2-12/22 | 2-12/22 |
4 DECEMBER 2002
Dit bicamerale wetsontwerp was oorspronkelijk een wetsvoorstel ingediend door de heer Mahoux c.s. De tekst werd door de Senaat goedgekeurd op 21 december 2001 en overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De Kamer heeft de tekst na amendering met 93 tegen 13 stemmen bij 25 onthoudingen goedgekeurd en op 17 oktober 2002 naar de Senaat teruggezonden.
De commissie voor de Justitie heeft het ontwerp tijdens haar vergaderingen van 5 en 12 november 2002 in aanwezigheid van de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid behandeld.
De commissie heeft besloten één enkele algemene bespreking te wijden aan dit wetsontwerp (stuk Senaat, nr. 2-12) en aan het wetsontwerp tot versterking van de wetgeving tegen het racisme (stuk Senaat, nr. 2-1258).
Zie stuk Senaat, nr. 2-1258/3.
Zie stuk Senaat, nr. 2-1258/3.
Opschrift
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 206 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat ertoe strekt het opschrift van het wetsontwerp te wijzigen.
Namens de indieners meldt mevrouw Staveaux-Van Steenberge dat het huidige opschrift van het wetsontwerp verkeerdelijk de indruk wekt dat het wetsontwerp de bestrijding van alle vormen van discriminatie beoogt, terwijl het bijvoorbeeld geen betrekking heeft op discriminatie op grond van iemands politieke overtuiging.
De minister meent dat het opschrift de bedoeling van het voorliggende wetsontwerp goed vertolkt.
Stemming
Amendement nr. 206 wordt verworpen met 5 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 1
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 207, (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat de kwalificatie van het ontwerp wil wijzigen. Volgens de indieners bevat het ontwerp vooral bepalingen die aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet regelen. Een uitzondering hierop is artikel 19 dat de organisatie van de hoven en rechtbanken betreft en dus een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelt. Bijgevolg stellen zij voor in artikel 1 te verwijzen naar de artikelen 77 en 78 van de Grondwet.
Stemmingen
Amendement nr. 207 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 1 wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 2
Amendement nr. 208
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 208 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) teneinde de politieke overtuiging toe te voegen aan de lijst van verboden discriminatiegronden.
Namens de indieners herinnert mevrouw Staveaux-Van Steenberge eraan dat dit begrip vermeld staat in vele internationale teksten die lidstaten verzoeken discriminatie op grond van politieke overtuiging te verbieden.
Mevrouw de T' Serclaes neemt deze gelegenheid te baat om eraan te herinneren dat zij discriminatie op grond van geslacht altijd heeft willen uitsluiten van het toepassingsgebied van het ontwerp. Zij betreurt dat dit standpunt niet gevolgd werd tijdens de eerste lezing maar wenst hiervoor niet opnieuw amendementen in te dienen bij de tweede behandeling om de besprekingen niet te vertragen. Tijdens de stemmingen zal zij zich dan ook onthouden bij alle bepalingen van het ontwerp die verwijzen naar discriminatie op grond van geslacht.
Amendement nr. 209
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 209 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat het woord « directe » in § 1 van artikel 2 wil doen vervallen.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge herinnert eraan dat de indieners van amendement nr. 209 (stuk Senaat, nr. 2-12/20) de indirecte discriminatie uit het toepassingsgebied van het ontwerp willen halen. In dat geval heeft het evenmin zin in § 1 de term « directe discriminatie » te gebruiken ter onderscheiding van « indirecte discriminatie ». Spreekster verwijst dienaangaande naar amendement nr. 214 (stuk Senaat, nr. 2-12/20).
Amendement nr. 210
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 210 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat het woord « zogenaamd » in § 1 wil doen vervallen.
De indieners zien hierin een gebrek aan coherentie met de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, waarin kortweg sprake is van « ras » als discriminatiegrond. Het is bovendien niet duidelijk wat « zogenaamd ras » concreet inhoudt, wat niet te rijmen valt met het vereiste van de voorzienbaarheid van strafbepalingen (interferentie van artikel 2 met artikel 6 van het wetsontwerp).
Amendement nr. 211
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 211 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat ertoe strekt in § 1 de woorden « geslacht, een zogenaamd ras, de huidskleur, de afkomst, de nationale of etnische afstamming » te doen vervallen.
Volgens de indieners verhelpt het amendement het gebrek aan samenhang dat is ontstaan door het naast elkaar bestaan van het wetsontwerp en, enerzijds, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en, anderzijds, de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid.
Amendement nr. 212
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 212 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat ertoe strekt in § 1 het woord « de huidskleur » te doen vervallen.
Namens de indieners verklaart mevrouw Staveaux-Van Steenberge dat de verwijzing naar de huidskleur volstrekt overbodig is, aangezien die een fysieke eigenschap is en dus altijd een verboden discriminatiegrond vormt.
Amendement nr. 213
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 213 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat wil verduidelijken dat het de discriminaties op grond van de homoseksuele of heteroseksuele geaardheid zijn die verboden zijn.
De indieners willen vermijden dat door een te ruime interpretatie van het ontwerpartikel 2, personen met pedofiele neigingen zich op deze bepaling zouden kunnen beroepen.
De heer Mahoux antwoordt dat wat strijdig is met de wet natuurlijk niet toegestaan is. Het amendement is dus overbodig.
Amendement nr. 214
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 214 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) om § 2 van artikel 2 te doen vervallen.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge herinnert eraan dat door de combinatie van artikel 2, § 2, en artikel 6 ook de « indirecte » discriminatie behouden wordt als strafbaar feit. De Raad van State heeft het gebruik van deze term expliciet veroordeeld als « te vaag » in een strafwet, omdat de particulieren niet kunnen voorzien wat strafbaar zal zijn en wat niet. Spreekster vraagt dan ook dat de indirecte discriminatie uit het toepassingsgebied van de wet gehaald wordt.
Amendement nr. 215
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 215 in (amendement nr. 215, subsidiair op amendement nr. 214, stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat § 2 van artikel 2 wil vervangen.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge meent dat als men wil dat het ontwerp ook van toepassing is op indirecte discriminatie, dit begrip duidelijker omschreven moet worden. Er moet dus duidelijk bepaald worden dat er slechts sprake is van indirecte discriminatie, indien het schadelijke gevolg van een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen treft omwille van hun ras, afkomst, geboorte, geslacht, burgerlijke stand, geloof of levensbeschouwing ... Bovendien strekt het amendement ertoe « indirecte discriminatie » te beperken tot die gevallen, waarbij het schadeljke gevolg het oogmerk was dat met de bepaling, de maatstaf of de handelwijze werd nagestreefd.
Onderhavig amendement komt tegemoet aan de kritiek in het tweede advies van de Raad van State die stelt dat het ontwerp behoort aangevuld te worden om een betere omschrijving te geven van het opzet dat moet worden toegeschreven aan degene die zich schuldig gemaakt heeft aan discriminatie.
Amendement nr. 261
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 261 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) strekkende om § 2 van artikel 2 te vervangen teneinde het begrip indirecte discriminatie nauwkeuriger te omschrijven.
Spreekster meent dat het opzet, dat bij degene die zich schuldig maakt aan discriminatie aanwezig moet zijn, beter omschreven moet worden : ofwel heeft de betrokkene de daad wetens en willens gedaan, ofwel diende hij op basis van de informatie waarover hij beschikte te weten dat hij zich aan discriminatie schuldig heeft gemaakt. Dit amendement sluit aan bij de opmerkingen terzake van de Raad van State in zijn advies nr. 32.967.
De minister merkt op dat het begrip indirecte discriminatie juist werd ingevoerd voor gevallen waarin een vorm van discriminatie begaan werd zonder dat de dader zich daarvan noodzakelijkerwijze bewust was.
De algemene definitie van indirecte discriminatie in artikel 2, § 2, geldt in strafzaken (het aanzetten tot discriminatie en discriminatie door ambtenaren) doch vooral in burgerrechtelijke zaken. Door het opzet in de definitie op te nemen zou het amendement tot gevolg hebben dat de betekenis van het begrip indirecte discriminatie uit burgerrechtelijk oogpunt niet meer strookt met de Europese richtlijnen.
Het opzet hoeft er niet te zijn op burgerrechtelijk vlak, maar is een vereiste op strafrechtelijk vlak. Spreker herinnert eraan dat indirecte discriminatie slechts een beperkt toepassingsgebied heeft op strafrechtelijk vlak : het ontwerp erkent alleen de indirecte discriminatie door een ambtenaar. Het ontwerp doet op dit punt geenszins afbreuk aan het principe van het gewone strafrecht dat wil dat de daad met opzet gepleegd is.
Mevrouw de T' Serclaes meent dat het onderscheid dat de minister maakt tussen het burgerrechtelijk aspect van de indirecte discriminatie, waarbij het opzet geen rol speelt, en het strafrechtelijk aspect, waarbij het opzet vereist is, niet duidelijk blijkt uit het dispostief, wat een juiste interpretatie van de tekst in de weg staat.
De minister antwoordt dat de tekst een nieuw misdrijf invoert voor de ambtenaar die discriminerend handelt. Het is niet nodig in de tekst zelf te herhalen dat de algemene beginselen van het strafrecht van toepassing zijn op dit nieuwe misdrijf. Voor alle duidelijkheid werd er tijdens de besprekingen wel aan herinnerd dat de regels inzake het opzet van toepassing zijn.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge verwondert zich erover dat de minister reageert op amendement nr. 261 van mevrouw Nyssens terwijl zij geen enkele commentaar gegeven heeft op haar amendement nr. 215 dat nochtans hetzelfde beoogt.
Amendement nr. 216
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 216 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat ertoe strekt op de lijst van verboden discriminatiegronden, die te schrappen over het verspreiden, publiceren of het openbaar maken van een tekst, een bericht, een teken of enig andere drager van discriminerende uitlatingen.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge vindt dat de voorgestelde bepaling te ver gaat. Enerzijds is het niet vereist dat een slachtoffer schade heeft opgelopen of dat de publicatie een beledigend karakter heeft.
Anderzijds tracht de overheid hierdoor, zoals terecht is aangegeven door de Raad van State, aldus haar dogma's inzake « discriminatie » via de strafwet op te leggen aan de bevolking; via het vorderingsrecht van groeperingen wordt aldus bijvoorbeeld de jacht van militante homogroepen op conservatief-christelijke groepen voor open verklaard.
Amendementen nrs. 217, 218 en 219
De amendementen nrs. 217, 218 en 219 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) worden zonder bespreking in stemming gebracht.
Amendementen nrs. 192 en 193
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen de amendementen nrs. 192 en 193 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20). Namens de indieners verwijst de heer Vandenberghe naar de tekst en de verantwoording van de amendementen, omdat hij van oordeel is dat de manier waarop de besprekingen gevoerd worden ieder zinnig debat onmogelijk maakt.
De heer Mahoux vindt dat aan de doelstellingen van de amendementen nrs. 192 en 193 reeds tegemoet gekomen is bij de eerste lezing in de Senaat. Toen werd immers verduidelijkt dat de algemene wet ter bestrijding van discriminatie geen afbreuk doet aan de grondrechten die vervat zijn in de Grondwet en in de internationale verdragen betreffende de rechten van de mens.
Amendement nr. 204
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 204 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat § 5 van artikel 2 wil aanvullen met de bepaling dat organisaties waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd, van de personen die voor hen werkzaam zijn een houding van goede trouw en loyauteit aan de grondslag van de organisatie kunnen verlangen. De indienster wijst erop dat de tekst van dit amendement ontleend is aan artikel 4 van richtlijn 2000/78/EG.
De minister merkt op dat de Kamer van volksvertegenwoordigers in artikel 2, § 5, de tekst van de richtlijn over de essentiële en bepalende beroepsvereisten heeft opgenomen. Amendement nr. 204 neemt een bepaling van de richtlijn over die het algemene beginsel van de essentiële beroepsvereiste alleen maar expliciteert zonder een echte norm toe te voegen. De regering heeft ervoor gekozen in de wet alleen de essentiële bepalingen van de richtlijn op te nemen. De verklarende bepalingen van de richtlijn zijn een leidraad voor de interpretatie van de wet. Om de leesbaarheid te bevorderen neemt het ontwerp alleen de normatieve bepalingen van de richtlijn over.
Stemmingen
De amendementen nrs. 208 tot 218 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Amendement nr. 261 van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
De amendementen nrs. 192 en 193 van de heer Vandenberghe en Mevrouw De Schamphelaere worden verworpen door 7 tegen 3 stemmen bij 1 onthouding.
Amendement nr. 204 van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
Amendement nr. 219 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 2 wordt aangenomen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.
Artikel 2bis (nieuw)
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 220 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) teneinde een artikel 2bis (nieuw) in het ontwerp in te voegen. Volgens de indieners moet de interne organisatie van de erkende religieuze en levensbeschouwelijke organisaties uitgesloten worden van het toepassingsgebied van de wet.
Stemming
Amendement nr. 220 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 3
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 221 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat artikel 3 wil doen vervallen. De indieners verwijzen naar de verantwoording bij het amendement.
Stemmingen
Amendement nr. 221 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 3 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 4
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen de amendementen nrs. 194 en 195 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20). Namens de indieners verwijst de heer Vandenberghe naar de tekst van de amendementen en de verantwoording. De amendementen worden zonder bespreking in stemming gebracht.
Stemmingen
De amendementen nrs. 194 en 195 worden verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 4 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 5
Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Stemming
Artikel 5 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 5bis (nieuw)
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 203 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat ertoe strekt een artikel 5bis (nieuw) in te voegen in het ontwerp. Het amendement heeft tot doel verschillen in behandeling op grond van leeftijd mogelijk te maken met het oog op de verwezenlijking van redelijke en legitieme doelstellingen van het beleid.
De minister verwijst naar de bespreking van amendement nr. 204. De regel die men met amendement nr. 203 in het ontwerp wil invoeren, licht het begrip discriminatie alleen toe. Spreekster vindt het geen goed idee om in de wet een eindeloos aantal voorbeelden bij het algemene principe te geven.
Mevrouw Nyssens vraagt waarom men dan in de Europese richtlijn wel uitdrukkelijk een reeks uitzonderingen op het principe van de gelijke behandeling vermeldt.
De minister antwoordt dat in dit wetsontwerp een andere werkwijze wordt gehanteerd dan op Europees niveau.
Volgens de Europese richtlijn is elk verschil in behandeling een vorm van discriminatie. Daarom moet in de richtlijn uitdrukkelijk worden vermeld welke verschillen in behandeling niet worden beschouwd als discriminatie.
In dit ontwerp wordt een verschil in behandeling enkel als discriminatie beschouwd als het niet redelijk en objectief gerechtvaardigd is. In deze optiek is het niet nodig om een hele reeks situaties op te sommen waarin redelijke en objectieve verschillen in behandeling worden gehanteerd, aangezien die reeds krachtens de algemene regel toegestaan zijn.
De heer Mahoux herinnert eraan dat het ontwerp niet tot doel heeft verschillen in behandeling te verbieden maar discriminatie wel. Pas wanneer een verschil in behandeling discriminerend is, is het verboden en zijn rechtsvorderingen burgerrechtelijke en strafrechtelijke mogelijk.
Stemmingen
Amendement nr. 203 van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 6
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen de amendementen nrs. 196 en 197 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20). Namens de indieners verwijst de heer Vandenberghe naar de tekst van de amendementen en naar de verantwoording.
De amendementen nrs. 222 tot 226 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) worden zonder bespreking ter stemming voorgelegd.
Stemmingen
Amendement nr. 196 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen.
Amendement nr. 197 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.
De amendementen nrs. 222 tot 226 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem stem bij 1 onthouding.
Artikel 6 wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 7
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen de amendementen nrs. 198, 199 en 200 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20). Namens de indieners verwijst de heer Vandenberghe naar de tekst van de amendementen en naar de verantwoording.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen de amendementen nrs. 227 en 228 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20). Namens de indieners verwijst mevrouw Staveaux-Van Steenberge naar de tekst van de amendementen en naar de verantwoording.
Mevrouw de T' Serclaes merkt op dat de Kamer het systeem van de verwerpelijke beweegredenen volledig heeft gewijzigd. De straffen worden verzwaard als één van de beweegredenen van de misdaad of het wanbedrijf overeenstemt met één van de in het ontwerp vastgestelde discriminatiegronden. Spreekster vraagt of dit wel een logische aanpak is. Hoe kan de beweegreden voor discriminatie beschouwd worden als een verzwarende omstandigheid terwijl het reeds een constitutief element van het misdrijf vormt ?
De minister antwoordt dat de regering er bij het opstellen van de amendementen die hierover in de Kamer zijn ingediend, op heeft toegezien dat er geen overlapping was tussen het basismisdrijf en de constitutieve elementen van de verzwarende omstandigheid.
Mevrouw de T' Serclaes geeft het voorbeeld van discriminatie op basis van leeftijd. In een reeks bepalingen uit het Strafwetboek worden met het oog op de betere bescherming van minderjarigen de straffen verzwaard voor wanbedrijven tegen hen gepleegd. Moet die straf dan, overeenkomstig dit ontwerp, nog worden verzwaard ?
Stemmingen
De amendementen nrs. 198 tot 200 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere worden verworpen met 8 tegen 3 stemmen.
De amendementen nrs. 227 en 228 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen door 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 7 wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 8
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 229 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat ertoe strekt artikel 8 te doen vervallen.
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 230 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 405quater de woorden « huidige of toekomstige » te doen vervallen.
Stemmingen
De amendementen nrs. 229 en 230 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 8 wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 9
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 231 in, dat ertoe strekt artikel 9 te doen vervallen.
Stemmingen
Amendement nr. 231 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 9 wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 10
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 232 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20), dat ertoe strekt artikel 10 te doen vervallen.
Stemmingen
Amendement nr. 232 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 9 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 11
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendement nr. 233 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20), dat ertoe strekt artikel 11 te doen vervallen.
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 201 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat ertoe strekt een stuitende incoherentie in het voorgestelde artikel 11 te herstellen. De inleidende zin van dit artikel strekt ertoe een artikel 442ter in te voegen in het Strafwetboek, terwijl in de tekst zelf sprake is van artikel 422bis.
De minister erkent dat het een materiële fout betreft die kan worden rechtgezet zonder dat een amendement nodig is.
Stemmingen
Amendement nr. 233 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Amendement nr. 201 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt verworpen met 7 tegen 4 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 11 wordt aangenomen door 9 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 12
Amendement nr. 234 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt in stemming gebracht zonder bespreking.
Stemmingen
Amendement nr. 234 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 12 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 13
Amendement nr. 235 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt in stemming gebracht zonder bespreking.
Stemmingen
Amendement nr. 235 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 13 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 14
Amendement nr. 236 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt in stemming gebracht zonder bespreking.
Stemmingen
Amendement nr. 236 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 14 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Artikel 15
Amendement nr. 237 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt in stemming gebracht zonder bespreking.
Stemmingen
Amendement nr. 237 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 15 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikelen 16 en 17
Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.
Stemmingen
De artikelen 16 en 17 worden aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 18
Amendement nr. 238 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt in stemming gebracht zonder bespreking.
Stemmingen
Amendement nr. 238 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 18 wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 19
Amendementen nrs. 239 tot 244
De amendementen nrs. 239 tot 244 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) worden in stemming gebracht zonder bespreking.
Amendement nr. 202
De heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere dienen amendement nr. 202 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20). Namens de indieners verwijst de heer Vandenberghe naar de tekst van de amendementen en naar de verantwoording.
Amendement nr. 262
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 262 (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat de voorwaarden voor de omkering van de bewijslast bij een discriminatie wil verduidelijken.
De indienster treedt het idee bij van een omkering van de bewijslast zoals bedoeld in de Europese richtlijnen. Ook stemt zij in met het idee van de indiener van het voorstel om het gebruik van een praktijktest mogelijk te maken. Zij betreurt echter dat het ontwerp geen rekening houdt met de opmerkingen van de Raad van State en van de Nationale Arbeidsraad.
Zo meent de Raad van State dat de bevoegdheid van de Koning om de nadere regels voor de uitvoering van de praktijktest uit te werken, te ruim opgevat is. Mevrouw Nyssens is van oordeel dat de algemene beginselen van de praktijktest door de wetgever vastgelegd moeten worden.
De heer Mahoux antwoordt dat het normaal is dat de wetgever de Koning machtigt om de praktijktest te regelen. Deze tests, en de statistische gegevens, dienen alleen om vast te stellen dat op burgerrechtelijk vlak, de bewijslast op een bepaald ogenblik omgekeerd is. Hij herinnert eraan dat de Raad van State zich altijd zeer terughoudend heeft opgesteld wanneer de wetgever de bewijslast heeft willen omkeren.
Voor spreker is de omkering van de bewijslast aanvaardbaar omdat het een nuttige manier is om discriminaties die wel degelijk bestaan, te doen stoppen. Het is een politieke keuze die de zwakste partij een steun in de rug geeft.
Mevrouw Nyssens treedt deze zienswijze bij. Zij voegt er wel aan toe dat het bij omkering van de bewijslast voor de andere partij soms moeilijk is te bewijzen dat zij geen discriminatie begaan heeft. Zij pleit ervoor dat de wetgever de voorwaarden voor een omkering van de bewijslast en het algemene kader van de praktijktest duidelijker omschrijft.
De heer Mahoux merkt op dat de partij die een praktijktest moet ondergaan niet het bewijs moet leveren van een negatief feit; zij moet bewijzen dat de gestelde daad niet discriminerend is.
Amendement nr. 205
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 205 (stuk Senaat, nr. 2-12/20) strekkende om te bepalen dat de Koning de Nationale Arbeidsraad moet betrekken bij de totstandkoming van het koninklijk besluit dat de nadere regels betreffende de praktijktest bepaalt.
De minister wijst erop dat de Nationale Arbeidsraad gevraagd heeft om geraadpleegd te worden over het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de praktijktest en de regering het ontwerpbesluit voor advies aan de NAR zal voorleggen.
Amendementen nrs. 263 tot 266
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 263 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat wil bepalen dat de praktijktest kan leiden tot een vermoeden van discriminatie. De indienster meent dat de formulering van § 4 op dat punt zeer onduidelijk is. Voor het overige verwijst zij naar de documenten van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebesrtrijding.
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 264 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat in artikel 19 van het ontwerp de minimumvoorwaarden wil vastleggen waaraan voldaan moet zijn om de praktijktest als bewijsmiddel te kunnen aanvaarden. De indienster verwijst in het bijzonder naar het advies van de Raad van State die ervoor waarschuwt dat de praktijktest als een uitlokking beschouwd kan worden.
De heer Mahoux merkt op dat iedere uitlokking de nietigheid van de procedure voor de bewijsgaring tot gevolg heeft. De beoordeling over het al dan niet uitlokkende karakter is voor discussie vatbaar. Het komt aan de rechter toe daarover te oordelen. Als de rechter oordeelt dat er sprake is van uitlokking, zal hij de praktijktest verwerpen.
Mevrouw Nyssens vraagt nadere uitleg over de beoordelingsbevoegdheid van de rechter aan wie een praktijktest voorgelegd wordt.
De minister verwijst naar de procedure in het ontwerp : de partij die zich gediscrimineerd acht, legt de rechter een praktijktest of statistische gegevens voor. Als de rechter oordeelt dat dit gegeven a priori overtuigend is, zal er een omkering van de bewijslast zijn.
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 265 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20), dat ertoe strekt te bepalen dat de Koning niet alleen de uitvoeringsbepalingen maar ook de toelaatbaarheidsvoorwaarden met betrekking tot de praktijktest vaststelt.
Mevrouw Nyssens dient amendement nr. 266 (stuk Senaat, nr. 2-12/20) dat wil bepalen dat er duidelijke aanwijzingen voor discriminatie moeten zijn om een praktijktest of statistische gegevens te mogen gebruiken. De indiener meent dat het amendement tegemoet komt aan de bezwaren van de Raad van State in zijn advies nr. 32.967/2 (stuk Kamer, nr. 50-1578/002).
De minister herinnert eraan dat het ontwerp alleen voor burgerrechtelijke zaken in de omkering van de bewijslast voorziet. De discussie over de uitlokking heeft zin in een strafrechtelijke context. Spreekster meent dat amendement nr. 264 de uitvoerbaarheid van de praktijktest al te zeer beperkt, waardoor hij nog maar weinig nut zou hebben.
De heer Vandenberghe is het daar niet mee eens. De strafbaarstelling van de discriminatie is zeer ruim geformuleerd. Wanneer na afloop van een burgerrechtelijke procedure, met een praktijktest en een omkering van de bewijslast, de rechter besluit dat een discriminatie begaan werd, wordt dat een strafbaar feit. De praktijktest heeft bijgevolg indirecte gevolgen op strafrechtelijk vlak.
Mevrouw Nyssens herinnert eraan dat zij een wetsvoorstel heeft ingediend om een onderscheid te maken tussen de strafrechtelijke en de burgerrechtelijke onrechtmatige daden, waardoor het probleem dat de vorige spreker aankaart, voorkomen kan worden.
Stemmingen
De amendementen nrs. 239 tot 244 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Amendement nr. 202 van de heer Vandenberghe en mevrouw De Schamphelaere wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
De amendementen nrs. 205 en 263 tot 266 van mevrouw Nyssens worden verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Amendement nr. 262 A van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Amendement nr. 262 B van mevrouw Nyssens wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 19 wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.
Artikel 20
Mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder dienen amendementen nrs. 245 en 246 in (stuk Senaat, nr. 2-12/20) in. Namens de indieners verwijst mevrouw Staveaux-Van Steenberge naar de tekst van de amendementen en naar de verantwoording.
Stemmingen
De amendementen nrs. 245 en 246 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 20 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 21
Amendement nr. 247 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt zonder bespreking in stemming gebracht.
Stemmingen
Amendement nr. 247 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 21 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 22
Amendement nr. 248 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt zonder bespreking in stemming gebracht.
Stemmingen
Amendement nr. 248 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 22 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 23
De amendementen nrs. 249 tot 252 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) worden zonder bespreking in stemming gebracht.
Stemmingen
De amendementen nrs. 249 tot 252 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 23 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 24
De amendementen nrs. 253 en 254 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) worden zonder bespreking in stemming gebracht.
Stemmingen
De amendementen nrs. 253 en 254 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 24 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikelen 25 en 26
Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.
Stemmingen
De artikelen 25 en 26 worden aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 27
Amendement nr. 255 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt zonder bespreking in stemming gebracht.
Stemmingen
Amendement nr. 255 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 27 wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 28
Amendement nr. 256 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) wordt zonder bespreking in stemming gebracht.
Stemmingen
Amendement nr. 256 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 28 wordt aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem.
Artikelen 29 en 30
Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt.
Stemmingen
De artikelen 29 en 30 worden aangenomen met 11 stemmen tegen 1 stem.
Artikel 31
De amendementen nrs. 257 tot 260 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder (stuk Senaat, nr. 2-12/20) worden zonder bespreking in stemming gebracht.
Stemmingen
De amendementen nrs. 257 tot 260 van mevrouw Staveaux-Van Steenberge en de heer Ceder worden verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Artikel 31 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.
Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.
| De rapporteurs, | De voorzitter, |
| Jean-François ISTASSE. Meryem KAÇAR. |
Josy DUBIÉ. |
De door de commissie aangenomen tekst
is dezelfde als de tekst
van het door de Kamer geamendeerde ontwerp
(zie stuk Kamer nr. 50-1578/12 2001-2002)