2-262

2-262

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 16 JANUARI 2003 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęde oorlog in Irak en de Belgische directe en indirecte steunĽ (nr. 2-1205)

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Landsverdediging over ęde Amerikaanse wapentransporten via BelgiŽĽ (nr. 2-1204)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Deze week werd bekend dat ons land door de Verenigde Staten wordt gebruikt als transitland voor de militaire opbouw in de Golf. De Belgische regering werd bovendien zowel direct door de VS-ambassadeur in een bilaterale demarche als indirect in het kader van de NAVO gevraagd of en hoe ons land zal bijdragen aan een mogelijke actie tegen Irak.

Kan het transport via de haven van Antwerpen in de huidige omstandigheden als een routinetransport worden beschouwd? Is dat het unanieme standpunt van de regering? Dient een transport met een omvangrijk contingent soldaten en veel bijhorend materieel niet veeleer te worden beschouwd als een uitzonderlijk transport, zeker gelet op het feit dat volgens de verklaring van minister Flahaut de regering pas vorige donderdag werd geÔnformeerd? Indien de regering meent dat het een uitzonderlijk transport betreft, heeft ze dit na beraadslaging bij consensus aanvaard? Wat is de concrete verdragsrechtelijke bepaling waarop ze dit transport legitimeert?

Welke concrete verdragsrechtelijke bepaling bepaalt dat een toestemming van de federale regering voor uitzonderlijk transport niet nodig is, zoals minister Flahaut beweert? Gelden de NAVO-verdragen niet enkel voor de bevoorrading van de NAVO-troepen en dus niet voor de voorbereiding van een VS-oorlog? Welke vragen werden rechtstreeks door de VS en via de NAVO gesteld in verband met steun aan een mogelijke oorlog?

Werd of wordt op deze vragen een antwoord geformuleerd? In welke zin heeft de regering geantwoord of zal zij antwoorden? Werd over deze vragen reeds overleg gepleegd binnen de regering? Heeft de regering overleg gepleegd over de verklaring die BelgiŽ onderschreef op de NAVO-top te Praag op 21 november 2002 inzake de solidariteit onder de bondgenoten van de NAVO? Waren alle regeringspartijen het ermee eens?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik wil beginnen met een boutade. Het is bizar dat de vredesbeweging, die al decennia aandringt op het terugtrekken van troepen en materieel uit Europa, het er moeilijk mee heeft dat dit nu gebeurd. Het probleem is natuurlijk dat dit materieel niet naar de Verenigde Staten wordt getransporteerd, maar naar een ander deel van de wereld. De VS hebben veel militair materieel in Europa opgeslagen onder de noemer Army War Reserve 2. De Antwerpse haven dient als belangrijk transportknooppunt voor de doorvoer van dit en ook ander militair materieel van het Amerikaanse leger.

Welk Amerikaans militair materieel werd in 2002 en 2003 via de Antwerpse haven getransporteerd? Wat is de procedure voor dergelijke transporten. Welke civiele en militaire autoriteiten worden verwittigd en welke informatie krijgen ze over het transport? Vallen deze transporten binnen het NAVO-kader? Welke NAVO-overeenkomsten en welke bilaterale overeenkomsten met de Verenigde Staten hebben hierop betrekking? Kent de Belgische regering de bestemming van deze transporten en kan ze de doorgang weigeren? Welke logistieke ondersteuning leveren de Belgische militaire en civiele autoriteiten voor die trantsporten en wie draagt de financiŽle verantwoordelijkheid?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Het transport via de haven van Antwerpen wordt geregeld door de bestaande wetten en akkoorden. Die bevatten een flexibele procedure voor het overbrengen van troepen en materieel. Concreet vormt artikel 185 van de Grondwet de wettelijke basis voor de transit van NAVO-troepen. Dit artikel is ook de wettelijke basis voor de aanwezigheid van vreemde troepen op het Belgische grondgebied. Ik citeer: "Vreemde troepen mogen niet dan krachtens een wet tot de dienst van de Staat worden toegelaten, het grondgebied bezetten of er doorheen trekken."

De wet van 11 april 1965, die steunt op artikel 185 van de Grondwet, laat de transit en het verblijf van troepen van de NAVO-landen op het Belgische grondgebied toe. Ik citeer: "De troepen van de staten met BelgiŽ door het Noord-Atlantisch Verdrag verbonden mogen het nationale grondgebied doortrekken of er gestationeerd zijn binnen de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval vastgesteld in met de betrokken regeringen te sluiten uitvoeringsakkoorden."

Het basisakkoord van 1971 tussen BelgiŽ en de Verenigde Staten regelt de voorbereiding en de uitvoering van een Amerikaanse bevoorradingslijn, de lines of communication, in BelgiŽ. Daarnaast bestaan er een hele reeks bilaterale akkoorden en plannen. Hoewel de meeste ervan na het einde van de Koude Oorlog niet meer werden aangepast, blijven de principes en de bedingen ervan gelden.

Het document NATO Principles and Policies for Host Nation Support van 4 september 2000 geeft het kader aan voor steun die bondgenoten moeten bieden aan troepen van geallieerden op hun grondgebied. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen troepenbewegingen in NAVO-verband en bewegingen van troepen van bondgenoten buiten NAVO-verband. NAVO-bondgenoten dienen elkaar dus steun te verlenen bij troepenbewegingen onafhankelijk van het feit of die troepen worden ingezet in het kader van de NAVO of niet.

In het huidige stadium wordt de minister van Landsverdediging door de Amerikanen geÔnformeerd. Wij hebben er ons dan ook van verzekerd dat wij in de toekomst regelmatig op de hoogte zullen worden gebracht. Het is niet uitgesloten dat op basis van de verdere informatie zal worden besloten dat wat door BelgiŽ transiteert, niet meer als een standaardtransport kan worden beschouwd. Deze transit gebeurt in het kader van de overbrenging van materieel van het Amerikaanse Europese Commando naar het Centrale Commando.

Inzake Irak hebben de NAVO-landen op de Top van Praag van 21 november 2002 in een politieke verklaring hun verbintenis bevestigd de tenuitvoerlegging van resolutie 1441 van de VN-Veiligheidsraad ten volle te steunen. Daarnaast werd Irak opgeroepen zich integraal en onmiddellijk te schikken naar deze resolutie. De politieke verklaring, die de nadruk legt op de tenuitvoerlegging van resolutie 1441, werd door de regeringspartijen onderschreven. Op 15 januari hebben de VS een verzoek gericht aan de NAVO-raad voor het onderzoeken van de mogelijke rol van de NAVO in Irak. Het betreft een verzoek om de NAVO-militairen toe te laten een voorzichtige planning te beginnen. Deze vraag wordt momenteel door ons bestudeerd. Ik wijs er op dat onze ambassadeur, daarin gevolgd door enkele van zijn collega's, onmiddellijk in de vergadering heeft opgemerkt dat tijd nodig was om de implicaties van deze vraag te bekijken. Ik wens alleszins te vermijden dat met dit verzoek de indruk wordt gewekt dat er inzake Irak nog slechts ťťn spoor bestaat, namelijk het militaire.

Aan de heer Vankrunkelsven kan ik antwoorden dat er geregeld routinetransporten van diverse types van militair materieel zijn vanuit Europa naar de VS en andere bestemmingen en omgekeerd. In 2002 ging het onder andere om helikopters, tanks, gepantserde voertuigen, houwitsers, vrachtwagens en divers materieel. Het transport dat deze week in de actualiteit staat, betreft het materieel van een geniebataljon. In het kader van de concrete aanvragen van de Amerikanen, worden in de mate van het mogelijke de nodige militaire middelen ingezet om aan hun behoeften te voldoen. De inzet van de middelen van de burgerautoriteiten wordt meestal, hetzij door de burgerfirma's, hetzij door de Amerikaanse ambassades, rechtstreeks geregeld.

Voor kleine militaire transporten worden in principe geen specifieke maatregelen genomen. Voor grote operaties, bewegingen van rupsvoertuigen over de weg, escortes van zeer belangrijke personen, uitzonderlijk vervoer of een situatie waarin sprake is van dreiging, kan in een escorte van militaire politie worden voorzien. Het Amerikaanse leger kan vragen dat er veiligheidsmaatregelen worden genomen tijdens zijn activiteiten. Dit is in eerste instantie de bevoegdheid van de federale politie. Deze aanvraag wordt dan aan het coŲrdinatie- en crisiscentrum van de regering overgemaakt. Eventueel kunnen Belgische militaire middelen worden ingezet of zelfs burgerfirma's.

Defensie factureert de kosten in een NAVO-factuur aan het Amerikaanse leger. Militaire politie-escortes en takeldiensten worden niet aangerekend. Defensie is nooit tussenpersoon voor het inhuren van diensten door derden in het voordeel van het Amerikaanse leger.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister omdat hij meerdere bronnen heeft aangeduid die duidelijkheid kunnen verschaffen. Rekening houdend met de huidige internationale context, ben ik er helemaal niet zeker van dat het om een routineoperatie gaat. Ik dring er op aan dat de Senaat binnenkort over deze belangrijke kwestie debatteert.

De voorzitter. - Mijnheer Vandenberghe, u hebt gelijk. Volgende week of de week daarna zal er in de Senaat gedebatteerd worden over de grond van de zaak en over de houding van BelgiŽ tegenover de Iraakse crisis.