2-264

2-264

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 23 JANVIER 2003 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Question orale de M. Jan Steverlynck à la ministre, adjointe au ministre des Affaires étrangères, et chargée de l'Agriculture et au ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l'Environnement sur «les derniers développements en matière d'identification et d'enregistrement des moutons et des chèvres» (nº 2-1215)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Een sluitend registratie- en identificatiesysteem voor schapen en geiten is nodig. De MKZ-crisis in 2001 toonde duidelijk aan dat het onmogelijk was om alle schapen en geiten op te sporen. Naar aanleiding van het eerste geval in mei vorig jaar van TSE bij schapen pleitte ik reeds voor een persoonlijke identiteitskaart voor schapen. Ook BSE-expert Emmanuel Vanopdenbosch die de Europese Commissie adviseert, pleit voor een registratie- en identificatiesysteem op Europees niveau.

Toenmalig minister Aelvoet erkende in haar antwoord op mijn parlementaire vraag van mei 2002 het probleem van de niet-registratie van schapen. De niet-registratie zorgt niet alleen voor problemen bij het uitbreken van ziektes zoals MKZ en TSE, maar veroorzaakt ook rechtstreeks problemen voor de volksgezondheid, met name de onmogelijkheid om vlees bestemd voor de consumptie en het zogenaamde risicomateriaal te identificeren. Een sluitend registratiesysteem is ook noodzakelijk om slachtingen buiten het slachthuis beter te kunnen reglementeren.

De Europese Commissie is van plan om een Europese identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten in te voeren. Het voorstel stond meermaals - voor de eerste keer in mei van vorig jaar - op de agenda van het comité van de permanente vertegenwoordigers, COREPER, maar de bespreking werd telkens opnieuw uitgesteld. Op de agenda van maandag 27 januari van de Raad van de Europese Unie, Landbouw en Visserij, staat het voorstel voor een verordening dienaangaande.

Betekent dit dat de verschillende lidstaten hierover een politiek akkoord bereikt hebben? Wat is de inhoud van het voorstel en wanneer kan het in werking treden? Hoe ver staat het met een Belgisch systeem voor registratie- en identificatie van schapen en geiten? De minister stelde immers dat hieraan gewerkt wordt en dat men niet op Europa zou wachten. In welke mate is ons eigen voorstel op het Europese afgestemd en wanneer zal dergelijke sluitende regeling in voege treden? Hoe ver staat het met het wetsontwerp over slachtingen buiten het slachthuis? Gewezen minister Aelvoet beloofde in een antwoord op een schriftelijke vraag in december 2001 immers dat het binnen maximum vier maanden in het parlement zou worden ingediend. Hoe ver staat het met het nationaal scrapie-bestrijdingsprogramma? Is het op 1 januari jongstleden effectief van start gegaan zoals sommige media vermelden? Wat is de inhoud van dit programma?

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De vraag van de heer Steverlynck betreft een belangrijk deel van mijn bevoegdheden. Is er een politiek akkoord tussen de lidstaten? Een voorstel van verordening van de Raad tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten werd meermaals besproken in de Commissie, namelijk in het Permanent Comité voor de Voedselketen en de Dierengezondheid. Het voorstel staat nu op de agenda van de eerstvolgende geplande landbouwraden onder Grieks voorzitterschap, met de bedoeling om hierover tegen juni een politiek akkoord te bereiken. Het gaat om een prioriteit voor de Grieken. De eerste bespreking zal volgende maandag plaatshebben.

Wat houdt het voorstel in en wanneer kan het eventueel in voege treden? Het voorstel voorziet in de verplichting alle dieren die na 1 juli 2003 geboren worden, te identificeren met twee oormerken, wat vandaag reeds gebeurt met runderen, en in het bijhouden van een bedrijfsregister. Een individueel dierenpaspoort is niet aan de orde, wel moet er een verplaatsingsdocument worden opgesteld om de bewegingen, individueel of in groep, van de dieren te registreren.

De beslagen moeten tegen 1 juli 2004 in een nationale databank worden opgenomen en tegen 1 juli 2005 moet er een centraal register zijn van de bewegingen. Vanaf 2006 moet minstens één oormerk een elektronische identificatie bevatten. Dit voorstel moet evenwel nog worden goedgekeurd.

België beschikt reeds sedert midden 1996 over een registratie- en identificatiesysteem voor schapen en geiten. Dat systeem gaat veel verder dan de minimumeisen van de Europese richtlijn ter zake van 1991. Het beantwoordt in grote lijnen aan wat in het voorstel van verordening is bepaald. Zodra dat voorstel is goedgekeurd, zal ons Belgisch systeem worden aangepast en verfijnd, maar er zullen geen belangrijke veranderingen nodig zijn. Onze wetgeving voorziet immers reeds in een individuele identificatie, het centraal registreren van de beslagen en verantwoordelijken, het houden van een bedrijfsregister en het aanleggen van een centraal register van de beslagen en het aantal dieren. Professionele vervoerders dienen reeds een vervoersregister bij te houden bij het transport van kleine herkauwers. Op dit ogenblik worden die gegevens evenwel nog niet gecentraliseerd.

Op basis van het voorstel van verordening werd nu reeds een evaluatie gemaakt van de aanpassingen die nog dienen te gebeuren. Uiteindelijk moeten we echter de goedkeuring van het definitieve voorstel afwachten. België is het eens met het huidige voorstel, maar er zullen ongetwijfeld nog harde discussies volgen, vooral met de landen met een economisch belangrijke schapen- en geitensector, zoals Groot-Brittannië en Spanje.

Binnen de regering werd geen akkoord bereikt over het wetsontwerp in verband met slachtingen buiten het slachthuis. Er werd ter zake evenwel een wetsvoorstel ingediend, dat door het Parlement moet worden onderzocht. Zolang de bestaande wet niet wordt gewijzigd, zijn huisslachtingen van bepaalde diersoorten, namelijk schapen, varkens en geiten, toegelaten op voorwaarde dat de slachting wordt uitgevoerd door de eigenaar-houder van de dieren, dat het vlees uitsluitend voor de behoeften van het eigen gezin bestemd is en dat aan de verplichtingen is voldaan die van toepassing zijn inzake de bestrijding van OSE of overdraagbare spongiforme encefalopathieën. In de praktijk worden de regels ter zake vaak te soepel geïnterpreteerd.

De bestrijding van scrapie bevat twee aspecten: maatregelen bij de vaststelling van een geval van scrapie bij schapen of geiten en een preventief fokprogramma om de genetische resistentie bij schapen voor scrapie en overdraagbare spongiforme encefalopathieën in het algemeen te verhogen. De maatregelen bij het vaststellen van scrapie bij schapen en geiten zijn analoog aan die bij de vaststelling van BSE bij runderen en zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 17 maart 1997 houdende de organisatie van het epidemiologisch toezicht op de OSE bij herkauwers.

De Europese Commissie ondersteunt deze aanpak en eind december werd reeds een beschikking van de commissie gepubliceerd, waarbij de lidstaten van de Europese Unie vóór 1 juli 2003 een steekproef op elk inheems schapenras moeten uitvoeren om het voorkomen van voor scrapie resistente foklijnen te onderzoeken. Van elk ras dienen minimum 50 dieren te worden onderzocht om een idee te krijgen van de eventuele resistentie.

De volgende stap is het uitwerken van een fokprogramma om selectief deze scrapie-resistente schapen te fokken. Ook terzake heeft de Europese Commissie een initiatief genomen en een beschikking met de voorwaarden voor een dergelijk programma voorbereid. Op basis van de Europese beschikking zal het Belgisch fokprogramma verder officieel uitgewerkt worden. Omdat de fokkerij van nutsdieren binnen het huidige Belgische staatsbestel een bevoegdheid van de gewesten is, dient een programma voor het fokken van scrapie-resistente schapen uitgewerkt te worden in samenwerking tussen de federale en de regionale overheden.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de minister voor de verduidelijking met betrekking tot de Europese initiatieven terzake. Ik denk dat registratie pas moet gebeuren vanaf het ogenblik dat een schaap of een geit zes maanden oud is, tenzij het dier vroeger op de openbare weg komt. Dat kan moeilijkheden doen ontstaan omdat de dieren die jonger zijn dan zes maanden niet geregistreerd zijn. Wanneer zich een probleem voordoet weet men niet hoeveel dieren er zijn en waar ze zich bevinden. De regeling is dus niet sluitend en we kunnen opnieuw geconfronteerd worden met dezelfde situatie als ten tijde van de MKZ-crisis.

De minister heeft gelijk wanneer hij stelt dat dit in landen als Groot-Brittannië en Spanje, waar er veel schapen zijn, wat moeilijker ligt. Het zal niet evident zijn om het Griekse plan tegen juni te realiseren.

Wat de slachthuizen betreft, is er binnen de regering geen eensgezindheid. Een wetsvoorstel werd in de Kamer ingediend, maar ik vrees dat het daar niet zal worden afgerond. Intussen blijft de problematiek van het risicomateriaal bestaan. Als dat niet op een deskundige manier wordt verwerkt, bestaat de kans dat het in de voedselketen terechtkomt. Daarom pleit ik veeleer voor een minimale regeling op dat vlak, zodat minstens de controle op huisslachtingen en slachtingen buiten het slachthuis verhoogt. Het zijn de gemeenten die dat moeten uitvoeren maar op mijn vroegere parlementaire vragen kreeg ik geen antwoord over het aantal controles. Die twee zaken geven aan dat er sluipende risico's zijn voor de volksgezondheid en dat het ontbreken van een akkoord binnen de regering die risico's niet wegneemt.

Wat het scrapie-programma betreft, is het preventief fokprogramma in Nederland al zeer ver gevorderd. De minister geeft zelf al aan dat door de bevoegdheidsverdeling in ons land tussen het federale voedselagentschap enerzijds en de gewesten anderzijds, we achterop geraakt zijn met de uitvoering van de Europese reglementering. Graag had ik geweten of er geen snellere coördinatie mogelijk is zodat we net zoals Nederland snel met dit nationaal scrapie- en fokprogramma kunnen starten.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Wat de controles op de huisslachtingen betreft, wordt er door de gemeenten inderdaad te weinig gecontroleerd, ofschoon er al jaren een wetgeving bestaat.

Een aanvaardbare oplossing zal er veeleer in bestaan op basis van aspecten van volksgezondheid een onderscheid te maken tussen slachtingen van dieren die problematisch kunnen zijn in het kader van BSE en TSE en de andere.

Overigens moet er ook nog werk zijn voor de volgende legislatuur... In verband met de fokprogramma's pleegt de federale regering overleg met de gewesten, waarbij het Federaal Voedselagentschap een belangrijke rol speelt en deze zaken geactiveerd worden.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Het belangrijkste argument, namelijk dat er ook werk moet zijn voor de volgende legislatuur, toont aan dat de regering niet in staat is deze problemen aan te pakken.