2-1395/3

2-1395/3

Belgische Senaat

ZITTING 2002-2003

19 DECEMBER 2002


Wetsontwerp houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER MORAEL


Dit wetsontwerp werd op 13 december 2002 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en op 14 december 2002 overgezonden aan de Senaat. De Senaat heeft het ontwerp geëvoceerd op 14 december 2002. De onderzoekstermijn verstreek op 10 februari 2002.

Met toepassing van het artikel 27.1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de bespreking aangevat voor de eindstemming in de Kamer.

De commissie heeft het ontwerp aldus besproken tijdens haar vergaderingen van 12, 17 en 19 december 2002.

1. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN FINANCIËN

De minister verheugt zich erover dat het na tien jaar besprekingen eindelijk mogelijk wordt af te stappen van het systeem van de ecotaksen voor drankverpakkingen. Hij hoopt dat men in België nooit zal uitvoeren wat in 1993 overwogen werd, te weten een systeem van sancties.

Het onderhavige wetsontwerp bevat een aantal maatregelen in omgekeerde zin, die de fiscale druk op een hele reeks dranken verminderen dank zij de afschaffing van de ecotaksen, de verlaging van de accijnzen naargelang van het soort product, en, bij koninklijk besluit, een verlaging van de BTW van 21 naar 6 % op niet-alcoholische dranken.

Het ontwerp maakt het bovendien mogelijk af te stappen van de ietwat steriele discussie die systematisch het hergebruikbare tegenover het recycleerbare stelde. Het ontwerp behandelt beide op gelijke voet op voorwaarde dat een aantal criteria in acht genomen worden. Hergebruikbare verpakkingen genieten automatisch alle verlagingen waarin de wet en het koninklijk besluit betreffende de BTW voorzien. Recycleerbare verpakkingen genieten dezelfde voordelen op voorwaarde dat de verpakkingen minstens 50 % gerecycleerd materiaal bevatten. Voor gekleurd glas loopt dat percentage op tot 70 %.

Het ontwerp reikt een realistische en uitvoerbare regeling aan die de verbruiker in staat stelt een keuze te maken en de producent bijkomende fiscale voordelen biedt als hij op de markt producten en verpakkingen brengt die een bepaald percentage gerecycleerd materiaal bevatten. Als de producent producten en verpakkingen blijft verkopen die daaraan niet voldoen, en als de verbruiker zich die producten en verpakkingen wil aanschaffen, wordt een verpakkingsheffing geheven. Die heffing zal ertoe leiden dat de prijs dezelfde blijft als nu of 1 à 2 % hoger zal zijn.

2. ALGEMENE BESPREKING

De heer Morael verklaart het standpunt van de minister te begrijpen. Dat neemt niet weg dat als de hele discussie over de ecotaksen en de verpakkingen er niet geweest was, de regeling die nu voorligt en die hij persoonlijk evenwichtiger vindt allicht niet tot stand zou zijn gekomen.

De heer Roelants du Vivier merkt op dat hij van in den beginne voorstander was van een systeem van ecoboni en recuperatie. Het systeem van selectieve ophaling dat door de gewesten werd georganiseerd geeft trouwens goede resultaten. Voor waterverpakkingen wordt tot 75 % van de verpakkingen opnieuw ingezameld. Bovendien is er een goede equivalentie tussen hergebruik en recyclage.

Toch rijzen vragen. Recyclage die samengaat met belastingvoordelen houdt in dat wordt toegezien op het percentage gerecycleerd materiaal in de verpakkingen. Hoe ver staat het met de uitvoering van de wet op het vlak van de organen die het percentage recyclage of hergebruik zullen moeten verifiëren ?

Bovendien verbieden sommige van de omliggende landen het gebruik van gerecycleerd materiaal voor verpakkingen voor natuurlijk mineraalwater. Dat geldt onder andere voor Italië, Spanje, Portugal en Frankrijk. Producten uit die landen zullen dus ook geen aanspraak kunnen maken op de boni. Worden de teksten met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten aangezegd aan de Europese instanties ? In bepaalde interpretaties kunnen heffingen op verpakkingen min of meer beschouwd worden als verdoken accijnzen.

Tevens rijst een probleem op het vlak van de benaming van het product. Men zou het water dat verpakt wordt in hergebruikte of gedeeltelijk gerecycleerde verpakkingen voortaan « drinkwater » noemen. Maar in het gewone taalgebruik is drinkwater water dat een behandeling heeft ondergaan dat het geschikt maakt voor menselijke consumptie, waarbij men in de eerste plaats aan gewoon leidingwater denkt.

Dat is dus zeker niet de juiste term voor natuurlijk mineraalwater, en bestaat niet het risico dat de keuze voor die term de toekenning van belastingvoordelen zal verhinderen ?

De heer Malcorps denkt zoals de heer Morael dat de aanwezigheid van een stok achter de deur ­ de ecotaksen ­ bijgedragen heeft aan de oplossing die nu is bereikt.

De hele discussie over de ecotaksen heeft bovendien geleerd dat als men uiteindelijk afziet van sommige zaken waaraan werd gedacht, onder andere met betrekking tot ecotaksen op het papier of op pesticiden, men andere technieken moet aanwenden zoals productnormen, economische maatregelen, enz., om de oorspronkelijke doelstellingen te bereiken.

Men moet of mag trouwens niet alles overlaten aan de gewesten. Los van Fost + en andere initiatieven en gewestelijke afspraken kunnen ook federale maatregelen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen, zoals hier blijkt. Misschien zal men ook voor andere problemen zoals dat van de melkverpakkingen uiteindelijk een oplossing moeten zoeken in die richting.

De heer Malcorps merkt op dat de minister stelde dat hergebruik en recyclage tot op zekere hoogte evenwaardig zijn, maar dat hijzelf en zijn fractie nog altijd hergebruik verkiezen. Er zijn meer en meer studies voorhanden die voor bepaalde producten of verpakkingen aantonen dat hergebruik nog beter is dan recyclage.

Andere leden merken op dat de studies terzake niet steeds uitsluitsel geven. Er werd nu een compromis bereikt, maar de discussie is zo nog niet afgerond.

De heer Roelants du Vivier wenst zijn opmerking te preciseren. Hij is wel degelijk voorstander van het systeem van ecoboni, maar vreest dat wat nu voorligt kan leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van de invoerders van natuurlijk mineraalwater. Volgens de Europese regels moet het verplicht worden gebotteld op de plaats van productie. Invoer in grote verpakkingen en botteling in België zijn dus in tegenstelling tot wat werd gezegd niet mogelijk.

De richtlijn verbiedt ook dat natuurlijk mineraalwater onder een andere benaming wordt verkocht.

Bovendien verbieden zoals gezegd een aantal belangrijke productielanden het gebruik van gerecycleerd materiaal in plastic waterflessen.

De heer Roelants du Vivier vreest dus dat er toch een reële kans bestaat dat de Europese instanties bezwaren zullen opperen tegen de voorgestelde regeling.

De minister bevestigt dat men wel degelijk een duale oplossing zoekt ­ hergebruik en recyclage ­ maar met duidelijke criteria.

Alle Europese procedures worden nageleefd. De Europese instanties hebben een aantal opmerkingen geformuleerd, maar die slaan tot nader order voornamelijk op de vermeldingen die zouden worden aangebracht op de verpakking (statiegeld, recyclagepercentage) en meer bepaald op de vraag of het verplicht aanbrengen ervan proportioneel is met de doelstelling ervan. Meer bepaald rijst de vraag of dat nodig is voor een efficiënte controle.

Wat de controle op het percentage hergebruik of recyclage betreft komt het in de eerste plaats aan de producent toe het bewijs te leveren.

Daarnaast zal een door de bevoegde minister erkend orgaan daarop toezien. In afwachting van de oprichting van dat organisme, als er nog geen orgaan is dat daarvoor kan instaan, of de erkenning ervan, in het andere geval, zal men tot nader order afgaan op de elementen die de producenten overleggen : zij mogen niet worden gepenaliseerd omdat de overheid nog geen controleorgaan heeft ingesteld, maar zullen wel moeten instaan voor de juistheid van hun dossier.

De minister verklaart ten slotte dat het ontwerp inderdaad geen einde maakt aan het hele debat over de ecotaksen, noch voor de materies die door het ontwerp worden geregeld, noch in het algemeen. Het gaat voort, zo wel met de betrokkenen als met de Europese instanties.

De heer Caluwé verklaart verbaasd te zijn dat de Regering durft door te gaan met het ontwerp, goed wetende dat men de regeling toch zal moeten aanpassen.

Hij citeert terzake in extenso het verslag van de commissie voor Financiën en Begroting van de Kamer van volkvertegenwoordigers, stuk Kamer, nr. 50-1912/008, blz. 85 en volgende :

­ De regering wijzigt de aanpak volledig : zij gooit het roer volledig om in de richting van hergebruik, waardoor de dranksector voor schut wordt gezet, wat ook tot een vorm van discriminatie leidt van buitenlandse producenten;

­ Men kiest op dogmatische wijze voor het promoten van hergebruikbare verpakkingen aangezien er geen objectieve, wetenschappelijke analyse aan de basis van het ontwerp ligt;

­ De consument is geen vragende partij en zal zijn gedrag niet wijzigen;

­ Het ter bespreking liggende ontwerp dient veeleer budgettaire doelstellingen dan milieudoelstellingen;

­ De wijze waarop men in dit ontwerp de gewettigdheid van het gedifferentieerd fiscaal stelsel bepleit is achterhaald;

­ De invoering van de verpakkingsheffing zal een nadelige invloed hebben op de grenshandel;

­ De consument zal voortaan driemaal belast worden bij de aanschaf van een niet-hergebruikbare drankverpakking : groen punt, verpakkingsheffing en gemeentelijke of gewestelijke afvalstoffenheffing;

­ De voorgestelde regeling heeft een asociaal karakter;

­ De kleinhandelszaken worden benadeeld omdat ze onvoldoende opslagruimte hebben om hergebruikbare flessen op te slaan. De KMO's worden ook gediscrimineerd vermits ze niet beschikken over twee verpakkingslijnen, één voor hergebruikbare verpakkingen en één voor wegwerpverpakkingen.

Voor de volledige tekst van de uiteenzetting van de heer Caluwé, zie Kamerverslag, nr. 50-1912/8, blz. 85 tot 93.

De heer Caluwé heeft ook juridische en procedurele bezwaren. Volgens het advies van de Raad van State zijn verschillende delen van het ontwerp in strijd met de Grondwet. Zo vermeldt het ontwerp niet waarom de Koning gemachtigd wordt om zelf de tarieven te bepalen. Er zijn ook geen termijnen vastgesteld voor de wettelijke bekrachtiging van die bepalingen, wat de rechtszekerheid niet ten goede komt.

Daarom vraagt hij dat een oplossing gevonden wordt voor die toestand of, bij gebrek hieraan, dat de bepalingen niet uitgevoerd worden. Het lid verwijst dan ook naar amendement nr. 11, dat artikel 35 als eerste, vóór de rest van de wet, in werking wil laten treden.

Zijn voornaamste bezwaar tegen het wetsontwerp betreft het advies dat de Europese Commissie op 4 december ingevolge een notificatie gegeven heeft. Dat advies werd niet aan de Kamer meegedeeld, terwijl die toch het wetsontwerp aan het bespreken was. Het negatieve advies van de Europese Commissie wordt wel vermeld in het advies van de Raad van State, dat de oppositie gevraagd had. De regering is dus verplicht geweest het advies aan de Kamer mee te delen. Als de oppositie het advies van de Raad van State niet gevraagd had, zou noch de Kamer, noch de Senaat, inzage gekregen hebben van het advies van de Europese Commissie.

De Europese Commissie wijst er zeer duidelijk op dat het ontwerp verschillende maatregelen inhoudt die als maatregelen met een gelijkwaardig gevolg beschouwd kunnen worden, die door artikel 28 van het Verdrag verboden zijn. Het lid vraagt dat de Senaat zijn rol vervult door een ontwerp dat volgens de Europese Commissie strijdig met het Europees Verdrag, niet goed te keuren. Ofwel wacht men de verbeteringen die de regering zelf aanbrengt om de tekst in overeenstemming te brengen, ofwel brengt de Senaat die verbeteringen zelf aan. De heer Caluwé wacht op een antwoord van de regering.

De minister antwoordt dat deze kwestie reeds tweemaal besproken is : eenmaal in de Kamer en dan nog eens in de Senaat naar aanleiding van een vraag van de heer Roelants du Vivier.

De heer Malcorps verbaast zich over het standpunt van de heer Caluwé. De CD&V heeft een kruistocht gelanceerd tegen het hergebruik van verpakkingen, terwijl men het er toch al jaren over eens is dat de voorkeur moet gaan naar hergebruik boven recyclage. Dat principe is trouwens in Vlaanderen ingevoerd door Theo Kelchtermans in zijn afvalbeleid. Dat principe wordt toegepast in alle plannen inzake afval, net als in dit ontwerp. Het is aanvaard op Europees vlak en in het kader van het FOST PLUS-plan. Als men de levenscycli analyseert, komt men tot dezelfde conclusie. Het hergebruik van afval is aangewezen vanwege de gevolgen voor het milieu en de energiekosten.

De heer Malcorps benadrukt overigens dat aan het FOST PLUS-plan ook nadelen kleven, die men onderschat heeft. Enerzijds worden niet alle verpakkingen teruggenomen, anderzijds is het niet altijd mogelijk om na te gaan of de verpakkingen die naar het buitenland gaan, ook effectief gerecycleerd worden.

Volgens de senator beweert de CD&V ten onrechte dat de regering maar één alternatief overlaat : namelijk het hergebruik van glazen flessen. Plastic- en PETflessen kunnen ook opnieuw gebruikt worden.

De minister herhaalt wat hij reeds in de commissie heeft geantwoord aan de heer Roelants du Vivier over het advies van de Europese Commissie. De regering heeft een eerste brief gestuurd in juli en een antwoord gekregen in december.

De regering bereidt haar antwoord voor en zal haar besprekingen met de commissie voortzetten. Als de uitvoeringsbesluiten aangepast moeten worden, zal de regering dat in elk geval doen.

Wat het debat aangaande recyclage versus hergebruik betreft, de regering heeft die twee systemen op gelijke voet willen behandelen. Er is geen enkele reden om wat FOST PLUS doet te bestraffen. Alle belastingverlagingen waarin het ontwerp voorziet, gelden voor het hergebruik. Voor recyclage zal dat ook het geval zijn, maar dan onder voorwaarden die worden vastgesteld bij koninklijk besluit. Het percentage van gerecycleerd materiaal vereist om in aanmerking te komen voor de belastingverlaging zal worden vastgesteld op 50 % voor alle producten, behalve voor het gekleurd glas waarvoor men 70 % moet bereiken.

De heer Caluwé komt terug op de bezwaren van de Europese Commissie. Vooral met betrekking tot het verplichte registratienummer op de verpakkingen, zal de wetgeving uiteindelijk moeten worden gewijzigd.

3. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

De heren Steverlynck en Caluwé dienen een aantal amendementen in (zie stuk Senaat, nr. 2-1395/2).

Artikel 11

De heren Caluwé en Steverlynck dienen een amendement nr. 1 in, dat strekt tot aanvulling van artikel 371, § 3, eerste lid, 1º, van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur, als volgt : « en de verpakkingen voor vruchten en groentensappen van de GN-code 2009 ».

De heer Steverlynck verwijst naar de verantwoording bij het amendement.

De heren Caluwé en Steverlynck dienen eveneens een amendement nr. 2 in, dat ertoe strekt het artikel 371, § 3, aan te vullen met een nieuw lid.

De heer Steverlynck doet voorlezing van het amendement en de verantwoording.

De heren Caluwé en Steverlynck stellen een amendement nr. 3 ­ subsidiair amendement op amendement nr. 2 ­ voor, dat het artikel 371, § 3, aanvult met een nieuw lid.

Opnieuw verwijst de heer Steverlynck naar de verantwoording bij dit amendement.

Artikel 17

De heren Caluwé en Steverlynck dienen amendement nr. 4 in, waarbij het eerste streepje vervangen wordt als volgt :

­ in het eerste lid, worden de woorden « oplossingsmiddelen en bestrijdingsmiddelen » vervangen door de woorden « en de oplossingsmiddelen ». De heer Steverlynck verwijst naar de verantwoording bij het amendement.

De heren Caluwé en Steverlynck stellen bij hetzelfde artikel een amendement nr. 5 voor, dat in het tweede streepje, de woorden « tweede lid » wil vervangen door de woorden « eerste lid, tweede zin ».Volgens de heer Steverlynck gaat het hier om een legistieke verbetering.

De minister zal nagaan of amendement nr. 5 niet louter een tekstcorrectie voorstelt.

De indieners weigeren echter hun amendement in te trekken en de wijziging als een tekstcorrectie te accepteren.

Artikel 22

De heren Caluwé en Steverlynck stellen een amendement nr. 6 voor, waarbij § 3 van het voorgestelde artikel 391 vervangen wordt.

De heer Steverlynck doet voorlezing van het amendement en de verantwoording erbij.

Artikel 23

Bij dit artikel stellen de heren Caluwé en Steverlynck amendement nr. 7 voor om § 2 te vervangen.

De verantwoording is identiek met die bij het amendement nr. 6.

Artikel 29

De heren Caluwé en Steverlynck stellen amendement nr. 8 voor, waarbij in het 2º de getallen « 383, 384 », vervangen worden door de getallen « 372, 3º, 383, 384 en 391 ».

De heer Steverlynck doet voorlezing van de verantwoording bij het amendement.

Artikel 31

De heren Caluwé en Steverlynck dienen op dit artikel amendement nr. 9 in, dat het voorgestelde artikel 401bis, tweede lid, in fine aanvult.

Dit amendement herneemt voor een stuk het amendement nr. 30 zoals het werd ingediend in de Kamer. Volgens de heer Steverlynck steunt de Raad van State dit amendement in zijn advies nr. 34.544/2 van 12 december 2002.

Artikel 35

De heren Caluwé en Steverlynck dienen amendement nr. 10 in, dat strekt tot het aanbrengen van wijzigingen in hoofdstuk V.

De heer Steverlynck stelt dat de voorgestelde wijzigingen betrekking hebben op de eerder afgeschafte opvolgingscommissie.

Artikel 36 (nieuw)

De heren Caluwé en Steverlynck dienen amendement nr. 11 in, dat strekt tot toevoeging van een artikel 36.

Het herneemt het in de Kamer ingediende amendement nr. 32 en heeft betrekking op de inwerkingtreding. Ook dit amendement geniet volgens de indieners de goedkeuring van de Raad van State (zie stuk Kamer, nr. 50-1912/11).

De minister verzoekt de commissie de tekst als overgezonden door de Kamer te willen behouden.

4. STEMMINGEN

De amendementen nrs. 1 tot 11 worden verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 8 tegen 2 stemmen.

Dit verslag wordt eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Jacky MORAEL. Paul DE GRAUWE.

De door de commissie aangenomen tekst
is dezelfde als de tekst van het door
de Kamer van volksvertegenwoordigers
overgezonden ontwerp
(zie stuk Kamer, nr. 50-1912/13)