2-1311/2

2-1311/2

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

30 JANUARI 2003


Voorstel van resolutie betreffende het bepalen van de feiten en de eventuele verantwoordelijkheid van Belgische overheden bij de deportatie en de vervolging van Belgische joden tijdens de Tweede Wereldoorlog


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER SIQUET

In punt A van het voorstel van resolutie de woorden « uit België » vervangen door de woorden « vanop het grondgebied van het Koninkrijk België, met inbegrip van het grondgebied van de kantons Eupen, Malmédy en Sankt Vith, die op 10 mei 1940 door het Duitse Reich zijn geannexeerd, ».

Verantwoording

Op 10 mei 1940 is het Duitse leger België binnengevallen en heeft het de kantons Eupen, Malmédy en Sankt Vith geannexeerd. Die drie kantons zouden voortaan volwaardig deel uitmaken van het grondgebied van het Groot-Duitse Rijk. Voor de nazi's kwam het erop aan alles wat hun volgens hun denkbeelden natuurlijkerwijze verschuldigd was, naar het Reich te doen terugkeren (het beruchte motto Zurück ins Reich).

Het gevolg daarvan was dat de grensgemeenten deel gingen uitmaken van het Reich en dus niet meer beschouwd werden als een deel van het grondgebied van het Koninkrijk België.

Die annexatie wordt beschouwd als een gewelddadige inlijving en werd als dusdanig door de Belgische Staat nooit aanvaard noch erkend. Wenselijk is dan ook dat het voorstel van resolutie rekening houdt met de grensgemeenten van de kantons Eupen, Malmédy en Sankt Vith om de feiten en de eventuele verantwoordelijkheid van Belgische autoriteiten te bepalen bij de deportatie en de vervolging van Belgische joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Louis SIQUET.

Nr. 2 VAN DE HEREN DESTEXHE EN MAHOUX

Punt 1 van het voorstel van resolutie vervangen als volgt :

« 1. vraagt de Regering om aan het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA) een wetenschappelijk onderzoek toe te vertrouwen met betrekking tot de eventuele deelname van Belgische overheden aan de identificatie, de vervolging en de deportatie van de joden in België tijdens de Tweede Wereldoorlog en het SOMA daartoe de nodige middelen ter beschikking te stellen. Bedoeling van dit onderzoek is om op gedetailleerde wijze, binnen twee jaar, kennis te krijgen van de feiten en van de omstandigheden die deze feiten kunnen verklaren, ook al strekken deze verbanden zich uit tot de voor- en naoorlogse periode. Het staat het SOMA vrij het onderzoek binnen dit kader naar eigen inzicht vorm te geven; »

Verantwoording

In de resolutie wordt de inhoud van het onderzoek expliciet als volgt omschreven : een gedetailleerde studie over de eventuele deelname van de Belgische (politieke, administratieve en gerechtelijke) overheden aan de identificatie, de vervolging en de deportatie van de joden in België tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het SOMA moet vooral feiten vaststellen en attitudes verklaren met betrekking tot, samengevat :

­ de arrestaties en deportaties naar Frankrijk in de meidagen van 1940;

­ de medewerking aan de uitvoering van de diverse verordeningen van de bezetter met betrekking tot de joodse bevolking, in het bijzonder de aanleg van de jodenregisters, de verdeling van de davidster en het verzamelen en deporteren van joden;

­ daarbij wordt gevraagd zowel de Belgische overheden in bezet België (niet alleen nationale, provinciale en lokale overheden en administraties, en gerechtelijke overheden, maar ook politie en diensten verantwoordelijk voor tewerkstelling en onderwijs) als de regering in Londen in het onderzoek te betrekken;

­ de wijze waarop deze eventuele medewerking in de naoorlogse repressie van het incivisme werd gewogen.

De inhoudelijke opdrachtomschrijving kan best zo breed mogelijk worden gesteld. Zo is een duiding van de arrestaties in de meidagen van 1940 niet mogelijk zonder de context van de jaren dertig onder ogen te nemen (cf. de jodenvervolgingen in nazi-Duitsland, de reacties daarop wereldwijd en specifiek in België, en de vluchtelingen- en vreemdelingenproblematiek); zo is de Belgische medewerking aan de antisemitische maatregelen tijdens de oorlog niet enkel een gradueel probleem van collaboratie voor de enen of accommodatie voor de anderen (en niet zelden van de smalle grens tussen beiden), maar heeft ze tevens oorzaken die vaak terug te voeren zijn tot het interbellum en doorwerken in de wijze waarop die problematiek in rekening is gebracht bij de naoorlogse repressie van het incivisme.

Deze studie zal in een zekere zin een evaluatie zijn van :

1. de antidemocratische stromingen in die periode, gezien doorheen het spectrum van hun antisemitische opvattingen en activiteiten;

2. van de « politiek van het minste kwaad » van de Belgische overheden tijdens de bezetting op een van de meest delicate terreinen, met name de jodenvervolging (er zijn er zeker nog andere : bijvoorbeeld, in het algemeen, het optreden van politie en magistratuur);

3. van de wijze waarop deze politiek in de naoorlogse zuivering is gewogen.

Een wetenschappelijke studie van deze problematiek zal de analyse in deze globale context moeten beschouwen en er zich in het bijzonder voor moeten hoeden met betrekking tot de judeocide niet in de valkuil van de anachronismen te trappen. Ook moet het nadrukkelijk de bedoeling zijn alle elementen in dit dossier te verzamelen : deze « à charge » van de overheden, maar ook deze « à décharge ».

Nr. 3 VAN DE HEREN DESTEXHE EN MAHOUX

In het voorstel van resolutie een punt 1bis invoegen, luidende :

« 1bis. vraagt dat het SOMA, onverminderd zijn recht om zich te allen tijde tot de Senaat te richten omtrent de problemen die het bij zijn onderzoek ondervindt, na verloop van één jaar aan deze assemblee rapport uitbrengt over de voortgang van zijn werkzaamheden; »

Verantwoording

Het lijkt raadzaam dat de Senaat de voortgang van het onderzoek zou kunnen volgen en dat de mogelijkheid van een evaluatie wordt gecreëerd. Als aanspreekpunt zou een opvolgingscommissie of de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden kunnen fungeren, waar het SOMA ­ na verloop van één jaar ­ verslag zou kunnen uitbrengen over de voortgang van zijn werkzaamheden. Bovendien zou het SOMA zich te allen tijde tot dit aanspreekpunt moeten kunnen wenden indien het bij zijn werkzaamheden moeilijkheden ondervindt.

Alain DESTEXHE.
Philippe MAHOUX.

Nr. 4 VAN MEVROUW DE SCHAMPHELAERE

In het Nederlandse opschrift de woorden « van Belgische joden » vervangen door de woorden « van de joden in België ».

Mia DE SCHAMPHELAERE.

Nr. 5 VAN DE HEREN MAHOUX EN DESTEXHE

(Subamendement op amendement nr. 2)

De voorgestelde tekst wijzigen als volgt :

1º in de inleidende zin de woorden « punt 1 » vervangen door de woorden « de eerste volzin van het eerste lid van punt 1º »;

2º in het voorgestelde punt 1 de tweede volzin vervangen als volgt :

« Bedoeling van dit onderzoek is om op gedetailleerde wijze, binnen twee jaar, kennis te krijgen van de feiten en van de context, ook al betreffen ze de voor- en naoorlogse periode. »

Nr. 6 VAN DE HEREN MAHOUX EN DESTEXHE

(Subamendement op amendement nr. 2)

De laatste volzin van het voorgestelde punt 1 doen vervallen.

Verantwoording

Die volzin behoort te vervallen omdat het SOMA over een algehele wetenschappelijke vrijheid beschikt.

Philippe MAHOUX.
Alain DESTEXHE.

Nr. 7 VAN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Punt 2 van het voorstel van resolutie doen luiden als volgt :

« 2. Vraagt dat na de publicatie van het inleidend verslag in de Senaat een openbaar debat wordt gehouden :

a) over de verantwoordelijkheid ... van joden in België;

b) over aanbevelingen en voorstellen te richten aan de gemeenschappen ... en andere misdaden tegen de menselijkheid. »

Verantwoording

Parlementaire onderzoekscommissies lijken niet meer het bewijs te leveren van een onafhankelijke houding ten opzichte van de regering.

Magdeleine WILLAME-BOONEN.

Nr. 8 VAN DE HEER DESTEXHE

In punt 1, tweede lid, tussen het woord « naar » en de woorden « de houding » de worden « met name » invoegen.

Alain DESTEXHE.