lizin betreurt ten zeerste dat men de gedetailleerde argumenten van de directeurs van Electrabel niet heeft gehoord. De keuze voor kernenergie wordt immers de keuze voor de aankoop en de invoer van elektriciteit. Men dreigt dus achter te blijven, enerzijds, met geïmporteerde en dus duurdere elektriciteit, waarvan de kostprijs ongetwijfeld aan de consument zal worden doorberekend en, anderzijds, met bevoorradingsproblemen op piekmomenten. Het valt inderdaad niet uit te sluiten dat men niet kan reageren op pieken in de vraag. Dan zal de automatische stroomlevering aan de schakelaar verdwijnen en zal men zich afvragen of men al dan niet over elektriciteit beschikt.

Zonder terug te komen op de argumenten inzake productie en prijsvergelijking, is het toch van belang erop te wijzen dat onvoldoende over die vooruitzichten is gedebatteerd.

Bovendien beschouwt ze de veiligheid gekoppeld aan het vastleggen van een sluitingsdatum als een groot probleem. Men moet de praktijk kennen. Het is duidelijk dat het jaartal 2015 niet gerespecteerd zal worden omdat men in de praktijk voor die datum in de centrales zal moeten investeren. Het zijn soms zeer grote investeringen. Een barst in de kleppen bijvoorbeeld, vergt belangrijke vervangingsinvesteringen, terwijl de technologie voor het produceren van het vervangingsmaterieel en de technologie van de werking van de centrales verdwijnen. Er moet dus in elk geval een beroep worden gedaan op het systeem van import.

Het wetsontwerp blijft veel te vaag inzake veiligheid, aangezien het niet voorziet in enige jaarlijkse follow-up van die veiligheidsinvesteringen. Men moet vooraf weten en plannen wat geprogrammeerd is inzake vervangingsinvesteringen, door per jaar vast te leggen welke veiligheidsinvesteringen we in de centrales wensen gerealiseerd zien. Dat is noodzakelijk om de veiligheid van de bevolking en van het personeel van de centrales te verzekeren.

We weten natuurlijk niet wanneer het volgende technische probleem in één van onze centrales zal opduiken. Misschien gebeurt het in 2003, misschien in 2011. Mocht het evenwel binnenkort zijn, dan bevinden we ons in een buitengewoon gevaarlijke situatie, omdat de elektriciteitsproducenten dreigen te weigeren op te treden, wegens de geplande uitstap uit kernenergie. Ze menen dat het zinloos is kosten te maken in centrales die toch moeten verdwijnen.

Helaas zal het grootste gevaar in het dagelijks risicomanagement liggen. De slachtoffers zullen de werknemers in de centrales zijn. Ze weten reeds dat het een probleem zal zijn dat op korte termijn zal opduiken. Het risico op onveiligheid ontstaat zodra de wet wordt goedgekeurd. Men moet accepteren dat dit aspect in de wet wordt vermeld en de wet in die zin amenderen. Men moet de jaarlijkse verplichtingen inzake controle en veiligheid van de centrales duidelijker stellen.

Dat probleem werd overigens aangeraakt door de heer Samain, directeur van het Federale Agentschap voor nucleaire controle. Hij werd door de Senaat niet gehoord.

Het FANC meent dat de motieven die door de federale staatssecretaris voor Energie werden aangehaald om de regeringsbeslissing te verantwoorden, steunen op veiligheidsoverwegingen in verband met de ongevallen- en afvalrisico's, die bij uitstek tot de bevoegdheid van het FANC behoren en die tot het domein van zijn deskundigheid behoren, hoewel die argumentering niet kan worden teruggevonden in de eigenlijke regeringsbeslissing, noch in de memorie van toelichting van het wetsontwerp.

Het is dus duidelijk dat het agentschap niet werd geconsulteerd. Om een hele reeks redenen, meent het echter dat er een duidelijke contradictie bestaat. De politieke besluitvorming van de uitstap uit kernenergie is dusdanig dat het de geloofwaardigheid inzake veiligheid bij de publieke opinie teniet doet. De bevolking kan de indruk krijgen dat straling anders gerechtvaardigd wordt al naargelang men naar de regering luistert of naar de veiligheidsdiensten. De afwezigheid van die diensten in een debat over de uitstap uit kernenergie zet het gezag van het agentschap op losse schroeven. En indien de standpunten niet overeenstemmen met de standpunten van bepaalde regeringsleden, dan bevindt het zich in een delicate positie. Er dreigde reeds een potentieel conflict bij het vorige parlementaire debat over de opwerking in 1993. Het agentschap zit dus gevangen tussen zijn loyaliteit aan de regering en zijn wetenschappelijke objectiviteit.

Het is vanzelfsprekend heel belangrijk dat men weet wie, eens de wet aangenomen, deze of gene investering zal betalen, of de investering nog is toegestaan, of men de termijn korter maakt.

De belangrijkste kritiek op het wetsontwerp is dus dat het onduidelijk is en dat het blijk geeft van een antinucleaire ideologie. Het gevolg ervan zal echter zijn dat het het gevaar inzake het materieel en de mensen vergroot, aangezien de veiligheidsinvesteringen dreigen niet meer plaats te vinden. Men moet bekwaam personeel in dienst houden, om de vereiste veiligheidscontroles te verrichten. Deze wet zal evenwel de teloorgang van dat onmisbare personeel versnellen en het risico dat eraan gekoppeld is verhogen.

De wet moet die toestand voorbereiden en zich voorzien van aangepaste controle-instrumenten. Men moet ook het begrip overmacht versterken : het wordt in de wet op een veel te lichte manier opgenomen. De toepassing ervan wordt zeer moeilijk, aangezien de wet het in een hele reeks gevallen uitsluit. Wanneer men het beginsel van de veiligheid voor ogen houdt, is het absoluut noodzakelijk dat men het toepassingsgebied van de overmacht in de wet uitbreidt, zowel voor de inwoners wat de elektriciteitsprijs betreft als voor zijn werking in het dagelijks leven. Omdat het met het wetsontwerp onvermijdelijk is dat het risico groter wordt, wenst ze dat de staatssecretaris uitlegt wat hij voor dat alles wil ondernemen.

Ligt het bijvoorbeeld in de bedoeling de onderaanbesteding in de belangrijkste functies van de centrales te beperken zoals een oud wetsontwerp heeft voorgesteld ? Gesteld dat dit wetsontwerp erdoor komt, dan zou die beperking er wel moeten komen anders ontstaat er in de praktijk een risico van onbekwaamheid en verzuim.

De heer Vinçotte zelf heeft dat probleem aangekaart. Zijn bezorgdheid heeft trouwens de weg gevonden naar een ruim publiek. Het wetsontwerp op de uitstap uit kernenergie verbinden aan een wet tot beperking van de onderaanbesteding is dus een noodzaak.

Voor mevrouw Willame-Boonen tot de grond van de zaak overgaat, wil zij eerst een opmerking maken over de methoden die de regering en de staatssecretaris voor Energie hebben toegepast sedert de indiening van het wetsontwerp in de Kamercommissie voor het bedrijfsleven : het wetsontwerp is behept met een gebrek aan voorbereiding, aan degelijkheid en aan precisie.

Bij het doorbladeren van het Kamerdossier, waarin zij misschien informatie had kunnen vinden, komt zij tot de vaststelling dat de staatssecretaris een groot aantal vragen niet heeft beantwoord.

In tegenstelling tot de regering van andere landen, zoals die van Duitsland bijvoorbeeld, heeft onze regering geen grondig onderzoek gewijd noch aan de uiteenlopende gevolgen van een dergelijke beslissing voor de economie en voor de levenskwaliteit van de burgers, noch aan de alternatieve oplossingen en de begeleidende maatregelen die er moeten komen tegen de sluiting van de eerste kerncentrale in 2015.

Tot op heden is er nog zelfs geen ontwerp van vervangingsplan bekend. Het merendeel van de actoren en instellingen die aan het woord zijn gekomen, hebben die werkwijze eenparig afgekeurd. Zeer ernstig komt dat alles niet over !

Onder meer om die reden hebben wij trouwens verschillende hoorzittingen gevraagd.

Spreekster heeft dus een aantal vragen over de motivering van het geheel ! Duidelijk is dat Ecolo aan de vooravond van de verkiezingen een ernstige balans wil laten opmaken. Of is alles toe te schrijven aan de haast waarmee de staatssecretaris het geheel wil doen goedkeuren vóór de Top van Porto Allegre om daar met verve te verkondigen dat België dankzij hem uit de kernenergie is gestapt ?

Wat nu de grond van de zaak betreft wijst dit ontwerp duidelijk uit dat de regering geen volledige kijk op het energieprobleem in zijn geheel heeft (vervoer, verwarming, ...) noch op dat van de duurzame ontwikkeling zoals de heer Laponche, een van de deskundigen van « Peer Review » heeft opgemerkt. We hadden beter verwacht van de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling ...

1. Aanbevelingen van de commissie AMPÈRE : niet aan kernenergie raken

De 7 centrales die België thans rijk is, leveren zowat 60 % van de in ons land verbruikte elektriciteit, tegenover 26,8 % voor de productie uit aardgas en 11,5 % voor de productie uit steenkool. Vernieuwbare energiebronnen komen nauwelijks aan bod. Dat plaatst België bij de landen waar de productie van gas met broeikaseffect per kWh het meest beperkt is. Het gebruik van kernenergie bij ons zal de jaarlijkse gasemissies verminderen met 35 miljoen ton. Bij wijze van vergelijking, de kolen produceren 990 tot 1 180 g CO2 per kWh, aardolie van 760 tot 960 g, aardgas van 350 tot 800 g, en kernenergie 0 g ! Kernenergie vermindert ook de energetische afhankelijkheid van België en de productiekost is de laagste (ook rekening houdend met de ontmanteling en het afvalbeheer).

Omwille van die voordelen onder meer, ondanks sommige nadelen, stelt de commissie AMPÈRE voor de nucleaire optie te behouden, en toch andere schone en vernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen door een politiek te voeren van beheersing van de vraag.

De staatssecretaris voor Energie antwoordt dat waar mevrouw Willame de klemtoon legt op het woord « open », hij kiest voor het woord « optie ». De commissie AMPÈRE stelt niet voor om de centrales te sluiten noch om ze open te houden, zij stelt eenvoudig dat de electronucleaire optie moet worden opengehouden, wat ook de regering doet.

Mevrouw Willame vervolgt dat er voor de commissie AMPÈRE geen sprake van is om een energiebron of een technologie a priori en in haar geheel te veroordelen. Er wordt vooruitgang geboekt in de verschillende technologieën, zowel wat de windenergie als de nucleaire betreft (nieuwe filières van intrinsiek veilige reactoren, vooruitgang in methodes van afvalingraving ...). Kernenergie heeft grote gebreken maar ook sommige troeven zoals dat reeds onderstreept is door alle sprekers die door de commissie werden gehoord. Uitstappen uit de kernenergie is niet onmogelijk maar ook niet zonder gevaren. De kernenergie laten vallen wil zeggen dat men een grotere afhankelijkheid heeft op het stuk van energie, een verhoging van de kostprijs van de elektriciteit, het invoeren van stroom met de bouw van nieuwe hoogspanningslijnen, het niet-naleven van de Kyoto-verbintenissen, een wissel op de Belgische nucleaire know how en de kernveiligheid ...

2. Waarom uitstappen uit kernenergie ? Redenen van die keuze

Waarom moeten wij dan van de kernenergie afstappen, tegen het advies van de commissie AMPÈRE maar ook van de Peer Review die het voor 90 % eens is met de AMPÈRE-conclusies en tegen de aanbevelingen in van de Europese Commissie en het Internationaal Energieagentschap, zonder nog te spreken van de betrokken actoren die wij hebben kunnen horen.

Dat procédé herinnert spreekster aan de wet op het « snelrecht » van enkele maanden geleden. Talrijke experts werden gehoord. Zij waren totaal gekant tegen het snelrecht. De minister van Justitie stond er nochtans op dat het ontwerp te allen prijze tot een goed einde zou worden gebracht. De meerderheid is dan gevolgd maar het is duidelijk dat er vandaag talrijke mensen zijn die betreuren dat het Parlement dat « snelrecht » heeft goedgekeurd.

Bij de bevolking vormt de kernenergie en de gevaren ervan (ongevallen, afval) nog steeds een afschrikking voor een groot aantal burgers. Daarom heeft de staatssecretaris in juli 1999 een voorontwerp van wet voorgesteld over het stopzetten van kerncentrales zodra zij 40 jaar oud zijn. Dat is ongetwijfeld een probleem van politieke geloofwaardigheid voor uw ECOLO-partij, aangezien de strijd tegen de kernenergie de mythe geweest is voor de start van de ecologisten van het eerste uur. Moet u nog steeds de angst voor de kernenergie onderhouden terwijl er op technisch vlak zoveel vooruitgang geboekt is sinds de jaren zeventig en tachtig, en in de komende jaren nog geboekt zal worden ?

Merkwaardig genoeg maakt de memorie van toelichting geen enkele allusie op uw echte motivering. Het is pas sinds de interventie van de staatssecretaris voor Energie naar aanleiding van hoorzittingen in de commissie van de Kamer dat de drie belangrijkste problemen die de uitstap uit de kernenergie rechtvaardigen, zeer kort werden aangehaald : het risico van ongevallen, radioactief afval en het risico van proliferatie.

Wat betreft de veiligheid van de installaties en het gevaar voor ongevallen, die gevaren bestaan werkelijk, men kan ze niet ontkennen, maar elk jaar wordt er technologisch meer vooruitgang geboekt, met een steeds hoger niveau van veiligheid. In de OESO-landen beantwoorden de installaties aan strikte normen en zijn ze onderworpen aan een geheel van strenge reglementeringen, zodat de centrales tot een opmerkelijk niveau van veiligheid zijn gekomen. Voor de westerse reactoren is de waarschijnlijkheid van een belangrijk ongeval 1 op 100 000 jaar werking per reactor (Société française d'énergie nucléaire) : dat betekent dat het vermoedelijk gevaar van ongevallen voor België 1 bedraagt op 14 286 jaar !

Ter vergelijking, de Wereldarbeidsorganisatie tekent per jaar meer dan 11 000 doden op in de kolenmijnen alleen. De ramp met de stuwdam van Morvi, in India in 1979, heeft meer dan 30 000 doden geëist.

Volgens statistische studies (CEPN Frankrijk) die in het verslag AMPÈRE zijn opgenomen, is het gezondheidsrisico voor de arbeiders tweemaal minder met kernenergie in vergelijking met de steenkool en 40 keer minder voor de burger.

Citeren wij hier ook nog een uittreksel van de Courrier international de l'écologie, die het over de opwarming van de planeet heeft en het broeikaseffect :

« Certes, l'énergie nucléaire est probablement la plus sale de toutes les énergies. Mais, le réchauffement de la planète touche déjà des millions de personnes et va prochainement apporter son lot de catastrophes. Les écologistes expliquent ainsi qu'avec la future montée des eaux, il faudra déplacer 30 000 000 de personnes en Chine, entre 20 000 000 et 60 000 000 en Inde et 14 000 000 en Égypte. Au Bengladesh, 7 % de la surface du pays pourrait disparaître, provoquant ainsi le déplacement de 15 000 000 de personnes et combien de morts ? Ce pays produit pourtant moins de 0.1 % des gaz à effet de serre responsables de la catastrophe. Comble de l'horreur, les puits du pays sont petit à petit empoisonnés par l'arsenic naturellement présent dans le sol et 75 000 000 de Bangladais sont menacés. En comparaison, la « catastrophe » de Tchernobyl apparaîtrait comme un pique-nique dominical, peut-on lire dans la revue scientifique Nature, habituellement plus mesurée. »

Wat nu de radioactieve afvalstoffen betreft, produceert het Belgisch park van kerncentrales per jaar en per inwoner 500 gram afvalstoffen, waarvan niet meer dan 5 gram hoogradioactief afval. De industrie produceert daarentegen een honderdtal kilo's toxische afvalstoffen en de gezinnen ongeveer 440 kg (NIS). Het totaal volume van afvalstoffen dat de kernsector publiceert is erg klein, vaak minder dan 1 % van alle toxische afvalstoffen (OESO, NEA). Te noteren valt nog dat de schadelijkheid van toxische afvalstoffen constant blijft, terwijl die van radioactieve afvalstoffen exponentieel daalt in de loop van de jaren. Zoals de heer Bonet van het IRE heeft opgemerkt zou de sluiting van de kerncentrales niet zoveel invloed hebben op het volume van de afvalstoffen.

Sedert tal van jaren zijn heel wat oplossingen onderzocht voor de opslag van radioactieve afvalstoffen. Thans wordt er « alle dagen » heel wat vooruitgang geboekt in het domein van het beheer van nucleaire afvalstoffen, onder meer wat betreft de methodes voor het opbergen van die afvalstoffen.

Met enige zekerheid kan men nu reeds stellen dat de nucleaire technologie thans evolueert en in de toekomst ongetwijfeld nog zal evolueren naar productiemethodes die nog beter rekening houden met het milieu, minder afvalstoffen of minder gevaarlijke afvalstoffen produceren. Zoals de heer Busquin heeft opgemerkt gaat het om een spoedeisende zaak voor Europa.

Wat nu het risico van verspreiding betreft, wijst spreekster naar het rapport van AMPÈRE. Voor het vervaardigen van een kernbom zijn er enkele kilo's zuivere uranium-235 of zuivere plutonium-239 nodig. De Belgische kernindustrie bezit die stoffen niet en gebruikt ze ook niet met uitzondering van het Studiecentrum voor kernenergie te Mol, dat voor onderzoekdoeleinden hoogverrijkt uranium gebruikt als brandstof in de reactor BR2, die onder bijzonder toezicht staat.

De Belgische vermogenreactoren gebruiken uitsluitend zwakverrijkt uranium (3,5 % voor uranium-235) en daarmee is het technisch gezien niet haalbaar een kernbom te vervaardigen. De heer Bonet van het IRE heeft ons dat bevestigd.

Alle nucleaire installaties op ons grondgebied zijn onderworpen aan de controle van Euratom-IAEA op de boekhouding van splijtstoffen.

Uit een technisch oogpunt heeft de heer Busquin er overigens op gewezen dat er thans vooruitgang is geboekt bij het ontwerpen van nieuwe soorten reactoren om het hergebruik van splijtstof voor militaire doeleinden te voorkomen.

Andere vraag : waarom heeft men de leeftijd om centrales te ontmantelen op 40 jaar gebracht ? De eerste sluiting moet in 2014 plaatshebben, de laatste in 2025. Die levensduur wordt op zijn zachtst uitgedrukt willekeurig bepaald omdat alle onderdelen van die centrales om veiligheidsredenen vervangen zouden moeten worden. Andere landen zoals de Verenigde Staten verlengen de levensduur van hun centrales tot 60 jaar. Ook dat is in de hoorzittingen aan bod gekomen.

Op dat punt herinnert het FANC eraan dat een tiental Amerikaanse centrales hun exploitatieduur verlengd hebben gezien zodat zij 60 jaar kunnen blijven produceren. Bovendien staat een sluiting na 40 jaar gelijk met het opgeven van 30 % van de potentiële elektriciteitsproductie. Zoals de heer Mampaey van de kerncentrale Doel heeft opgemerkt, brengt het behouden van een centrale tot 60 jaar in goede staat uiteraard geen extra kosten mee maar wel extra opbrengsten.

3. Hoe uit kernenergie stappen ? Wat zijn de alternatieven ?

Nieuw gegeven : klimaatopwarming

Thans moet die vraag aan bod komen in het licht van wat de toekomst van de planeet eist. Sedert de betogingen tegen kernenergie tijdens de jaren 70 is er heel wat veranderd. Er is een ander gevaar opgedoken waaraan kernenergie schuld heeft : de klimaatopwarming.

Om dat gevaar te bezweren, heeft België zich ertoe verbonden zijn gasuitstoot met broeikaseffect te beperken in het kader van het Protocol van Kyoto. Om die verbintenissen na te komen, moet men hoe dan ook minder vaak een beroep doen op fossiele brandstof (olie, steenkool en gas) omdat die de belangrijkste oorzaak vormt van het broeikaseffect. Na de sluiting van de laatste kerncentrale zullen er ongetwijfeld nog strengere maatregelen volgen dan die in het Protocol van Kyoto. Hoe kan men energie besparen en onze CO2-uitstoot beperken zonder kernenergie (uit een milieu-oogpunt) ? Tussen het ontstaan en het grote milieuprobleem van de eeuw, tusssen het atoom en Kyoto moet men een keuze maken of ten minste er een compromis over sluiten.

Overigens wijzen alle studies thans uit dat de eerste verbintenis maar een eerste stadium vormt en dat er nog strengere doelstellingen volgen waaraan de industrielanden zullen moeten voldoen. De kans bestaat dat het Protocol van Kyoto II, dat na de periode 2008-2012 volgt, nog stringenter is.

Wisseloplossingen : inwerken op het elektriciteitsaanbod

1. Eerste mogelijkheid : inwerken op het aanbod dat wil zeggen op de manieren van elektriciteitsproductie.

2. Het accent komt te liggen op de gedecentraliseerde productie, waarbij de verdienste van de gecombineerde productie wordt onderstreept. Volgens AMPÈRE is de bijdrage van de gecombineerde warmte-/elektriciteitsproductie aan de beperking van de CO2-uitstoot maar heel gering.

Wat de hernieuwbare energiebronnen betreft, raamt AMPÈRE het potentieel op 8 tWh (windkracht, waterkracht, zonne-energie, biomassa), wat neerkomt op slechts 10 % van de vraag in dit land !

De regeringsverklaring van juli 1999 had het over de ontwikkeling nieuwe alternatieve, massale, vernieuwbare en schone energiebronnen om kernenergie te vervangen. Dergelijke massale alternatieve bronnen bestaan niet. De voorgestelde alternatieven (gedecentraliseerde productie) bieden geen enkele oplossing. Om de elektriciteitsproductie via kernenergie te compenseren zal men dus massaal gebruik moeten maken van gas en steenkool.

3. Wat de windenergie betreft, volstaat het de actualiteit te volgen om een idee te hebben van de moeilijkheid om de verhoopte productie (800 MW) te halen. Verschillende projecten van windmolens op zee werden geweigerd door de bevoegde instanties; zij die wel goedgekeurd werden, worden door bewoners aangevochten bij de Raad van State. Men mag bovendien niet uit het oog verliezen dat windmolens 40 % van de tijd niets produceren, omdat de wind te zwak is of te sterk, en dat de wind vaak gaat liggen op het einde van de dag, wanneer het verbruik sterk stijgt.

4. Ten slotte, wat de gecentraliseerde productie betreft, stelt de staatssecretaris voor de kerncentrales te vervangen door STEG-centrales. Die zullen echter jaarlijks 6 megaton CO2 meer uitstoten, terwijl kernenergie ons zonder enige twijfel in staat stelt de jaarlijkse gasuitstoot met 35 miljoen ton te verminderen. Een dergelijke optie zou ons gevaarlijk ver van de doelstellingen van Kyoto brengen.

Inwerken op de vraag

Om de uitstoot te verminderen, haalt de staatssecretaris de mogelijkheid aan om de vraag te beheren. De heer Laponche heeft de nadruk gelegd op de beheersing van de vraag en op de mogelijkheden om daarmee energie te besparen, maar zonder heel concrete maatregelen voor te stellen.

Alle extrapolaties en ramingen wijzen op een stijging van de vraag, al verschillen de cijfers van raming tot raming. De Europese Unie en België in het bijzonder verbruiken steeds meer energie en vergroten zodoende hun afhankelijkheid.

Het verslag AMPÈRE vermeldt verschillende cijfers : « Extrapoleringen van de vraag naar elektriciteit tot 2020 door de Commissie van de EU en het Federaal Planbureau wijzen op een verhoging van de algemene vraag naar elektriciteit van 1,8 à 2 % per jaar tot in 2010. Nadien zou de vraag verminderen om jaarlijks nog slechts gemiddeld met 1,2 % te stijgen tussen 2010 en 2020. »

De CREG baseert zijn indicatief programma over de middelen om elektriciteit te produceren op de evolutie van de vraag en plaatst daarvoor verschillende scenario's tegenover elkaar. Van de 17 scenario's voorspellen 15, afkomstig van instellingen zoals de commissie AMPÈRE, de CREG, de KUL en het Planbureau, een stijging van de vraag van 2 tot 2,5 % per jaar tussen 2000 en 2010. Slechts één scenario, dat de CREG onder druk in haar indicatief programma heeft moeten opnemen, voorspelt een daling van de vraag van 18 % tussen 2000 en 2010 ! Dat laatste scenario komt uit een studie die Greenpeace heeft laten maken om vervangingsoplossingen te zoeken voor kernenergie en wordt door wetenschappers met enig scepticisme onthaald ...

De analyse van de CREG toont duidelijk aan dat in de hypothese van een drastisch rationeel energieverbruik, de vraag naar energie in de periode 2002-2011 zal stijgen met 1,3 % per jaar ... en overweegt niet om kernenergie op te geven. Waarschijnlijk is dat de reden waarom de heer Deleuze de zaken heeft laten aanslepen en tegen de hoorzitting van de CREG gekant was !

Geen enkel modern land heeft zijn energieverbruik kunnen stabiliseren, laat staan verminderen, behalve de voormalige Sovjet-Unie waarvan de economie ingestort is. Op wereldniveau voorspelt het Internationaal Energie Agentschap in zijn laatste verslag dat de vraag naar energie tegen 2030 met twee derde zal stijgen.

Zouden wij het eerste land ter wereld zijn dat het klaarspeelt om die tendens om te keren ? Zweden, bijvoorbeeld, dat in 1981 besloot uit kernenergie te stappen, is er 20 jaar later slechts in geslaagd één enkele reactor te sluiten (de kleinste), omdat het de middelen nog niet gevonden heeft om de vraag te beheersen en om elektriciteit te produceren met een rendement dat gelijk is aan dat van kernenergie. Finland, daarentegen, heeft besloten in kernenergie te investeren om de stijgende vraag naar elektriciteit op te vangen en om te voldoen aan zijn verplichtingen met betrekking tot Kyoto.

4. Sociaal-economische gevolgen

Voor de kostprijs van elektriciteit en de bevoorradingszekerheid

Laten we het hebben over de verschillende gevolgen van een uitstap uit kernenergie. Men kan slechts vaststellen hoe weinig belang de regering hecht aan de economische en sociale gevolgen van de uitstap uit kernenergie. Ze zullen nochtans duidelijk voelbaar zijn, zowel voor de werknemers in de sector als voor de bedrijven en de individuele verbruikers.

De uitstap zal hoogstwaarschijnlijk de verbruiksprijzen van elektriciteit doen stijgen, misschien met 20 à 30 %. De vertegenwoordigster van het Directoraat-generaal Energie en Vervoer van de EU heeft gewezen op dat risico. Wat de bedrijven betreft, heeft de heer Velge gewaarschuwd voor negatieve gevolgen voor de competitiviteit van onze bedrijven.

Vandaag zijn de productiekosten van de Belgische kerncentrales de laagste van alle productiemiddelen. Kernenergie staat momenteel in voor 60 % van het elektriciteitsverbruik. In het beste geval zullen vernieuwbare energiebronnen tegen 2020 ongeveer aan 15 % van de vraag kunnen voldoen. Om de overige 45 % te produceren, is één van de oplossingen die worden overwogen de bouw van centrales op gas, die als groot nadeel hebben dat ze veel meer CO2 uitstoten dan kerncentrales. Bovendien stoken ze een grote hoeveelheid aardgas, een brandstof die niet kan worden opgeslagen, die afkomstig is uit landen met een labiel politiek klimaat (Midden-Oosten, Rusland), waarnaar steeds meer vraag is en waarvan de aankoopprijs dus kan stijgen.

Wanneer men van kernenergie afstapt, is het niet uitgesloten dat de afhankelijkheid van ons land inzake energie oploopt tot 70 %. Dergelijke toestand dreigt de prijsstabiliteit in het gedrang te brengen en de bevoorradingszekerheid in gevaar te brengen, omdat ze gevoelig is voor de risico's van de internationale conjunctuur. Is de Belgische bevolking bereid te aanvaarden dat haar TV middenin een film uitvalt of dat de verwarming stilvalt terwijl het buiten min 10 of min 15 is, omdat de leverancier zijn verbintenissen niet nakomt ?

Het wetsontwerp probeert aan te tonen dat de bevoorrading verzekerd is door het indicatief programma van productiemiddelen voor elektriciteit dat werd opgesteld krachtens de wet betreffende de elektriciteitsmarkt van 1999, rekening houdend met het hoge aantal actoren. Niets is minder waar, precies omdat dat programma slechts indicatief is en slechts bepaalde scenario's kan vastleggen voor een termijn van 10 jaar, die geen enkel element bevatten in verband met de sluiting van de kerncentrales, aangezien de eerste slechts voor 2015 gepland is.

Bevoorradingszekerheid en liberalisering van de elektriciteitsmarkt

In de Kamer heeft de staatssecretaris verklaard dat het voor elke minister bevoegd voor energie onaanvaardbaar is structureel afhankelijk te zijn van het buitenland : « iedere regering zal ­ hoe ze ook is samengesteld ­ ijveren voor een opslag aan energie die ten minste gelijk is aan de elektriciteitsbehoefte van haar land ». Met de liberalisering van de Europese elektriciteitsmarkt zullen de operatoren de goedkoopste stroom produceren of kopen en indien nodig zullen ze beslissen niet in België te investeren en zullen ze nucleaire elektriciteit kopen, bijvoorbeeld in Frankrijk, waar ze goedkoper is en er een chronische overproductie heerst. Gevolg : het probleem wordt verplaatst en België zal het risico lopen al te zeer van het buitenland afhankelijk te zijn.

Wanneer men de kernenergie opgeeft, wordt de invoer van elektriciteit van nucleaire oorsprong dus onvermijdelijk. Het elektriciteitsnet is nu reeds overbelast. Er moet dus meer worden gebouwd, met alle problemen van dien inzake vergunningen, kosten, plaats, visuele vervuiling, hinder van hoogspanningslijnen, ...

Gevolgen voor de werkgelegenheid

De gevolgen inzake werkgelegenheid zijn niet of niet langer gering. Volgens alle ramingen werken in België tussen 7 000 en 9 000 mensen rechtstreeks of zijdelings voor de nucleaire sector. Welke alternatieve energiebron kan zoveel arbeid opleveren ?

Het klopt inderdaad dat gedecentraliseerde elektriciteitsproductie meer productie-eenheden betekent, maar die manier van produceren zal in totaal slechts weinig extra banen opleveren, omdat het gedecentraliseerde potentieel beperkt is (volgens AMPÈRE 10 à 15 % van de Belgische vraag).

5. Wetenschappelijke en technische weerslag : verlies van knowhow en het risico voor de veiligheid van de installaties

Tot slot één van de belangrijkste gevolgen : de AMPÈRE-commissie heeft de aandacht gevestigd op de risico's voor de veiligheid die voortvloeien uit het verlies aan knowhow en de desinvestering wanneer de kernenergie wordt opgegeven. België is, samen met landen zoals de Verenigde Staten, Japan en Frankrijk één van de weinige landen die bijzondere technologie onder de knie hebben. Bijna alle fasen van de cyclus van de kernbrandstof worden of werden in ons land beheerst.

Wanneer we uit kernenergie stappen, keert het land terug naar een welvarende en veilige industriële ontwikkeling. Wat dat op lange termijn zal kosten valt moeilijk te berekenen, in de veronderstelling dat de betreffende knowhow op een dag uit het buitenland moet worden ingevoerd.

De NIRAS, het FANC en het AVN wijzen eveneens zeer duidelijk op dat gevaar. Er zullen grote veiligheidsproblemen opduiken zodra de industriële investeringen verminderen en de expertise zeldzamer wordt. Het Federaal Agentschap voor nucleaire controle verwijt het ontwerp dat het geen enkele begeleidingsmaatregel bevat om de nucleaire veiligheid te blijven waarborgen.

Ook de vakbonden maken zich ten slotte zorgen over de veiligheid van de werknemers in de sector en maken zich tot spreekbuis van de plaatselijke bevolking, die de risico's van de ontmanteling vreest alsook de gevaren rond de sites na die operatie.

Het is dus van kapitaal belang dat we de competentie die we sinds verscheidene decennia in die materie hebben verworven en die in heel Europa erkend wordt, behouden. Zelfs wanneer we de centrales in 2025 moeten stilleggen, is het van primordiaal belang dat we, voor het zover is, een veilige en efficiënte productie waarborgen evenals gevorderd onderzoek op het gebied van het afval. We moeten ook in staat zijn de centrales veilig te ontmantelen en een geval van « overmacht » kunnen opvangen, waardoor we verplicht kunnen zijn opnieuw een beroep te doen op kernenergie.

Conclusie

De langetermijnstrategie van de bevoorradingszekerheid van het land moet tot doel hebben er voor het welzijn van de burgers en voor de goede werking van de economie voor te zorgen dat de energieproducten fysiek en doorlopend op de markt beschikbaar zijn, tegen een prijs die voor iedereen betaalbaar is en met inachtneming van de milieuzorg en het vooruitzicht van duurzame ontwikkeling. De bedoeling van de bevoorradingszekerheid is niet de autonomie inzake energie zo groot mogelijk te maken of de afhankelijkheid zo klein mogelijk, maar de risico's van de afhankelijkheid zoveel mogelijk te beperken. Tot de na te streven doelstellingen behoren het evenwicht en de spreiding van de verschillende bevoorradingsbronnen.

De zorg om het milieu wegens de schade veroorzaakt door de energieketen, of die nu van toevallige oorsprong is dan wel verband houdt met de vervuilende emissies, heeft de zwakheden aangetoond van de fossiele brandstoffen en de moeilijkheden van de kernenergie. De strijd tegen de klimaatsverandering is een uitdaging en een strijd op lange termijn op internationaal niveau. De doelstellingen van het Protocol van Kyoto zijn slechts een eerste etappe terwijl de gasuitstoot met broeikaseffect in België blijft voortduren. Die zaak omkeren is een bijzonder moeilijke opdracht. Het opnieuw bevorderen van de economsiche groei, de evolutie van de structuur van ons energiegebruik, vooral dat van elektriciteit en transport ingevolge onze levenswijze, dragen bij tot de toename van de CO2-emissies.

Kan men de ogen sluiten voor een toenemende afhankelijkheid van olie en gas uit onstabiele landen ? Kan men toestaan dat de prijsverhogingen van olie en gas onze economie verstoren ? Kan men de risico's aanvaarden die een gevolg zijn van de opwarming van de aarde die verband houden met de uitstoot van gassen met broeikaseffect ? Het gezond verstand, de zorg om het milieu en de beheersing van natuurlijke bronnen als « goede huisvader » vragen dat wij de verschillende manieren van elektriciteitsproductie handhaven, zonder een andere oplossing te verwaarlozen. Dat is eenvoudig het principe van de voorzorg.

In dat verband citeert mevrouw Willame-Boonen mevrouw Loyola de Palacio in « Le Vif l'Express » van 18 januari 2002 zoals Luc Paque dat in de Kamer heeft gedaan : « Le problème de la filière nucléaire chez nous n'est pas tant celui de la sûreté des centrales que celui des déchets. Il est vain de nier ce handicap. Mais nous avons des pistes très sérieuses de recherches de haut vol, en Europe, afin de diminuer à la fois la quantité et la nocivité de ces déchets. Au prix d'un réel développement technologique, le problème deviendra contrôlable. À l'inverse, celui du réchauffement climatique, lui, n'est ni contrôlé, ni contrôlable à brève échéance : les catastrophes naturelles qui y sont liées commencent à faire des victimes par milliers. Je n'exclus pas qu'on puisse renoncer au nucléaire dans cinquante ans mais, aujourd'hui, ce n'est pas réaliste. En outre, le nucléaire a l'avantage de la sécurité d'approvisionnement et de la stabilité des prix. »

Geen enkel samenhangend argument verantwoordt het opgeven van de kernenergie vandaag en zeker geen overhaaste beslissing. Voor elke wijziging in de energiepolitiek zou het verstandiger zijn een alternatief plan op te stellen dat duidelijk is, met vermelding van de kosten, de verwachte percentages voor de productie van andere bronnen, de voorziene prijsverhogingen en de verwachtingen inzake werkgelegeheid. Gewoon om te weten waar men heen wil. Jammer genoeg is dat plan er vandaag niet.

De cdH-fractie is van oordeel dat heden niet moet worden afgezien van de kernenergie maar terzelfder tijd menen wij dat de klemtoon meer moet worden gelegd op het rationeel energieverbuik en dat alles in het werk moet worden gesteld om ons verbruik zoveel mogelijk te beheersten. Wij zijn van oordeel dat de vernieuwbare energie zoveel mogelijk moet worden aangewend en dat er belangrijke middelen moeten worden verleend aan onderzoek en ontwikkeling op dat vlak. In werkelijkheid heeft hier geen echt debat plaats maar een schijndebat. Rekening houdend met de verschillend adviezen (de actoren, de pers, wetenschapslui, ...) en het voeren van een rationeel debat, dat objectief en transparant is, zijn twee essentiële zaken voor een werkelijk zekere duurzame toekomst.

Tot besluit zijn wij niet te allen prijze voor de kernenergie, dat zij duidelijk. Maar wij eisen bijkomende waarborgen alvorens te beslissen om die productielijn op te geven. Het wetsontwerp zegt niet hoe de kerncentrales zullen worden vervangen terwijl zij twee derde van de elektriciteitsproductie van het land vertegenwoordigen. Het potentieel aan vernieuwbare energie, zoals dat van de beheersing van de vraag, is beperkt, terwijl gas een te overwegen alternatief vormt maar emissies veroorzaakt met broeikaseffect en de afhankelijkheid van ons land op het stuk van energie verhoogt.

Wij hebben dus drie voorafgaande eisen, drie voorwaarden om uit te stappen uit de kernenergie.

­ de verbintenissen van Kyoto naleven;

­ de bevoorrading verzekeren;

­ het leveren van energie voor een min of meer interessante prijs.

Dat is de betekenis van de amendementen die de fractie in de commissie en in de plenaire zitting bij de Kamer heeft voorgesteld die alle werden verworpen. Zij zullen in de Senaat opnieuw ingediend worden.

Ondanks al die gebreken is het wetsontwerp door de meerderheid goedgekeurd onder het voorwendsel dat het in het paars-groene regeerakkoord stond en om de Groenen een plezier te doen ... Een socialistische vooraanstaande figuur heeft het in een krant bevestigd : « c'est une fameuse connerie, ce que nous allons voter. Mais comme cela fait partie de l'accord gouvernemental, on n'a pas vraiment le choix ». En wat verder : « Et franchement, personne n'a envie que le gouvernement se casse la pipe pour un projet dont on ne connaîtra les conséquences que dans quelques années. Et si à ce moment, l'électricité coûtera deux fois plus cher, eh bien, on dira que c'est la faute des écolos. »

Een meesterwerk van hypocrisie, dat de toekomst van België op het vlak van de energie in een sukkelstraatje brengt en dat wij hier willen aanklagen (zie het verslag van de Kamer, nr. 1941/4, blz. 22 tot 26).

De heer Deleuze onderstreept dat het verslag waarnaar mevrouw Willame-Boonen verwijst, geen vertrouwelijk of geheim document is. Het verslag van de CREG wordt sinds maanden besproken in een instelling die tientallen leden van diverse pluimage telt.

De heer Thissen merkt op dat het Parlement niet geïnformeerd dient te worden door toevallige relaties. Aangezien een discussie over de uitstap uit de kernenergie in het Parlement is aangegaan, zou het normaal geweest zijn dat de minister, die het document op 19 december 2002 heeft ontvangen, het ter beschikking van alle parlementsleden had gesteld.

De heer Roelants du Vivier stelt vast dat het bedoelde rapport na de behandeling in de Kamer is ingediend. Hij spreekt de wens uit dat mevrouw Willame-Boonen tot een eigen standpunt komt in plaats van af te lezen wat de heer Paque in de Kamer heeft gezegd (zie Kamerverslag, stuk nr. 50-1910/004, blz. 10 tot 32).

Mevrouw Willame-Boonen antwoordt dat zij de argumenten van de heer Paque in het Kamerdebat overneemt omdat die zo degelijk zijn.

Mevrouw Lizin verklaart het eens te zijn met mevrouw Willame-Boonen. Zij heeft net kennis kunnen nemen van het document van de CREG en zou wat tijd willen uittrekken om het te onderzoeken omdat het heel wat vragen oproept.

De heer Malcorps meent dat er geen mirakeloplossing bestaat voor de problemen inzake energie en klimaat. Dit zijn twee zijden van eenzelfde medaille en kernenergie is een deel van het probleem, niet van de oplossing.

Er moet een veelheid komen van kleine en middelgrote oplossingen op het vlak van energiebesparing en -efficiëntie, die we overigens allemaal kennen. Als men meent dat de heer Laponche niet concreet genoeg is geweest dan vraagt hij zich af wat men eigenlijk had verwacht. Een op maat van de verschillende gewesten gesneden energieplan ?

De heer Caluwé meende dat dit geen ontwerp is maar een resolutie of een pamflet. Spreker deelt deze mening niet. Bovendien geeft ons land zich ruim de tijd om uit de kernenergie te stappen.

De bezorgdheid van mevrouw Lizin over de veiligheid van de kerninstallaties is ook zijn zorg. Precies om die reden pleit hij dan ook voor een uitstap. Niet vandaag op morgen maar met inachtname van de nodige tijd. Vanuit die bezorgdheid om de veiligheid begrijpt hij dan ook niet dat mevrouw Lizin ervoor pleit om de levensduur van de kerncentrales te verlengen. Kerncentrales zijn niet echt veilig en dat is precies het centraal argument om er uit te stappen.

Uiteraard kunnen er in de tussentijd veiligheidsproblemen rijzen. Dat is een reden om nauwlettend toe te zien op de veiligheid.

In zijn uiteenzetting heeft de heer Samain, directeur-generaal van het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, de problemen geschetst. Dat betekent dat zowel deze als de volgende regeringen zich er toe moeten verbinden om de nodige middelen te waarborgen om de veiligheid van de kerncentrales te verzekeren. Wij zullen de nucleaire knowhow in de volgende decennia nog nodig hebben om de nuclaire « nazorg » te verzekeren.

Als we omwille van de veiligheidsproblemen nooit uit de kernenergie mogen uitstappen dan hadden we om diezelfde reden nooit uit de steenkoolontginning kunnen stappen want ook daar rijzen er specifieke veiligheidsproblemen. Een dergelijke beslissing moet goed worden voorbereid en het Parlement moet nauwlettend toezien op de manier waarop het Federaal Agentschap voor nucleaire controle zich van zijn opdracht kwijt. Dit is een belangrijke parlementaire opdracht en het Parlement zal de middelen moeten krijgen om die opdrachten naar behoren te kunnen vervullen.

Dat er veiligheidsproblemen bestaan, zowel met de centrales van het type Tsjernobil als met de West-Europese centrales, staat, aldus de heer Malcorps, buiten kijf. Enkele weken voor de kernramp in Tsjernobil in 1986 bevestigde het Internationaal Atoomagentschap in een rapport, na inspectie van de centrale, dat er geen enkel probleem was.

De argumentatie van mevrouw Willame-Boonen, die pleit voor het behoud van kernenergie omwille van het broeikaseffect, is cynisch. De risico's van een nucleair ongeval kunnen niet geminimaliseerd worden. Het is absoluut niet zeker dat dit niet met een Westerse centrale zou kunnen gebeuren. Uit een rapport van 1989 blijkt dat er een ernstig incident is gebeurd in de kerncentrale van Grevelingen, vlakbij de Belgische grens waarbij een ramp maar op het nippertje is kunnen vermeden worden. De nucleaire veiligheidsexpert van Électricité de France, Pierre Tanguy, heeft op dat ogenblik de kans op een ramp in een Franse kerncentrale in de komende twintig jaar op 10 % geschat. De veiligheidsproblematiek van de kernenergie moet dus zeer ernstig genomen worden. Dit noopt hem ertoe te pleiten voor een zo snel mogelijke uitstap uit de kernenergie. Tegelijk pleit hij voor maatregelen tegen het broeikaseffect. Hij weigert om tussen de twee te kiezen. In afwachting van de definitieve sluiting dient zorgvuldig te worden toegezien op de veiligheid van de kerncentrales, waar mevrouw Lizin terecht heeft op aangedrongen.

Volgens de heer Guilbert heeft de staatssecretaris een omstandige uiteenzetting gegeven. Eenieder lijkt het erover eens te zijn dat men de strijd moet aanbinden tegen de gasuitstoot met broeikaseffect en tegen de CO2-uitstoot. Hij spreekt de hoop uit dat het VBO bij zijn keuze met dat streven rekening houdt meer bepaald in het kader van zijn transportbeleid, dat een groot aandeel heeft in de CO2-uitstoot.

Volgens de heer Velge bestaat er een verschil tussen de uitstap uit kernenergie en het beleid inzake rationeel energieverbruik. Volgens spreker overlappen die twee vormen elkaar. Tal van studies wijzen uit dat een beleid dat een beroep doet op kernenergie, in de regel tot een overproductie leidt en dus tot een bepaalde vorm van oververbruik. Dat komt neer op energieverspilling die tot uiting komt in alle aspecten van het energiebeleid en niet alleen in het elektriciteitsverbruik. Landen die het meest een beroep doen op kernenergie hebben het energieverbruik ook het minst in handen. Maar al te vaak vergeet men het voorbeeld van die Europese landen die geen kernpark hebben. Vast te stellen is dat een gebouw in Denemarken tweemaal minder energie verbruikt dan in België. Het feit dat kernenergie beschikbaar is, leidt ongetwijfeld tot oververbruik.

Uit het cijfermateriaal kan eenieder afleiden wat hij maar wil. De heer Mampaey verwijst naar een studie volgens welke de helft van de bevolking voorstander zou zijn van kernenergie indien het probleem van de afvalstoffen een oplossing krijgt. Hij zou evengoed kunnen beweren dat de andere 50 % bij de 25 % van de publieke opinie komt die tegen kernenergie is en dat er dus 75 % tegen is.

Zoals de heer Laponche zei, is het fundamenteel probleem dat van het beleid van energiebesparing. Er zijn oplossingen om het probleem aan te pakken van zowel de productie als van het energieverbruik.

De heer Roelants du Vivier wil niet deelnemen aan de godsdienstoorlog tussen de voorstanders en de tegenstanders van de kernenergie. Wanneer men de geringe waarschijnlijkheid van ongevallen citeert, vergeet men te zeggen dat de omvang van die ongevallen verschrikkelijk is. Voorts vergelijkt men een gascentrale zoals die van Tsjernobyl met een PWR-centrale. Men moet van dat manicheïsme afstappen dat bestaat tussen de twee kanten en zich met de energietoekomst van het land bezighouden. Na te gaan is of de regering tot een akkoord gekomen is om progressief uit de kernenergie te stappen en dat met inachtneming van de doelstellingen van Rio en het Protocol van Kyoto wat betreft de CO2-uitstoot.

Dat dient te gebeuren met voldoende waarborgen en het belang van het debat is de elementen op te roepen die eventueel problemen kunnen stellen. Uit dit debat besluit hij dat wij gedurende de overgangsperiode voor een maximale veiligheid moeten zorgen. In de tweede plaats besluit hij dat België in geen enkel geval onzekerheid mag kennen op het vlak van energiebevoorrading. De staatssecretaris heeft reeds meegedeeld dat dit de taak van al zijn opvolgers zal zijn. In de derde plaats dient België zijn internationale verbintenissen na te komen in verband met de noodzakelijke strijd tegen de klimaatopwarming.

De vraag rijst dan of de oplossingen die ons geboden worden afdoende zijn.

Spreker gaat niet zover als sommigen die van oordeel zijn dat de beschikbaarheid van kernenergie aanzet tot verspilling. Volgens hem is de structuur van de productie van kernenergie daarentegen wel op een aanbodbeleid gericht. Landen zoals België en Frankrijk, die in ruime mate van kernenergie afhankelijk zijn, moeten de energievraag derhalve nog beter beheersen. In het verslag van de AMPÈRE commissie (blz. 53) wordt dienaangaande het volgende opgemerkt :

« En matière d'environnement, les mesures de modération de la demande se justifient de manière évidente car elles entraînent une réduction de la production d'électricité et, de ce fait, des impacts négatifs de celle-ci sur le milieu. Cet élément est particulièrement important, notamment dans le cadre des engagements du protocole de Kyoto en matière de réduction des émissions de CO2. ( ...) En Europe, on remarque sur la période 1990-1997, une baisse significative de la consommation d'électricité par habitant dans les pays qui ont adopté des mesures volontaristes en matière d'utilisation rationnelle d'énergie (Autriche, Allemagne, Suède, ...). Il y a donc lieu de mieux maîtriser la demande d'électricité en Belgique. »

Met dat doel bevat het rapport van de AMPÈRE commissie verschillende denksporen.

In het rapport dat de heer Bossier en mevrouw Gusbin van het Federaal Planbureau in september 2002 hebben uitgebracht, met als titel « De vraag naar energie en elektriciteit in België. Historisch overzicht en vooruitzichten », en dat als bijlage bij het commissieverslag van de Kamer is gevoegd (stuk Kamer, nr. 50-1910/4, blz. 118 en volgende, inzonderheid blz. 142 en 143), stellen ze in hun conclusies het volgende :

« Een actie die inwerkt op de vraag naar energie in het algemeen en naar elektriciteit in het bijzonder vormt één van de sleutelelementen in een energiebeleid, als België de doelstelling van Kyoto wil halen.

(...)

De effectieve exploitatie van dat potentieel vereist echter dat de overheid een heel pakket instrumenten uitwerkt (fiscale en reglementaire instrumenten in het algemeen, informatie voor de consument, energie-audits, sectorale akkoorden, energie-efficiëntiecertificaten, ...).Indien dergelijke maatregelen ontbreken, bestaat de kans dat het potentieel aan energiebesparingen voor een groot deel onbenut blijft. »

In het verlengde daarvan vormt het verslag houdende de evaluatie van het verslag van de AMPÈRE commissie interessante lectuur. De intentie van de Belgische regering om uit kernenergie te stappen wanneer de kerncentrales een levensduur van veertig jaar zullen hebben bereikt, mag tot 2012, zijnde de datum tot wanneer de Kyotoverplichtingen gelden, geen directe impact hebben op de CO2-uitstoot. Dat houdt natuurlijk een enorme uitdaging in voor het post-Kyototijdperk. Volgens het verslag van de AMPÈRE commissie zullen er in België dan ook belangrijke inspanningen moeten worden geleverd waarbij gas, efficiëntie van het energieverbruik en beheer van de energievraag de voornaamste instrumenten zullen zijn om een vermindering van de uitstoot van schadelijke gassen te realiseren.

Het scenario dat onder andere het Planbureau daartoe heeft uitgetekend, voorziet in een lineaire vermindering van de uitstoot van CO2 in de periode van 2010 tot 2030 met 13,6 % ten opzichte van het niveau in 1990. In die hypothese zou de jaarlijkse kost van de vermindering in 2020 0,94 % van het BNP bedragen en in 2030 1,90 %. Een en ander betekent dat er slechts een politiek met het oog op de geleidelijke uitstap uit kernenergie kan worden gevoerd in de mate de nodige middelen voorhanden zijn om de energievraag op afdoende wijze te beheersen.

Het voorliggende wetsontwerp mag volgens spreker derhalve niet op zichzelf worden beschouwd. Het vormt de eerste fase in een proces waarbij kernenergie, welke ongeveer 60 % van onze energiebevoorrading vertegenwoordigt, moet worden vervangen. Indien ons land zich daar niet terdege op voorbereidt, dreigt het in 2020 op zijn uitstapregeling te moeten terugkomen om de internationale verplichtingen van het Kyotoprotocol na te leven. De kernvraag is bijgevolg of de beslissing om uit kernenergie te stappen en het tijdschema dat daarbij zal worden gevolgd, niet het gevaar inhouden dat afbreuk zal worden gedaan aan onze internationaalrechtelijke verbintenissen tot vermindering van de uitstoot van schadelijke gassen. In dat verband heeft ons land in de jaren 70 waarschijnlijk een strategische vergissing begaan door zich voor zijn energiebevoorrading al te zeer op kernenergie te richten in plaats van op dat vlak een grotere diversiteit in de energiebronnen na te streven. België heeft daarvoor een dure prijs betaald doordat het aanbodbeleid een hoge vlucht heeft genomen. Een rationalisering van het energieverbruik dringt zich dan ook op.

Bij wijze van conclusie verklaart spreker dat de beslissing om uit kernenergie te stappen haar verdienste heeft, maar dan enkel wanneer ons land het zich kan veroorloven vanuit het oogpunt van zijn internationale verbintenissen in het kader van de bestrijding van de opwarming van ons klimaat, welke op dit ogenblik het meest acute mondiale milieuprobleem is.

In reactie op de stelling van de heer Roelants du Vivier dat België een vergissing heeft begaan door zich al te zeer in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van kernenergie te manoeuvreren, verklaart de heer Thissen dat de vorige spreker toch goed moet beseffen dat, wanneer men die keuze niet had gemaakt, de luchtvervuiling en de opwarming van de aarde nog ernstiger proporties zouden hebben aangenomen dan nu het geval is. Daartegenover staat dan weer dat men dan misschien geen studies zou hebben ondernomen om de schadelijkheid van het kernafval te verminderen.

Spreker verklaart dat hij in de jaren 70 een hardnekkig tegenstander van kernenergie was onder meer omdat er geen oplossing bestond voor de verwerking van het nucleair afval en men zich op dat ogenblik nog niet bewust was van het broeikaseffect van bepaalde energiebronnen. Op dit ogenblik vormt dit laatste probleem de grootste uitdaging inzake milieubescherming. Het kan slechts worden verholpen indien doortastende maatregelen worden genomen. Indien het voorliggende ontwerp echter zomaar ten uitvoer wordt gelegd, dreigt het een nefaste invloed te hebben op de klimatologische ontwikkeling van onze planeet. Men moet er zich ook rekenschap van geven dat op het vlak van de nucleaire afvalverwerking op redelijke termijn een belangwekkende technologische doorbraak wordt verwacht onder andere dankzij de ontwikkeling van de super-deeltjesversneller. Met andere woorden, er is het vooruitzicht dat er middelen zullen bestaan om de schadelijkheid van het kernafval te verminderen en zelfs te neutraliseren.

Het voorstel om uit kernenergie te stappen zonder dat er een precies tijdschema wordt vooropgesteld om deze energiebron te vervangen, getuigt dan ook van een gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Dat is het onvermijdelijk gevolg van het essentieel politiek karakter van het voorliggende ontwerp, waarvan de gevolgen niet alleen op technologisch en economisch vlak, maar ook vanuit het oogpunt van de milieubescherming en duurzame ontwikkeling onvoldoende zijn afgewogen.

Mevrouw Lizin wenst te vernemen of er alternatieve scenario's uitgewerkt zijn voor het geval de eigenaars-exploitanten van kerncentrales zouden beslissen om vroeger uit de kernenergie te stappen, dat wil zeggen voor 2011, de datum tot welke volgens alle scenario's de kerncentrales nog zouden blijven werken. Dezelfde vraag rijst wanneer er een wijziging zou komen in een juridisch statuut, bijvoorbeeld wanneer een centrale verkocht zou worden voor 2011. Men gaat immers uit van de gedachte dat er tot 2011 geen moeilijkheden zullen zijn voor investeringen in veiligheidsvoorzieningen. Het blijkt nu al dat de keuze van een nieuw deksel voor de kerncentrale van Tihange voor die centrale al bijna problemen heeft opgeleverd.

Antwoorden van de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling

1. Welk alternatief voor kernenergie ?

Het verlies van de 46 terawattuur elektriciteit welke door kernenergie wordt opgewekt, zal worden gecompenseerd door een cluster van vier middelen, namelijk rationeel energieverbruik, warmtekrachtkoppeling, groene elektriciteit en STEG-centrales. Niet alleen vanuit praktisch, maar ook vanuit juridisch oogpunt kan en mag het aandeel van elk van deze vier methodes in de vervanging van kernenergie niet worden opgegeven. De Europese richtlijn van 1996 en de wet van 29 april 1999 waarbij zij in het Belgisch recht werd omgezet, verbieden dat expliciet.

De regering, welke haar samenstelling ook moge zijn, dient er zich derhalve toe te beperken, in de eerste plaats, de marktomstandigheden te scheppen die de investeringen moeten mogelijk maken om kernenergie te vervangen. Vervolgens dient zij deze investeringen op te volgen.

Dat betekent natuurlijk niet dat de regering zich nog niet heeft beraden over de toekomst van onze energiebevoorrading. Zo heeft ze reeds een koninklijk besluit genomen ter ondersteuning van de groene elektriciteit in een geregulariseerde markt, besloten dat er windmolens in zee komen, heeft ze de technische reglementering gewijzigd voor de opening van de markt om de warmtekrachtkoppeling te bevorderen, en op fiscaal vlak maatregelen genomen om het energieverlies bijvoorbeeld in woningen te beperken.

2. Veiligheid van de energiebevoorrading

De uitdaging waarvoor het voorliggende ontwerp ons plaatst, behelst niet de energiebevoorrading. Op dat vlak rijzen er geen problemen. De gasvoorraden op deze wereld volstaan immers ruimschoots om de noden van de Belgische bevolking en industrie te lenigen. De ware uitdaging waarvoor onze samenleving staat, is de strijd tegen het broeikaseffect. Bijgevolg moeten de vier sub 1 vermelde middelen welke de kernenergie moeten vervangen, maximaal worden aangewend om dat gevaar te bestrijden. Twee factoren hebben dienaangaande een uiterst negatieve impact, te weten het verbruik door de huishoudens en het transport. Zo wordt 40 % van de energie in Europa door huishoudens verbruikt terwijl verplaatsingen inmiddels verantwoordelijk zijn voor 25 % van de uitstoot van CO2 ­ het aantal kilometers dat over de weg wordt afgelegd, is op vijfentwintig jaar verdrievoudigd ­. Hiertegen moet worden opgetreden onder meer om de Kyotoverplichtingen na te komen.

De productie van energie en inzonderheid van elektriciteit schept natuurlijk ook een niet te verwaarlozen probleem. Ze is echter niet de meest vervuilende factor, voornamelijk omdat ze op industrieel vlak gebeurt waar technologieën beter beheerst worden.

3. Waarom geen onmiddellijke sluiting van de kerncentrales ?

Momenteel leveren de kerncentrales 57 % van onze elektriciteit. Was dat maar 2 %, dan zouden ze onmiddellijk worden gesloten. Maar gelet op het verhoudingsgewijs hoge aandeel van kernenergie, zou zelfs een volledig groene regering het niet in haar hoofd halen de energiebevoorrading van de bevolking in het gedrang te brengen door de kerncentrales onmiddellijk te sluiten.

4. Vermelding in de wet van de sluitingsdatum van de kerncentrales

De Raad van State heeft dienaangaande geen juridische bezwaren geformuleerd. De regering bijgevolg ook niet.

5. Veiligheid van kernenergie

Deze problematiek vertoont verschillende facetten. Een ervan is het aantrekken van competent personeel om het productieproces in goede banen te leiden. Zo worden bijvoorbeeld voor de centrale te Doel ingenieurs in dienst genomen zonder specialisatie in kernenergie. Juist vanwege dat gebrek dienen ze een bijkomende opleiding te volgen.

Dergelijke veiligheidsproblemen zijn niet nieuw. Ze doen zich reeds enkele jaren voor sinds het moratorium inzake kernenergie is afgekondigd.

Dat soort problemen bestaat sinds het kernmoratorium dat voor de N8 werd beslist enkele jaren geleden. Dat moratorium kon geïnterpreteerd worden als een voorteken van een einde van die technologie in België. De vraag van de veiligheid rijst uit de pressie die is uitgeoefend door de openstelling van de markt op de veiligheidsinvesteringen. Het is echter de taak van het FANC ervoor te zorgen dat de investeringen voor de veiligheid ook worden uitgevoerd. Op blz. 224 van het Kamerverslag (stuk Kamer, nr. 50-1910/004) kan men lezen dat het agentschap door de toeziende minister op dat vlak werd geraadpleegd.

Bovendien kan het FANC thans beter de uitgevoerde veiligheidsinvesteringen nagaan, dankzij de wet van 16 juli 2001 tot wijziging van de wet van 12 april 1965 met betrekking tot het vervoer van gashoudende en andere producten en houdende bevestiging van het koninklijk besluit van 18 januari 2001 betreffende het voorlopig systeem om de werkingskosten te dekken van de CREG, die aan de exploitanten oplegt om afzonderlijke regelingen te behouden voor hun nucleaire en hun niet-nucleaire activiteiten, bestemd om subsidiëringen te vermijden die de nucleaire en niet-nucleaire activiteiten kunnen kruisen.

Er is overeengekomen dat het agentschap elk jaar bij het Parlement verslag uitbrengt over de ontwikkeling van de investeringen in veiligheid.

De huidige wet bepaalt reeds dat de exploitant aansprakelijk is tot het einde van de ontmantelingswerkzaamheden.

In de loop van deze zittingsperiode werd de burgerlijke aansprakelijkheid van de exploitant bovendien verhoogd van 99 157 409,90 euro per centrale tot 297 472 229,73 euro per vestigingsplaats.

De motiveringen van voorliggend wetsontwerp zijn het afval, de verspreiding ervan, en het risico op ongevallen.

Het AMPÈRE-rapport is niet voor interpretatie vatbaar. Het beveelt aan de nucleaire optie open te houden. Op blz. 37 van zijn conclusies en aanbevelingen staat dat zulks het volgende betekent :

1º om de knowhow in stand te houden, moeten in België steeds opleidingen op het gebied van kernenergie worden verstrekt;

2º de kennis moet aanwezig zijn in gespecialiseerde centra zoals het Studiecentrum voor kernenergie van Mol;

3º men zal zich moeten blijven informeren over de ontwikkeling van de nucleaire techniek en over de nieuwe technieken voor de productie van elektriciteit of warmte op nucleair gebied.

De staatssecretaris sluit zich bij de aanbevelingen van het AMPÈRE-rapport aan.

Zoals de Belgische en Europese samenleving, is de Europese Commissie verdeeld over het onderwerp van voorliggend wetsontwerp.

De grote uitdaging is de klimaatopwarming. Het was immers gemakkelijker geweest de klimaatopwarming te bestrijden door het gebruik van kernenergie te behouden of zelfs te ontwikkelen voor de elektriciteitsproductie. De regering meent evenwel dat die oplossing neerkomt op het vervangen van een probleem door een ander. Om de klimaatopwarming te bestrijden zal men in elk geval het energieverbruik voor transport en in gebouwen moeten verminderen.

Voor België is het dus geen probleem van bevoorradingszekerheid, maar van energiebesparing.

De wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten bepaalt dat het uitrustingsplan de elektriciteitsproductiemiddelen behandelt voor een periode van 10 jaar tot in 2011, met andere woorden vier jaar voor de sluiting van de eerste kerncentrale. Bijgevolg wordt dat uitrustingsplan niet beïnvloed door het onderhavige wetsontwerp. Dat kan trouwens niet slaan op een toestand waarin de exploitanten de centrales zouden willen sluiten vóór 2015, omdat krachtens een Europese richtlijn van 1996, de staten zich ertoe moeten beperken de voorwaarden te scheppen voor een markt waarin investeerders er baat bij hebben om elektriciteit te produceren. Het is dus belangrijk de voorwaarden te scheppen voor een elektriciteitsmarkt die rationeel, gezond en sterk is. Welnu, de elektriciteitsmarkt is in België nog nooit zo goed gereguleerd geweest als nu.

De heer Thissen interpreteert het verslag-AMPÈRE niet op dezelfde wijze als de staatssecretaris.

Volgens de commissie AMPÈRE is het openlaten van de kernoptie vooral belangrijk om het verlies van de opgedane kennis in de laatste jaren te voorkomen en om die te gebruiken om te evolueren, ook in het kader van de kernenergie.

Mevrouw Lizin erkent dat Electrabel centrales kan sluiten wanneer zij dat wenst. Het vastleggen van een sluitingsdatum is echter een externe factor die de rentabiliteitsberekening beïnvloedt. Wat zal er gebeuren met de veiligheidsdoelstelling wanneer de rentabiliteit van de kerncentrales niet maximaal meer zal zijn, namelijk tussen 2003 en 2015 ? Zou het niet beter zijn de datum waarop de naleving van de geplande veiligheidsinvesteringen wordt gecontroleerd, te vervroegen ?

De staatssecretaris antwoordt dat er werd overeengekomen dat het Federaal Agentschap voor nucleaire controle een uitspraak zou doen in zijn jaarverslag over de veiligheid van de kerncentrales in het vooruitzicht van een sluiting na 40 jaar werking. Het agentschap is volledig op de hoogte van alle veiligheidsinvesteringen die gedaan zijn en nog moeten komen. Mede dank zij de voormelde wet van 16 juli 2001 zal het de planning van de toekomstige investeringen kunnen bijhouden. Ten slotte wijst hij erop dat veiligheidsinvesteringen onlangs gedaan werden in kerncentrales.

III. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikel 3

De heer Thissen dient vier amendementen in (nrs. 21-24), die alle van dezelfde zorg uitgaan, namelijk de bevoorradingszekerheid waarborgen van alle productiewijzen, rekening houdend met andere normen die België onderschreven heeft, zoals de Kyoto-normen.

De staatssecretaris legt uit dat de regering de Kyoto-normen juist niet in het voorliggend ontwerp wil opnemen, omdat ze andere maatregelen wil treffen waardoor België andere normen, zoals die van Kyoto, in acht wil nemen.

De heer Thissen beweert dat de regering met het oog op die speciale problematiek, moet kunnen zeggen of ze haar programma al dan niet zal voortzetten. Het zekerste is dat men de wil om Kyoto in acht te nemen in deze tekst vermeldt.

De heer Roelants du Vivier zegt gevoelig te zijn voor het Kyoto-akkoord, het Kyoto + 1-akkoord en het Kyoto + 2-akkoord.

Hij vindt de redenering van de heer Thissen enigszins verkeerd, omdat ze betekent dat men in een situatie kan belanden waarin men uiteindelijk de doelstelling van de Kyoto-normen haalt als gevolg van een industriële ramp. Hij verwijst naar Duitsland, waar men een aantal ondernemingen (bijvoorbeeld staalfabrieken) heeft gesloten, zodat men plots de uitstootnormen haalde. Het is evenwel niet dat wat men wil bereiken. Men wil een aantal mechanismen vinden waardoor men ondanks de sluiting van de centrales, toch een waarborg op sociale vooruitgang behoudt.

Het komt erop aan een oplossing met een realistisch tijdschema te vinden.

Artikel 4

Mevrouw Lizin verantwoordt haar amendementen nrs. 1 en 2 (zie stuk Senaat, nr. 2-1376/2) met de zorg om de veiligheid te verzekeren van de inwoners van de zones waar kerncentrales staan, de veiligheid van de werknemers van die centrales en de bevoorradingszekerheid in energie.

De heer Caluwé stelt zijn amendement nr. 6 voor over de exploitatievergunningen voor veiligheidsinstallaties van productie-eenheden. Die mogen niet zo maar in 2015 vervallen.

Mevrouw Lizin vraagt of in artikel 4, § 2, van het wetsontwerp de exploitatievergunningen van de desactiveringsdokken voor de gebruikte brandstof van de kerncentrales worden bedoeld.

De staatssecretaris antwoordt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de installaties voor de eigenlijke elektriciteitsproductie en de installaties errond voor de bijhorende activiteiten. Daarover bestaat geen dubbelzinnigheid. Zodra de kerncentrales na 40 jaar werking worden gesloten, zullen de problemen met de veiligheidsinstallaties geleidelijk aan worden opgelost, op basis van de jaarverslagen van het Federaal Agentschap voor nucleaire controle. Aan de hand daarvan zal men bepalen welke investeringen in veiligheid nodig zijn. Die investeringen kunnen ook na de sluiting van de centrales nog worden geëist. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat de exploitanten voor hun installaties burgerlijk aansprakelijk blijven tot het einde van de ontmanteling van hun centrales.

In verband met het amendement van de heer Caluwé merkt de staatssecretaris op dat het criterium is dat de eventuele productie niet meer naar het net wordt gestuurd volgens commerciële kwaliteitscriteria.

Niets verhindert dat het volledige productieapparaat of een deel ervan in goede staat blijft.

De investeringen met het oog op de veiligheid van de bestaande centrale blijven. Dat lijdt geen twijfel. Die investeringen worden geëist door het Federaal Agentschap voor nucleaire veiligheid.

Daarenboven blijven de exploitanten burgerlijk aansprakelijk voor hun installaties totdat ze volledig ontmanteld zijn.

Een veiligheidsuitrusting blijft altijd noodzakelijk en kan nooit een tegenwicht vormen voor het operationele overleven van de centrale na de datum die is bepaald voor de stopzetting van de productie.

Bij het opstellen van deze wet stond voor de regering de veiligheid van de bevolking en van de werknemers centraal. Die wordt door de wetgeving gewaarborgd. De opdracht van het Federaal Agentschap voor veiligheid, zijn budget en zijn jaarlijkse verslagen garanderen overigens de duurzaamheid van zijn taak. Dat zou gepaard gaan met een jaarlijkse controle door het Parlement, dat aldus moet kunnen nagaan of de veiligheid gegarandeerd blijft.

De wet van 29 april 1999 moet er in combinatie met het ontwerp van wet voor zorgen dat de bevoorradingszekerheid niet in het gedrang komt en dat niet gewacht moet worden tot 2015 vooraleer men kan beschikken over een verslag van de CREG over de bevoorrading.

Na 2015 moet het indicatief programma duidelijkheid scheppen over de bevoorradingszekerheid.

De regering heeft aan dit mechanisme de voorkeur gegeven in plaats van aan een symptomatische benadering die uitsluitend was toegespitst op de veiligheid.

Die maatregelen bestaan maar worden aangevuld om een geval van overmacht het hoofd te kunnen bieden. Dat laatste geval zal overigens niet gelden voor de Belgische productie aangezien de bestaande wetten de veiligheid van de bevolking en van de werknemers waarborgen evenals de bevoorradingszekerheid.

Mevrouw Lizin vraagt of de verkregen vergunningen nog gelden 25 of 40 jaar na de ingebruikname van de installatie.

Volgens de minister is het duidelijk dat wat zich thans in de dokken bevindt zich daar nog zal bevinden na de sluiting van de productie-eenheid.

Er bestaat immers een onderscheid tussen de productie met alle garanties inzake kwaliteit alsook alle andere garanties (veiligheid stroomopwaarts) en de veiligheid van de installaties die overblijven (veiligheid stroomafwaarts).

Wat nu de veiligheid stroomafwaarts betreft, buigt de regering zich thans in tweede lezing over een wetsontwerp, dat aan stoffen die ter plaatse blijven het statuut van radioactieve afvalstoffen verleent.

Mevrouw Lizin maakt het grootste voorbehoud over de duurzaamheid van de vergunningen die krachtens de wet van 1958 zijn verkregen, en die na 40 jaar ten einde lopen.

De minister wijst er andermaal op dat dat probleem niet bestaat. Wanneer men de productie stopzet, zal men de vergunning voor het behandelen van de afvalstoffen niet intrekken.

Mevrouw Lizin merkt op dat het tweede lid op de desactiveringsdokken slaat. Momenteel gaat het om een voorlopige opslag. Raadzaam zou zijn nu reeds die dokken uit de toepassingssfeer van de wet te lichten.

De heer Caluwé wijst erop dat zulks het doel is van zijn amendement.

Artikel 5

De heer Caluwé dient amendement nr. 7 in.

Hij ziet niet in waarom men aan de Koning niet expliciet een bevoegdheid kan geven om regelgevend op te treden en nog vergunningen af te leveren als dat nodig mocht zijn.

Uit de debatten in de Kamer is duidelijk gebleken dat er voor de bestrijding van tal van risico's nog vergunningen zullen moeten worden afgeleverd in de bestaande installaties tot in 2015 of 2025 al naargelang de installaties.

Hij dient vervolgens een ander amendement in (nr. 8).

Dit amendement nr. 8 strekt ertoe een voldoende grote capaciteit ter beschikking te hebben vooraleer men tot weigering van vergunningen overgaat.

Mevrouw Lizin dient een amendement in (nr. 14) om de uitzondering niet langer te laten gelden voor bepaalde vergunningen.

Zo zijn er bijvoorbeeld de centrales van Tihange 2 en 3 die voor andere doeleinden zullen blijven produceren zoals de productie van elementen voor het IRE.

Hoe zal men het onderscheid maken tussen de verschillende soorten productie op één enkele vestigingsplaats ?

De heer Thissen dient een amendement in (nr. 33), dat aansluit bij een aantal amendementen met hetzelfde doel, namelijk anticiperen op hypothetische toestanden die evenwel niet onmogelijk zijn en die zich in het uiterste geval kunnen voordoen.

In verband met amendement nr. 7 van de heer Caluwé, ontkent de heer Deleuze dat het artikel overbodig is. Dat blijkt overduidelijk uit het feit dat de Raad van State geen gewag heeft gemaakt van het feit dat het artikel overbodig zou zijn, integendeel de Raad heeft zelfs tekstverbeteringen voorgesteld.

De heer Samain heeft het tegendeel beweerd maar was niet helemaal zeker.

De minister herhaalt dat het daarenboven geenszins de bedoeling is van de regering om in de wet die voorziet in de sluiting, voorwaarden op te nemen. Er werd een duidelijke keuze gemaakt : er moet overgegaan worden tot sluiting en alle achterpoortjes moeten worden gedicht.

Wat amendement nr. 14 betreft herhaalt hij dat er geen verwarring mogelijk is tussen veiligheidsinvesteringen en productie-investeringen.

Het agentschap moet bepalen wat nodig is en zal dat in zijn jaarverslag opnemen.

Mevrouw Lizin betwist dat de tekst duidelijk is. Het agentschap heeft zelf aangedrongen op een duidelijke tekst om een productievergunning voor de delen van het bedrijf die blijven functioneren te kunnen handhaven.

De minister stelt vast dat amendement nr. 33 van de heer Thissen in zekere zin een subsidiair amendement is op de amendementen die betrekking hebben op de toepassing van het Kyoto-verdrag.

Hij verwijst derhalve naar zijn vorige uiteenzetting over de verwerping van de wetgevingstechnische optie van de regering.

Mevrouw Lizin blijft erbij dat de uitleg van de minister vaag blijft. Men moet een juridisch statuut kunnen toekennen aan de voortzetting van de toegestane activiteiten via de techniek van de dubbele negatie in de teksten, waarbij bepaald wordt dat dit niet onder de uitzonderingen valt.

Wat het amendement nr. 17 van de heer Vandenberghe betreft, wordt verwezen naar de verantwoording.

Artikel 6

Mevrouw Lizin dient een amendement in (nr. 9) om ervoor te zorgen dat de wet op de liberalisering van de markt strenger wordt.

Pas vanaf 2015 zullen er jaarlijkse indicatieve programma's zijn voor de levering van energie.

Wat haar betreft, moet daarmee begonnen worden vanaf 2005. Het is immers duidelijk dat er geanticipeerd zal worden in de berekeningen.

De amendementen van de heren Caluwé (nr. 9) en Thissen (nr. 34) gaan in dezelfde richting.

Het gezond verstand zegt volgens hen dat men zich zo vlug mogelijk zorgen moet maken.

De minister merkt op dat de indicatieve programma's van de CREG voortaan om de drie jaar beschikbaar zijn volgens het model dat wordt gehanteerd voor de gasbevoorrading.

Dat geeft om de drie jaar bij benadering een idee van de bevoorradingszekerheid.

Bij deze ramingen wordt rekening gehouden met de pieken in het energieverbruik in januari in verhouding tot het geïnstalleerd vermogen en de invoermogelijkheden.

De CREG zelf moet om het jaar verslag uitbrengen voor zijn eigen behoeften.

Wat het amendement nr. 18 betreft van de heer Vandenberghe, wordt verwezen naar de verantwoording.

Artikel 6bis

De heer Caluwé dient een amendement in (nr. 10) om via een nieuw artikel aan het agentschap de mogelijkheid te verstrekken om de gevolgen van de uitstap tijdig te kunnen controleren.

De minister verwijst naar het verslag van de Kamer (blz. 224) waarin de FANC werd geraadpleegd.

Deze instantie zag geen problemen en beweerde dat de veiligheid van de werknemers en de bevolking hoe dan ook gewaarborgd waren.

Artikel 7

De heer Caluwé dient een amendement in (nr. 11) waardoor een voldoende capaciteit moet worden gegarandeerd met een lage ecologische belasting.

Mevrouw Lizin dient amendement nr. 15, in dat gelijkenis vertoont met amendement nr. 14. Het doel is eens te meer duidelijkheid te scheppen door de veiligheidsinvesteringen uit het verbod te halen.

De heer Vandenberghe dient een amendement in (nr. 19) strekkende tot opheffing van het artikel.

De heer Thissen dient een amendement in (nr. 35), in de lijn van zijn vorige amendementen.

De minister stelt vast dat, wat de argumenten van de heer Vandenberghe betreft, de Raad van State geen opmerkingen had op dit artikel.

Hij heeft niet gezegd dat het artikel overbodig was.

De regering heeft in deze absoluut geen verborgen agenda.

Wat de amendementen van de heren Caluwé en Thissen betreft, verwijst hij naar zijn vroegere replieken.

Wat betreft amendement nr. 15 van mevrouw Lizin verwijst de staatssecretaris naar zijn uiteenzetting over amendement nr. 14 dat gelijklopend is.

Artikel 9

Mevrouw Lizin wijst op de onduidelijke formulering en de onlogische opbouw van dit artikel.

Het artikel bepaalt dat de Koning, in geval van bedreiging van de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit, de noodzakelijke maatregelen kan nemen en dit onverminderd de artikelen 3 tot 7, tenzij in geval van overmacht.

Het is ten eerste niet helemaal duidelijk waarop het laatste zinsdeel met betrekking tot de overmacht juist slaat.

Bovendien wordt niet duidelijk gesteld waarin de overmacht bestaat en wie deze vaststelt.

Het moet duidelijk worden gezegd dat de formulering het niet mogelijk maakt een stap terug te zetten indien prijzen te hoog zijn voor de verbruiker.

In dat kader dient spreekster amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 2-1376/2), dat ertoe strekt de zinsnede, « en dit onverminderd de artikelen 3 tot 7 van deze wet, tenzij » te doen vervallen. Aldus keert zij terug naar de initiële formulering en wordt voorgesteld een productiecapaciteit te behouden voor noodgevallen.

Amendement nr. 16 (stuk Senaat, nr. 2-1376/2) van dezelfde indienster strekt ertoe ook de doelstellingen van het Verdrag van Kyoto in het artikel in te sluiten.

Ook de heer Caluwé en de heer Thissen zijn van mening dat voorliggend artikel zeer ongelukkig is geformuleerd. Het artikel dient in ieder geval te worden herschreven.

De heer Caluwé dient amendementen nrs. 12 en 13 in (stuk Senaat, nr. 2-1376/2) die ertoe strekken de regering te verplichten de nodige maatregelen te nemen in geval van de bedreiging van de bevoorrading, en de woorden « en dit onverminderd de artikelen 3 tot 7 van deze wet, tenzij in geval van overmacht » te vervangen door de woorden « met inbegrip van tijdelijke afwijkingen van de bepalingen van deze wet ». Het is essentieel dat de Koning de nodige tijdelijke maatregelen kan nemen wanneer de veiligheid van de bevolking of het leefmilieu in het gedrang komt of wanneer de bevoorradingszekerheid in het gedrang komt door de vervroegde kernuitstap.

De heer Thissen en mevrouw Willame-Boonen dienen amendement nr. 36 in (stuk Senaat, nr. 2-1376/2), dat er, enerzijds, wil voor zorgen dat de Kyotoverbintenissen worden nagekomen en, anderzijds, de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektriciteitsprijzen wil garanderen.

De staatssecretaris legt uit dat het algemeen dispositief van de wet een korte tekst is die betrekking heeft op de sluiting van de centrales en de algemene en bijzondere problemen in verband met het energiebeleid wil regelen in andere bepalingen en in andere regeringsteksten (bijvoorbeeld Kyoto, veiligheid van de bevolking, bevoorradingszekerheid, enz.).

De definitie van overmacht is opgenomen in de toelichting bij het ontwerp.

De tekst van artikel 9 is duidelijk. In eerste instantie wordt verwezen naar de bedreiging van de bevoorradingszekerheid van de elektriciteit. In dat geval kan de Koning maatregelen nemen. Het is een algemeen legistiek gebruik dat men stelt dat de Koning de mogelijkheid daartoe heeft (en niet « de Koning neemt »). De maatregelen worden genomen bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de CREG, en hebben geen betrekking op de sluiting van de centrales, tenzij in geval van overmacht. Het advies van de CREG zal inzonderheid betrekking hebben op de weerslag van de evolutie van de productieprijzen op de bevoorradingszekerheid.

Er wordt niet verwezen naar de bepalingen van Kyoto, gezien ervoor werd geopteerd zulke bepalingen en voorwaarden niet in voorliggende wet in te schrijven.

Met betrekking tot het begrip overmacht, verwijst de staatssecretaris naar de memorie van toelichting (stuk Kamer, nr. 50-1910/001, blz 11), die stelt dat de uitzondering in artikel 9 met betrekking tot de overmacht niet kan worden ingeroepen vanwege de elektriciteitsproducenten, de uitbaters van de transport- en distributienetten, de gefedereerde entiteiten, of bij niet uitvoering van het indicatief plan.

Mevrouw Lizin en de heer Thissen blijven erbij dat de formulering van artikel 9 ertoe leidt dat de wet niet toepasbaar is. Een herziening van de wet zal noodzakelijk blijken.

De heer Caluwé verwijst naar het advies van de Raad van State, dat reeds vraagtekens plaatste bij voorliggend artikel en stelde dat bijkomende toelichting noodzakelijk bleek. Spreker stelt vast dat deze bijkomende toelichting uitblijft. Er wordt enkel verwezen naar de memorie van toelichting.

De heer Thissen stelt, bij wijze van tegemoetkoming voor, om in artikel 9 van het wetsontwerp een tekstcorrectie aan te brengen die erin bestaat in de Franse tekst het leesteken « komma » tussen de woorden « les mesures nécessaires » en « sans préjudice » te schrappen. Dit zou de leesbaarheid van de tekst van het artikel ten goede komen en heel wat misverstanden uit de weg ruimen, aldus de spreker.

Mevrouw Lizin steunt dit voorstel.

De staatssecretaris vraagt de tekst, zoals hij voorligt, ongewijzigd aan te nemen.

De heer Thissen en mevrouw Lizin betreuren dat de staatssecretaris er de voorkeur aan geeft wetens en willens een onduidelijkheid in de tekst van artikel 9 van het wetsontwerp te laten staan, die nochtans verstrekkende gevolgen kan hebben.

Artikel 9bis (nieuw)

Mevrouw Lizin dient een amendement nr. 5 (stuk Senaat, nr. 2-1376/2) in dat ertoe strekt een artikel 9bis (nieuw) in te voegen waarin de exploitanten van de kerncentrales wordt opgelegd tot op de dag van de sluiting van de kerncentrales alle investeringen te doen, nodig om de veiligheid van de werknemers en het leefmilieu te garanderen. Tevens worden jaarlijkse controles bij wet opgelegd.

Spreekster wijst immers op het gevaar van desinvestering in de veiligheid vanwege de exploitanten van zodra het voorliggende wetsontwerp wet zal zijn. Zij is van oordeel dat een jaarlijkse controle vanwege de overheid dan ook onontbeerlijk is.

De staatssecretaris is van oordeel dat het door mevrouw Lizin voorgestelde amendement niets nieuws toevoegt aan de reeds bestaande reglementeringen. Er bestaan reeds reglementeringen waarin regelmatige controles zijn voorzien en waarin ook sancties zijn voorzien. De bevoegde minister kan, op basis van bepaalde gronden en mits het volgen van bepaalde procedures, overgaan tot het ontnemen van een exploitatievergunning. Voor wat de jaarlijkse controles betreft, verwijst de staatssecretaris naar het debat dat daarover in de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft plaatsgehad (stuk Kamer, nr. 50-1910/004) en wijst erop dat, middels de wet van juli 2001, het Parlement jaarlijks zal kunnen nagaan, op basis van het jaarverslag van het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, wat de stand van zaken is met betrekking tot de investeringen in de veiligheid.

Mevrouw Lizin waarschuwt ervoor dat de overheid, ten gevolge van het wetsontwerp zoals het nu voorligt, problemen zal krijgen om van de exploitanten van een uitdovende investering, gedaan te krijgen dat zij nog op een zorgvuldige wijze zouden investeren in veiligheid. Wanneer dergelijke investeringen ten laste zouden komen van de overheid, zal deze laatste moeten vaststellen dat dit onbetaalbaar is en zal de bevoegde minister genoodzaakt zijn toch opnieuw te onderhandelen met de exploitanten, met alle gevolgen van dien. Zij is van oordeel dat het door haar ingediende amendement nr. 5 ­ waarbij de exploitanten wettelijk verplicht worden in de veiligheid te investeren ­ nodig is om het wetsontwerp werkbaar te maken.

Artikel 11 (nieuw)

De heer Vandenberghe dient een amendement nr. 20 (stuk Senaat, nr. 2-1376/2) in dat ertoe strekt, naar analogie van artikel 9 van het wetsontwerp, een gelijkaardige procedure wettelijk te voorzien voor het geval dat België in de onmogelijkheid zou verkeren om de doelstellingen, vastgesteld voor België in het kader van de Conferentie van Rio en het Protocol van Kyoto, te realiseren.

De staatssecretaris verwijst naar zijn eerdere tussenkomsten en vraagt het amendement te verwerpen.

IV. STEMMINGEN

De amendementen nrs. 1 tot en met 17 worden verworpen met 9 tegen 2 stemmen.

Amendement nr. 18 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

De amendementen nrs. 19 tot en met 36 worden verworpen met 9 tegen 2 stemmen.

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt ongewijzigd aangenomen met 9 tegen 2 stemmen.

Het verslag wordt goedgekeurd met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

De rapporteurs, De voorzitter,
Olivier de CLIPPELE.
Johan MALCORPS.
Paul DE GRAUWE.

BIJLAGEN

BIJ HET VERSLAG NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEREN de CLIPPELE EN MALCORPS


A. UITEENZETTINGEN VAN DESKUNDIGEN

I. Uiteenzetting van de heer H. Bonet, directeur-generaal van het Nationaal Instituut voor radio-elementen

De heer Bonet wenst enkele gedachten aan de discussie toe te voegen op basis van zijn ervaring met de veiligheid in de kernenergiesector maar ook van de impact die het wetsontwerp kan hebben op de nucleaire sector buiten de energieproductie en met name op het Nationaal Instituut voor Radio-elementen (IRE). Het IRE heeft namelijk als opdracht de radioactiviteit in haar gunstige aspecten beschikbaar van de mens te stellen en ervoor te ijveren dat de radioactiviteit, van welke bron ook, geen schadelijke effecten heeft voor de mens. In dat raam is het IRE een van de grootste producenten op wereldvlak van door splijting aangemaakte isotopen voor de nucleaire geneeskunde en wereldwijd een van de leidende instellingen inzake radiologische monitoring van het milieu.

Frankrijk doet een beroep op zijn expertise voor de monitoring van zijn rivieren en IRE's productie van radio-isotopen is goed voor 3 miljoen medische handelingen (diagnose en therapie) per jaar over de hele wereld.

Spreker preciseert in zijn voorwoord dat elke terminologische verwarring omtrent « de uitstap uit kernenergie » in ruime zin moet worden uitgesloten, aangezien het wetsontwerp alleen betrekking heeft op de elektriciteitsopwekking door middel van kernsplijting.

De uitstap uit kernenergie in ruime zin is een begrip dat geen betekenis heeft in een universum dat precies wordt gekenmerkt door nucleaire reacties en interacties tussen de deeltjes welke altijd het voorwerp van zuiver wetenschappelijk onderzoek moeten blijven en die tal van toepassingen in het voordeel van de mens kunnen opleveren. Denken we even aan het gebied van de deeltjesversnellers, aan dat van de kernfusie, maar ook aan dat van de kernsplijting door middel van reactors voor toepassingen die buiten de elektriciteitsopwekking vallen of die bestemd zijn voor gemengde systeemprojecten zoals onderzocht door het SCK/CEN en IBA.

Wat betreft de impact van het wetsontwerp op de veiligheid van de bevolking en de werknemers vestigt de heer Bonnet de aandacht op het feit dat in het scenario waarbij de elektriciteitsproductie niet meer in de vraag kan voorzien ­ zelfs gedurende zeer korte tijd ­ we kunnen terechtkomen in een situatie van stroomonderbrekingen die een aanzienlijke omvang in de ruimte en de tijd kunnen aannemen.

Dergelijke toestanden houden hoge veiligheidsrisico's in voor particulieren zowel als voor overheidsinfrastructuren en de industrie, ook al worden er maximale voorzorgsmaatregelen genomen om ze te beperken.

Het is dus een prioriteit om ervoor te zorgen dat er vanaf 2015 voldoende waarborgen zijn opdat aan de dag- en seizoensgebonden verbruikspieken kan worden voldaan, rekening houdend met de geleidelijke uitstap tot de helft van het huidige productievermogen en met de volgende negatieve factoren :

­ de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare of duurzame energiebronnen is met name niet ideaal voor het opvangen van de verbruikspieken op dagbasis. Bij gebruik van windmolens bijvoorbeeld blijkt dat de verbruikspieken op dagbasis, 's ochtends en 's avonds, heel vaak samenvallen met periodes van windstilte;

­ bij het willen beperken van het elektriciteitsverbruik wordt er vooruitgang gemaakt in termen van efficiëntie maar daartegenover staat dat er toch weer meer beroep wordt gedaan op elektrische stroom, met name inzake openbaar vervoer (de HST bijvoorbeeld die het vliegtuig vervangt, een gewestelijk expressnet);

­ de moeilijkheid om oplossingen te vinden voor het opslagprobleem en met name het vinden van nieuwe sites voor milieuvriendelijke pompstations (zoals in Coo).

Ter besluit : om het hoofd te bieden aan de veiligheidsproblematiek, en zonder de economische aspecten ingevolge de onzekerheid van elektriciteitsvoorziening uit het oog te verliezen, zal men uit voorzorg de centrales waarvan stillegging is gepland toch nog beschikbaar houden om een noodproductiecapaciteit aan te houden en de genomen optie voldoende lang omkeerbaar te houden dat dit kan gewaarborgd worden.

De modaliteiten van dit beschikbaar houden van de centrales moeten gedetailleerd worden onderzocht vanuit diverse invalshoeken en met name vanuit het oogpunt van veiligheid en betrouwbaarheid.

Een tweede zorgwekkend veiligheidsaspect met betrekking tot de geleidelijke stillegging van centrales over een periode van meer dan 20 jaar is niet zozeer dat we de zekerheid moeten krijgen dat tot het laatste moment de vereiste investeringen zullen worden gedaan als wel dat alle mogelijkheden voor de verbetering van de veiligheid, de efficiëntie en de effecten op de werknemers, de bevolking en het milieu permanent het voorwerp zullen blijven van onderzoek en toepassing.

Het Belgische kerncentralepark is de jongste 25 jaar continu verbeterd geweest, met als resultaat een hogere beschikbaarheid van de installaties, een reductie van het af te voeren radioactief afval en een vermindering van de collectieve dosis waaraan werknemers blootstaan. De overheden dienen dit beleid op alle manieren in de komende 20 jaar voort te zetten, met name door het afleveren van de vereiste vergunningen om de veranderingen en uitbreidingen van de installaties die aan deze doelstelling bijdragen door te voeren.

Maar jammer is wel dat de geleidelijke bevriezing van de activiteiten in de kernenergiesector, reeds begonnen met het moratorium op de bouw van nieuwe kerncentrales, ook een pervers effect heeft dat in strijd is met voornoemde doelstelling en alle andere takken van de nucleaire sector treft. Het progressieve vertrek van deskundigen die ervaring hadden met de bouw van kerncentrales wordt nog versterkt door de geringe aantrekkelijkheid voor jongeren van een loopbaan in een sector waar de voornaamste verstrekker van werkgelegenheid gedoemd is op termijn te verdwijnen.

De eerste gevolgen van deze kwalijke toestand laten zich nu al voelen en er worden initiatieven genomen om opleidingsprogramma's op het niveau van het hogere onderwijs op gang te brengen met de inspanningen en de steun van de overheid. Het risico bestaat dat activiteiten zoals die van het IRE of zelfs de ontmanteling van centrales en het beheer van radioactief afval op langere termijn hieronder zouden kunnen lijden tenzij men noodgedwongen een beroep doet op buitenlandse expertise.

Een ander pervers effect van de geleidelijke verdwijning van de nucleaire sector, en zeer belangrijk vanuit economisch oogpunt, is het feit dat de vaste kosten van sommige diensten zoals controle en toezicht op het milieu (FANC, AVN), of het beheer van radioactief afval (Niras, Belgoprocess, ...) op termijn zullen worden herverdeeld. Dat heeft een invloed op de financiële middelen en het concurrentievermogen van nucleaire activiteiten buiten de energiesector, zowel in instellingen als ziekenhuizen, universiteiten, onderzoekscentra als in de industrie. Het mag niet gebeuren dat een ondraaglijk geworden financiële druk de veiligheid in het gedrang zou brengen of een hypotheek zou leggen op activiteiten die onbetwistbaar het openbaar belang dienen.

Ter besluit vindt de heer Bonet het aangewezen om nu al een aantal maatregelen te nemen en te plannen om de veiligheid in de beste omstandigheden in de kernenergiesector te handhaven, maar ook om de voortzetting en de groei van nucleaire activiteiten op het gebied van onderzoek, milieubescherming en de ontwikkeling van medische toepassingen te waarborgen.

II. Uiteenzetting van de heer B. Velge, directeur van het economisch departement van het VBO

De heer Velge meent dat het voor België voorbarig is om de beslissing te nemen of er wordt afgezien van kerncentrales voor de elektriciteitsproductie, omdat er vooralsnog geen enkel aannemelijk alternatief voorhanden is dat een veilige en milieuvriendelijke energievoorziening waarborgt.

Spreker wijst erop dat de Belgische kerncentrales in ruim 58 % van onze elektriciteit voorzien, terwijl 26,8 % uit aardgas en 11,5 % uit steenkool wordt opgewekt. Het aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen blijft erg beperkt. België is samen met Frankrijk een van de landen ter wereld waar het percentage van elektriciteit uit kernenergie het hoogst is.

Door af te zien van het gebruik van kernenergie voor de industriële productie van elektriciteit stelt ons land zich bloot aan een geostrategisch probleem als er rekening wordt gehouden met de landen waar de andere energiebronnen ter vervanging van kernenergie zich bevinden. De heer Velge wijst erop dat het grootste deel van de overige beschikbare brandstoffen buiten de Europese Unie is gelokaliseerd.

64 % van de olievoorraden bevindt zich in het Midden-Oosten. En wat gas betreft : zo'n 40 % van de wereldvoorraden bevindt zich in Rusland en 35 % in het Midden-Oosten. Zo'n 31 % van de steenkoolvoorraden is in Azië gesitueerd en 24 % in Rusland. Het aandeel van Europa in de aardgasvoorraden van de hele wereld is zeer gering en deze energiebronnen zijn heel duur in de exploitatie.

Maar als België niet voldoende elektriciteit meer produceert of als de productie te duur wordt, zal ons land zich in het buitenland moeten gaan voorzien. Door aldus uit kernenergie te stappen zal België zijn afhankelijkheid inzake energievoorziening vergroten. Het is zeer waarschijnlijk dat ons land dan een beroep zal doen op Frankrijk, dat een potentiële leverancier met een grote productiecapaciteit.

Spreker benadrukt dat in zo'n scenario we elektriciteit opgewekt uit kernenergie zouden invoeren. De invoer van elektriciteit zal investeringen vereisen met een hoge prijs zowel economisch als ecologisch gezien. Er zullen immers nieuwe hoogspanningslijnen moeten komen om deze bevoorrading mogelijk te maken, en anderzijds zal dat ook nog heel wat tijd vergen.

De heer Velge waarschuwt vervolgens tegen de gevolgen die het wetsontwerp kan hebben voor de competitiviteit van onze bedrijven ten aanzien van hun buitenlandse concurrenten in de buurlanden die bij hun productie hun energiefactuur laag kunnen houden.

Spreker meent dat er een paradox schuilt tussen het vaste voornemen van ons land dat de doelstellingen van het Kyoto-protocol inzake uitstoot van broeikasgassen wil halen en de beslissing om af te zien van kernenergie voor de industriële elektriciteitsproductie. De schatting is immers dat als men kernenergie door aardgas zou vervangen, de jaarlijkse CO2-uitstoot met 16 miljoen ton per jaar zou toenemen.

Spreker verwijst naar recente verklaringen van de eerste minister die vreest dat ons land de Kyoto-doelstellingen niet zal halen en CO2-emissierechten van Rusland zal moeten kopen. De heer Velge raamt de prijs van deze afkoop van het recht op verontreinigen op zowat 160 miljoen euro per jaar in 2030.

Tenslotte zal het afzien van nucleaire energie een negatieve invloed hebben op de elektriciteitsprijs. Volgens een studie die de KULeuven (Markal-model) heeft verricht, zal de elektriciteitsprijs in verhouding tot het BBP in de periode van 2000 tot 2030 met 2,7 % stijgen, in het geval dat de kerncentrales worden gesloten, terwijl die stijging tot 0,6 % beperkt blijft in een scenario waarbij onze kerncentrales blijven werken.

Met andere woorden afzien van kernenergie zal tot een verlies van 2,1 % van het BBP leiden. Ter vergelijking : de kosten van de belastingshervorming wordt op 1,3 % van het BBP geraamd en het zilverfonds tegen de vergrijzing van de bevolking op 0,7 % van het BBP.

Tot besluit voert de heer Velge aan dat er redenen zijn van economische, sociale en milieutechnische aard om zich te verzetten tegen de optie die de regering in voorliggend ontwerp verdedigt.

III. Uiteenzetting van de heer Laponche, internationaal expert in energiebeleid en energie-efficiëntie

Kernfysicus Laponche heeft vijftien jaar gewerkt rond de fysica van kernreactors en wijdde zich daarna aan de energieproblematiek. Begin jaren tachtig was hij directeur-generaal van het Franse Agentschap voor energiebeheersing waar hij zich bezighield met de alternatieve energiebronnen. Hij maakte ook deel uit van een comité van internationale deskundigen aangesteld door de regering wiens opdracht het was een kritische analyse te maken rond het onderzoek van de commissie Ampère.

In zijn betoog plaatst hij de problematiek van de uitstap uit kernenergie in het bredere kader van de energievraagstukken. Al te vaak valt voor het publiek zowel als voor de gezagsdragers energie samen met elektriciteit. De aangehaalde cijfers en de genoemde voorbeelden beperken zich dan ook tot de elektriciteitssector in plaats van een algemeen beeld te schetsen van de energieproblematiek.

De cijfers die de spreker citeert, belichten andere invalshoeken.

1. Aandeel van de elektronucleaire energie in het energieverbruik in België (1)

1.1. De elektriciteitsproductie

In 2001 was de totale elektriciteitsproductie in België goed voor 83,9 TWh bruto, waarvan 1,7 opgewekt uit waterkracht, 1,3 uit warmtepompen, 48,2 uit kernenergie en 34,0 geproduceerd door warmtekrachtcentrales (of warmtekrachtkoppeling) op fossiele brandstoffen (10,5 uit steenkool, 0,5 uit stookolie, 21,9 uit gas en 1,1 uit biomassa).

De evaluatie in toe (ton olie-equivalent) van het aandeel van de twee primaire energiebronnen ­ waterkracht en kernenergie ­ in het totale primaire energieverbruik, nodig om ze te vergelijken met het aandeel van fossiele energiebronnen, wordt gemaakt door substitutie : hoeveel fossiele brandstof is er in het modernste type van centrale nodig om de productie van beide energiebronnen te vervangen ?

Het modernste en op dit ogenblik wereldwijd het meest gebouwde type van elektriciteitscentrale is de centrale met gemengde cyclus (gecombineerd gebruik van een gasturbine en een stoomketel) op aardgas, met een rendement van 55 %.

Door die equivalentieregel op de primaire elektriciteit toe te passen (equivalentie met een centrale met gemengde cyclus op aardgas) en met inachtneming van de nettoproductie voor de bijdrage van kernenergie, namelijk 45,8 TWh, komt men tot een berekening van 7,2 Mtoe voor de primaire energie.

1.2. Primair energieverbruik

Onderstaande tabel verschaft cijfers over het primair energieverbruik in België (in Mtoe).

Steenkool
­
Charbon
Olie
­
Pétrole
Aardgas
­
Gaz naturel
Elektriciteit uit
kernenergie
­
Électricité
nucléaire
Elektriciteit uit
waterkracht
­
Électricité
hydraulique
Hernieuwbare
energieën (1)
­
Énergies
renouvelables (1)
Totaal
­
Total
7,4 24,6 12,7 7,2 0,3 0,5 52,7
14,0 % 46,8 % 24,1 % 13,7 % 0,5 % 0,9 % 100 %

(1) Thermische hernieuwbare energiebronnen : voornamelijk biomassa (hout) en afval.

Het aandeel van kernenergie in het primair energieverbruik bedraagt 14 %. De overwegende energiebron is aardolie (47 %), op grote afstand gevolgd door aardgas (24 %).

In termen van energie-afhankelijkheid : de fossiele brandstoffen zijn volledig ingevoerd en zijn goed voor 85 % van het totale primaire energieverbruik.

Op wereldvlak bedraagt de bijdrage van de kernenergie tot het totale primaire energieverbruik 4 % (zie bijlage).

Dat betekent dat op dit moment door het uiterst geringe aandeel van kernenergie deze energievorm geen beslissende rol kan spelen rekening houdend met de grote vraagstukken als energie-onafhankelijkheid of de opwarming van het klimaat. De beleidsopties moeten dus steunen op andere strategieën.

1.3. De uitstoot van koolzuurgas

De uitstoot of emissie van koolzuurgas (kooldioxide) wordt berekend op basis van waarden van energiegebruik (die worden verkregen door er het verbruik van fossiele brandstoffen voor niet-energetische doeleinden van af te trekken).

Deze emissies staan vermeld in onderstaande tabel. De CO2-uitstoot wordt uitgedrukt in tonnen CO2 (tCO2), of in tonnen koolstof (tC). De uitstoot van een ton koolstof is equivalent aan 3,67 ton CO2.

De waarden tussen haakjes verwijzen naar « voorkomen » emissies, op grond van de vervanging van een elektriciteitsproductie uit kernenergie of waterkracht door een centrale met gemengde cyclus op aardgas.

Energiebronnen
­
Énergies
Steenkool
­
Charbon
Olie
­
Pétrole
Aardgas
­
Gaz naturel
Elektriciteit
uit kernenergie
­
Électricité
nucléaire
Elektriciteit
uit waterkracht
­
Électricité
hydraulique
Biomassa
­
Biomasse
Totaal
­
Total
Energieverbruik. ­ Consommations énergétiques 7,2 19,4 12,3 7,2 0,3 0,5 46,9
Tonnen koolstof/toetC/toe. ­ Tonnes de carbone/Tep tC/tep 1,123 0,830 0,653 (0,653) (0,653) 0
Uitgestoten MtC. ­ MtC émises 8,1 16,1 8,0 (- 4,7) (- 0,2) 0 32,2
Uitgestoten MtCO2. ­ MtCO2 émises 29,2 59,1 29,4 (- 17,2) (- 0,7) 0 118,2
Aandeel ­ Part 25,1 % 50,0 % 24,9 % 100 %

Commentaar :

a) Elektriciteitsproductie uit kernenergie voorkomt een uitstoot van 17 miljoen ton koolzuurgas, terwijl de totale uitstoot gelijk is aan 118 miljoen ton. Elektronucleaire energie voorkomt dus 13 % CO2-uitstoot in een energiesysteem waarin de kerncentrales worden vervangen door centrales met gemengde cyclus op aardgas (17 : (118 + 17) = 0,13). Dat is niet niets, maar toch ruim onvoldoende om de curve van CO2-uitstoot duurzaam te doen dalen.

b) Als steenkool door aardgas wordt vervangen, bedragen de overeenstemmende emissies : 29,7 x (0,653 : 1,123) = 17,3 MtCO2.

Dat betekent dat de vermeden uitstoot door vervanging van steenkool door aardgas gelijk is aan de vermeden uitstoot door het gebruik van elektronucleaire energie.

Uit deze analyse blijkt dat er een zekere soepelheid bij de keuzes mogelijk is. Men mag niet aan 17 miljoen ton koolzuurgas voorkomen door kernenergie een doorslaggevend gewicht geven zoals vaak te horen is.

De huidige energie-afhankelijkheid van België of Europa is aanzienlijk wat betreft petroleum, wat ongeveer 50 % van het energieverbruik vertegenwoordigt. In geen enkel land met kernenergie is de proportie van heg olieverbruik per inwoner veel gedaald. Er werd niet geraakt aan de meest kwetsbare sector, die van het vervoer.

Als we de energie-afhankelijkheid willen doen afnemen, moet er een beleid van energieverbruikbeheersing worden op gang gebracht.

2. Het potentieel van de beheersing van het energieverbruik

De evaluatie van het potentieel van energieverbruikbeheersing werd gedaan op basis van scenario's voor de energievooruitzichten die in Frankrijk zijn onderzocht in het raam van de werkzaamheden van het Franse Algemeen Commissariaat voor het plan, gepubliceerd in september 1998.

2.1 Evaluatie voor Frankrijk

2.1.1 De scenario's van het Plan : S1, S2, S3

De werkgroep « Energie 2010-2020 » kwam in 1998 met drie verschillende visies op de toekomst inzake energie van Frankrijk, in de vorm van drie scenario's met als titel : « Marktgeleide maatschappij » S1, « Industriestaat » S2, « Milieuvriendelijke Staat » S3.

Deze drie scenario's gaan uit van dezelfde economische groeivoet (+ 2,3 % als jaargemiddelde over de periode), alsook van dezelfde hypothesen over de demografische evolutie en de evolutie van de energieprijzen. Ze onderscheiden zich voornamelijk door de sterke tendensen van het energiebeleid (ongeacht of dat van de regering komt dan wel het resultaat is van de actie van diverse spelers).

S1 legt de nadruk op de marktmechanismen met minder gewicht aan overheidsinterventie. Energie is dan een handelsgoed zoals elk ander, niet blootgesteld aan bijzondere verplichtingen wat betreft voorzieningszekerheid noch milieu-eisen (met name het broeikaseffect). Beleid en maatregelen ten gunste van energiebeheersing zijn in dit scenario minimaal. In dit scenario worden de kerncentrales vervangen door centrales met gemengde cyclus op aardgas, als ze aan het einde van hun levensduur zijn en stilgelegd worden.

Dat is interessant, want daaruit blijkt dat als België zijn kerncentrales sluit, het onjuist is te beweren dat het land dan zijn elektriciteit moet gaan invoeren. Die kan ook in België worden opgewekt met andere middelen. In die middelen kan precies worden voorzien als we voldoende lang vooruitlopen op die situatie.

In tegenstelling daarmee zet S2 de traditie voort van een sterke overheidsinterventie in het energiebeleid dat de elektriciteitsopwekking uit kernenergie begunstigt, maar zonder bijzondere inspanningen wat betreft de energiebeheersing.

S3 houdt een optie in die de milieuaspecten van een overheidsinterventie accentueert, met name de naleving van de verbintenissen van het Kyoto-protocol (beperking van de uitstoot van broeikasgassen).

2.1.2 Finaal energieverbruik in 2020

Per activiteit

Finaal energieverbruik Mtoe
­
Énergie finale Mtep
2000 S1 2020 S2 2020 S3 2020
Industrie ­ Landbouw. ­ Industrie ­ Agriculture 41,9 50,7 48,4 41,5
Gezinnen en tertiaire sector. ­ Résidentiel ­ Tertiaire 66,7 81,8 74,6 65,6
Vervoer. ­ Transports 49,4 76,9 69 56,1
Totaal. ­ Total 157,9 209,8 192 163,2

Per energieproduct

Finaal energieverbruik Mtoe
­
Énergie finale Mtep
2000 S1 2020 S2 2020 S3 2020
Olieproducten. ­ Produits pétroliers 74,2 100,2 89,2 73,2
Aardgas. ­ Gaz naturel 31 44,1 40,5 35,5
Steenkool. ­ Charbon 7,5 6,7 6,9 5,3
Elektriciteit. ­ Électricité 34 44,3 41,8 37,4
Hernieuwbare energie (zonder elektriciteit). ­ Énergies renouvelables (hors électricité) 11,2 13,9 13,6 11,8
Totaal. ­ Total 157,9 209,8 192 163,2

2.1.3 Evaluatie van het potentieel van de beheersing van het energieverbruik

De evaluatie van de potentialiteiten van de beheersing van energieverbruik in 2020 geschiedt door het energieverbruik in 2020 volgens de scenario's S1 en S3 te vergelijken.

Het verschil in finaal energieverbruik (het eindverbruik) bedraagt 46,6 Mtoe, namelijk 29,5 % van het totale finale energieverbruik in 2000.

In termen van besparingsmogelijkheden per sector staat het vervoer het hoogst geklasseerd met 20,8 Mtoe, gevolgd door gezinnen-tertiaire sector (16,2 Mtoe) en de industrie (9,2 Mtoe).

Wat betreft energieproducten kan de grootste besparing worden gedaan op olieproducten (27,0 Mtoe), gevolgd door aardgas (8,6 Mtoe) en elektriciteit (6,9 Mtoe, of 80 TWh, wat 20 % vertegenwoordigt van de finale elektriciteitsproductie in 2000).

2.2. Omgezet voor België

Het finale energieverbruik van België in 2000, exclusief toepassingen buiten de energiesector, staat in onderstaande tabel aangegeven (in Mtoe) :

Steenkool
­
Charbon
Olieproducten
­
Produits pétroliers
Gas
­
Gaz
Elektriciteit
­
Électricité
Biomassa
­
Biomasse
Totaal
­
Total
Industrie. ­ Industrie 3,6 2,3 4,1 3,3 13,3
Vervoer. ­ Transports 9,5 9,5
Gezinnen en tertiaire sector (*). ­ Résidentiel et tertiaire (*) 0,2 5,6 5,2 3,2 0,5 14,7
Totaal. ­ Total 3,8 17,4 9,3 6,5 (**) 0,5 37,5
Aandeel. ­ Part 10,1 % 46,5 % 24,8 % 17,3 % 1,3 % 100 %

(*) Met inbegrip van de landbouw.

(**) Ofwel 76 TWh.

De verdeling per product is zowat dezelfde als in Frankrijk, met als dominante energievorm, de olieproducten, die voor de twee landen 47 % bedraagt. De zeer sterke afhankelijkheid van het vervoer ten aanzien van olieproducten is dezelfde.

Als we de evaluatie van het potentieel van energieverbruikbeheersing, met name 30 % van het totale eindgebruik in 2020, naar België toe vertalen, dan krijgen we voor België een potentieel van om en bij 12 Mtoe.

Zo is het potentieel aan besparing op het eindverbruik in 2020 goed voor twee derden van het eindverbruik van gas en elektriciteit in 2000 : zo'n rijk potentieel vormt onbetwistbaar de belangrijkste energie-« ader » die België in de twee komende decennia kan aanboren.

In de mate dat elektronucleaire energie 56 % vertegenwoordigt van de aanbreng aan finale elektriciteit, bedraagt het aandeel daarvan in het finale energieverbruik 3,6 Mtoe : het besparingspotentieel op het finale energieverbruik vertegenwoordigt dus bijna vier maal de bijdrage van elektronucleaire energie aan elektriciteit in 2000.

Als dit beleid wordt gevolgd, kan men op zowat twintig jaar meer dan drie maal de huidige consumptie geleverd door elektronucleaire energie besparen op fossiele brandstoffen voornamelijk (85 % van het totale verbruik).

Het toepassen van een stringent beleid van energieverbruikbeheersing is dus wel degelijk de fundamentele politieke optie.

Voor België is deze optie nog belangrijker in de mate dat de totale indicatoren van energieverbruik van het land relatief hoog zijn in vergelijking met de Europese Unie. De volgende tabel laat toe de finale energieverbruiken per inwoner en de finale energie-intensiteiten (verhouding van het finale energieverbruik tot het bruto binnenlands product) in 2000 te vergelijken.

Europese Unie
­
Union européenne
België
­
Belgique
Frankrijk
­
France
Bevolking (in miljoenen). ­ Population (millions) 381 10,30 59,2
BBP (in miljarden euro 90). ­ PIB (milliard d'euros 90) 6 467 184,4 1 130
BBP/inwoner (1 000 euro 90). ­ PIB/habitant (1 000 euros 90) 17,0 17,9 19,0
Finaal energieverbruik (Mtoe). ­ Consommation énergie finale (Mtep) 957 37,5 150,0
Finaal verbruik per inwoner (toe). ­ Consommation énergie finale par habitant (tep) 2,51 3,64 2,53
Finale intensiteit energie (toe/1 000 euro). ­ Intensité énergétique finale (tep/1 000 euros) 0,148 0,203 0,133
Eindverbruik elektriciteit (TWh). ­ Consommation finale d'électricité (TWh) 2 205 79 386
Eindverbruik elektriciteit per inwoner (1000 kWh). ­ Consommation finale d'électricité par habitant (1000 kWh) 5,79 7,67 6,52
Intensiteit elektriciteit (*). ­ Intensité électrique (*) 0,34 0,428 0,34

Bron : « European energy outlook to 2020 » ­ Europese Commissie ­ november 1999.

(*) Verhouding van het finaal elektriciteitsverbruik tot het BBP.

De intensiteitswaarden van energie en elektriciteit liggen in België duidelijk hoger dan in de Europese Unie. Dat is te verklaren door structurele verschillen (relatief hoger gewicht van de industrie in België) maar ook door het bestaan van een hoog potentieel van energieverbruikbeheersing in alle sectoren van de economische en sociale activiteit.

Er kan worden aangenomen dat voor zover de finale energie-intensiteit van Frankrijk in de buurt komt van die van de Europese Unie, het relatief potentieel van de beheersing van het energiegebruik voor België hoger is dan voor Frankrijk.

3. Het broeikaseffect

De impact van de elektriciteitsopwekking uit kernenergie op het milieu beperkt zich niet tot het vraagstuk van het broeikaseffect. Het is duidelijk dat elke energiebron voordelen biedt wat sommige milieuaspecten betreft en ook nadelen wat betreft andere aspecten. Zo kunnen voorstanders van steenkool aanvoeren dat deze energiebron weinig plutonium produceert.

Kernenergie mag dan al voor minder CO2-uitstoot dan fossiele energiebronnen zorgen, bij een totale beoordeling van de milieuaspecten zijn ook de kwesties van de nucleaire veiligheid en het kernafval, met name op lange termijn, belangrijk.

Vanuit dit oogpunt bestaat de enige manier om de situatie te veranderen erin een beleid te voeren dat gericht is op de beheersing van het energieverbruik.

Aanvullende informatie

Het aandeel van elektronucleaire energie in de wereld (2)

1. Het energieverbruik op wereldvlak in 2000 en
het aandeel van de elektronucleaire energie

De energiebronnen die in de wereld worden gebruikt zijn : fossiele brandstoffen (steenkool, aardolie, aardgas), thermische hernieuwbare energiebronnen (vooral biomassa : hout en afval; zonnewarmte) en (zogenaamde primaire) elektriciteit opgewekt uit kernenergie of uit hernieuwbare energiebronnen waarvan de belangrijkste waterkracht is (3).

Een groot deel van de fossiele brandstoffen wordt gebruikt voor de elektriciteitsproductie (zogenaamde secundaire elektriciteit).

Het wereldverbruik van fossiele brandstoffen en van biomassa bedraagt in 2000, uitgedrukt in Mtoe (miljoen ton olie-equivalent) :

Steenkool : 2 341

Aardolie : 3 477

Aardgas : 2 102

Biomassa : 1 095

In 2000 was de wereldproductie van elektriciteit goed voor 15 379 TWh (TeraWatt.uur of miljard kWh), op de volgende wijze uitgesplitst per energiebron :

Steenkool : 39,1 %

Aardgas : 17,4 %

Olie-producten : 7,9 %

Waterkracht : 17,1 %

Kernenergie : 16,9 %

Andere hernieuwbare energiebronnen * : 1,6%

* Windenergie, aardwarmte (geothermische energie) en zonne-energie.

De productie uit hernieuwbare energie en de productie uit kernenergie bedragen respectievelijk 2876 TWh en 2592 TWh.

De evaluatie in toe (ton olie-equivalent) van het aandeel van deze twee primaire energiebronnen in het totale primaire energieverbruik, nodig om ze te vergelijken met het aandeel van fossiele energiebronnen en biomassa, wordt gemaakt door substitutie : hoeveel fossiele brandstof is er in het modernste type van centrale nodig om de productie van beide energiebronnen te vervangen ?

Het modernste en op dit ogenblik wereldwijd het meest gebouwde type van elektriciteitscentrale is de centrale met gemengde cyclus (gecombineerd gebruik van een gasturbine en een stoomketel) op aardgas, met een rendement van 55 %.

Aldus vervangt de bijdrage van elektriciteit uit hernieuwbare bron 450 Mtoe aan fossiele brandstof en de bijdrage van elektriciteit uit kernenergie 406 Mtoe aan fossiele brandstof. Hun bijdrage aan de primaire energiebalans bedraagt dus respectievelijk 450 en 406 Mtoe.

De totale hoeveelheid op wereldvlak verbruikte primaire energie bedraagt dus in 2000, uitgedrukt in Mtoe :

Steenkool
­
Charbon
Aardolie
­
Pétrole
Aardgas
­
Gaz naturel
Biomassa
­
Biomasse
Elektriciteit
uit hernieuwbare
energie
­
Electricité
origine
renouvelable
Elektriciteit
uit
kernenergie
­
Electricité
origine
nucléaire
Totaal
­
Total
2 341 3 477 2 102 1 095 450 406 9 871
23,7 % 35,2 % 21,3 % 11,1 % 4,6 %* 4,1 % 100 %

* Waarvan 4,2 % waterkracht.

Aldus is het aandeel van kernenergie in de wereldenergieproductie goed voor 4,1 %. De vervanging van bestaande kerncentrales door centrales op aardgas zou dit aandeel doen toenemen van 21 % tot 25 %, wat geen aanzienlijke stijging betekent.

2. Energieverbruik en aandeel van elektronucleaire energie
in de Europese Unie

Volgens dezelfde redenering kunnen we nu het aandeel van de elektronucleaire energie alsook van de primaire elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen (waterkracht en windenergie) voor de Europese Unie.

De elektriciteitsproductie in 2000 ziet er als volgt uit (in TWh) :

Thermische energie *
­
Énergie thermique *
Kernenergie
­
Énergie nucléaire
Waterkracht &
windenergie
­
Hydraulique &
énergie éolienne
Totaal
­
Total
1 344 880 338 2 562
53 % 34 % 13 % 100 %

* Fossiele brandstoffen en biomassa.

De berekening van de equivalentie door substitutie (centrale met gemengde cyclus op aardgas) levert ons een waarde op van 138 Mtoe voor elektriciteitsopwekking uit kernenergie en 53 Mtoe voor elektriciteitsopwekking uit waterkracht en windenergie samen.

Hieronder het primair energieverbruik (in Mtoe) :

Steenkool
­
Charbon
Aardolie
­
Pétrole
Aardgas
­
Gaz naturel
Biomassa
­
Biomasse
Elektriciteit
uit
kernenergie
­
Electricité
d'origine
nucléaire
Elektriciteit
uit hernieuwbare
energie
­
Electricité
d'origine
renouvelable
Totaal
­
Total
207 606 338 47 138 53 1 389
14,9 % 43,7 % 24,3 % 3,4 % 9,9 % 3,8 % 100 %

3. Elektriciteit uit kernenergie wereldwijd

De wereldproductie van elektriciteit uit kernenergie bedraagt 2 592 TWh in 2000. Tien landen produceren daar 87 % van : Verenigde Staten, Frankrijk, Japan, Duitsland, Rusland, Zuid-Korea, Verenigd Koninkrijk, Oekraïne Canada, Spanje. De eerste drie zorgen voor 59 % van de productie : Verenigde Staten (31 %), Frankrijk (16 %), Japan (12 %).

Het aandeel van elektriciteit uit kernenergie in de totale elektriciteitsproductie van deze tien landen is als volgt :

Frankrijk : 77 %

Oekraïne : 45 %

Zuid-Korea : 37 %

Duitsland : 30 %

Japan : 30 %

Spanje : 28 %

Verenigd Koninkrijk : 23 %

Verenigde Staten : 20 %

Rusland : 15 %

Canada : 12 %

Onder de grote industrielanden neemt Frankrijk een zeer aparte plaats in. De productie van Frankrijk vertegenwoordigt de helft van de productie van de Europese Unie.

Uit de evolutie van de wereldwijd geïnstalleerde elektronucleaire capaciteit blijkt een relatieve stagnatie wat betreft de ontwikkeling van deze energievorm.

De geïnstalleerde capaciteit is spectaculair toegenomen tussen 1965 (6 000 MW) en 1985 (254 000 MW), en heeft zich vervolgens gestabiliseerd : 328 000 MW in 1990, 346 000 MW in 1995 en 357 000 MW in 2000.

In 2000 noteren we nieuwe kernreactors voor elektriciteitsopwekking voor een nettovermogen van 2 815 MW, terwijl de nettocapaciteit van definitief stopgezette reactors goed was voor 2 614 MW. Datzelfde jaar is er maar één eenheid ter wereld, in China en goed voor 950 MW, waar werken worden aangevat (4).

IV. UITEENZETTING DOOR L. MAMPAEY, DIRECTEUR VAN DE KERNCENTRALE VAN DOEL

De gegevens waarover vaak wordt gedebatteerd in het raam van de problematiek van de uitstap uit kernenergie tonen aan dat er voor het sluiten van de bestaande kerncentrales geen enkele reden noch van technische noch van economische noch van ecologische aard kan worden aangevoerd.

Technisch gezien werken de centrales, naast het dagelijks en jaarlijks onderhoud dat nazichten en testen omvat, volgens een revisiesysteem om de tien jaar waarin zowel de eigen ervaring als die van de rest van de wereld wordt in aanmerking genomen. Er wordt rekening gehouden met eventuele nieuwe regelgevingen die in die periode van kracht werden en met de verouderingsverschijnselen van de centrale.

De lijst van de te behandelen onderwerpen bij de tienjaarlijkse revisie wordt samen met het studiebureau Tractebel en met een erkende instelling opgesteld. Een samenvattend rapport wordt dan ter goedkeuring voorgelegd aan het Federaal Agentschap voor nucleaire controle. Het kan leiden tot wijzigingen aan de procedures of de installaties en zelfs tot het vervangen van onderdelen.

In sommige landen, onder andere de Verenigde Staten, krijgen kerncentrales een vergunning die zestig jaar geldig blijft.

Vanuit economisch oogpunt produceren kerncentrales elektriciteit tegen de laagste marktprijs. In die prijs zijn de ontmantelingskosten en de kosten van de afvalverwerking begrepen.

Het uranium wordt betrokken uit verschillende regio's van de wereld, die zich kenmerken door hun geopolitieke stabiliteit (Verenigde Staten, Canada, ...). De uraniumprijs is in het verleden steeds stabiel gebleven en van de grondstof kan voor vele jaren gemakkelijk een voorraad worden aangelegd.

Vanuit milieustandpunt laten de kerncentrales geen broeikasgassen vrijkomen en wordt jaarlijks 30 000 000 ton CO2-uitstoot voorkomen. Maar er is natuurlijk ook de problematiek van het kernafval. Het technische aspect van de verwerking van nucleair afval is veel minder onbelangrijk dan men gewoonlijk aanneemt. De behandeling van kernafval is essentieel gebaseerd op concentratie en opslag ervan, terwijl het meeste industrieel afval in het milieu terechtkomt, hoewel verdund tot onder de van kracht zijnde normen.

Er bestaan technisch betrouwbare oplossingen voor laagactief afval. Laagactief afval is niet langer actief na verloop van 300 jaar. Voor hoogactief afval worden er momenteel proeven gedaan. België is trouwens zeer deskundig op dit gebied. Proeven tonen aan dat technische oplossingen toegepast op hoogactief afval efficiënt zijn. Het betreft opslag op grote diepte in ondoordringbare klei, ver verwijderd van de grondwaterspiegel. Hoogactief kernafval blijft 10 000 jaar actief. Dat lijkt zeer lang in vergelijking met een mensenleven maar in werkelijkheid is dat een korte periode uitgezet op de tijdschaal van de stabiele aardelagen. Ook uit de natuur zelf kunnen we leren : zo zijn er in Gabon natuurlijke uraniumafzettingen gevonden die enkele miljoenen jaren geleden gedurende duizenden jaren actief waren, zonder afsluiting of beschotwerk, maar vrij in de natuur.

De gecumuleerde hoeveelheid kernafval van het Belgische productiepark over een periode van 40 jaar (wat overeenstemt met de helft van de Belgische elektriciteitsproductie in 40 jaar) is gering. Ze kan worden vergeleken met een voetbalveld, maar dan zes meter hoog. Eén meter hoogte vertegenwoordigt het hoog- en middelactief afval, drie en een halve meter hoogte wordt gevormd door middelactief afval afkomstig van de ontmanteling en twee meter vertegenwoordigt het laagactief afval. Gezien de vaste termijn voor ontmanteling die in elk geval zal plaatsvinden, zal de afvalhoeveelheid die op 60 jaar wordt geproduceerd niet erg veel meer zijn dan op 40 jaar.

De uitstap uit kernenergie heeft mogelijke gevolgen. Men spreekt over mogelijke gevolgen omdat er nog geen duidelijkheid heerst over alle gevolgen en omdat in de economie nooit zekerheid kan bestaan over consequenties op een termijn van 15 tot 20 jaar.

Vandaag beschikken we over 58 % elektriciteitsopwekking uit kernenergie. Het is andere moderne landen niet gelukt om de vraag te doen afnemen. Als de kerncentrales in België dichtgaan, zullen we dus andere productiemiddelen moeten zoeken of we zullen moeten importeren. Het is geen eenvoudige beslissing en het marktmechanisme zal daarbij doorslaggevend zijn.

Hernieuwbare energiebronnen zullen zeker een rol spelen. Maar het potentieel is beperkt tot 10 % waarvan 5,4 % windkracht en 0,5 % zonne-energie. Windkracht en zonnewarmte zijn echter veranderlijk, dus als men zekerheid van levering wil, zal er ook voor back-up moeten worden gezorgd. Men moet dan ook elektriciteit kunnen leveren wanneer het windstil is en er moet worden voorzien in back-upcentrales.

Energie uit gas en steenkool is duurder dan kernenergie.

Op het gebied van de invoer hanteert Europa het beginsel van de vrije concurrentie. Het is dus mogelijk dat de transportcapaciteiten over de grenzen in de toekomst zouden toenemen. Het is bijgevolg niet uitgesloten dat op termijn de Belgische kernenergie zou worden vervangen door Franse kernenergie, wat zeker niet de bedoeling is.

De elektriciteitsprijs zal waarschijnlijk stijgen. Het opstapelen van de eenheden levert immers een breed goedkoop segment op. Gas en steenkool zullen schaarser worden en dus duurder. Het gasverbruik zal toenemen met als gevolg dat er een duidelijk omvangrijkere infrastructuur moet komen.

Bovendien zullen we voor de gasleveringen steeds meer afhankelijk worden van het buitenland. De commissaris bevoegd voor Energie en Vervoer bij de Europese Commissie heeft daarvoor al vaker gewaarschuwd. Ze is ervan overtuigd dat als Europa het pad van de kernenergie verlaat, we voor 80 % zullen afhankelijk zijn van Rusland en het Midden-Oosten voor de energievoorziening.

Het vraagstuk van de CO2-uitstoot is al uitgebreid aan de orde geweest. De doelstellingen van het Kyoto-protocol moeten tegen 2012 gehaald worden, terwijl de kerncentrales in 2015 buiten werking zullen zijn. Welnu, pas tegen die tijd zullen de broeikasgassen werkelijk beginnen af te nemen.

En tenslotte mag ook de werkgelegenheid niet over het hoofd worden gezien. Zo'n 2 000 mensen werken in de kerncentrales en alles samen zijn 7 000 werknemers actief in de nucleaire sector. Het is duidelijk dat er tijdens de ontmanteling nog mensen nodig zijn, hoewel het natuurlijk alleen werknemers betreft met de daartoe vereiste opleiding.

Onderzoek van de situatie in de wereld

Er zijn 440 kerncentrales in de wereld, verdeeld over 31 landen. Alles samen vertegenwoordigt dit 16 % elektriciteit uit kernenergie. In Azië is men nooit gestopt met kernenergie. Zuid-Korea heeft bijvoorbeeld al 20 centrales en gaat verder uitbreiden. Dit land beschikt over een zeer volwassen kernindustrie en verkrijgt uitstekende resultaten. In de VS zullen dit decennium nog nieuwe kerncentrales worden gebouwd. Frankrijk is voor 75 % exporteur.

In Nederland heeft het er lang naar uitgezien dat de kerncentrale van Borssele zou sluiten maar krachtens een besluit van de rechtbank blijft de centrale open.

In het Verenigd Koninkrijk wordt kernenergie nog steeds beschouwd als een van de belangrijke componenten van het energiebeleid.

In Duitsland werd de beslissing genomen om uit de kernenergie te stappen en thans wordt er met quota's gewerkt tot 2020. Het is echter niet bekend of er al alternatieve oplossingen zijn ontwikkeld.

In Zwitserland werd een volksraadpleging gehouden over de kerncentrale van Mühleberg, waarvan de uitslag positief was voor de voortzetting van de activiteiten. Finland besloot een nieuwe kerncentrale te bouwen. Zweden besloot al in 1980 tien jaar lang uit de kernenergie te stappen. Maar 23 jaar later werd alleen de centrale Barsebäck 1 gesloten, terwijl de sluiting van de Barsebäck 2 werd uitgesteld. In Spanje geldt een moratorium tot 2010, terwijl Italië al lang uit de kernenergie is gestapt en importeert.

Tot slot is het interessant om de resultaten te kennen van een enquête die in de EG werd gevoerd bij 16 000 inwoners.

De gemiddelde uitslag is ongeveer 50 % pro kernenergie op voorwaarde dat de afvalproblematiek zou worden opgelost, 25,5 % is tegen en 24 % heeft geen mening. In België is 60 % voor kernenergie, 17 % tegen en 23 % heeft geen mening. Er is slechts één land in Europa met een antinucleaire meerderheid, en dat is Oostenrijk.

Spreker wenst af te ronden met de volgende opmerkingen : het gebruikte procédé, met name de druk-waterreactor, is een volwassen technologie met een goede reputatie inzake veiligheid. Er zijn zo'n 6 000 reactors van dit type in de wereld voorhanden.

Het kernafvaldossier is technisch stevig onderbouwd. De hoeveelheid afval is niet geweldig groot en de exploitatieduur is maar van geringe invloed op die hoeveelheden.

De aanvaarding van het kernafval door het publiek blijft echter een probleem.

En wat het proliferatieprobleem betreft, dat is voor onze centrales niet zo hoog en bovendien wordt het niet beïnvloed door de exploitatieduur.

Zonder kerncentrales zal het probleem van de CO2-uitstoot toenemen.

De bestaande kerncentrales zijn vanuit economisch oogpunt zeer interessant.

Indien we in België zouden beslissen uit de kernenergie te stappen volgt ons land niet de algemene wereldtendens want de meeste landen blijven het nucleaire pad bewandelen.

En tot slot : uit de EG-enquête blijkt dat de publieke opinie wellicht minder tegen kernenergie is gekant dan men meestal aanneemt.

V. UITEENZETTING VAN DE HEER FELTEN, INTERNATIONAAL DIRECTEUR VAN AREVA

De vennootschap Areva groepeert onder één holding de Framatome anp en Cogéma, met name de gehele Franse nucleaire sector vanaf de uraniummijn tot het verpakken van afval via de bouw van reactors. In die hoedanigheid is Areva sterk betrokken bij alle vragen die vandaag rijzen. Vooraf is het goed het standpunt van Areva kort samen te vatten over enkele belangrijke punten.

1) Kernenergie in de wereld

De kijk op kernenergie varieert van land tot land, van werelddeel tot werelddeel, maar uit de analyse blijkt dat ondanks de recente ontwikkelingen in Europa, die kijk veeleer gunstig evolueert.

Als we bij Azië beginnen, moeten we vaststellen dat het engagement in kernenergie van de landen in deze zone sterker is dan ooit en dat er nog steeds nieuwe reactors worden gebouwd. Japan (43,5 geïnstalleerde GWe) blijft zijn uitrustingsprogramma onverminderd uitvoeren, voornamelijk met kokend-waterreactors, en voorziet de bouw van 10 nieuwe eenheden van 1 000 MWe in de komende 10 jaar. Taiwan heeft zes reactors in gebruik en is bezig met de bouw van twee andere. Zuid-Korea zet een ambitieus voort met 14,8 GWe in werking en 7 eenheden van 1 000 MWe die in de komende 10 jaar worden gebouwd. En in China, die zijn energiebehoeften zeer snel ziet toenemen door de uiterst snelle economische ontwikkeling heeft al zes reactors in gebruik (zo'n 5 000 MWe), waarvan vier geleverd door Areva en een andere gebouwd met onze technologie, en er zijn er vijf andere in aanbouw, voor een totaal aan 3 400 MWe. Het land hoopt zijn uitrusting voor te zetten met de aankondiging van de bouw van een extra 20 000 MWe in de komende vijftien à twintig jaar. Andere landen in de Aziatische zone interesseren zich sterk voor kernenergie, onder meer Indië dat in een volumerijk zelfvoorzieningsprogramma blijft investeren : alles samen zo'n 2 500 MWe in gebruik en 5 000 in aanbouw of gepland voor de volgende tien jaar.

Op de langere termijn hebben ook Viëtnam en Indonesië belangstelling voor deze technologie en zijn ze al begonnen met het opleiden van onderzoekers om zich voor te bereiden op een programma dat in het volgende decennium zal worden gestart.

Op het Amerikaans continent is de situatie de jongste jaren volledig veranderd in de Verenigde Staten waar kernenergie weer aan een opmars bezig is. Het kerncentralepark van dit land, dat 103 reactors in bedrijf telt, heeft zijn prestaties zo sterk verbeterd dat de hoeveelheid extra geproduceerde energie in de jongste tien jaar overeenstemt met de inzet van 20 nieuwe reactors van 1 000 MW.

Bovendien hebben de Amerikaanse elektriciteitsbedrijven een programma op stapel gezet voor de verlenging van de levensduur van hun centrales, waarvan een tiental al een vergunning kreeg om tot zestig jaar te werken. Terzijde stippen we aan dat de meeste moderne reactors, als ze goed onderhouden zijn en regelmatig aangepast aan de recente technologische ontwikkelingen, en dat geldt voor de Belgische reactors, veel langer dan 40 jaar kunnen werken. Die verlenging vereist een bijkomende investering in onderhoud en maintenance, maar die veel lager is dan investeren in een nieuwe productie-eenheid van welke aard ook.

En nog terzijde : de exploitatie over zulke lage periodes van reactors waarvan de investering al afgeschreven is, is economisch gezien uiterst gunstig. In de Verenigde Staten produceren sommige reactors in deze omstandigheden stroom tegen minder dan 1,5 dollarcent/kWh.

De Amerikaanse overheid gaat samen met de industrie voor 2010 twee nieuwe reactorprototypes lanceren om de uitbreiding van het kerncentralepark in het volgend decennium voor te bereiden.

In Zuid-Amerika rondt Brazilië, dat vandaag twee kokende-waterreactors in gebruik heeft, de bouw van een derde reactor af, waarvan de werkzaamheden hebben stilgelegen. Dit land dat grotendeels in zijn behoeften voorziet met milieuvriendelijke waterkrachtcentrales, is zich echter bewust van de nadelen van slechts één energiebron die bovendien afhankelijk is van de grillen van het weer. Tijdens jaren met geringe regenval had het land immers problemen met de elektriciteitsbevoorrading, omdat de bekkens aan de stuwdammen niet normaal gevuld waren.

De situatie in Europa op dit moment is uiteraard contrastrijker. Zweden in 1980, Duitsland onlangs en België vandaag hebben besloten of overwegen uit kernenergie te stappen.

Nemen we het geval van Zweden, het oudste voorbeeld, en waar al ervaring is opgedaan. De beslissing werd in 1980 genomen en alle reactors moesten vóór 2010 worden stilgelegd. Vandaag is er precies een enkele stopgezet, ten koste van de import van elektriciteit uit Denemarken dat om deze elektriciteit te leveren zijn steenkoolcentrales heeft geactiveerd. De tweede reactor die aan de beurt is, zal wellicht niet worden stilgelegd vanwege het gebrek aan vervangingsbronnen en voor de overige besloot de regering zonder meer de datum van 2010 te vergeten. De reactors zullen in gebruik blijven zolang ze economisch leefbaar en veilig zijn.

Hoewel verschillend lijkt het Duitse voorbeeld toch een beetje op dat van Zweden, voor zover dat de vandaag genomen beslissing pas op relatief lange termijn volledig zal worden uitgevoerd en vooral dat er niets voorzien is om de eenheden (30 % van de elektriciteitsproductie van het land) te vervangen tenzij dan een grote inspanning te leveren om hernieuwbare energiebronnen aan te boren. Die kunnen inderdaad een rol spelen, maar er zijn nadelen wat betreft hun prijs en beschikbaarheid waardoor ze geen te groot aandeel mogen krijgen in en energievoorziening van een land. De recente beslissing van Denemarken om de windmolenparken niet langer te subsidiëren, waardoor een aantal projecten werd stopgezet, illustreren dat.

Omgekeerd zijn er ook Europese landen die resoluut kiezen of blijven kiezen voor kernenergie.

Finland is daar een goed voorbeeld van; de beslissing om een vijfde reactor te bouwen werd ingegeven door redenen van energie-onafhankelijkheid en milieubescherming. Frankrijk blijft natuurlijk ook een groot voorstander van kernenergie : op dit moment wordt de bouw van een nieuwe eenheid van 1 500 MW onderzocht. Het gaat om een geavanceerde technologie die in het komende decennium de vernieuwing van de oudste centrales gaat voorbereiden.

In Groot-Brittannië wordt er een open debat gevoerd over de mogelijkheid om weer kernenergie te gaan gebruiken en ook in Italië komt er weer interesse voor de reactortypes van de jongste generatie.

Om dit hoofdstuk te besluiten, zou ik gewoon zeggen dat wij voor ons part ervan overtuigd zijn dat ten aanzien van de geweldige energiebehoeften die nodig zijn voor de ontwikkeling van tal van landen (totale stijging van het energieverbruik : zowat 50 % in de periode tot 2050 en wellicht nog meer voor elektriciteit), met niet in het minst China, de vraag naar elektriciteit onvermijdelijk zal stijgen en dat alle energiebronnen zullen moeten worden aangeboord. De hernieuwbare duurzame energiebronnen maken daar zeker deel van uit, overal waar dat mogelijk is, en ons bedrijf produceert naast kerncentrales ook windmolens. Wij beweren niet dat kernenergie alleen de oplossing is voor alle energieproblemen, maar ze is wel een deel van de oplossing.

2) Geplande toekomstige ontwikkelingen en vooruitgang van de technologie

De technologie van de kernreactors en de splijtingsketen is naar steeds meer veiligheid, een betere besparing en een steeds geringere afvalproductie per geleverde energie-eenheid blijven evolueren.

Inzake reactors zijn nieuwe modellen in ontwikkeling op middellange termijn en andere op lange termijn.

Op middellange termijn zijn de nieuwe reactors gebaseerd op beproefde en steeds verder vervolmaakte technologieën. Het gaat vooral op het gebied van druk-waterreactors, om modellen als de EPR (European Pressurized Reactor), indertijd gezamenlijk ontwikkeld door Framatome en Siemens, vandaag door Framatome anp met de medewerking van Europese elektriciteitsbedrijven, de modellen AP 600 of AP 1000 ontwikkeld in de Verenigde Staten en geavanceerde kokend-waterreactors, ontwikkeld door de Verenigde Staten en Japan en model SWR 1000, ook door Framatome anp ontwikkeld.

Naast deze modellen die bijna of helemaal bouwklaar zijn, werkt men aan de ontwikkeling van reactormodellen die niet alleen elektriciteit kunnen leveren maar ook warmte voor diverse industrietoepassingen (industriële warmte of warmte voor de productie van stikstof bijvoorbeeld). Verscheidene landen werken aan de ontwikkeling van deze kleinere en modulaire modellen die in het komend decennium op industriële schaal kunnen worden geproduceerd na de bouw van een prototype bij het eind van dit decennium.

Op nog langere termijn (2030/2040) wordt er internationaal onderzoek verricht naar reactors van de nieuwe generatie, de zogenaamde Generatie IV, waarvan de kenmerken qua veiligheid, zuinigheid, bestandheid tegen proliferatie en, afvalproductie bijzonder gunstig zijn. De Verenigde Staten zijn zeer dynamisch op dat gebied, met alle Europese landen en Japan maar er wordt ook nog studiewerk verricht in het kader van het IAEA in Wenen, met name wat betreft de bestandheid tegen proliferatie.

Inzake de splijtstofcyclus is er aanzienlijk veel vooruitgang geboekt en in de laboratoria wordt daar verder aan gewerkt.

Op het vlak van het concept van de splijtstof is er de jongste jaren een belangrijke doorbraak geweest inzake het verbrandingspercentage (hoeveelheid herwonnen energie in de splijtstof) wat betekent dat er steeds een grotere fractie van de energie die in de splijtstof vervat zit wordt gebruikt. De levensduur van de cyclussen wordt langer, zodat de reactors minder vaak stilgelegd moeten worden om de brandstof weer op te laden, waardoor de energieproductie per jaar toeneemt. Voor landen waar de optie van de opwerking werd gekozen werden er Mox-grondstoffen ontwikkeld om het energiepotenieel dat in plutonium vervat zit en bij de opwerking gescheiden wordt te gebruiken.

Inzake radioactief afval, onder meer afkomstig uit opwerking, is er belangrijk onderzoekswerk aan de gang om sommige elementen met een lange levensduur in afval uit opwerking te scheiden en ze in aangepaste reactors te bestralen om ze om te vormen tot elementen met een veel kortere levensduur. De wetenschappelijke haalbaarheid is al aangetoond en vandaag werken we aan procédés met het oog op industrietoepassingen. Als die programma's slagen, dan zal er een aanzienlijke stap zijn gezet naar een zeer elegante oplossing van het hoogactief afvalprobleem.

3) Voorzieningszekerheid

Voorzieningszekerheid bestaat erin dat een land of een groep landen op elk moment over energiebronnen in voldoende hoeveelheden tegen redelijke en competitieve prijzen kan beschikken. Vanuit dat oogpunt is kernenergie bijzonder goed geplaatst voor de productie van elektriciteit.

a) Beschikbaarheid van energiebronnen

Toegespitst op Europa, kunnen we zeggen dat dit continent op zijn grondgebied alle onderdelen van de nucleaire technologie beheerst, vanaf de omzetting van uraniumerts in de diverse stadia met inbegrip van de verrijking, tot het ontwerp en de bouw van reactors, de recycling van de brandstof voor wie deze optie heeft gekozen en de uiteindelijke opslag van het kernafval. Op dat gebied hebben we ons eigen lot in handen. Waar we wel afhankelijk van zijn is de productie van natuurlijk uranium. Het is wel zo, en op dat vlak is onze veiligheid gewaarborgd, dat de voornaamste uraniummijnen zich in politiek en sociaal stabiele zones van de planeet bevinden.

De belangrijkste producenten zijn Canada en Australië, uiteraard politiek stabiele gebieden en waarin Europese bedrijven zoals Cogéma belangen hebben in mijnen die ze rechtstreeks controleren. Die situatie staat in contrast met die van petroleum waarvan de wereldvoorraden zich grotendeels in het Midden-Oosten en rond de Kaspische Zee bevinden. De gebeurtenissen die zich vandaag in de Perzische Golf afspelen, geven een idee van de kwetsbaarheid van onze bevoorrading in olie.

Anderzijds als daar behoefte aan is, is het relatief gemakkelijk, gezien de geringe benodigde volumes, de brandstof voor een aantal jaren (30 ton brandstof per reactor en per jaar) op te slaan, maar dat heeft zijn prijs. Voor olie is opslag ondenkbaar gezien de hoge volumes en voor gas is dat nog moeilijker.

b) Economische aspecten

De economische aspecten en de vergelijking daarvan tussen de diverse energiebronnen variëren sterk van land tot land wegens de lokale omstandigheden. Daarom zijn de elementen waarover ik u nu zal spreken voornamelijk die van Frankrijk, met enkele elementen betreffende andere landen.

De structuur van de prijs per kWh in Frankrijk bedraagt in eurocent voor de productie-eenheden die in 2015 in bedrijf zullen zijn :

Investeringen
­
Investissements
Exploitatie
­
Exploitation
Brandstof
­
Combustible
Externe factoren
­
Extern
Totaal
­
Total
Kernenergie ­ Nucléaire 1,1 0,7 0,6 0,4(*) 2,8
Gas (3 dollar Mbtu) ­ Gaz (3 dollars Mbtu) 0,5 0,4 2,5 1,3-2,3 4,7-5,7

(*) Externe factoren berekend door een externe studie met de steun van de Europese Commissie.

Deze cijfers, die Franse ramingen zijn, tonen aan dat er in identieke omstandigheden met een actualiseringspercentage van 5 % een duidelijk voordeel is voor kernenergie ten opzichte van gas.

In de prijs van kernenergie zijn bovendien begrepen de kosten van de ontmanteling van de installaties en de opslag van het resulterend radioactief afval alsook het kernafval van de centrales en de verwerking en de uiteindelijke opslag van afval uit de opwerking van de splijtstof. Dat is de reden waarom de kosten voor externe factoren zo gering is voor kernenergie ten opzichte van gas.

4) Andere aspecten vanuit het oogpunt van een duurzame ontwikkeling

Bovenstaande economische elementen zijn van wezenlijk belang voor een duurzame ontwikkeling waaraan kernenergie een bijdrage kan leveren. Maar ook afgewogen tegen andere criteria van duurzame ontwikkeling doet deze energie het goed. Hieronder volgen enkele aspecten :

Milieu : Het ontbreken van uitstoot van broeikasgassen plaatst kernenergie in een uitstekende positie tegenover de concurrerende energievormen. Het voorbeeld van Frankrijk leert dat het kernenergieprogramma aldaar de emissies van broeikasgassen met 70 % heeft doen dalen in vergelijking met een oplossing met gebruik van fossiele brandstoffen. De uitstoot per inwoner bedraagt vandaag, zonder onderscheid van bronnen, 1,8 t CO2 voor de Verenigde Staten en 3,2 in België.

Sociale factor : Het sociale prijskaartje van een energievorm kan worden geraamd en de cijfers die we thans bezitten tonen aan dat kernenergie 0,2 à 0,7 eurocent/kWh aan arbeidskosten kost tegen 2 à 15 voor steenkool en 1 à 4 voor aardgas.

Radioactief afval : Dit onderwerp wordt vaak genoemd als het over kernenergie gaat en terecht. Maar laten we niet vergeten dat de technologieën die we op dat gebied ontwikkelden zeer performant zijn en dat dit afval ­ zeer belangrijk ­ in vergelijking met andere industrieën maar in beperkte hoeveelheden wordt geproduceerd. Zo vertegenwoordigt het hoogactief afval uit opwerking in Frankrijk gedurende vijftien jaar het volume van één Olympisch zwembad.

5) Besluit

In een perspectief van duurzame ontwikkeling, met name vanuit het oogpunt van de voorzieningszekerheid en de economische aspecten, is het gebruik van kernenergie als onderdeel van een gediversifieerd energiepakket op lange termijn ruim gerechtvaardigd. Andere elementen die ik uit tijdgebrek niet heb aangestipt kunnen eveneens in aanmerking komen, met name de technologische ontwikkeling als gevolg van geavanceerd kernonderzoek dat ook de andere industriesectoren ten goede komt. We kunnen dus een uitgesproken positieve balans opmaken van deze industrietak die noodzakelijk blijft voor het invullen van de energiebehoeften van morgen.

VI. UITEENZETTING DOOR DE HEER PH. BUSQUIN, EUROPEES COMMISSARIS

De heer Philippe Busquin, Europees commissaris bevoegd voor Onderzoek, geeft een kort overzicht van de bijdrage van de Europese Commissie aan het onderzoek inzake energie en citeert hiervoor uit het Groenboek van de Europese Commissie met als titel « Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening ».

Over dit Groenboek werden debatten gevoerd in het Europees Parlement en de Raad van ministers.

Een van de stellingen die in het Groenboek over kernenergie werd ontwikkeld, luidt als volgt : « Een nucleaire sector kan zich niet ontwikkelen zonder een consensus die zorgt voor een periode van voldoende stabiliteit rekening houdend met de economische en technologische eisen die deze industrie kenmerken. Dat is alleen mogelijk mits de kwestie van de radioactieve afvalstoffen in de grootst mogelijke openheid een bevredigende oplossing krijgt. Het onderzoek in die domeinen moet worden toegespitst op de technologieën van afvalbeheer. De Europese Unie moet haar meesterschap in civiele nucleaire technologie bewaren om de nodige expertise te kunnen behouden en efficiëntere splijtingsreactors te kunnen ontwikkelen zodat uiteindelijk de fusiereactor het licht kan zien. »

De Europese Commissie heeft na de debatten in het Europees Parlement en in de Raad van Ministers een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement gericht, getiteld « Eindverslag over het Groenboek ­ Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening » (5).

In dit verslag wordt het probleem van de kernenergie opnieuw aangekaart in termen van uitstoot van broeikasgassen. Kernenergie maakt een besparing van meer dan 300 miljoen ton CO2 (zowat de helft van het autopark in de Unie) aan uitstoot van broeikasgassen mogelijk. Dat is een niet te verwaarlozen hoeveelheid. Op middellange en lange termijn en volgens de huidige stand van de kennis moet rekening worden gehouden met het feit dat, als volledig wordt afgezien van kernenergie, conventionele en hernieuwbare energiebronnen in 35 % van de stroomopwekking moeten voorzien, waarbij dan aanzienlijke moeite zal moeten worden gedaan op het gebied van energie-efficiëntie, alsook met het feit dat de energievraag naar verwachting zal toenemen.

Een van de conclusies van het Groenboek is dat het onderzoek naar hernieuwbare energiebronnen gestimuleerd moet worden. De diversifiëringsstrategie veronderstelt aanzienlijke inspanningen voor het onderzoek naar hernieuwbare energiebronnen, maar ze houdt ook in dat er onderzoek wordt verricht op het gebied van afvalstoffen en veiligheid.

De Europese Raad van Gent besliste dat de Europese Unie rekening moet houden met de uitbreidingsproblematiek en de veiligheid van de reactors in de kandidaat-landen. De Europese Commissie werkt in dat verband aan een document, thans aan een groep experts voorgelegd, dat op Europees niveau een wetgeving over nucleaire veiligheid moet instellen. Tot dusver kwamen er dergelijke bepalingen alleen voor in het Euratom-verdrag. Overeenkomstig een recent arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt de Europese Unie bevoegd geacht om terzake een wetgeving in te stellen. De Europese commissaris bevoegd voor energie, mevrouw L. de Palacio, bereidt voor de volgende weken een regelgeving voor.

De Europese commissaris bevoegd voor onderzoek, Dhr Busquin, kan aanverwante gebieden tot zijn bevoegdheden rekenen : het Kaderprogramma voor onderzoek en de voogdij over het Gemeenschappelijk Centrum voor kernonderzoek. Dit centrum omvat een aantal instellingen waaronder het SCK te Mol, het Instituut voor de bescherming en de veiligheid van de burger te Ispra, de kernreactor voor de aanmaak van radio-isotopen te Petten en het Transuraneninstituut (onderzoek over actiniden) te Karlsrühe. In het Kaderprogramma voor onderzoek is een belangrijk element het onderzoek rond hernieuwbare energiebronnen : in dat domein werd al onderzoek gefinancierd voor 2 miljard euro. Het nieuwe Kaderprogramma is sinds 1 januari 2003 van toepassing en voorziet 810 miljoen euro voor projecten op het gebied van hernieuwbare energiebronnen. De vooropgezette doelstelling is in de komende jaren het verdubbelen van het aandeel van duurzame energiebronnen (van 6 tot 12 %) in de diverse domeinen. Het meest efficiënte domein op dit moment is de windenergie. Toch blijft het aandeel van deze hernieuwbare energievormen beperkt in vergelijking met hun potentieel. De Europese commissaris financiert alle onderzoekswerkzaamheden over alle nieuwe vormen van hernieuwbare of duurzame energie. Op langere termijn, tegen 2020, ziet de heer Busquin ook perspectieven voor waterstof. Een werkgroep die bestaat uit vertegenwoordigers van de industrie en het onderzoek is de mogelijkheden van waterstof aan het onderzoeken. Zo voorziet General Motors tegen 2010 een productie van 1 000 000 voertuigen die op waterstof rijden. Dhr. Busquin merkt op dat we niet mogen vergeten dat kernenergie dienstig kan zijn voor de aanmaak van waterstof. Kernenergie kan een bron zijn voor de waterstofproductie. Het onderzoeksprogramma in het kader van het Euratom-verdrag is goed voor 1,3 miljard euro en bevat drie onderdelen, waaronder de kernfusie. In het Kaderprogramma voor onderzoek is 750 miljoen euro uitgetrokken voor kernfusie, door de financiering van het ITER-programma. Dit is een internationaal programma waaraan Japan, Rusland, Canada, de Europese Unie en onder voorbehoud, ook de Verenigde Staten meewerken. De commercialisering van elektriciteit uit kernfusie zal pas mogelijk zijn in 2030-2040. En verder zijn er ook nog de problemen rond fossiele brandstoffen en de moeilijkheden inzake de voorziening terzake.

De Europese Unie is aanwezig op het gebied van de bouw van nieuwe reactors. Frankrijk en Duitsland behoren tot de groep van staten die beschikken over een splijtingsreactor van de nieuwe generatie. De Europese Commissie is waarnemer met het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en zal ervoor zorgen dat alle lidstaten van de Europese Unie kennis kunnen nemen van de laatste ontwikkelingen op het gebied van dit nieuwe reactortype.

Een ander belangrijk programma betreft radioactieve afvalstoffen : 30 miljoen euro werd begroot voor geologische problemen en het afvalprobleem van het SCK te Mol en voor de problematiek van mogelijke transmutatie of voor andere concepten om aldus minder afval te produceren. Op 17 december 2002 schreef de Europese Commissie een aanbesteding uit voor de inzending van projecten (indieningsdatum : uiterlijk op 6 mei 2003).

Voor projecten betreffende stralingshygiëne wordt 20 miljoen euro begroot. 17 miljoen euro wordt voorzien voor nieuwe concepten inzake opleiding, training voor en veiligheid van de bestaande installaties.

De Europese commissaris bevoegd voor energie, mevrouw L. de Palacio, heeft een eigen programma (2 miljard euro) op stapel gezet over energiebeheer en over het probleem van de nucleaire veiligheid van reactors in de landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie (6).

VII. UITEENZETTING DOOR MEVROUW CHRISTINE VANDERVEEREN, DIRECTEUR-VOORZITSTER CREG

Mevrouw Vanderveeren is voorzitster-directeur van de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas (CREG). Anders dan men op het eerste zicht zou denken, heeft de CREG geen bevoegdheid inzake het debat over de kernenergie en het sluiten van kerncentrales, aldus mevrouw Vanderveeren.

De CREG is een elektriciteitsregulator maar de regulering en de bevoegdheden die zij heeft, betreffen nagenoeg uitsluitend het gebruik en de toegang van het transmissienet van elektriciteit, ongeacht de wijze van productie ervan, op de hoogspanningslijnen en de tarifering van het gebruik en het vervoer van elektriciteit op de distributienetten, het vervoer van elektriciteit van midden- en laagspanning. Inzake de productie van elektriciteit, heeft de federale energieregulator nauwelijks enige dwingende bevoegdheid terzake.

De CREG heeft slechts de twee volgende afdwingbare bevoegdheden : enerzijds heeft de CREG de mogelijkheid tot het opleggen van maximumprijzen voor de verkoop van energie en anderzijds heeft de CREG de bevoegdheid om de minister, bevoegd voor energie, te adviseren bij het verlenen van vergunningen voor de bouw van en nieuwe investeringen in nieuwe productie-eenheden. Voor het overige werkt de CREG wat betreft de uitoefening van haar bevoegdheden in het kader dat de federale regering en de gewestregeringen uittekenen.

De voorzitter, de heer De Grauwe, wijst er op dat artikel 9 van het voorliggende wetsontwerp toch in een uitbreiding van de bevoegdheden van de CREG voorziet.

Mevrouw Vanderveeren verduidelijkt dat de uitbreiding van de bevoegdheden van de CREG waarop de voorzitter alludeert, in feite neerkomt op een overname van de bevoegdheden van het Controlecomité voor de elektriciteit en het gas. Tot op heden is de CREG bevoegd voor de geliberaliseerde elektriciteitsmarkt en is het Controlecomité het bevoegde orgaan voor de captieve markt. Dit is de markt waarin de verbruikers niet vrij hun elektriciteitsleverancier kunnen kiezen. Overeenkomstig de nieuwe bepalingen van het voorliggende wetsontwerp zal ook de captieve markt tot de bevoegdheid van de CREG behoren, waardoor het Controlecomité zal verdwijnen.

VIII. UITEENZETTING DOOR DE HEER PIRARD, GEMEENSCHAPPELIJK VAKBONDSFRONT

De heer M. Pirard vertegenwoordigt het personeel van het Nucleair Centrum van Tihange en is vertegenwoordiger van de werknemersvereniging « Gazeleo » van de FGTB.

In zijn interventie wenst hij de stem te laten horen van de gewone burger én werknemer in de sector van de kernenergie. Hij houdt eraan de bezorgdheid van zijn collega's te vertolken. De uitstap uit de kernenergie, zoals bepaald in het voorliggende wetsontwerp, is voorbarig. Op dit ogenblik is er geen alternatief voorhanden, noch op het economische, noch op het sociale, noch op het ecologische vlak.

Wat betreft het economische oogpunt is het duidelijk dat de huidige stand van ontwikkeling van de technologie niet toelaat van vandaag op morgen in België goedkoper elektriciteit te gaan produceren zonder kernenergie.

Wat betreft de sociale invalshoek is er reeds op gewezen dat de sector van de kernenergie goed is voor 2 000 rechtstreekse banen en 7 000 banen in de bouwsector. Bovendien zijn ook 1 500 mensen betrokken bij elke jaarlijkse controle van de kerncentrales. Het sociale prijskaartje voor de uitstap uit kernenergie is veel te hoog. Bovendien dreigen in de kernenergiesector banen van hoogopgeleide mensen op de helling te worden gezet.

De sinds jaren opgebouwde knowhow terzake zal dan ook verloren gaan. Jongeren zullen niet meer kiezen voor specifieke opleidingen als kernfysicus of ingenieur met specialisatie fysica, wanneer er een definitieve uitstapdatum voor kernenergie wordt vastgelegd.

En wat de ecologische factor betreft, mag men niet uit het oog verliezen dat de zekerheid en de veiligheid in de wereld van de kernenergie een zeer sterk ontwikkelde cultuur is. Wanneer mensen niet meer in de toekomst van hun beroep kunnen geloven, bestaat het gevaar dat deze cultuur van zorgvuldigheid en voorzorg verloren gaat. De cultuur van de veiligheid verzekert ook de veiligheid van de bevolking.

Indien er niet langer gemotiveerd menselijk kapitaal in de kernsector wordt geïnjecteerd en meer algemeen als er niets meer in wordt geïnvesteerd, is de spreker er niet zeker van dat er voldoende veiligheidsmaatregelen zullen worden aangehouden om de kerncentrales stil te leggen. De eerste zorg van de vakbonden in de kerncentrales die momenteel in werking zijn, is om net zoals in het verleden in veilige omstandigheden en indien mogelijk, onder nog veiligere omstandigheden te kunnen werken. Dit laatste is echter alleen mogelijk wanneer de toekomst gewaarborgd blijft voor de sector van de kernenergie.

Werknemers in de sector van de kernenergie zijn gewend te kunnen werken in een sereen klimaat. Het op de helling zetten van de werkgelegenheid in deze sector kan voor gevolg hebben dat deze sereniteit in het gedrang komt, alsook de onafhankelijkheid van de werknemers in hun denken rond de veiligheidscultuur. Bijgevolg zou de het gevaar bestaan dat de kerncentrales veel vroeger moeten worden gesloten dan volgens het tijdschema dat in het voorliggende wetsontwerp is voorzien.

B. GEDACHTEWISSELING

Mevrouw Willame vindt de getuigenis van mevrouw Vanderveeren, directeur-voorzitster van de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas (CREG) elliptisch. Het gaat om een onafhankelijk orgaan dat bij wet op 29 april 1999 is opgericht om de elektriciteitsmarkt te organiseren. De commissie is een rechtspersoon en wordt gefinancierd door de elektriciteitsbedrijven. De commissie heeft een adviserende taak bij de overheden wat betreft de organisatie en de werking van de elektriciteitsmarkt en een algemene bewakings- en controleopdracht inzake de toepassing van de wetten en regelgevingen terzake.

Anderzijds dient de CREG met de medewerking van het bestuur Energie van het federaal ministerie van Economische Zaken en na advies van de netbeheerder, het Federaal Planbureau, het controlecomité, de Interdepartementale Commissie voor duurzame ontwikkeling en de gewestelijke regeringen een indicatief programma op te stellen van de middelen voor elektriciteitsproductie. Het indicatief programma wordt ter goedkeuring aan de minister voorgelegd.

Dit programma zou de hoeksteen moeten worden van het energiebeleid in België en gepubliceerd moeten worden en meegedeeld aan het Parlement. Spreekster wenst te beschikken over dit verslag voordat er over het wetsontwerp wordt gestemd.

Mevrouw Vanderveeren, directeur-voorzitster van de CREG, antwoordt dat het programmavoorstel van de CREG in januari 2002 bij de staatssecretaris voor Energie had moeten ingediend worden. Om een doordacht en goed gedocumenteerd programma te kunnen voorstellen, werd het pas op 19 december 2002 aan de staatssecretaris voorgelegd.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, is bereid dit verslag aan de commissie voor de Financiën van de Senaat te bezorgen. Spreker preciseert echter dat het programmavoorstel nog niet door de Ministerraad is goedgekeurd. Die moet de overeenstemmingen bepalen tussen de indicatieve programma's inzake gas en elektriciteit.

De heer Roelants du Vivier wenst te weten hoeveel de optie kost waarbij de levensduur van de kerncentrales van 40 tot 60 jaar wordt verlengd zoals in de Verenigde Staten. Bovendien wenst hij te beschikken over een vergelijkende kostenraming van, enerzijds, dit alternatief en, anderzijds, de hypothese waarvan het wetsontwerp van de regering uitgaat.

Spreker verwijst naar de schatting van de Ampere-commissie waaraan internationaal consulent Laponche, een van de deskundigen die de commissie hoorde, heeft meegewerkt. Uit deze analyse blijkt dat door het mechanisme van energievraagbeheersing bijkomende reducties van broeikasgassen ten opzichte van het Kyoto-protocol kunnen worden gerealiseerd.

Kyoto is overigens maar een relatief bescheiden stap in de goede richting aangezien toepassing daarvan slechts zou zorgen voor een vermindering van 0,1 graad ten opzichte van de temperatuurstijging die bij het einde van de deze eeuw al plus 2 of zelfs plus 3 graden zou bedragen. Dat betekent dat de reducties in de buurt van de 50 % of zelfs de 70 % zouden liggen in de plaats van de 5 % die ze nu bedragen.

Spreker verwijst naar een verslag van het Planbureau me betrekking tot de energievooruitzichten 2000-2020, in januari 2001 gepubliceerd. Deze studie hanteert verscheidene scenario's waaronder het scenario « beter dan Kyoto » waarbij bijkomende reducties worden voorzien, een extrakost van 1,9 % van het bruto nationaal product zou vertegenwoordigen.

Het commissielid vraagt zich af of dank zij dit mechanisme van energievraagbeheersing ook aan de toekomstige verplichtingen, die de huidige maatregelen bepaald door het Kyoto-protocol ruim overstijgen, kan worden voldaan.

Ter besluit meent het commissielid dat naast het probleem van de zekerheid van energievoorziening de opwarming van het klimaat een uiterst zorgelijk probleem vormt.

De heer L. Mampaey, directeur van de kerncentrale van Doel, antwoordt dat de optie van de verlenging van de levensduur van een kerncentrale van 40 naar 60 jaar geen extrakosten meebrengt maar integendeel meer opbrengst genereert. Het is immers zo dat als de goedkoopste component van het productiepark 20 jaar langer kan werken, er winst kan worden gerealiseerd.

De voorzitter wenst dat de methode van energievraagbeheersing zou worden toegelicht.

De heer Laponche, internationaal consulent, antwoordt dat er twee verschillende schattingen voorhanden zijn over de door de elektronucleaire sector voorkomen CO2-uitstoot in België. De cijfers die hij zelf vooropstelt, bedragen 16 à 17 miljoen ton. De heer Lucas Mampaey, directeur van de kerncentrale te Doel, heeft het over 30 miljoen ton vermeden CO2-uitstoot. Het verschil kan worden verklaard door het feit dat de heer Mampaey uitgaat van centrales op steenkool, terwijl hijzelf uitgaat van elektrische centrales met gemengde cyclus op aardgas. Wat dat type van centrale betreft, stemmen de cijfers die de heer Ph. Busquin opgeeft voor de CO2-emissies die door de elektronucleaire sector vermeden kunnen worden, overeen met de cijfers die hijzelf opgeeft.

Spreker meent dat de wereldsituatie van de kernenergie op dit ogenblik stagneert.

Spreker legt uit dat het haalbaar potentieel op technisch vlak en op economisch vlak zowat 30 % bedraagt. De reductie van de CO2-uitstoot ligt min of meer op hetzelfde niveau.

Het kostenplaatje is afhankelijk van de manier van uitvoering. Energiebezuinigingen kunnen op diverse manieren worden aangepakt. In eerste instantie is er de correctie van de energieverkwisting, onder meer door isolatieprogramma's, gebruik van zuiniger huishoudapparatuur. Twee, er is de kwestie van de wijziging van het transport binnen de Europese Unie en in België, gebonden aan een aantal convergerende eisen. Het betreft met name de ondergeschikte factor van de energie-afhankelijkheid, de factor verontreiniging, de kwestie van de ongevallen, het fileprobleem.

Enerzijds is er behoefte aan uitbreiding van het openbaar vervoer in de stad om het autoverkeer te beperken. Anderzijds is er noodzaak om goederen per spoor te vervoeren.

Spreker legt uit dat de prijs van investeren in het milieu minder hoog is dan het voordeel verkregen door de energiebesparing.

De voorzitter meent dat er geen contradictie is tussen enerzijds de vraagbeheersing en anderzijds het behoud van de nucleaire energie. De twee doelstellingen zijn verenigbaar.

De heer Malcorps vraagt zich af of men geen karikatuur maakt van de berekening voor het alternatief van kernenergie, waardoor men tot cijfers komt die niet meer stroken met de werkelijkheid. Spreker is van mening dat een evenwichtig uitstapscenario in overweging moet worden genomen.

Het lid merkt op dat de heer Mampaey een veel te gunstige visie heeft op het probleem van de kernafval. Er dient echter nog diepgaand onderzoek te worden verricht om het probleem van de kernafval onder controle te krijgen. Het bergen van radioactief afval vindt in België trouwens geen maatschappelijk draagvlak.

Spreker is van mening dat de proliferatie van de civiele toepassing van kernenergie een militair impact kan hebben, vooral in werelddelen als Azië. Hierdoor ontstaat een zeer groot veiligheidsrisico.

Het lid heeft de indruk dat er door de ondervraagde experts gepleit wordt voor de oprichting van nieuwe kerncentrales en het langer in standhouden van bestaande kerncentrales. Hij vraagt of hieromtrent een maatschappelijke consensus bestaat.

Mevrouw Kestelijn stelt dat alleen Duitsland, Zweden en Italië uit de kernenergie zijn gestapt. Duitsland heeft quota opgelegd. Zweden heeft een kerncentrale gesloten maar de sluiting van twee andere centrales uitgesteld. Italië is reeds geruime tijd uit de kernenergie gestapt. Spreekster vraagt zich af welke alternatieve energiebronnen door Italië worden gebruikt.

De heer Mampaey antwoordt dat de uitstap uit kernenergie in Italië geen al te zware gevolgen heeft gehad voor de energievoorziening. Er wordt gewerkt met gas- en steenkoolcentrales waarvan het productiepark verouderd is zodat er stemmen opgaan om terug te keren naar kernenergie.

Mevrouw Lizin betreurt dat de vertegenwoordigers van de Franse Parlementaire Dienst die de analyses in verband met kernenergie hebben verricht, niet door de commissie gehoord konden worden.

Spreekster vroeg de heer Busquin naar diens aanbevelingen wat betreft de stemming van dit wetsontwerp.

Het lid vraagt de heer Mampay hoe de elektriciteitsvoorziening in België kan worden gewaarborgd, als het transport van elektriciteit op het Belgisch grondgebied peen probleem is.

Spreekster vraagt zich af op de Belgische kernenergie op termijn zal worden vervangen door Franse of Duitse kernenergie. Ze wil worden ingelicht over de vergelijkende kosten van beide opties.

De heer Felten antwoordt dat Frankrijk in staat is elektriciteit te leveren tegen een voordelige prijs, omdat zijn prijzen onder het Europees gemiddelde liggen.

Toch zullen er in België nieuwe elektriciteitscentrales moeten worden gebouwd om de stopgezette nucleaire capaciteit te vervangen.

Mevrouw Willame betreurt de afwezigheid van consumentenorganisaties omdat die vergelijkend onderzoek hebben gedaan naar de evolutie van gas- en elektriciteitsprijzen voor de consument in de diverse Europese landen.

Het lid vraagt aan de vertegenwoordiger van het VBO of die het nuttig acht de bedrijven een analytische boekhouding van de besparende investeringen inzake energie op te leggen.

De heer Velge, directeur van het economisch departement van het VBO, antwoordt dat de scenario's die hij naar voren bracht de goedkoopste zijn. Ofwel blijft men de bestaande kernenergie, energie uit gas, steenkool, waterkracht en windkracht verder gebruiken ofwel vervangt men de kernenergie door het goedkoopste alternatief : een STEG-centrale. Wil men echter kernenergie vervangen door groene energie zullen de kosten hoger liggen.

De heer Malcorps antwoordt dat de hamvraag als volgt luidt : wil men het aanbod dan wel de vraag naar kernenergie verminderen ?

De heer Velge antwoordt dat er een evenwicht moet gevonden worden tussen nucleaire en niet-nucleaire energie ook omdat de voorziening uit kerncentrales op piekmomenten relatief traag verloopt.

Spreker is van mening dat energiebesparende maatregelen, alhoewel ze in het geheel van de energieketen belangrijk zijn, niets te maken hebben met de uitstap uit kernenergie.

Spreker is van oordeel dat een analytische boekhouding van energiebesparende investeringen een bijkomende administratieve belasting zou zijn terwijl een onderneming uit bedrijfseconomische overwegingen er over waakt dat haar energieverbruik binnen redelijke perken blijft. Het zijn vooral de particulieren die te weinig bezuinigen op energie.

De voorzitter vraagt dat, in antwoord op de vragen van de commissieleden, de experts de problematiek van het kernafval en de proliferatie zouden onderzoeken.

De heer Felten, internationaal directeur van Areva onderstreept dat het Internationaal Atoom Energie Agentschap in Wenen toezicht houdt op de civiele nucleaire installaties wereldwijd op basis van het Internationale Non-proliferatieverdrag. Toch zijn Indië en Pakistan niet gebonden door dit verdrag en evenmin Noord-Korea dat zich in de marge van de internationale gemeenschap bevindt.

Spreker meent dat die controles versterkt moeten worden, wat met uitzondering van Noord-Korea, niet voor problemen zorgt.

De heer Busquin meent dat radioactief afval toch nog een probleem blijven ondanks de vooruitgang die op dat gebied al is geboekt. Hij is voorstander van meer verdieping van het onderzoek terzake, maar hij toont zich ook bezorgd over het verlies aan expertise. De rekrutering is niet voldoende om in de werkelijke behoeften te voorzien.

De heer Mampaey antwoordt dat de meeste jonge ingenieurs die worden aangeworven een graad hebben in elektromechanica. Hij vraagt dat ze worden teruggestuurd naar de universiteit voor een opleiding tot ingenieur in de kernenergie. Op die manier kunnen voldoende mensen worden aangeworven.

De heer Laponche meent dat in sommige landen het op gang brengen van een programma voor civiele doeleinden de deur dreigt open te zetten voor militaire toepassingen.

De heer Busquin antwoordt daarop dat de expertise inzake kernenergie van de Europese Unie in een internationale geopolitieke context moet kaderen. Spreker meent dat men rekening moet houden met het feit dat Rusland reactors wil ontwikkelen die niet kunnen leiden tot militaire toepassingen.

Enerzijds wordt de rol van de Europese Unie ruim bepaald door de overeenkomst tussen de Verenigde Staten en Rusland over de bestaande nucleaire voorraden. Anderzijds wordt Europa op dit ogenblik betrokken bij de controles die het Internationaal Energie Agentschap uitvoert.

De heer Laponche antwoordt dat er rekening moet worden gehouden met de actuele technologieën die wel degelijk een omvorming van civiele naar militaire toepassingen mogelijk maken.

De heer Bonet, directeur van het Instituut voor radio-elementen, stipt aan dat de landen met kernwapens, onder meer Zuid-Afrika, die los van hun civiele toepassingen hebben ontwikkeld, door het verrijken van uranium in hun eigen onderzoekscentra.

C. COMMENTAAR VAN DE STAATSSECRETARIS VOOR
ENERGIE, OLIVIER DELEUZE, IN VERBAND
MET DE HOORZITTINGEN

De staatssecretaris voor Energie wijst erop dat het voorliggende ontwerp alleen de industriële elektriciteitsproductie door kernsplijting betreft.

Het wetsontwerp gaat niet over medische of andere toepassingen, zoals geproduceerd door het Instituut voor radio-elementen te Fleurus, waarvan de directeur werd gehoord.

Die wees trouwens terecht op het feit dat het moratorium op de 8e kerncentrale waartoe enige jaren geleden is beslist, een invloed kan hebben op de motivatie van studenten of op de opleidingen van de ingenieurs in de kernfysica.

Ten slotte verwijst de heer Bonet naar de recente perikelen van stroomuitval, waaruit blijkt dat wanneer er een verband is tussen stroomonderbrekingen en kernenergie, dit niet steeds in de richting is die men vermoedt, aangezien vandaag 57 % van onze elektriciteit uit kernenergie wordt opgewekt.

De heer Velge verwijst naar de aankopen in het buitenland. De staatssecretaris wijst er op dat er geen verband is tussen de kernuitstap en de afname van elektriciteit uit het buitenland. België kan immers niet structureel afhankelijk zijn van het buitenland voor zijn elektriciteit, aangezien daar geen voorraden van kunnen worden aangelegd.

Onafhankelijk van de ingezette productiemiddelen is trouwens geen enkel Europees land structureel afhankelijk van het buitenland, met uitzondering van het Groothertogdom Luxemburg.

De aankoop en verkoop van stroom in en aan het buitenland wordt geregeld door de richtlijn van 1996, in april 1999 getransponeerd naar de Belgische wetgeving.

Wat betreft de kosten waar de heer Velge het over had, zijn de geciteerde cijfers van dezelfde grootte-orde als die van de staatssecretaris, op één precisering na : die laatste cijfers houden geen rekening met de toepassing van het mechanisme van de emission trade (uitwisseling van emissierechten) zoals geregeld door het ontwerp van richtlijn die de Milieuraad enkele weken geleden goedkeurde. Dit mechanisme waarborgt dat Europa dezelfde inspanningen zal leveren tegen de klimaatopwarming, maar reduceert ook de kosten tot de helft.

De staatssecretaris heeft geen commentaar op de door de heer Laponche in perspectief gezette cijfers ten aanzien van het totale energieverbruik.

Op dat punt verwijst hij naar zijn inleidende uiteenzetting.

Wat het afval betreft, het gaat uiteraard niet om het aantal kubieke meter, maar wel om radioactiviteit. De moeilijkheid van het afvalbeheer heeft zozeer te maken met het ingenomen volume, maar wel met de toxiciteit van het afval.

In Europa lopen de meningen over kernenergie, zowel in de lidstaten als binnen de Commissie, uiteen.

Wat de evolutie van kernenergie op internationaal niveau betreft, baseert de staatssecretaris zich op het officiële document van het Internationaal Energie Agentschap : « World Energy Outlook » van 21 september 2002.

Terwijl vandaag 17 % van de internationaal geproduceerde elektriciteit uit kernenergie voortkomt, is de verwachting dat dit percentage in 2030 tot 9 % zal gedaald zijn.

De staatssecretaris heeft kennis genomen van een Europese opiniepeiling rond nucleaire afvalstoffen.

Daarin werd de vraag gesteld als volgt geformuleerd : « In de veronderstelling dat het kernafvalprobleem zou zijn opgelost, zou u voorstander zijn van kernenergie ? ».

De staatssecretaris verklaart dat gesteld het afvalprobleem, dat van de proliferatie en het ongevallenprobleem een oplossing zouden krijgen, hij zelf voorstander zou zijn van elektriciteitsopwekking door kernsplijting.

Anderzijds schetste hij de internationale tendens.

De Duitse wetgeving bepaalt geen alternatief.

Geen enkele Europese wet doet dat overigens, omdat dit verboden is dor de Europese richtlijn van 1996.

Een Europees land mag dus niet bij wet opleggen welk percentage van energievorm een andere moet vervangen.

De heer Busquin verwijst naar het Groenboek, een interessant document waarvan hij terecht zegt dat daartoe op het niveau van de Europese Commissie werd besloten en waarover door de Raad ruim werd gedebatteerd. De Raad heeft het Groenboek echter niet goedgekeurd, wegens het gebrek aan eenparigheid over het hoger vermeld energiebeleid.

De staatssecretaris verwijst naar blz. 33 van dit document waar te lezen staat : « De toekomst van kernenergie is echter onzeker, vooral in Europa. Hij is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder de oplossing van het afvalprobleem, de economische rendabiliteit van de nieuwe generaties van centrales, en de veiligheid van reactors in de Oost-Europese landen ... ».

Hij is zich bewust van de bezorgdheid van werknemers met betrekking tot de werkgelegenheid in de sectoren kernenergie en elektriciteit.

Om die reden werd in de Kamer een amendement aanvaard betreffende de noodzaak van een begeleidingsplan voor de tewerkstelling van werknemers die bij de sluiting van een kerncentrale hun baan kwijt zijn.

Zoals al aangestipt, kan geen enkel Europees land het zich veroorloven structureel afhankelijk te zijn van het buitenland, wat tot gevolg zal hebben dat er kerncentrales zullen worden gebouwd die aan de behoeften voldoen, ook tijdens de verbruikspieken.

Als er zich op termijn een probleem van werkgelegenheid in de kerncentrales zou voordoen, zal dat zeker niet het geval zijn in de sector van de elektriciteitsproductie, want zelfs in 2025 zal België een indrukwekkende hoeveelheid elektriciteit produceren.

Wat de veiligheid in de kerncentrales betreft, wijst de staatssecretaris erop dat de wet van 14 juli 2001 voorschrijft dat er een afzonderlijke boekhouding moet worden gevoerd voor de nucleaire activiteit en de niet-nucleaire activiteit, wat het Agentschap toelaat meer dan vroeger te beschikken over middelen ter controle van de investeringen die in de veiligheid van de kerncentrales worden gedaan.

Dat is de reden waarom het Agentschap dat door de voogdijminister om advies werd gevraagd, zoals vermeld in het verslag van de Kamer, hem niet expliciet heeft aangeraden om zich tegen het ontwerp te verzetten.

Dat geeft het Parlement de gelegenheid om elk jaar in het verslag van het Federale Agentschap voor nucleaire controle na te gaan hoe het staat met de investeringen in veiligheid.

Wat betreft het indicatief programma van de productiemiddelen voor elektriciteit, als er op dat vlak informatie was achtergehouden, zou dat toch wel zeer ondoeltreffend zijn geweest, want de algemene Raad van de CREG heeft al maanden de kans gehad om daarover te praten. En die Raad telt zes regeringsleden, vertegenwoordigers van de intercommunales, vertegenwoordigers van de werkgevers, vertegenwoordigers van de sector, vakbondsafgevaardigden, vertegenwoordigers van de consumenten, vertegenwoordigers van de milieuorganisaties, ...

De Algemene Raad van de CREG formuleert thans een voorstel, waarvan niet één regel beïnvloed is door het voorliggende wetsontwerp, aangezien dit document loopt tot 2011 en dat de CREG zeer aandachtig is geweest voor energiebezuinigingen. Het indicatief plan verschijnt om de drie jaar en vanaf 2015 zal het jaarlijks verschijnen.

Inzake het Kyoto-protocol verwijst de Staatssecretaris naar zijn inleidende uiteenzetting en naar het betoog met de in perspectief gezette cijfers van de heer Laponche. Het is duidelijk dat de opwarming van het klimaat beïnvloed is door ons energieverbruik in het algemeen en niet in het bijzonder door ons elektriciteitsverbruik. Onze industrielanden staan dan ook voor de grote uitdaging, wat betreft de opwarming van het klimaat, de groei van het vervoer af te remmen. Tussen 1975 en 2000 is het aantal km via de weg in België met factor drie gestegen.


(1) Bron statistiek : Enerdata.

(2) Bron : Internationaal Energie Agentschap (IEA).

(3) Ook windenergie, geothermische energie, fotovoltaïsche zonne-energie.

(4) Bron : Elecnuc De kerncentrales in de wereld ­ Uitgave 2001 ­ Commissariaat Atoomenergie.

(5) Doc. COM(2002) 321 definitief van 26 juni 2002.

(6) Doc. COM (2002) 605 definitief van 6 november 2002 : Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement : « De nucleaire veiligheid in het raam van de Europese Unie ».