2-1376/2

2-1376/2

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

8 JANUARI 2003


Wetsontwerp houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN MEVROUW LIZIN

Art. 4

Paragraaf 1 van dit artikel vervangen als volgt :

« § 1. Op voorwaarde dat de veiligheid van de bevolking en van de werknemers niet in gevaar wordt gebracht of dat de bevoorradingszekerheid niet in het gedrang komt, worden de nucleaire centrales bestemd voor de industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen gedesactiveerd veertig jaar na de datum van hun industriële ingebruikname en mogen vanaf dan geen elektriciteit meer produceren. »

Verantwoording

1. We herhalen dat de geleidelijke uitstap uit kernenergie na 40 jaar activiteit van de centrales, gekoppeld is aan twee voorwaarden :

a) dat België de verbintenissen in verband met de uitstoot van CO2 naleeft die het heeft aangegaan in het Protocol van Kyoto;

b) dat er massaal nieuwe, alternatieve, hernieuwbare en schone energiebronnen worden ontwikkeld en tot stand gebracht, om de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit te vrijwaren.

2. De AMPERE-Commissie concludeert dat de regering de nucleaire optie moet openhouden, rekening houdende met :

­ de duurder wordende koolwaterstoffen. Het potentieel van de hernieuwbare energiebronnen is beperkt. Alleen gas biedt een mogelijk alternatief, omdat het de brandstof is waarbij de minste broeikasgassen vrijkomen. Dat productiemiddel vergroot evenwel de afhankelijkheid van ons land inzake energie. Op te merken is tevens dat de producerende en exporterende landen ons niet altijd een sluitende waarborg inzake politieke stabiliteit kunnen geven;

­ het feit dat er bij kernenergie nagenoeg geen uitstoot van broeikasgassen bestaat;

­ het behoud van de knowhow om het hoge peil van de veiligheid in de kerncentrales te waarborgen.

Naast die veiligheidsmaatregelen, biedt kernenergie onbetwistbare voordelen met het oog op duurzame ontwikkeling.

3. Meer nog dan in andere sectoren, mag geen enkele vorm van sociale onzekerheid worden toegestaan. Zoals in het verleden moeten de centrales in alle veiligheid voor de werknemers en voor het milieu functioneren, tot ze worden gesloten.

We stellen voor een noodproductiecapaciteit te behouden, om de onregelmatigheid van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen te verhelpen. Het wetsontwerp moet in die mogelijkheid voorzien, want het volledig stilleggen van een kerncentrale duurt vijf jaar en het opnieuw opstarten kost heel wat tijd en geld.

Het is aangewezen daartoe competenties te behouden inzake de kennis om nucleaire installaties te besturen, het onderzoek en de ontwikkeling voort te zetten en de technologische ontwikkelingen te blijven volgen.

Nr. 2 VAN MEVROUW LIZIN

Art. 4

Paragraaf 2 van dit artikel vervangen als volgt :

« § 2. Op voorwaarde dat de veiligheid van de bevolking en van de werknemers niet in gevaar wordt gebracht of dat de bevoorradingszekerheid niet in het gedrang komt, nemen alle individuele vergunningen tot exploitatie en tot industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, die door de Koning zonder tijdsbeperking werd toegekend :

a) krachtens de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren alsook op basis van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen en die van toepassing blijven krachtens artikel 52 van de wet van 15 april 1994;

b) op basis van artikel 16 van de wet van 15 april 1994, alsook krachtens de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen;

een einde veertig jaar na de datum van industriële ingebruikname van de betrokken productie-installatie. »

Nr. 3 VAN MEVROUW LIZIN

Art. 6

In de voorgestelde paragraaf 1bis, het getal « 2015 » vervangen door het getal « 2005 ».

Verantwoording

Wij wensen dat het ontwerp in de eerste plaats het deel betreffende de investeringen op het vlak van de veiligheid opneemt.

Op dat vlak kan er geen sprake van zijn dat de eigenaars van kerncentrales geneigd zouden zijn niet langer te investeren in een instrument dat ze niet meer nodig zullen hebben omdat hen een vervaldatum opgelegd wordt.

Waakzaamheid is immers nu al geboden. Voorts moet er een productie- en investeringsplan komen dat regelmatig en kort na elkaar gecontroleerd wordt door de CREG.

Nr. 4 VAN MEVROUW LIZIN

Art. 9

In dit artikel, de zinsnede « en dit onverminderd de artikelen 3 tot 7 van deze wet, tenzij ... » doen vervallen.

Verantwoording

Wij stellen voor een productiecapaciteit te behouden voor noodgevallen, om de onregelmatigheid van de elektriciteitsproductie met hernieuwbare energiebronnen op te vangen. Het wetsontwerp zou met deze mogelijkheid rekening moeten houden, aangezien een volledige sluiting van een kerncentrale bijna vijf jaar in beslag neemt en het opnieuw opstarten zeer duur en tijdrovend zou zijn.

Daartoe moet men de expertise op het vlak van de besturing van kerncentrales behouden, moet het R&D voortgezet worden en moet men op de hoogte blijven van de technologische ontwikkelingen.

Nr. 5 VAN MEVROUW LIZIN

Art. 9bis (nieuw)

Een artikel 9bis invoegen, luidende :

« Art. 9bis. ­ De exploitanten van nucleaire centrales doen de nodige investeringen op het vlak van de veiligheid opdat de optimale werking en het beheer van de installaties tot op de laatste dag van de industriële elektriciteitsproductie gewaarborgd blijft. Vanaf de inwerkingtreding van deze wet worden jaarlijkse controles uitgevoerd om de overeenstemming en de realisatie van de investeringen op het vlak van de kwaliteit en de veiligheid na te gaan. »

Verantwoording

Meer dan in andere sectoren valt geen enkele vorm van onveiligheid te tolereren. Net als in het verleden moeten de centrales tot op de sluitingsdatum veilig blijven voor de werknemers en het milieu.

Anne-Marie LIZIN.

Nr. 6 VAN DE HEER CALUWÉ

Art. 4

In fine van § 2, de volgende bepaling toevoegen :

« , met uitzondering van de vergunningen die betrekking hebben op de exploitatie van veiligheidsinstallaties die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de veiligheid van de gedeactiveerde installaties voor industriële elektriciteitsproductie ».

Verantwoording

Volgens de huidige tekst lopen ook de exploitatievergunningen voor veiligheidsinstallaties van productie-eenheden af bij het aflopen van de 40-jarige termijn na ingebruikname van de productie-eenheid. Deze veiligheidsinstallaties zijn immers geïntegreerd in de productie-installaties. Dit kan uiteraard niet de bedoeling zijn.

Nr. 7 VAN DE HEER CALUWÉ

Art. 5

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Deze schrapping is tijdens de hoorzitting in de Kamer gesuggereerd door de heer Samain van het FANC. Het FANC acht de uiterst beperkte formulering hinderlijk omdat de bestaande centrales tijdens hun resterende uitbatingsduur nog regelmatig aan nieuwe vergunningen onderworpen zijn. Bovendien is de bepaling « wellicht overbodig » om het in het ontwerp gestelde doel te bereiken.

Nr. 8 VAN DE HEER CALUWÉ

(Subsidiair amendement op amendement nr. 7)

Art. 5

Het artikel vervangen als volgt :

« Art. 5. ­ In artikel 16, § 1, eerste lid van de wet van 15 april 1994 de woorden « , De Koning verleent of weigert » vervangen door de woorden :

« Met uitzondering van de installaties voor industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet houdende de geleidelijke uitstap van kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, niet meer het voorwerp van vergunningen kunnen uitmaken, zodra een even groot volume aan vervangende capaciteit waarvan de ecologische belasting lager is, operationeel is geworden, verleent of weigert de Koning de oprichtings- en exploitatievergunning die de oprichting voorafgaat van elke inrichting waarin stoffen of apparaten die ioniserende stralingen kunnen uitzenden, aanwezig zijn. »

Verantwoording

De voorgestelde formulering lijkt sterk op de in het ontwerp voorziene formulering op één uitzondering na : de toevoeging van de woorden « zodra een even groot volume aan vervangende capaciteit waarvan de ecologische belasting lager is, operationeel is geworden ». Die toevoeging is nodig om een coherent energiebeleid te kunnen voeren. Zonder deze bepaling lopen we het risico ofwel over te schakelen op zeer vervuilende elektriciteitsproductie, zoals steenkool, of op de import van nucleaire elektriciteit.

Nr. 9 VAN DE HEER CALUWÉ

Art. 6

In de voorgestelde § 1bis, het woord « 2015 » vervangen door het woord « 2005 ».

Verantwoording

De tijd tussen een investeringsbeslissing en de inwerkingtreding van een installatie kan soms heel groot zijn. Het is essentieel dat de bevoorradingszekerheid vanaf 2005 jaarlijks wordt opgevolgd.

Nr. 10 VAN DE HEER CALUWÉ

Art. 6bis (nieuw)

Een artikel 6bis invoegen, luidende :

« Art. 6bis. ­ In de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle wordt een artikel 15bis ingelast, luidende :

« Art. 15bis. ­ Het agentschap evalueert in het kader van de doelstellingen van de wet de gevolgen van de uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie. Het agentschap signaleert eventuele problemen en formuleert, in voorkomend geval, aanbevelingen. Het agentschap maakt jaarlijks een verslag op. »

Verantwoording

Uit de hoorzitting in de Kamer van volksvertegenwoordigers met een vertegenwoordiger van het FANC is gebleken dat de vervroegde uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie gevaren kan opleveren voor de volksgezondheid en het leefmilieu.

Dit artikel beoogt het FANC de expliciete opdracht te geven de gevolgen van de uitstap uit de kernenergie voor de volksgezondheid en de bescherming van het leefmilieu nauwlettend op te volgen. Ieder jaar stelt het FANC een verslag op met haar bevindingen. Het verslag kan ook de nodige aanbevelingen aan de regering bevatten.

Nr. 11 VAN DE HEER CALUWÉ

Art. 7

In artikel 4, § 1, eerste lid, van dezelfde wet de woorden « De bouw van nieuwe installaties voor elektriciteitsproductie is onderworpen » vervangen door de woorden :

« Met uitzondering van de installaties voor industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet houdende de geleidelijke uitstap van kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, niet meer het voorwerp van vergunningen kunnen uitmaken, zodra een even groot volume aan vervangende capaciteit waarvan de ecologische belasting lager is, operationeel is geworden, verleent of weigert de Koning de oprichtings- en exploitatievergunning die de oprichting voorafgaat van elke inrichting waarin stoffen of apparaten die ioniserende stralingen kunnen uitzenden, aanwezig zijn. »

Verantwoording

De voorgestelde formulering lijkt sterk op de in het ontwerp voorziene formulering op één uitzondering na : de toevoeging van de woorden « zodra een even groot volume aan vervangende capaciteit waarvan de ecologische belasting lager is ». Die toevoeging is nodig om een coherent energiebeleid te kunnen voeren. Zonder deze bepaling lopen we het risico ofwel over te schakelen op zeer vervuilende elektriciteitsproductie, zoals steenkool, of op de import van nucleaire elektriciteit.

Op dit ogenblik is er onvoldoende duidelijkheid omtrent de realiteit van de vervangende capaciteit. De regering zou minstens de nodige zekerheid moeten hebben omtrent de vervangende realiteit vooraleer drastische beslissingen te nemen.

Nr. 12 VAN DE HEER CALUWÉ

Art. 9

In de eerste zin, tussen de woorden « bevoorradingszekerheid » en de woorden « , kan de Koning » de volgende woorden invoegen :

« of wanneer de fysieke veiligheid van personen, de veiligheid of betrouwbaarheid van uitrusting of installaties wordt bedreigd ».

Verantwoording

Het is essentieel dat de Koning de nodige maatregelen kan nemen wanneer de veiligheid van de bevolking of het leefmilieu in het gedrang komt door de vervroegde kernuitstap.

Nr. 13 VAN DE HEER CALUWÉ

Art. 9

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

A) de woorden « kan de Koning » vervangen door de woorden « neemt de Koning »;

B) de woorden « en dit onverminderd de artikels 3 tot 7 van deze wet, tenzij in geval van overmacht » vervangen door de woorden « met inbegrip van tijdelijke afwijkingen van de bepalingen van deze wet ».

Verantwoording

A. In geval van de bedreiging van de bevoorrading is het aangewezen dat de regering in elk geval verplicht wordt de nodige maatregelen te nemen. Het stilzitten in dergelijk geval ­ hetgeen op dit ogenblik mogelijk blijft ­ kan bijzonder grote gevolgen hebben. Daarom wordt voorgesteld een duidelijke en ondubbelzinnige verplichting in te schrijven, waardoor de aansprakelijkheid van de Staat desgevallend in het geding kan zijn.

B. Het is essentieel dat de Koning de nodige tijdelijke maatregelen kan nemen wanneer de veiligheid van de bevolking of het leefmilieu in het gedrang komt of wanneer de bevoorradingszekerheid in het gedrang komt door de vervroegde kernuitstap. De capaciteit om de noodzakelijke maatregelen te nemen kan impliceren dat vergunningen als bedoeld in de artikelen 3 tot 7 moeten worden afgeleverd.

Bovendien is in de huidige tekst het begrip overmacht niet duidelijk aangezien de regering voor de interpretatie van dit begrip enkel verwijst naar de memorie van toelichting, waar enkel wordt gesteld (blz. 11) dat de overmacht niet kan worden ingeroepen door de elektriciteitsproducenten, de uitbaters van de transport- en distributienetten, de gedefedereerde entiteiten, of bij niet uitvoering van het indicatief plan. Er wordt echter geen enkele indicatie gegeven voor de inhoudelijke omschrijving van overmacht zelf. Het is dus ook onduidelijk of de gemeenrechtelijke betekenis van overmacht wordt bedoeld.

Ten slotte wordt de ongelijke behandeling met betrekking tot het inroepen van overmacht niet gemotiveerd door de regering, hetgeen een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel.

Ludwig CALUWÉ.

Nr. 14 VAN MEVROUW LIZIN

Art. 5

Dit artikel aanvullen als volgt :

« Deze uitzondering geldt niet voor de vergunningen die moeten worden toegekend voor de bestaande installaties en voor hun uitbreiding, om hun veiligheid of efficiëntie in stand te houden of te verbeteren. »

Verantwoording

1. Door te verwijzen naar de artikelen 3 en 4 van de wet van ..., beperkt de voorgestelde tekst van artikel 5 de mogelijkheden om een oprichtings- en exploitatievergunning toe te kennen voor installaties die wenselijk of noodzakelijk kunnen blijken voor het behoud of de verbetering van de veiligheid, inclusief de bescherming van het milieu en de energetische en economische efficiëntie van de installatie.

2. Er moet vooral worden gegarandeerd dat na het stilleggen van de elektriciteitsproductie alle vergunningen zullen kunnen worden toegekend om de installaties veilig operationeel te houden (bijvoorbeeld opslag, brandstof, afvalstoffen, ...), tot en met hun ontmanteling.

Nr. 15 VAN MEVROUW LIZIN

Art. 7

Het voorgestelde eerste lid van artikel 4, § 1, aanvullen als volgt :

« Deze uitzondering geldt niet voor de vergunningen die moeten worden toegekend voor de bestaande installaties en voor hun uitbreiding, om hun veiligheid of efficiëntie in stand te houden of te verbeteren. »

Verantwoording

1. Door de voorgestelde tekst van artikel 7 van de wet van ... in te voegen in de aanhef van artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 29 april 1999, schrapt men de mogelijkheid van het 1º dat volgt, volgens hetwelk de Koning het toepassingsgebied van het eerste lid kan uitbreiden tot verbouwingen of andere aanpassingen van bestaande installaties.

2. Tijdens de periode van exploitatie en industriële productie van elektriciteit is het aangewezen voordeel te halen uit verbouwingen of andere wenselijke of noodzakelijke aanpassingen voor het behoud of de verbetering van de veiligheid, inclusief de bescherming van het milieu en de zowel energetische als economische efficiëntie van de installatie (bijvoorbeeld vervanging van stoomgenerator, turbine, condensator, ...).

Nr. 16 VAN MEVROUW LIZIN

Art. 9

In dit artikel na de woorden « in geval van overmacht » toevoegen de woorden « of van niet-naleving van de verplichtingen van het Akkoord van Kyoto voor wat België betreft. »

Verantwoording

Het wordt steeds maar duidelijker dat de verbintenissen van Kyoto niet verenigbaar zijn met de wet in haar huidige lezing. Men behoort daarmee rekening te houden en het mechanisme van overmacht in te schakelen.

Anne-Marie LIZIN.

Nr. 17 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 5

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voorstpruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle legt meer bepaald de procedure vast voor de verlening van de oprichtings- en exploitatievergunningen voor installaties voor industriële productie van elektriciteit.

Artikel 16, § 1, tweede lid, geeft de Koning eveneens de bevoegdheid om de exploitatievoorwaarden voor deze installaties vast te leggen en te wijzigen.

Artikel 5 zou kunnen worden geïnterpreteerd als zou het de Koning de bevoegdheid ontnemen om de exploitatievoorwaarden te wijzigen, wat zeer nadelig zou kunnen blijken om redenen van veiligheid.

Anderzijds is dit artikel overbodig aangezien artikel 4 duidelijk de duur definieert van de individuele vergunningen verleend door de Koning in het kader van de wet van 15 april 1994.

Nr. 18 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 6

Het voorgestelde 1º doen vervallen.

Verantwoording

Het indicatief programma dat om de drie jaar door de CREG wordt opgesteld omschrijft de oriëntering wat betreft de middelen voor productie van elektriciteit in België voor een periode van 10 jaar. Dit vormt een omslachtig werk dat de integratie van een aantal externe gegevens veronderstelt in overleg met verschillende andere instellingen.

Deze driejaarlijkse oefening zoals momenteel door de wet voorzien biedt voldoende garanties aan de Belgische overheid. Een vermindering van de periodiciteit (ieder jaar) brengt geen toegevoegde waarde mee gelet op met name de duur (verschillende jaren) tussen de investeringsbeslissing van een elektriciteitsproducent en de indienstname van de weerhouden productie-eenheid.

Nr. 19 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 7

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Artikel 4 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt onderwerpt iedere nieuwe installatie voor elektriciteitsproductie aan een voorafgaandelijke vergunning.

Het laat de Koning ook toe om het toepassingsgebied van deze bepaling uit te breiden tot verbouwingen of andere aanpassingen van bestaande installaties.

Het koninklijk besluit van 11 oktober 2000 betreffende de toekenning van individuele vergunningen voor de bouw van installaties voor de productie van elektriciteit heeft de voorwaarden bepaald voor de aanvraag van een dergelijke vergunning.

Artikel 7 ontneemt de Koning de macht om een individuele vergunning toe te kennen voor verbouwingen of aanpassingen aan bestaande centrales, wat nadelige gevolgen zou kunnen hebben om economische en veiligheidsredenen. Het blijkt niet uit de memorie van toelichting van het wetsontwerp dat dit laatste de aflevering van vergunningen vereist voor verbouwingen of aanpassingen van bestaande centrales zou verbieden, aangezien het enige doel dat wordt nagestreefd is om een buitendienststelling teweeg te brengen van kerncentrales zodra deze de leeftijd van 40 jaar zullen bereikt hebben.

Bovendien is dit artikel overbodig aangezien artikel 4 de duur van de individuele vergunningen afgeleverd in het kader van de wet van 15 april 1994 zo bepaalt dat de individuele vergunningen verleend in het kader van de wet van 29 april 1999 automatisch hun uitwerking verliezen na 40 jaar.

Nr. 20 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 11 (nieuw)

Een nieuw artikel 11 toevoegen, luidende :

« Art. 11. ­ In geval van onmogelijkheid voor België om de internationale engagementen na te komen die zijn aangegaan met betrekking tot het leefmilieu, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, afwijken van de bepalingen van de onderhavige wet. »

Verantwoording

De doelstellingen vastgesteld voor België in het kader van de Conferentie van Rio en het Protocol van Kyoto kunnen zeer moeilijk of zelfs onmogelijk haalbaar blijken na de sluiting van de eerste kerncentrales.

Rekening houdend met de vaststelling van de achteruitgang op wereldschaal van ons leefmilieu, zoals nogmaals recent aangehaald in Johannesburg, is het voorzienbaar dat na 2015 nog dwingender doelstellingen zullen worden toegewezen aan de geïndustrialiseerde landen. Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat België op dat ogenblik een gunstiger regime kan bekomen dan wat het land momenteel is opgelegd, om rekening te houden met de gevolgen van de sluiting van de kerncentrales.

Een gunstiger regime zou inderdaad slechts kunnen worden toegekend ten nadele van hetzij andere geïndustrialiseerde landen die zouden moeten aanvaarden om de verplichtingen van België op zich te nemen ten nadele van hun eigen economie, hetzij ontwikkelingslanden of landen die een aanzienlijke economische recessie doormaken zoals de voormalige Oostbloklanden, wat ethisch onaanvaardbaar is. Dit zou immers hun latere ontwikkelingsmogelijkheden zwaar hypothekeren.

Hugo VANDENBERGHE.

Nr. 21 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 3

Dit artikel aanvullen als volgt :

« Wanneer zal vastgesteld zijn dat België de verplichtingen zal nakomen die het heeft aangegaan krachtens het Protocol van Kyoto dat in 1997 door de Europese Unie werd ondertekend of krachtens enig ander later protocol van dezelfde aard, en dat het de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit kan waarborgen. »

Verantwoording

België heeft een aantal verplichtingen aangegaan in het kader van het Protocol van Kyoto en zal in de toekomst wellicht worden verzocht nieuwe verplichtingen aan te gaan. Die binden ons land en beïnvloeden de toekomst van de planeet. Het is dus onontbeerlijk dat ze worden nageleefd.

Dit amendement heeft een dubbel doel : ervoor zorgen dat die verbintenissen in acht worden genomen, door te voorkomen dat het voorliggende wetsontwerp het rampzalige gevolg zou hebben dat het België belet zijn verplichtingen na te komen, en voorts de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektriciteitsprijzen waarborgen.

Het verbod nieuwe kerncentrales te bouwen en de verplichting de centrales die 40 jaar oud zijn te desactiveren, zouden aldus pas uitwerking mogen hebben indien ze niet met zich brengen dat het voor België onmogelijk is zijn internationale verplichtingen na te komen en dat de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektriciteitsprijzen in het gedrang komen.

Het staat immers vast dat de productie van elektriciteit in kerncentrales niet gepaard gaat met de uitstoot van CO2 (België heeft zich ertoe verbonden die uitstoot drastisch te verlagen), en bovendien de mogelijkheid biedt de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit te waarborgen.

Derhalve moet de bouw van nieuwe kerncentrales kunnen worden overwogen indien alternatieve productiewijzen van elektriciteit en een beperking van de vraag het niet mogelijk maken eensdeels de CO2-uitstoot te verlagen overeenkomstig de door België aangegane verplichtingen, rekening houdend met de desactivering van elke centrale, en anderdeels de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit te waarborgen.

De doeltreffendheid van het beleid van de bevoegde politieke overheden is dus een voorwaarde voor de uitstap van België uit kernenergie.

Nr. 22 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

(Subsidiair amendement op amendement nr. 21)

Art. 3

Dit artikel aanvullen met de volgende woorden :

« Wanneer zal vastgesteld zijn dat België de verplichtingen zal nakomen die het heeft aangegaan krachtens het Protocol van Kyoto dat in 1997 door de Europese Unie werd ondertekend of krachtens enig ander later protocol van dezelfde aard. »

Verantwoording

België heeft een aantal verplichtingen aangegaan in het kader van het Protocol van Kyoto en zal in de toekomst wellicht worden verzocht nieuwe verplichtingen aan te gaan. Die binden ons land en beïnvloeden de toekomst van de planeet. Het is dus onontbeerlijk dat ze worden nageleefd.

Dit amendement heeft tot doel ervoor te zorgen dat die verbintenissen in acht worden genomen, door te voorkomen dat het voorliggende wetsontwerp het rampzalige gevolg zou hebben dat het België belet zijn verplichtingen na te komen.

Het verbod nieuwe kerncentrales te bouwen en de verplichting de centrales die 40 jaar oud zijn te desactiveren, zouden aldus pas uitwerking mogen hebben indien ze niet met zich brengen dat het voor België onmogelijk is zijn internationale verplichtingen na te komen.

Het staat immers vast dat de productie van elektriciteit in kerncentrales niet gepaard gaat met de uitstoot van CO2 (België heeft zich ertoe verbonden die uitstoot drastisch te verlagen).

Derhalve moet de bouw van nieuwe kerncentrales kunnen worden overwogen indien alternatieve productiewijzen van elektriciteit en een beperking van de vraag het niet mogelijk maken de CO2-uitstoot te verlagen overeenkomstig de door België aangegane verplichtingen, rekening houdend met de desactivering van elke centrale.

De doeltreffendheid van het beleid van de bevoegde politieke overheden is dus een voorwaarde voor de uitstap van België uit kernenergie.

Nr. 23 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 3

Aan dit artikel een tweede lid toevoegen, luidend :

« Nadat het advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling en van de Commissie voor regulering van de elektriciteit en het gas is ingewonnen, bepaalt de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad of voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden. »

Verantwoording

Dit technisch amendement is het logisch gevolg van het vorige amendement. Het belast de Koning ermee om, na overleg in de Ministerraad, die het advies van Federale Raad voor duurzame ontwikkeling en van de Commissie voor regulering van de elektriciteit en het gas zal hebben ingewonnen, te bepalen of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden voor het verbod op het bouwen van nieuwe kemcentrales.

Nr. 24 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

(Subsidiair amendement op amendement nr. 23)

Art. 3

Aan dit artikel een tweede lid, toevoegen, luidend :

« Nadat het advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling is ingewonnen, bepaalt de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad of voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden. »

Verantwoording

Die technisch amendement is het logisch gevolg van het vorige amendement. Het belast de Koning ermee om, na overleg in de Ministerraad, die het advies van Federale Raad voor duurzame ontwikkeling zal hebben ingewonnen, te bepalen of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden voor het verbod op het bouwen van nieuwe kerncentrales.

Nr. 25 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 4

Dit artikel aanvullen als volgt :

« Wanneer zal vastgesteld zijn dat België de verplichtingen zal nakomen die het heeft aangegaan krachtens het Protocol van Kyoto dat in 1997 door de Europese Unie werd ondertekend of krachtens enig ander later protocol van dezelfde aard, en dat het de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit kan waarborgen, ».

Verantwoording

België heeft een aantal verplichtingen aangegaan in het kader van het Protocol van Kyoto en zal in de toekomst wellicht worden verzocht nieuwe verplichtingen aan te gaan. Die binden ons land en beïnvloeden de toekomst van de planeet. Het is dus onontbeerlijk dat ze worden nageleefd.

Dit amendement heeft een dubbel doel : ervoor zorgen dat die verbintenissen in acht worden genomen, door te voorkomen dat het voorliggende wetsontwerp het rampzalige gevolg zou hebben dat het België belet zijn verplichtingen na te komen, en voorts de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektriciteitsprijzen waarborgen.

Het verbod nieuwe kerncentrales te bouwen en de verplichting de centrales die 40 jaar oud zijn te desactiveren, zouden aldus pas uitwerking mogen hebben indien ze niet met zich brengen dat het voor België onmogelijk is zijn internationale verplichtingen na te komen en dat de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektriciteitsprijzen in het gedrang komen.

Het staat immers vast dat de productie van elektriciteit in kerncentrales niet gepaard gaat met de uitstoot van CO2 (België heeft zich ertoe verbonden die uitstoot drastisch te verlagen), en bovendien de mogelijkheid biedt de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit te waarborgen.

Derhalve kan de desactivering niet doorgaan of voortgezet worden indien alternatieve productiewijzen van elektriciteit en een beperking van de vraag het niet mogelijk maken eensdeels de CO2-uitstoot te verlagen overeenkomstig de door België aangegane verplichtingen, rekening houdend met de sluiting van elke centrale, en anderdeels de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit te waarborgen.

De doeltreffendheid van het beleid van de bevoegde politieke overheden is dus een voorwaarde voor de uitstap van België uit kernenergie.

Nr. 26 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

(Subsidiair amendement op amendement nr. 25)

Art. 4

Dit artikel aanvullen als volgt :

« Wanneer zal vastgesteld zijn dat België de verplichtingen zal nakomen die het heeft aangegaan krachtens het Protocol van Kyoto dat in 1997 door de Europese Unie werd ondertekend of krachtens enig ander later protocol van dezelfde aard. »

Verantwoording

België heeft een aantal verplichtingen aangegaan in het kader van het protocol van Kyoto en zal in de toekomst wellicht worden verzocht nieuwe verplichtingen aan te gaan. Die binden ons land en beïnvloeden de toekomst van de planeet. Het is dus onontbeerlijk dat ze worden nageleefd.

Dit amendement heeft tot doel ervoor te zorgen dat die verbintenissen in acht worden genomen, door te voorkomen dat het voorliggende wetsontwerp het rampzalige gevolg zou hebben dat het België belet zijn verplichtingen na te komen.

Het verbod nieuwe kerncentrales te bouwen en de verplichting de centrales die 40 jaar oud zijn de desactiveren, zouden aldus pas uitwerking mogen hebben indien ze niet met zich brengen dat het voor België onmogelijk is zijn internationale verplichtingen na te komen.

Het staat immers vast dat de productie van elektriciteit in kerncentrales niet gepaard gaat met de uitstoot van CO2 (België heeft zich ertoe verbonden die uitstoot drastisch te verlagen).

Derhalve kan desactivering niet doorgaan of voortgezet worden indien alternatieve productiewijzen van elektriciteit en een beperking van de vraag het niet mogelijk maken de CO2-uitstoot te verlagen overeenkomstig de door België aangegane verplichtingen, rekening houdend met de sluiting van elke kerncentrale.

De doeltreffendheid van het beleid van de bevoegde politieke overheden is dus een voorwaarde voor de uitstap van België uit kernenergie.

Nr. 27 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 4

Aan § 1 van dit artikel een tweede lid toevoegen, luidend :

« Nadat het advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling en van de Commissie voor regulering van de elektriciteit en het gas is ingewonnen, bepaalt de Koning bij een koninklijk besluit vasstgesteld na overleg in de Ministerraad of voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden. »

Verantwoording

Dit technisch amendement is het logisch gevolg van het vorige amendement. Het belast de Koning ermee om, na overleg in de Ministerraad, die het advies van Federale Raad voor duurzame ontwikkeling en van de Commissie voor regulering van de elektriciteit en het gas zal hebben ingewonnen, te bepalen of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden voor de desactivering van elke centrale.

Nr. 28 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

(Subsidiair amendement op amendement nr. 27)

Art. 4

Aan § 1 van dit artikel een tweede lid toevoegen, luidend :

« Nadat het advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling is ingewonnen, bepaalt de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad of voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden. »

Verantwoording

Dit technisch amendement is het logisch gevolg van het vorige amendement. Het belast de Koning ermee om, na overleg in de Ministerraad, die het advies van Federale Raad voor duurzame ontwikkeling zal hebben ingewonnen, te bepalen of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden voor de desactivering van elke kerncentrale.

Nr. 29 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 4

Dit artikel aanvullen als volgt :

« indien België zijn verplichtingen nakomt die het heeft aangegaan krachtens het Protocol van Kyoto dat in 1997 door de Europese Unie werd ondertekend of krachtens enig ander later protocol van dezelfde aard, indien de desactivering van elk van de kerncentrales geen schending van die verplichtingen met zich brengt en indien het de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit kan waarborgen ».

Verantwoording

België heeft een aantal verplichtingen aangegaan in het kader van het Protocol van Kyoto en zal in de toekomst wellicht worden verzocht nieuwe verplichtingen aan te gaan. Die binden ons land en beïnvloeden de toekomst van de planeet. Het is dus onontbeerlijk dat ze worden nageleefd.

Dit amendement heeft een dubbel doel : ervoor zorgen dat die verbintenissen in acht worden genomen, door te voorkomen dat het voorliggende wetsontwerp het rampzalige gevolg zou hebben dat het België belet zijn verplichtingen na te komen, en voorts de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektriciteitsprijzen waarborgen.

Het verbod nieuwe kerncentrales te bouwen en de verplichting de centrales die 40 jaar oud zijn te desactiveren, zouden aldus pas uitwerking mogen hebben indien ze niet met zich brengen dat het voor België onmogelijk is zijn internationale verplichtingen na te komen en dat de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektriciteitsprijzen in het gedrang komen.

Het staat immers vast dat de productie van elektriciteit in kerncentrales niet gepaard gaat met de uitstoot van CO2 (België heeft zich ertoe verbonden die uitstoot drastisch te verlagen), en bovendien de mogelijkheid biedt de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit te waarborgen.

Derhalve kan de desactivering niet doorgaan of worden voortgezet indien alternatieve productiewijzen van elektriciteit en een beperking van de vraag het niet mogelijk maken eensdeels de CO2-uitstoot te verlagen overeenkomstig de door België aangegane verplichtingen, rekening houdend met de desactivering van elke centrale, en anderdeels de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit te waarborgen.

De doeltreffendheid van het beleid van de bevoegde politieke overheden is dus een voorwaarde voor de uitstap van België uit kernenergie.

Nr. 30 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

(Subsidiair amendement op amendement nr. 29)

Art. 4

Dat artikel aanvullen als volgt :

« indien België zijn verplichtingen nakomt die het heeft aangegaan krachtens het Protocol van Kyoto dat in 1997 door de Europese Unie werd ondertekend of krachtens enig ander later protocol van dezelfde aard en indien de desactivering van elk van de kerncentrales geen schending van die verplichtingen met zich brengt ».

Verantwoording

België heeft een aantal verplichtingen aangegaan in het kader van het Protocol van Kyoto en zal in de toekomst wellicht worden verzocht nieuwe verplichtingen aan te gaan. Die binden ons land en beïnvloeden de toekomst van de planeet. Het is dus onontbeerlijk dat ze worden nageleefd.

Dit amendement heeft tot doel ervoor te zorgen dat die verbintenissen in acht worden genomen, door te voorkomen dat het voorliggende wetsontwerp het rampzalige gevolg zou hebben dat het België belet zijn verplichtingen na te komen.

Het verbod nieuwe kerncentrales te bouwen en de verplichting de centrales die 40 jaar oud zijn te desactiveren, zouden aldus pas uitwerking mogen hebben indien ze niet met zich brengen dat het voor België onmogelijk is zijn internationale verplichtingen na te komen.

Het staat immers vast dat de productie van elektriciteit in kerncentrales niet gepaard gaat met de uitstoot van CO2 (België heeft zich ertoe verbonden die uitstoot drastisch te verlagen).

Derhalve kan de desactivering niet doorgaan of voortgezet worden indien alternatieve productiewijzen van elektriciteit en een beperking van de vraag het niet mogelijk maken eensdeels de CO2-uitstoot te verlagen overeenkomstig de door België aangegane verplichtingen, rekening houdend met de desactivering van elke centrale.

De doeltreffendheid van het beleid van de bevoegde politieke overheden is dus een voorwaarde voor de uitstap van België uit kernenergie.

Nr. 31 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 4

Aan § 2 van dit artikel, een tweede lid invoegen, luidend :

« Nadat het advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling en van de Commissie voor regulering van de elektriciteit en het gas is ingewonnen, bepaalt de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad of voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden. »

Verantwoording

Dit technisch amendement is het logisch gevolg van het vorige amendement. Het belast de Koning ermee om, na overleg in de Ministerraad, die het advies van Federale Raad voor duurzame ontwikkeling en van de Commissie voor regulering van de elektriciteit en het gas zal hebben ingewonnen, te bepalen of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden voor de desactivering van elke centrale.

Nr. 32 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

(Subsidiair amendement op amendement nr. 31)

Art. 4

Aan § 2 van dit artikel een tweede lid invoegen, luidend :

« Nadat het advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling is ingewonnen, bepaalt de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad of voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden. »

Verantwoording

Dit technisch amendement is het logisch gevolg van het vorige amendement. Het belast de Koning ermee om, na overleg in de Ministerraad, die het advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling zal hebben ingewonnen, te bepalen of al dan niet voldaan is aan de voorwaarden voor de desactivering van elke kerncentrale.

Nr. 33 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 5

In het zinsdeel dat in artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 15 april 1994 wordt ingevoegd, de woorden « die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet van ... houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie » vervangen door de woorden « die enkel overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de wet van ... houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie ».

Verantwoording

Dit amendement is de logische consequentie van de amendementen die ertoe strekken de verlening van vergunningen toe te staan indien niet is voldaan aan de bij die amendementent bepaalde voorwaarden om de bouw van nieuwe kerncentrales te verbieden of om de veertig jaar oude centrales buiten gebruik te stellen.

Derhalve moet worden voorzien in een regeling mocht niet zijn voldaan aan de voorwaarden om dat verbod op te leggen.

Nr. 34 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 6

In de voorgestelde § 1bis het jaartal « 2015 » vervangen door het jaartal « 2005 ».

Verantwoording

Het is van primordiaal belang reeds geruime tijd voor de sluiting van de eerste kerncentrale de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit te evalueren en aanbevelingen dienaangaande te formuleren. Als de kerncentrales eenmaal gesloten zijn, zal het uitermate moeilijk vallen daarop terug te komen.

Nr. 35 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 7

In het zinsdeel dat in artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 wordt ingevoegd, de woorden « die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet van .... houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie » vervangen door de woorden « die enkel overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de wet van ... houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie ».

Verantwoording

Dit amendement is de logische consequentie van de amendementen die ertoe strekken de verlening van vergunningen toe te staan indien niet is voldaan aan de bij die amendementen bepaalde voorwaarden om de bouw van nieuwe kerncentrales te verbieden of om de veertig jaar oude centrales buiten gebruik te stellen.

Derhalve moet worden voorzien in een regeling mocht niet zijn voldaan aan de voorwaarden om dat verbod op te leggen.

Nr. 36 VAN DE HEER THISSEN EN MEVROUW WILLAME-BOONEN

Art. 9

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 9. ­ Indien België zijn verplichtingen niet nakomt die het heeft aangegaan krachtens het Protocol van Kyoto dat in 1997 door de Europese Unie werd ondertekend of krachtens enig ander later protocol van dezelfde aard, of indien het de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit niet kan waarborgen, kan de Koning, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad en nadat het advies van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling en van de Commissie voor regulering van de elektriciteit en het gas is ingewonnen, afwijken van de artikelen 3 en 4 van deze wet. ».

Verantwoording

België heeft een aantal verplichtingen aangegaan in het kader van het protocol van Kyoto en zal in de toekomst wellicht worden verzocht nieuwe verplichtingen aan te gaan. Die binden ons land en beïnvloeden de toekomst van de planeet. Het is dus onontbeerlijk dat ze worden nageleefd.

Dit amendement heeft een dubbel doel : ervoor zorgen dat die verbintenissen in acht worden genomen, door te voorkomen dat het voorliggende wetsontwerp het rampzalige gevolg zou hebben dat het België belet zijn verplichtingen na te komen, en voorts de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektriciteitsprijzen waarborgen.

Het verbod nieuwe kerncentrales te bouwen en de verplichting de centrales die 40 jaar oud zijn te desactiveren, zouden aldus pas uitwerking mogen hebben indien ze niet met zich brengen dat het voor België onmogelijk is zijn internationale verplichtingen na te komen en dat de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van de elektrictiteitsprijzen in het gedrang komen.

Het staat immers vast dat de productie van elektriciteit in kerncentrales niet gepaard gaat met de uitstoot van CO2 (België heeft zich ertoe verbonden die uitstoot drastisch te verlagen), en bovendien de mogelijkheid biedt de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit te waarborgen.

Derhalve moet de bouw van nieuwe kerncentrales kunnen worden overwogen indien alternatieve productiewijzen van elektriciteit en een beperking van de vraag het niet mogelijk maken eensdeels de CO2-uitstoot te verlagen overeenkomstig de door België aangegane verplichtingen, rekening houdend met de desactivering van elke centrale, en anderdeels de bevoorradingszekerheid en de prijsstabiliteit te waarborgen.

De doeltreffendheid van het beleid van de bevoegde politieke overheden is dus een voorwaarde voor de uitstap van België uit kernenergie.

René THISSEN.
Magdeleine WILLAME-BOONEN.