Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-57

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties belast met Middenstand

Vraag nr. 2124 van de heer Vandenberghe d.d. 27 mei 2002 (N.) :
Nieuw ondernemerschap in België. ­ Zwakke positie. ­ Aanmoediging.

Het Studiecentrum voor ondernemerschap stelde op 16 mei 2002 het zevende, lijvige rapport over de Europese KMO's voor.

Een belangrijke vaststelling van de onderzoekers is dat België met amper 4,6 % « nieuw ondernemerschap » onderaan de lijst bengelt. Met het percentage « nieuw ondernemerschap » bedoelt het Europees Centrum voor ondernemerschap het procentueel aantal van de 18- tot 64-jarigen dat bezig is met een nieuw of een relatief jong bedrijf.

Als oorzaak halen de onderzoekers de torenhoge belastingsdruk van 58 % aan, waardoor mensen worden afgeschrikt om nieuwe initiatieven te nemen.

Vermits belastingen hoofdzakelijk gebruikt worden om de uitgaven van de overheid te bekostigen, toonden de onderzoekers hetzelfde verband aan met overheidsbemoeienis : hoe meer geld de Staat nodig heeft, hoe minder nieuwe entrepreneurs zich aandienen.

Graag had ik van de minister het volgende vernomen :

1. Welke conclusies trekt u uit het rapport van het Studiecentrum voor ondernemerschap ?

2. Welke maatregelen zal u op korte termijn nemen om het « nieuw ondernemerschap » aan te moedigen ?

Antwoord : Hiermee deel ik het geachte lid het volgende mee :

1. Ik wens er meteen op te wijzen dat de statistieken waaraan het geachte lid refeert zijn opgesteld naar aanleiding van een telefonische enquête bij een beperkte steekproef van operatoren. Dit soort vergelijkende studies dat wereldwijd wordt gevoerd lijkt sterk op opiniepeilingen waarvan bekend is dat zij vluchtig en relatief zijn. Als voorbeeld kan worden aangehaald dat de automatische toepassing van het percentage van 4,6 % nieuw ondernemerschap op de actieve Belgische bevolking tot gevolg zou hebben dat ons volledige ondernemingenbestand in drie jaar tijd zou worden vervangen. Ik merk in de resultaten van de aangehaalde enquête evenwel dat de gemiddelde rendabiliteit van de Belgische KMO's duidelijk beter is dan in sommige buurlanden. Dat zou kunnen betekenen dat het ondernemingenbestand overeenstemt met het aantal dat de markt redelijkerwijs aankan.

De belangrijkste vraag op beleidsniveau in verband met nieuw ondernemerschap is dan ook de volgende : is het belangrijker om een zo groot mogelijk aantal nieuwe ondernemers te hebben, in om het even welke voorwaarden en met een mogelijk aanzienlijk percentage mislukkingen dan een gediversifieerd en preventief beleid te voeren dat beginnende ondernemers de beste kans op slagen biedt (basisopleiding en permanente opleiding, aan de verschillende levensfasen aangepaste financiering, professionele ondersteunende diensten, snelle opsporing van moeilijkheden ?

Uitgaande van de uitgebreide statistieken betreffende de nieuwe inschrijvingen bij de BTW en in het handelsregister (HR) of van de door Eurostat geharmoniseerde bedrijvenstatistieken, kom ik tot veel genuanceerder conclusies. Vooreerst moet ook worden aangestipt dat ons land een zeer hoge bedrijvendichtheid heeft ­ uitgedrukt in aantal ondernemingen per 1 000 inwoners ­ vooral voor KMO's. Er zijn bij ons bijvoorbeeld meer KMO's dan in Nederland of Oostenrijk. Daardoor lijkt de marginale stijging van het ondernemingenbestand bij ons lager te zijn dan elders : het is moeilijk nog beter te doen als men het al zeer goed doet.

In verband met de nieuwe ondernemers wens ik op te merken dat het aantal eerste inschrijvingen in het HR en nieuwe BTW-inschrijvingen in 2000 hoger lag dan in 1999 en opnieuw het niveau haalt van 1998. De resultaten van 1999 waren immers gedaald als gevolg van de tenuitvoerlegging van de nieuwe wetsbepalingen betreffende de kennis van bedrijbeheer bij nieuwe ondernemers?

Is de toestand dan bevredigend ? Zeker niet. Ik ken een aantal gebreken van onze KMO's : vele zijn en blijven te klein; de financiering van investeringen zou meer gediversifieerd moeten zijn; heel wat bedrijfsleiders van familiebedrijven hebben geen duidelijke opvolger, enz...

2. Wat bepaalde elementen betreft die het in de bedoelde enquête aangehaalde percentage nieuwe ondernemers verklaren, wou ik graag eerst verwijzen naar enkele vanzelfsprekende feiten. De fiscale factor wordt belangrijk voor groeiende ondernemingen die winst maken. Voor « starters » is dit geen doorslaggevende veranderlijke. Overigens lijkt het « Europese sociale model » in het algemeen en het Belgische in het bijzonder mij te verkiezen boven dat van andere verre en exotische maatschappijen. Ik meen evenwel dat het noodzakelijk is dat het sociale statuut voor loontrekkenden en zelfstandigen in België zo neutraal mogelijk wordt wanneer het erop aankomt te besluiten tot de oprichting van een onderneming. Verder ben ik zo vrij het geachte lid te verwijzen naar de besluiten die de regering heeft genomen in verband met de hervorming van de personenbelasting en de vennootschapsbelasting en naar de belangrijke maatregelen die werden getroffen op het stuk van een uitbreiding van de financieringsmogelijkheden van het Participatiefonds.

Ons beleid inzake administratieve vereenvoudiging en, met name, de aanstaande invoering van de « enige loketten » voor formaliteiten voor beginnende ondernemers, zijn een ander onderdeel van deze inspanningen. Uiteraard beschikken de gemeenschappen en de gewesten over belangrijke mogelijkheden om het ondernemerschap al dan niet te stimuleren, respectievelijk via het onderwijs en via de economische expansie.